Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201532550 nr. E

32 550 Voorstel van wet van de leden Van Weyenberg en Van Hijum tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren)

E NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAAT / ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING1

Vastgesteld 11 november 2014

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel van de zijde van de initiatiefnemers en van de brief van de regering dienaangaande. Hoewel zowel de initiatiefnemers als de regering uitgebreid reageren op de veelheid aan vragen en opmerkingen van de Kamer, zijn bij de leden van de VVD-fractie (nog) niet alle twijfels over nut en noodzaak van dit voorstel weggenomen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de antwoorden van de initiatiefnemers en van de regering op de in het voorlopig verslag gestelde vragen. Zij danken hiervoor zowel de initiatiefnemers als de regering. Hun zorgen zijn er echter niet minder door geworden; ook omdat verschillende vragen naar hun oordeel nog niet of onvolledig zijn beantwoord. Naar aanleiding van de memorie van antwoord van de initiatiefnemers en van de brief van de regering hebben zij daarom nog verschillende vragen.

De leden van de CDA-fractie zijn erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording van de in het voorlopig verslag gestelde vragen. Zij danken ook de regering voor haar brief van 1 oktober 2014, waarin zij een aantal vragen met betrekking tot het wetsvoorstel heeft beantwoord. De aan het woord zijnde leden zijn evenwel nog niet overtuigd door de gegeven antwoorden en commentaren. Daarom hebben zij de behoefte om nog een aantal nadere vragen te stellen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de memorie van antwoord en zij hebben daarover een aantal vragen.

Het lid van de SGP-fractie heeft met belangstelling kennisgenomen van zowel de memorie van antwoord van de initiatiefnemers van 9 september jl. als van de brief van de regering van 1 oktober jl. Dit lid moet echter helaas constateren dat zijn twijfels ten aanzien van het ingrijpend karakter van de voorgestelde wijziging door deze beide reacties op het voorlopig verslag niet zijn weggenomen. Hoe de verdere gang van het wetsvoorstel ook zij, indien het zou worden aangenomen door de Kamer, acht dit lid het, met de regering, van het grootste belang dat een uiterst zorgvuldig implementatietraject wordt gevolgd. Er zal zeer veel aanpassings- en invoeringswetgeving opgesteld en vastgesteld moeten worden.

2. Bestaande en beoogde situatie

Tweezijdigheid en gelijkwaardigheid noemen de initiatiefnemers als belangrijkste doelen van hun voorstel (p. 4 memorie van antwoord): «niet alleen «doen alsof», maar ook èchte juridische tweezijdigheid. De arbeidsovereenkomst verschaft daarvoor de normale vorm.» Op pagina 7 van de memorie van antwoord stellen zij dat normalisering echter geen gelijkstelling aan de private sector betekent, maar gelijkheid beoogt met betrekking tot basale elementen van de arbeidsverhouding, zoals onder andere loon. De leden van de VVD-fractie zijn er niet van overtuigd dat de primaire doelen van dit voorstel, tweezijdigheid en gelijkwaardigheid, anders dan in formeel juridische zin, zullen worden bereikt. De reactie op de vragen en kanttekeningen ten aanzien van de relatie van de Wet normering topinkomens met dit voorstel bevestigen dat de arbeidsvoorwaarden van overheidsfunctionarissen politiek worden bepaald. De reeds door de Tweede Kamer aangenomen «WNT 2» bevestigt immers dat ingrepen in de «top» effecten hebben op het gehele loongebouw bij de overheid. De initiatiefnemers willen dat bij uitzonderingen op de tweezijdigheid «zoveel mogelijk terughoudendheid wordt betracht», maar achten deze uitzondering wel gewenst. Hiervan ontgaat de leden van de VVD-fractie de logica in het licht van hun pleidooi voor tweezijdigheid en gelijkwaardigheid. Die inconsistentie geeft te denken. Volgens de leden van de VVD-fractie verhouden beide wetsvoorstellen zich slecht tot elkaar. Kunnen initiatiefnemers hierop reageren?

