Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201732550 nr. M

32 550 Voorstel van wet van de leden Van Weyenberg en Keijzer tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren)

M BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2016

Tijdens het debat in uw Kamer over het initiatiefvoorstel normalisering rechtspositie ambtenaren op 25 oktober 2016 heb ik u toegezegd op enkele vragen schriftelijk te antwoorden. Met deze brief kom ik die toezegging na.

1. Vallen ambtenaren «die betrokken zijn bij het bestuur van de staat» onder ILO-verdrag nr. 98 of onder ILO-verdrag nr. 151? En wie worden precies bedoeld met deze ambtenaren?

De eerste vraag is van mevrouw Barth (PvdA) en de tweede vraag van de heer Flierman (CDA). Onderstaand treft u het antwoord aan.

ILO-verdrag nr. 98, betreffende de toepassing van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, is van toepassing op alle werknemers, met uitzondering van ambtenaren die belast zijn met het bestuur van de Staat (artikel 6). Het Comité van Experts van de International Labour Organisation (ILO) heeft deze uitzonderingsbepaling zo uitgelegd, dat zij betrekking heeft op direct bij het beleid van de Staat betrokken ambtenaren en op de daarbij ondersteunende ambtenaren. Hierbij moet «belast zijn met het bestuur van de Staat» ruim worden geïnterpreteerd. Daaronder valt niet alleen het personeel, werkzaam bij de rijksoverheid, maar ook personeel van gemeenten, provincies en waterschappen en ook ondersteunend personeel, maar niet het personeel van bijvoorbeeld de brandweer, ziekenhuizen, onderwijs en dergelijke.

ILO-verdrag nr. 151, betreffende bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in openbare dienst, is blijkens artikel 1 van toepassing op alle personen in dienst bij de overheid, voor zover gunstiger bepalingen uit andere ILO-verdragen niet op hen van toepassing zijn. Het maakt daarbij geen verschil of zij werkzaam zijn op basis van een eenzijdige ambtelijke aanstelling dan wel op basis van een tweezijdige arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Aan beide ILO-verdragen komt geen rechtstreekse werking toe. Ambtenaren of werknemers kunnen hieraan dus geen directe rechten ontlenen.

Internationale verdragen bieden minimumnormen. De nationale wetgever mag derhalve altijd verdergaande bescherming en meer rechten toekennen dan op grond van internationale verdragen verplicht is.

Het initiatiefvoorstel heeft tot gevolg dat op alle rijksambtenaren en op alle ambtenaren van de decentrale overheden, wetgeving van toepassing wordt waarmee Nederland ILO-verdrag nr. 98, dat gunstiger normen bevat dan ILO-verdrag nr. 151, heeft geïmplementeerd. Het gaat om de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet op de cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van cao’s (Wet avv) en de Wet op de loonvorming (Wlv). Als het initiatiefvoorstel wet wordt en in werking treedt, zal de nationale uitwerking van ILO-verdrag nr. 98 ook op deze ambtenaren (die betrokken zijn bij het bestuur van de staat) van toepassing worden.

Op de in het initiatiefvoorstel uitgezonderde groepen ambtenaren van de sectoren Defensie, Politie en Rechterlijke macht blijven de minimumnormen van ILO- verdrag nr. 151 van toepassing. De nationale wetgever heeft echter ook aan hen, namelijk door het vastleggen van onder meer het overeenstemmingsvereiste als onderdeel van het arbeidsvoorwaardenoverleg, meer rechten geboden dan minimaal verplicht is op grond van ILO-verdrag nr. 151.

2. Klopt het dat straks de ene rijksambtenaar wel onder de nullijn valt en de andere niet?

Het antwoord op deze vraag van mevrouw Barth (PvdA) luidt nee.

De nullijn houdt in dat er geen begrotingsruimte is voor een stijging van de ambtenarensalarissen. De nullijn is in feite de onderhandelingsinzet van de werkgever. De normalisering verandert hier niets in, want het initiatiefvoorstel wijzigt niet de bekostiging van de arbeidsvoorwaardenruimte, noch het budgetrecht van de regering en de Kamer. Het opnemen van een nullijn in de begroting staat echter los van de uitkomst van het overleg met de vakbonden. Ondanks een nullijn als onderhandelingsinzet van de werkgever kunnen de onderhandelingen een ander resultaat opleveren. Er kan sprake zijn van zodanige budgettaire krapte dat werkgevers en bonden niet tot een akkoord over een cao komen, onverlet alle nationale en internationale waarborgen voor goed overleg. Hierbij is er echter geen verschil tussen de overheidssectoren en de marktsectoren. En ook in de huidige situatie treedt soms verschil in loonontwikkeling op tussen de kabinetssectoren Rijk, Politie, Defensie en Rechterlijke Macht.

3. Hoe verhoudt het verdwijnen van de ROP-regeling (ingevolge artikel X van het initiatiefvoorstel) zich tot artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest (ESH)?

In antwoord op deze vraag van mevrouw Barth (PvdA) merk ik het volgende op. Op grond van artikel 6 ESH (herzien) zijn lidstaten verplicht een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen door paritair overleg tussen werkgevers en werknemers te bevorderen. Het huidige georganiseerde overleg in de verschillende overheidssectoren voldoet aan de eisen van artikel 6 ESH (herzien). Artikel 6 van het ESH (herzien) vereist echter geen totstandkoming en handhaving van een specifieke regeling zoals de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP-regeling). Het wettelijk stelsel van collectief onderhandelen zoals dat na normalisering voor de meeste publieke sectoren zou gaan gelden, voldoet net als nu aan artikel 6 ESH (herzien).

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk