Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232503 nr. 6

32 503 Homogene Groep Internationale Samenwerking 2011 (HGIS- nota 2011)

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 11 juni 2012

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister en de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over de brief van 16 mei 2012 inzake het Jaarverslag 2011 van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) (Kamerstuk 32 503, nr. 5).

De minister en de staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 8 juni 2012. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Albayrak

De griffier van de commissie, Van Toor

1

Welk bedrag aan ODA-middelen is er in 2011 naar NGO's gegaan, naar welke NGO's is dit gegaan, welk deel hiervan bestond uit structurele financiering en welk deel uit projectfinanciering?

In 2011 is een bedrag van EUR 1 059 257 222,- naar NGO’s gegaan. Bijgevoegde lijst geeft een overzicht van de ontvangende organisaties1. Er wordt geen structurele financiering (instellingssubsidie) gegeven aan NGO’s. Het gehele bedrag bestaat dus uit projectfinanciering.

2

Welk bedrag aan ODA-middelen is er in 2011 gegaan naar internationale en multilaterale organisaties als de VN inclusief deelorganisaties, EU (inclusief EOF), Wereldbank, IMF, etc., welk deel hiervan bestond uit structurele financiering en welk deel hiervan bestond uit projectfinanciering?

In 2011 is een bedrag van EURO 2 089 614 403,- naar internationale en multilaterale organisaties gegaan. Hiervan bestond 69.5% uit ongeoormerkte bijdrage/structurele financiering en 30.5% uit geoormerkte bijdrage/projectfinanciering.

3 en 4

Welk bedrag is er in 2011 in totaal besteed aan algemene begrotingssteun en naar welke landen is dit gegaan?

Wel bedrag is er in 2011 uitgegeven aan sectorale begrotingssteun en naar welke landen is dit gegaan?

In 2011 is bilateraal in totaal EUR 65,5 mln. besteed aan algemene begrotingssteun en EUR 61,8 aan sectorale begrotingssteun. Dit ging naar de volgende landen:

Algemene begrotingssteun:

Bhutan:

EUR 2 mln.

Burkina Faso:

EUR 20,5 mln.

Ghana:

EUR 10 mln.

Mali:

EUR 15 mln.

Mozambique:

EUR 18 mln.

Sectorale begrotingssteun:

Colombia:

EUR 3,1 mln. (milieu)

Ghana:

EUR 25 mln. (waarvan EUR 18 mln. gezondheid en EUR 7 mln. milieu)

Kaapverdië:

EUR 1,7 mln. (onderwijs)

Mali:

EUR 10 mln. (waarvan EUR 4 mln. gezondheid en EUR 6 mln. onderwijs)

Rwanda:

EUR 11 mln. (waarvan EUR 4,8 mln. justitie en EUR 6,2 mln. onderwijs)

Senegal:

EUR 11 mln. (milieu)

5

Met welk bedrag krimpt het budget voor ontwikkelingssamenwerking in 2012 door de recessie waar Nederland momenteel in verkeert en welke stappen zijn er genomen om de teruglopende budgetten op te vangen?

Als gevolg van de bijstelling van de raming voor het BNP in maart 2012 is het ODA-budget verlaagd met EUR 98 miljoen. Dit komt bovenop de eerdere verlaging van EUR 20 miljoen voor 2012 als gevolg van de bijstelling van de CPB-raming in maart 2011. De terugloop in het beschikbare budget is deels opgevangen door te bezuinigen op de niet-prioritaire programma’s en de beperking van het aantal partnerlanden (zie ook 16) en deels, vanwege het gebruikelijke parkeerkarakter van dit artikel, in mindering gebracht op artikel 4.2.

6

Waarom wordt er geen overzicht verstrekt van de non-ODA uitgaven per land? Is het mogelijk om dit alsnog te doen, in ieder geval voor die landen waarin de meeste non-ODA uitgaven zijn gedaan?

Het merendeel van de non-ODA uitgaven heeft betrekking op verplichte bijdragen aan internationale organisaties en voor wereldwijde activiteiten zoals bijvoorbeeld crisisbeheersingsoperaties en consulaire dienstverlening. Daarnaast bestaat ruim één derde van de uitgaven uit apparaatskosten. Deze uitgaven zijn ook wereldwijd gerealiseerd.

7

Als financiële toelichting bij artikel 5.5 schrijft u dat MFS2 uitgaven zijn overgeheveld naar artikel 5.6. Om welk bedrag gaat het hier exact?

EUR 130 mln.

8, 68 en 74

Als financiële toelichting bij artikel 5.5 schrijft u dat het betalingsritme aan de Global Alliance for Vaccines and Immunization (GAVI) is verhoogd. Betekent dit een structurele verhoging van de bijdrage aan GAVI? Zo ja, hoeveel extra is er hierdoor in 2011 aan het Global Alliance for Vaccines and Immunization uitgegeven en voor welke termijn geldt dit? Zo neen, is er hierdoor extra geld ontstaan voor SRGR uitgaven in 2012? Zo ja, waar wordt dit aan besteed?