Inmiddels is door de regering wetsvoorstel 33978, Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT, aan de Eerste Kamer voorgelegd. Een voorstel dat de leden van de VVD-fractie slecht kunnen rijmen met de brief van de regering van 1 oktober jl. met de antwoorden op de in het voorlopig verslag aan de regering gestelde vragen. Daarin stelt de regering (op verzoek van de leden van de PvdA-fractie) dat het wenselijk is vaststelling van inkomens van topfunctionarissen binnen de overheid over te laten aan het vrije spel van onderhandelingen op de arbeidsmarkt, zij het dat de uitkomsten niet hoger mogen zijn dan de normering die in de WNT is vastgesteld. Volgens de leden van de VVD-fractie is het «van tweeën een»: of de markt, of de norm. Graag ontvangen zij een reactie van de regering.

De initiatiefnemers beantwoorden de vraag naar de effecten van dit wetsvoorstel voor de ontslagbescherming met de stelling dat het niet makkelijker wordt om ambtenaren te ontslaan, zo lezen de leden van de PvdA-fractie (p. 8 memorie van antwoord). De oorspronkelijke initiatiefneemster, mevrouw Koşer Kaya, gaf in 2011 in de publiciteit te kennen dat het wetsvoorstel onder meer tot doel had «meer banen te creëren», omdat «op dit moment een ontslagprocedure kostbaar en tijdrovend is». Betekent dit dat één van de oorspronkelijke doelen van het wetsvoorstel is losgelaten?

Het antwoord van de regering over de verhouding van dit initiatiefwetsvoorstel tot de Wet normering topinkomens (WNT), kwam de leden van de PvdA-fractie niet echt overtuigend over, daar waar de regering stelt dat het wenselijk is dat de hoogte van inkomens van topfunctionarissen binnen de overheid wordt overgelaten aan het vrije spel van onderhandelingen op de arbeidsmarkt, zij het dat de uitkomst ervan niet hoger mag zijn dan het maximum van de WNT. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het belang van de WNT, maar vragen de regering of het niet-marktconform belonen van (specifieke) ambtenaren niet logischerwijs een niet-marktconforme behandeling van die ambtenaren met zich meebrengt.

3. Redenen om de rechtspositie van ambtenaren onder de werking van het private arbeidsrecht te brengen

De leden van de PvdA-fractie betreuren het ontbreken van een zakelijk antwoord van de initiatiefnemers op de vraag naar de veronderstelde positieve effecten van het wetsvoorstel, zoals die in de memorie van toelichting staan opgenomen: bevordering van harmonieuze arbeidsverhoudingen en van de stabiliteit van de arbeidsrelatie; ambtenaren zullen zich meer als mondige werknemers gerespecteerd voelen; vergroting beroepstrots ambtenaren; en vergroting kans op toename van de arbeidsmobiliteit tussen overheid en marktsector. Waarop berusten deze veronderstellingen, zo vroegen deze leden in het voorlopig verslag. Het antwoord van de initiatiefnemers in de memorie van antwoord (p. 10) is heel wat minder stellig dan in de memorie van toelichting. Het gaat nu kennelijk vooral om een principe («Er zijn beginselen en doelstellingen waarvoor mensen kunnen strijden zonder dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat zij voor een goede zaak strijden»). Maar als dat zo is, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, waarom zijn de beweerde voordelen dan in de memorie van toelichting opgenomen? Voor zover die veronderstelde voordelen wel berusten op deugdelijk onderzoek, verzoeken deze leden om een overzicht van die onderzoeksresultaten en niet slechts een verwijzing naar literatuur en rapporten. Deze informatie achten zij noodzakelijk om de relevantie van dit wetsvoorstel voor de beweerde voordelen te kunnen vaststellen.

