Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432550 nr. 43

32 550 Voorstel van wet van de leden Van Weyenberg en Van Hijum tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren)

Nr. 43 VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 9 oktober 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. degenen die zijn benoemd in het ambt van een eenhoofdig bestuursorgaan of als lid van een orgaan of college dat onderdeel uitmaakt van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon, mits zij niet werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan;.

2. Onderdeel f komt te luiden:

f. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, alsmede de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdelen c en d, van die wet die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

b

In artikel 16, eerste en tweede lid, wordt «of artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993» telkens vervangen door:, artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993 of artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012.

c

In artikel 17, eerste lid, wordt «artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993» vervangen door: artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012.

2.

Artikel II komt te luiden:

ARTIKEL II

Artikel 51 van de Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012 vervalt.

3.

Artikel IIa komt te luiden:

ARTIKEL IIa

De Politiewet 2012 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden voor de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, onder f, van de Ambtenarenwet 201., voorschriften vastgesteld betreffende:

a. aanstelling, schorsing en ontslag;

b. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

c. bezoldiging en wachtgeld;

d. diensttijden;

e. verlof en vakantie;

f. voorzieningen in verband met ziekte;

g. bescherming bij de arbeid;

h. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

i. medezeggenschap;

j. overige rechten en verplichtingen;

k. disciplinaire straffen, met dien verstande dat een boete dan wel een inhouding of korting op de bezoldiging per opgelegde disciplinaire straf ten hoogste gelijk is aan het bedrag van het salaris van de ambtenaar over anderhalve maand;

l. de instelling en werkwijze van commissies waaraan de beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen, voor zover deze worden mogelijk gemaakt;

m. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt;

n. de gevallen waarin berichten inzake de rechtspositie van de ambtenaar in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend elektronisch verzonden behoeven te worden en de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen.

2. Het derde en vierde lid worden vervangen door:

3. De paragrafen 2, 3 en 4 van de Ambtenarenwet 201. zijn van toepassing op de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, onder f, van de Ambtenarenwet 201.

B

In artikel 53, derde lid, wordt «de artikelen 47, eerste en tweede lid, en 48» vervangen door: de artikelen 47 en 48.

4.

De artikelen IIb, IIc en IId vervallen.

5.

De artikelen VIII tot en met IX worden vervangen door twee artikelen, luidende:

Artikel VIII

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1:1, derde lid, wordt «een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig» vervangen door: een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 201. bedoelde hoedanigheid.

B

Artikel 8:2, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 201. bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn,.

C

Artikel 8:4, derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 201. bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden,.

D

In bijlage 1 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Ambtenarenwet.

E

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Ambtenarenwet.

b. In artikel 2 vervalt de zinsnede met betrekking tot de Ambtenarenwet.

c. In artikel 4 wordt

«b. een besluit ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden»

vervangen door:

b. een besluit ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 201. bedoelde hoedanigheid.

d. In artikel 10 wordt «Een besluit waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig, een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn»

vervangen door:

Een besluit waarbij een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 201. bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

F

Artikel 1, onderdeel a, van bijlage 3 komt te luiden:

a. een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 201. bedoelde hoedanigheid;.

ARTIKEL VIIIa

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 februari 2013 ingediende voorstel van wet houdende regels omtrent de Kamer van Koophandel (Wet op de Kamer van Koophandel) (33 553) tot wet is of wordt verheven en artikel 47 van die wet in werking treedt of is getreden, vervallen de aanduiding «1.» voor het eerste lid, en het tweede lid van dat artikel.

6.

In artikel X wordt «Politiewet 201x» vervangen door: Politiewet 2012.

7.

Artikel XIa komt te luiden:

ARTIKEL XIa

Voorafgaand aan de plaatsing in het Staatsblad vervangt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de in deze wet voorkomende aanduiding «201.» telkens door het jaartal van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Toelichting

Deze nota van wijzing is technisch van aard. Hij strekt er voornamelijk toe het wetsvoorstel aan te passen aan inmiddels tot stand gekomen (wijzigingen van) andere wetten. Daarbij gaat het in het bijzonder om de totstandkoming van de Politiewet 2012 en wijzigingen in de Algemene wet bestuursrecht door de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Hierdoor kunnen de samenloopbepalingen aanmerkelijk worden vereenvoudigd.

Allereerst wordt in het voorgestelde artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 201. een redactionele verbetering aangebracht. Dit onderdeel kan zo worden gelezen dat de laatste bijzin, betreffende het werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan, alleen terug slaat op de (ambtelijke) leden van een orgaan of een college. Bedoeld is echter dat deze bijzin tevens betrekking heeft op degenen die zijn benoemd in het ambt van een eenhoofdig bestuursorgaan en die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan. Met de thans voorgestelde redactionele verbetering wordt de onjuiste lezing van dit onderdeel voorkomen.

De noodzakelijke wijzigingen in de Politiewet 1993 worden vervangen door overeenkomstige wijzigingen in de Politiewet 2012. Voor de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdelen c en d (vrijwillige politie en de rijksrecherche), geldt dat zij slechts zijn uitgezonderd als zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Deze uitzondering is derhalve niet van toepassing op ambtenaren van politie die uitsluitend zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie. Voor politieambtenaren bij de rijksrecherche die naast de uitvoering van de politietaak tevens zijn belast met de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, geldt wel dat zij als ambtenaar belast met de uitvoering van de politietaak zijn uitgezonderd.

Opgemerkt zij dat, aangezien aan vrijwillige ambtenaren van politie uit de aard van hun vrijwilligheid geen arbeidsovereenkomst wordt geboden, deze ambtenaren slechts onder de Ambtenarenwet kunnen vallen als dat bij algemeen maatregel van bestuur op grond van het voorgestelde artikel 1, tweede lid, van de Ambtenarenwet wordt bepaald. Deze constatering is hier van belang, omdat, anders dan in de Politiewet 1993, vrijwillige ambtenaren van politie onder de huidige Politiewet ook kunnen worden belast met de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie.

Bij de wijzigingen van de Algemene wet bestuursrecht is uitgegaan van de tekst van deze wet zoals deze zal luiden na inwerkingtreding van de wijzigingen, opgenomen in het voorstel van wet tot herstel van wetstechnische gebreken in de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Veegwet aanpassing bestuursprocesrecht; Kamerstukken 33 455).

Een voorgestelde aanpassing van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht betreft de vermelding van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. In artikel 47, eerste lid, van het voorstel van wet houdende regels omtrent de Kamer van Koophandel (Wet op de Kamer van Koophandel; Kamerstukken 33 553) wordt die vermelding aangepast aan de bij dat wetsvoorstel in te stellen Kamer van Koophandel die de huidige twaalf kamers van koophandel en fabrieken moet vervangen. Artikel 47, tweede lid, van dat wetsvoorstel regelt de samenloop met dit wetsvoorstel, zoals dit luidde voor deze nota van wijziging. Thans wordt deze samenloop door een technische aanpassing in het door de nota van wijziging opgenomen artikel VIII weggenomen. Derhalve wordt via artikel VIIIa de betrokken samenloopbepaling in 33 553 geschrapt.

Van Weyenberg Van Hijum