Waarom is het betalingsritme verhoogd? Met hoeveel? Heeft dit gevolgen voor de begroting van volgend jaar?

Waarom is het betalingsritme aan GAVI verhoogd?

Zoals ook aangegeven in antwoorden op vragen over de tweede suppletoire begroting (december 2011) met betrekking tot GAVI en GFATM heeft in 2011 een additionele betaling plaatsgevonden aan GAVI en GFATM van EUR 35 miljoen. Het aandeel van GAVI hierin is op basis van liquiditeitsbehoefte uitgekomen op EUR 11 miljoen. Het gaat hierbij niet om een structurele verhoging, maar slechts een wijziging in het betalingsritme. De mutatie voor GAVI leidt ertoe dat er in 2012 inderdaad meer ruimte ontstaat voor intensiveringen op seksuele en reproductieve gezondheid. Deze intensiveringen zullen in lijn zijn met de brief die ik op 7 mei 2012 aan uw Kamer stuurde (Kamerstuk 32 605 nr. 93).

9

Hoe komt het voornemen om internationale marktwerking te bevorderen door het faciliteren van markttoegang en door het verzekeren van een gelijk speelveld tot uiting in de begroting? Wat is daarvan gerealiseerd?

De inzet om internationale marktwerking te bevorderen komt tot uitdrukking in beleidsthema 4 «meer welvaart en minder armoede». Binnen dit beleidsthema zet Nederland zich in voor duurzame economische ontwikkeling, armoedevermindering in ontwikkelingslanden, inclusief een voorspelbaar en niet-discriminerend handelssysteem waarbij voldoende aandacht is voor de belangen van de minst ontwikkelde landen. Deze inzet komt vooral tot uitdrukking in de begrotingsartikelen 04.01 (handels- en financieel systeem, 04.03 (ondernemingsklimaat ontwikkelingslanden, 04.05 (Nederlandse handels- en investeringsbevordering), 05.20 (verdere vrijmaking van het internationale handels-/investeringsverkeer en versterking van de economische rechtsorde), en 05.30 (bevordering van internationaal ondernemen). De totale realisatie onder genoemde begrotingsartikelen bedroeg in 2011 EUR 460,8 mln.

10

Kunt u een overzicht geven van de totaal aangegane publiek-private partnerschappen?

Zie onderstaand overzicht van de lopende PPP’s. Het betreft hier voornamelijk PPP’s die gefinancierd worden vanuit centrale ODA middelen. Een aantal water PPP’s wordt ge-cofinancierd door ambassades vanuit hun gedelegeerde ODA gelden.

Naam PPP

Korte beschrijving

Voedselzekerheid en Private Sector Ontwikkeling

Solidaridad, pilots voor Commodity Business Support Centres

Opzetten van Community Business Support centers in verschillende landen om kleine boeren bij certificering te ondersteunen.

GAIN – Global Alliance for Improved Nutrition

Initiatief om hoofdvoeding in voldoende mate te voorzien van micronutriënten, o.a. door het verrijken van staple food.

Initiatief Duurzame Handel (IDH)

Verduurzamen van internationale handelsketens. IDH smeedt ondernemende allianties tussen overheden, bedrijven, vakbonden en maatschappelijke organisaties. Deze partijen nemen samen verantwoordelijkheid voor het verbeteren van milieu- en arbeidsomstandigheden in handels- en productieketens in ontwikkelingslanden.

African Agribusiness Academy

On the job trainen van agribusiness, met behulp van ondernemersgroepen in Sub Sahara Afrika. In een «peer to peer» modaliteit worden trainingen en workshops georganiseerd waarbij de kleine bedrijven van de meer ervaren bedrijven (de «champions») kunnen leren waar en hoe knelpunten in bedrijfsvoering en aanpak te verbeteren.

Flour Fortification Iniatiative

Verbetering van de kwaliteit van brood en meel d.m.v. technisch advies en het bij elkaar brengen van voedselinspecteurs en gezondheidsautoriteiten.

Sustainable Agriculture Guarantee Fund for Coffee Growers

Garantiefond voor financiële instellingen in OS-landen voor landbouwcorporaties.

Helping farmers produce cassava for profit

Opzet van fabrieken voor verwerking van cassave (in cakes die makkelijk te transporteren zijn) met innovatieve technologie.

Amsterdam Initiative against Malnutrition

Betere kwaliteit voeding voor 100 mln mensen in 2015. Samenwerkingsverband met Unilever, DSM, AkzoNobel, Wageningen University en ICCO.

Transitie Faciliteit Vietnam

Verduurzamen van de kweek van Pangasius in Vietnam

Heineken International

Vervanging van gerst met andere granen (soghum) in DRC en Burundi voor de productie van bier.

TNO

Ontwikkeling ergonomisch landbouwgereedschap.

Forest Tea Gardens

Productie van thee in tropisch regenwoud zonder gebruik van pesticide.

Village Tea Production

Ontwikkelen thee plantages in Rwanda

Edukans

Verbeteren van beroepsonderwijs in voornamelijk de productieve sector.