In de memorie van antwoord wordt gesteld dat het wetsvoorstel strekt tot het tot stand brengen van gelijkwaardigheid van overheidswerkgevers en -werknemers (p. 5 en 19 memorie van antwoord). Tegelijk erkennen de initiatiefnemers dat de overheid een bijzondere werkgever is (p. 3–4 memorie van antwoord). Ook wanneer dit wetsvoorstel zou worden overgenomen blijft de overheid een overheid die wetten, Grondwet en verdragen moet eerbiedigen. Daar hoort het begrotingsrecht van het parlement bij. Daarom bevreemdt het antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of de democratische legitimatie van de overheid als wetgever niet haar beleidsruimte als werkgever beperkt. Gesteld wordt dat de controlerende rol van het parlement niet impliceert dat inbreuk wordt gemaakt op het beginsel van scheiding tussen de rollen van de wetgever en de werkgever (p. 13 memorie van antwoord). Het parlement is echter ook medewetgever en kan zowel vanuit zijn controlerende taak, als langs de weg van het begrotingsrecht invloed uitoefenen op de (financiële of financieel te vertalen) arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. En zo kan de overheid bijvoorbeeld door middel van wetgeving dwars ingaan tegen meerjarige CAO-afspraken met het overheidspersoneel. Zijn de initiatiefnemers het met deze redenering eens? Zo nee, waarom niet?

Kan men bij een overheid die als zodanig reeds een machtiger positie heeft dan een individuele ambtenaar en ook nog eens een bijzondere positie als werkgever/wetgever heeft, echt spreken van gelijkwaardigheid van werkgever en werknemers, zo vragen de leden van de PvdA-fractie aan de initiatiefnemers. En staat die veronderstelde gelijkwaardigheid niet ook onder druk doordat op de ambtenaren een (eenzijdig vastgesteld) ambtenarenstatuut van kracht is en de WOR niet onverkort zal gelden vanwege het politiek primaat? De leden van de PvdA-fractie wijzen er bovendien op dat tot dusver het bestuursprocesrecht voor ambtenaren als compensatie dient voor de ongelijkheid van de zwakkere individuele ambtenaar tegenover de machtiger tegenpartij. Op welke wijze is er sprake van ongelijkheidscompensatie aan de enkele werknemer tegenover de machtiger overheid in de in het wetsvoorstel voorgestane situatie, zo vragen deze leden.

Op bladzijde 4 van de brief van 1 oktober jl. wordt door de regering in navolging van de initiatiefnemers gezegd dat de verschillende rollen van de overheid (werkgever en wetgever) «strikter worden gescheiden doordat de arbeidsvoorwaarden in de toekomst in cao’s worden vastgelegd en niet langer in wettelijke (rechtspositie)regelingen» (p. 4). De leden van de PvdA-fractie vragen de regering deze stelling te adstrueren en daarbij in te gaan op het begrotingsrecht van en de politieke controle door het parlement. Het parlement kan zowel vanuit zijn controlerende taak, als langs de weg van het begrotingsrecht invloed uitoefenen op de (financiële of financieel te vertalen) arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. En zo kan de overheid bijvoorbeeld door middel van wetgeving (bijvoorbeeld over de vraag of de nullijn voor ambtenaren al dan niet wordt verlaten) dwars door meerjarige CAO-afspraken met het overheidspersoneel heen fietsen. Is de regering het met deze redenering eens? Zo nee, waarom niet?

De scheiding tussen de rollen van werkgever en werknemers komt naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie verder onder druk te staan doordat het vereiste dat een CAO pas tot stand komt als er overeenstemming is bereikt met een meerderheid van de bonden, in de toekomst, als het wetsvoorstel wordt aangenomen, niet meer bestaat. Is het mogelijk, zo vragen deze leden, dat na aanname van dit wetsvoorstel door de overheid een CAO met één bond (ook een kleine) kan worden afgesloten, waarna het onderhandelingsresultaat door diezelfde overheid algemeen verbindend wordt verklaard voor de gehele sector, en mogelijk zelfs voor al het overheidspersoneel?

