Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 februari 2012
Graag bied ik u hierbij de reactie aan op het verzoek van de vaste commissie voor
Buitenlandse Zaken van 20 januari 2012 met kenmerk 2012Z00820/2012D02104 inzake het Local Government Capacity Programma van VNG International.
De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
H. P. M. Knapen
In mijn brief aan Uw Kamer van 28 april 2011 (Kamerstuk 32 500 V, nr. 181) heb ik u laten weten voornemens te zijn de capaciteit van lokale (sub-nationale)
overheden in ontwikkelingslanden te helpen versterken met gebruikmaking van de kennis
en kunde waarover Nederlandse gemeenten en waterschappen beschikken. Ik benadrukte
in deze brief dat het hierbij niet gaat om het financieren van geïsoleerde stedenbanden,
maar om de programmatische inzet van bij de Nederlandse lokale overheid aanwezige
deskundigheid voor de uitvoering van het OS-beleid. Ook in mijn contacten met VNG
International heb ik, in lijn met gevoelens in Uw Kamer, onderstreept dat gemeentelijke
programma’s zich zouden moeten beperken tot het beschikbaar stellen van specifieke
gemeentelijke expertise. Programma’s mogen niet leiden tot een inflatie van overleg
en reizen.
Ik ben van mening dat lokaal bestuur een essentiële schakel is voor armoedebestrijding,
duurzame economische ontwikkeling en zelfredzaamheid als ook voor vredesopbouw. Ook
binnen de vier speerpunten van mijn beleid spelen lokale overheden een stimulerende,
faciliterende en regulerende rol die het voor de private sector en het maatschappelijk
middenveld mogelijk moet maken hun bijdrage te leveren aan ontwikkeling.
Met bovenstaande inzet is een subsidierichtlijn «Versterking lokaal bestuur» opgesteld
op basis waarvan VNG International op 18 oktober 2011 een subsidieaanvraag heeft ingediend.
Eind december 2011 is een subsidie toegekend van € 22,5 miljoen, voor een looptijd
van 5 jaar. Dit betekent een flinke reductie van het jaarbudget ten opzichte van eerdere
subsidieverlening.
De subsidie heeft tot doel de capaciteit van lokale overheden1 en verenigingen van lokale overheden in ontwikkelingslanden te versterken, opdat
zij beter toegerust zijn om hun ontwikkelingsdoelen te bereiken. Om dit doel te realiseren
zullen in een negental landen programma’s worden uitgevoerd.
Deze landenprogramma’s zullen in de eerste vijf maanden van de subsidielooptijd worden
uitgewerkt, samen met betrokken lokale overheden en andere belangrijke actoren, waaronder
de Nederlandse ambassades. In de landenprogramma’s zullen de beoogde doelen, resultaten
en werkwijze per land voor de duur van subsidieperiode worden beschreven. De programma’s
zullen vraag-gestuurd zijn binnen de inhoudelijke kaders van het Nederlandse bilaterale
OS-programma in het betreffende land. De beoogde resultaten zullen bijdragen aan verbeterd
beleid en verbeterde dienstverlening door lokale overheden op het vlak van de Nederlandse
speerpunten en dwarsdoorsnijdende thema’s.
De landenprogramma’s zullen uiterlijk 31 mei 2012 ter goedkeuring aan het departement
worden voorgelegd waarna met de uitvoering begonnen kan worden.
VNG International heeft, mede gezien de budgettaire beperkingen, besloten het aantal
programmalanden terug te brengen naar negen landen. Deze zijn: Benin, Burundi, Ghana,
Nicaragua, Oeganda, Palestijnse Gebieden, Rwanda, Zuid-Afrika en Zuid Soedan.
Capaciteitsopbouw is de essentie van de programmastrategie. VNG International heeft
hierin in de afgelopen jaren veel ervaring opgebouwd. Voor het nieuwe programma heeft
VNG International het door het in Maastricht gevestigde European Centre for Development Policy Management (ECDPM) ontwikkelde2, en door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) toegepaste3, conceptuele model voor capaciteitsontwikkeling gebruikt. Vanuit dit model heeft
VNG International een eigen, op lokaal bestuur toegesneden, strategisch kader uitgewerkt.
Een belangrijk element hierin is de collega tot collega benadering waarbij gemeentefunctionarissen
(uit het land zelf, uit buurlanden of uit Nederland) die hetzelfde soort werk doen
of voor dezelfde onderwerpen verantwoordelijk zijn, informatie en kennis uitwisselen
en elkaar coachen.