Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-201232549 nr. L

32 549 Wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene telecommunicatierichtlijnen

L BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 mei 2012

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene telecommunicatierichtlijnen op 8 mei jongstleden hebben de leden Ester (CU), Franken (CDA), Reuten (SP), Bröcker (VVD) en Holdijk (SGP) een motie (Kamerstuk nummer 32 549, J) ingediend met betrekking tot de mogelijkheid om op verzoek internet te laten filteren op grond van ideële motieven. Ik heb naar aanleiding van deze motie toegezegd de mogelijkheden te onderzoeken om aan de in de motie verwoorde wens tegemoet te komen.

Op grond van artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet (de netneutraliteitsbepaling) is het aanbieders van internettoegangsdiensten en de openbare elektronische communicatienetwerken waarover internettoegangsdiensten worden geleverd, verboden om diensten of toepassingen op het internet te belemmeren of vertragen. Alleen in de in artikel 7.4a, eerste lid, onderdelen a tot en met d1 genoemde gevallen kan een uitzondering op dit verbod worden gemaakt.

De motie Ester (Kamerstuk nummer 32 549, J) c.s. verzoekt de regering om de mogelijkheid te creëren voor aanbieders van internettoegangsdiensten om tegemoet te komen aan een uitdrukkelijk verzoek van de abonnee om diensten of toepassingen op grond van door de abonnee gespecificeerde ideële motieven te belemmeren, mits de aanbieder de abonnee voor dit verzoek geen geldelijk of ander voordeel biedt. Hieronder zal ik uiteenzetten welke mogelijkheden aanbieders van internettoegangsdiensten na inwerkingtreding van artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet hebben om tegemoet te komen aan dergelijke verzoeken.

Mogelijkheden voor filtering op verzoek van de abonnee

De netneutraliteitsbepaling biedt meerdere mogelijkheden om tegemoet te komen aan de wens van internetgebruikers die, bijvoorbeeld op grond van levensbeschouwelijke overtuiging of ter bescherming van minderjarigen, gefilterd internet willen afnemen. Zo kan (beveiligde) filtersoftware of -technologie op de router, computer of mobiele telefoon van de eindgebruiker worden geplaatst. De internetabonnee kan dit zelf installeren, maar kan hier uiteraard ook een ander voor inschakelen. Het staat internetproviders vrij om een internettoegangsdienst aan te bieden in combinatie met het installeren van de gewenste filtersoftware of -technologie.

Naast het installeren van filtersoftware zou de internetprovider bij het aanbieden van een abonnement op de internettoegangsdienst de mogelijkheid aan kunnen bieden om de internettoegang te filteren door middel van een proxyservice. Als de abonnee voor deze dienst kiest, wordt al zijn internetverkeer automatisch gerouteerd via een proxy. Dat houdt in dat de router of modem-router-combinatie bij de gebruiker zo wordt ingesteld dat de gebruiker in eerste instantie uitsluitend een bepaalde door de internetprovider beschikbaar gestelde website kan worden bereikt. Via deze website krijgt de gebruiker toegang tot de rest van het internet, met uitzondering van de websites die de gebruiker niet wenst te zien. Een dergelijke proxydienst hoeft, net als de filtersoftware of -technologie op de computer, smartphone of router, niet per se van de eigen internetprovider te worden afgenomen. Een internetabonnee die prijs stelt op gefilterd internet kan dan ook kiezen uit alle internetabonnementen van alle aanbieders en vervolgens los het «proxyfilter» afnemen.

In alle gevallen van filtering op verzoek gaat het om een dienst die los staat van de internettoegangsdienst. De internettoegangsdienst zelf is ongefilterd (netneutraal), en moet de abonnee ook los van de filtering kunnen gebruiken zonder dat daar geldelijk of ander nadeel aan verbonden is. Het is belangrijk dat de abonnee er zelf (zonder afhankelijk te zijn van medewerking van de internetprovider) voor kan kiezen géén gebruik te maken van het filter (bijvoorbeeld door gebruik te maken van een andere router) zodat hij toegang heeft tot het ongefilterde internet. De internetprovider mag geen lager tarief in rekening brengen voor internet mét filtertoepassing dan hij rekent voor internettoegang waarbij geen filtersoftware of -technologie wordt toegepast. Dat zou immers een uitholling van de netneutraliteitsbepaling met zich mee kunnen brengen en zou – gezien de extra kosten die worden gemaakt in verband met de filtering – ook niet logisch zijn.

Conclusie

Ook als artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet in werking is getreden zijn er met andere woorden verschillende manieren waarop effectief kan worden voorzien in de behoefte van groepen internetgebruikers aan filtering op opvoedkundige of ideële gronden. De netneutraliteitsbepaling staat alleen niet toe dat een internetprovider op netwerkniveau de voor deze internetgebruikers ongewenste websites blokkeert. Dit zou alleen mogelijk gemaakt kunnen worden door middel van een wetswijziging, waarin voor dit doel een vijfde uitzonderingsgrond aan het eerste lid van artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet wordt toegevoegd.

Gelet op de mogelijkheden voor internetabonnees om op andere wijze dan op netwerkniveau filtering toe te passen en de wens om het aantal uitzonderingen op netneutraliteit en daarmee het risico op omzeiling van de bepaling zo veel mogelijk te beperken, heeft de meerderheid van de Tweede Kamer bij de stemming over het amendement van de leden Dijkgraaf en Verburg (32 549, 33) niet gekozen voor een aparte uitzondering op de netneutraliteit. Mocht uw Kamer hier toch anders over denken, en een bijzondere uitzondering op de netneutraliteit voor filtering op verzoek noodzakelijk achten, ben ik bereid hiertoe een wetsvoorstel voor te bereiden voor behandeling in de Tweede Kamer.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Gelet op de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010 (32 403), waarin wordt bepaald dat onderdeel e van artikel 7.4a, eerste lid, van de Telecommunicatiewet vervalt.