De leden van de SP-fractie constateren dat de initiatiefnemers proberen verontrusting weg te nemen door te benadrukken dat hun voorstel slechts een beperkte betekenis heeft, zowel omdat het de bijzondere positie van ambtenaren voor een beperkte groep wel handhaaft als omdat het niet tot doel heeft een kleinere overheid te bewerkstelligen en daardoor voor de overige ambtenaren geen ingrijpende veranderingen zal opleveren. Een vanouds bekend argument tegen het bestaande onderscheid tussen ambtenaren en werknemers in particuliere bedrijven is echter de wens om de kosten van ontslagbescherming en van de uitkering bij werkloosheid te verminderen. Dat vergemakkelijkt inkrimping van het personeelsbestand door middel van gedwongen ontslagen en zal voor diegenen die daardoor worden getroffen wel een belangrijke verslechtering opleveren. Bovendien is die betere ontslagbescherming (grotere bestaanszekerheid) altijd een reden geweest voor een lagere beloning van overheidspersoneel dan gebruikelijk is voor gelijkwaardig werk in het particuliere bedrijfsleven.

Waarom stellen de initiatiefnemers dat zij «buiten» de onder soortgelijke omstandigheden in het buitenland doorgevoerde en ook hier te verwachten compensatieclaims inzake een hogere beloning willen blijven? Indien de betekenis van dit wetsvoorstel zo beperkt is als de initiatiefnemers menen, wat is dan de urgentie, het nut en de noodzaak van deze verandering? Deze leden vragen tevens of de initiatiefnemers hebben overwogen om de door hen gewenste gelijktrekking van beide groepen te bewerkstellingen door eventuele voor ambtenaren gunstiger regelingen te integreren in de rechten van andere werknemers. Zo nee, waarom niet?

4. Kosten en baten

Steeds meer wordt volgens de leden van de VVD-fractie duidelijk dat invoering van dit wetsvoorstel een omvangrijke operatie zal gaan worden, waaraan aanzienlijke juridische, personele en financiële consequenties zijn verbonden. Kunnen de regering en de initiatiefnemers daarvan een indicatie geven en deze koppelen aan een tijdsplanning voor de totale implementatie? En kunnen de initiatiefnemers (nogmaals) uitleggen welk probleem dit voorstel – inclusief deze omvangrijke maatregelen – oplost?

Aan de leden van de CDA-fractie is nog steeds onduidelijk hoe het «kostenplaatje» er nu werkelijk uitziet. Zij vragen om een actueel en gespecificeerd overzicht van de met deze wetgevingsoperatie verband houdende kosten en baten. Het onderzoek naar de kosten en baten van de harmonisatie van de rechtspositie van het overheidspersoneel uit 2011 (een update van het onderzoek uit 2010) geeft een grote variatie aan. De totale kosten zouden variëren tussen 53,0 en 186,3 miljoen, de baten (jaarlijks) tussen 6,6 en 21,9. Maar ten aanzien van de laatste categorie speelt een rol, dat het productiviteitsaspect als 0 of PM wordt aangegeven en de arbeidsmobiliteit in het geheel niet kan worden geschat, terwijl de stijging daarvan nu juist door de initiatiefnemers als een belangrijk positief gevolg van de voorgestelde operatie is aangeduid. Ook blijft onduidelijk hoe de grootste bate (het samengestelde effect van rechtspraak en ontslag) nu moet worden onderbouwd.

5. Reacties op het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie wijzen op de brief van 29 oktober 2014 van de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (SCO) en de Vakcentrales FNV en CNV2, waarin deze organisaties nadere vragen stellen over en commentaar geven op de memorie van antwoord en de brief van de regering. De aan het woord zijnde leden stellen het op prijs wanneer de initiatiefnemers en – voor zover zulks van toepassing is – ook de regering de in deze brief gestelde vragen en commentaren willen beantwoorden, c.q. bespreken. Dat betekent, dat zij met name worden verzocht in te gaan op de stelling, dat:

  • 1. met betrekking tot het wetsvoorstel geen adequaat overleg heeft plaatsgevonden, c.q. overeenstemming is nagestreefd, en wel omdat – kort gezegd – de initiatiefnemers stellen dat zij niet optreden als werkgever en de Minister aangeeft dat het verplichte overleg alleen betrekking heeft op regeringsvoorstellen, zodat de Minister die het aangaat pas na de aanvaarding van het wetsvoorstel met de bonden overleg zou willen plegen;

  • 2. het wetsvoorstel niet leidt tot de door de initiatiefnemers gewenste principiële gelijkheid en ook niet leidt tot meer tweezijdigheid en gelijkwaardigheid in de arbeidsrelatie tussen ambtenaar en werkgever;

  • 3. er na de toezending van de memorie van antwoord nieuwe vragen zijn ontstaan, zoals onder meer op pagina 3 van de brief van de SCO is vermeld, terwijl de SCO en de vakcentrales aangeven dat het wetsvoorstel op geen enkel draagvlak kan rekenen van tienduizenden overheidsmedewerkers.

6. Vormgeving en reikwijdte van het wetsvoorstel

De wet wordt niet van toepassing op alle overheidswerknemers, maar zondert een aantal categorieën uit, voor wie «niets verandert». De facto creëert het voorstel daarom – naast de traditionele – een «nieuwe ambtenaar», met een private, tweezijdige arbeidsovereenkomst. In de memorie van antwoord reageren de initiatiefnemers «dat dit nu ook al het geval is» en sommen zij daarbij een aantal voorbeelden op, die de leden van de VVD-fractie ook al bekend waren. Daarbij bevestigen zij dat zij van de huidige uitzondering regel willen maken en van de huidige regel uitzondering. De «nieuwe ambtenaar» is echter ook niet vergelijkbaar met een werknemer in de particuliere sector: hij valt onder het Ambtenarenrecht en is afhankelijk van politieke besluitvorming over zijn arbeidsvoorwaarden. Delen de regering en de initiatiefnemers de stelling (van SCO) dat door dit voorstel «een soort derde groep tussen de echte ambtenaren en echte werknemers in» gecreëerd wordt?

Een belangrijke constatering is voor de leden van de PvdA-fractie dat ook wanneer voorliggend wetsvoorstel zou worden aangenomen er een tweedeling blijft bestaan: tussen ambtenaren die wel en ambtenaren die niet onder het in het wetsvoorstel voorgestane privaatrechtelijke regiem vallen. Bovendien blijkt uit de beantwoording door de regering dat aanname van dit wetsvoorstel een omvangrijke invoerings- en aanpassingswetgeving met zich mee zal brengen en daarnaast nog veel andere kostbare en tijdrovende maatregelen vergt, wil er sprake kunnen zijn van een zorgvuldig implementatieproject. Deze leden vragen dan ook aan de initiatiefnemers of zij het verantwoordelijk achten dat zoveel inspanning (qua menskracht en qua financiën) wordt gevergd door een voorstel dat zijn doel (eenvormigheid tussen de rechtspositie van ambtenaren en werknemers) voor een belangrijk deel van de ambtenaren niet zal bereiken. Omdat daarop geen echt antwoord is ontvangen, herhalen zij bovendien de vraag welke momenteel bestaande knellende problemen met dit wetsvoorstel worden opgelost.

Nu een tweedeling blijft bestaan, vragen de leden van de PvdA-fractie of systematisch is nagegaan welke ambtenaren uitgezonderd worden van het voorgestane regiem. Graag vernemen deze leden of daarvan sprake is geweest en welke de criteria waren om tot een uitzondering te besluiten. Is, bijvoorbeeld, rekening gehouden met de bijzondere positie van lokale griffiers of van rijksdienaren die actief zijn in het buitenland? Zo nee, waarom niet?

Naar de mening van de leden van de CDA-fractie is de uitzondering van politie en defensie niet onderbouwd met argumenten die de functie van de betreffende ambtenaar betreffen. Voor defensie verwijzen de initiatiefnemers naar nader onderzoek voordat het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaard kan worden, en voor politie verwijzen zij naar een motie van leden van de Tweede Kamer, waarin de uitzondering niet wordt beargumenteerd. Het komt de aan het woord zijnde leden vreemd voor om op deze wijze ruim 120.000 ambtenaren, waaronder ondersteunende diensten, uit te zonderen van het wetsvoorstel, dat in totaal op ongeveer 450.000 ambtenaren betrekking heeft. Het komt de leden van de CDA-fractie eveneens vreemd voor dat een kantoormedewerker bij de politie of een medewerker van de MIVD wel de ambtelijke status behoudt, maar een medewerker van de AIVD niet. Deze mensen moeten in de praktijk nauw samenwerken. Verschillen in rechtspositie en de wijze waarop deze tot stand komt, zouden daarbij belangrijke obstakels kunnen vormen.

De leden van de CDA-fractie ontvangen ten slotte gaarne van de regering een inventarisatie van de aanpassingen in de wetgeving en van de uitvoeringsmaatregelen die als gevolg van aanvaarding van dit wetsvoorstel op diverse niveaus van de bestuurlijke organisatie noodzakelijk zijn.

Wat betreft de benoeming (en het ontslag) van griffiers van gemeenteraden en provinciale staten, zien de initiatiefnemers en de regering in hun reactie geen probleem met het gegeven dat gemeenteraden en provinciale staten als orgaan van respectievelijk de gemeente en de provincie geen bevoegdheden hebben (arbeids)overeenkomsten te sluiten, want een ander orgaan, de burgemeester, c.q. de commissaris van de Koning, kan dat wel en is gehouden een besluit tot benoeming door de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten uit te voeren. Het lid van de SGP-fractie heeft geconstateerd dat de regering de noodzaak erkent om in het kader van de aanpassingswetgeving te bezien welke wijzigingen in de huidige bepalingen moeten worden aangebracht om de terminologie in overeenstemming te brengen met het voorgestelde nieuwe stelsel.

Deze mededeling van regeringszijde doet bij dat lid echter de vraag rijzen of nu reeds als vaststaand wordt aangenomen dat – slechts – een terminologische aanpassing zal volstaan en dat geen inhoudelijke aanpassing in de Gemeentewet en de Provinciewet noodzakelijk dan wel wenselijk is om onnodige fricties over de benoeming (en het ontslag) van griffiers tussen de diverse organen van de betrokken rechtspersonen te voorkomen. Dit lid acht het wenselijk dat de positie van de volksvertegenwoordiging, zoals deze destijds in de dualiseringswetgeving vorm is gegeven, niet als gevolg van het onderhavige wetsvoorstel – mogelijk onbedoeld – zal worden gewijzigd. Derhalve vraagt dit lid zowel de initiatiefnemers als de regering of zij zijn opvatting delen dat het voorliggende wetsvoorstel bedoeld noch onbedoeld, een inhoudelijke wijziging van bestaande wettelijke organen van de griffiers en de volksvertegenwoordigende organen zou behoren te bewerkstelligen.

Ten slotte legt dit lid in dit verband nog de vraag voor welk orgaan binnen een gemeente, c.q. een provincie de inhoud van de arbeidvoorwaarden van benoemde griffiers bepaalt. Of zou dit een zaak van cao-overleg worden?

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning wacht de reactie van de initiatiefnemers en van de regering met belangstelling af.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Engels

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kox (SP), Sylvester (PvdA) (vice-voorzitter), Engels (D66) (voorzitter), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Hermans (VVD), Huijbregts-Schiedon (VVD), Van Kappen (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), De Vries (PvdA), De Vries-Leggedoor (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Th. de Graaf (D66), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Koole (PvdA), Van Dijk (PVV), Sörensen (PVV), Schouwenaar (VVD), Kok (PVV), Duivesteijn (PvdA), Meijer (SP)

X Noot
2

Bijgevoegd.