SOS kinderdorpen

Capaciteitsontwikkeling met een productieve invalshoek.

Borneo Initiative (in beheer bij IDH)

Verduurzamen van de houtketen.

Innovatieve financiering

Oikocredit, mesofinanciering

Financieringsfonds voor productiebedrijven (SMEs).

EARS: FESA Micro-Insurance

Ontwikkelen van verzekeringsproducten voor landbouwboeren op basis van satelliet informatie over de weersomstandigheden.

Triodos, het katalyseren van financiering voor sustainable value chains

Investeringsfonds voor duurzame ketens in OS-landen. Focus op agribusiness.

Mesofinanciering in Ontwikkelingslanden

Fonds in Georgië, Vietnam en Mozambique – gericht op de financiering van het MKB.

Wij een huis, zij een huis

Door extra promilage op Nederlandse hypotheek een huis financieren in een ontwikkelingsland.

Rebel Group

Investeringsfonds voor MKB in Oost Afrika.

Gezondheid/SRGR

North Star

Dertigtal mobiele klinieken langs de transportroutes in Zuidelijk Afrika om integrale zorg te bieden aan vrachtwagenchauffeurs om zo hiv, soa's en tb te bestrijden

Health Insurance Fund (HIF)

Verbetering toegang tot goede gezondheidszorg voor lage inkomens groepen, met behulp van een ziektekostenverzekering. De essentie is om lokale verzekeraars te ondersteunen om ziektekostenverzekeringen te ontwikkelen voor lage inkomensgroepen in de informele sector.

MDG5

Cordaid, Meshwork for Mother Care

Dit PPP draait om de ontwikkeling en implementatie van een gevriesdroogd oxytocine.

UAFC/Universal access to the female condom joint programme

Introductie van het vrouwencondoom in drie Afrikaanse landen.

Concept foundation

Ontwikkeling van betere toepassing van medicijnen voor abortus.

Drugs for Neglected Diseases initiative

Productontwikkeling voor Sleeping Sickness, Leishmaniasis en Chagas diseases, i.s.m. academia en farma industrie.

International Aids Vaccine Initiative

Ontwikkeling aidsvaccin i.s.m. academia en farma industrie.

International Partnership for Microbicides

Ontwikkeling microbiciden ter preventie van HIV, i.s.m. academia en farma industrie.

Aeras

Ontwikkeling TB-vaccins i.s.m. academia en farma industrie.

Sabin Institute

Ontwikkeling hookworm vaccine i.s.m. academia en farma industrie

Foundation for Innovative Diagnostics

Ontwikkeling diagnostische middelen voor armoede gerelateerde ziekten, i.s.m. academia en farma industrie

Path/Protection Options for Women (Women’s condom)

Implementatie van vrouwencondoom in OS-landen, i.s.m. NGOs en farma-industrie

Text To Change (TTC), voorlichting HIV/Aids via mobiele telefonie

Informeren van lokale bevolking via sms over hiv/aids en het laten testen op hiv/aids

Water , sanitatie en Hygiene

Internet voor water en sanitatie (Akvo)

Informatievoorziening – digitaal systeem om impact en resultaten te delen. AKVO ontwikkelde een internetsite voor kennis, financiering en monitoring van projecten op gebied van water en sanitatie

Aqua for All

Waterzuivering in huishoudens. Aqua for all fungeert als matchmaker om middelen en expertise beschikbaar te stellen aan ontwikkelingsprogramma’s van NGO’s, gericht op water en

sanitatie voor de allerarmsten.

Water Integrity Network

Bestrijden van corruptie in de watersector

Urban sanitation in 4 small towns, Mozambique

Capaciteit van lokale en nationale overhead op gebied van sanitatie versterken. Samenwerking met Vitens Evides International, Waterschap Friesland en lokale autoriteiten.

Stichting 2015, UNICEF

Kleinschalig project, gericht op watervoorziening, met Millenniumgemeente Harderberg.

Water, Sanitatie en Hygiëne (WASH)

Het Water Sanitatie en Hygiëne (WASH) Secretariaat (NWP) stimuleert en coördineert initiatieven die bijdragen aan duurzame drinkwatervoorzieningen en sanitatie in ontwikkelingslanden.

Ulaanbaatar Water Supply and Sewerage Authority

Ondersteuning van Drinkwater en rioolstelsel in Mongolië

Water Operators in Tete, Chimoio, Gondola, Moatize and Manica

Versterken van water operators in een aantal rurale steden in Mozambique. Vitens Evidens International draagt direct bij aan een betere serviceverlening (toegang tot water) en management door samenwerking met FIPAG (de Mozambicaanse partner) door het inzetten van specifieke deskundigen waar nodig.

Water operators Xai Xai, Chókwè, Maxixe and Inhambane

Versterken van water operators in een aantal rurale steden in Mozambique. Vitens Evidens International draagt direct bij aan een betere serviceverlening (toegang tot water) en management door samenwerking met FIPAG (de Mozambicaanse partner) door het inzetten van specifieke deskundigen waar nodig

Aceh Drinkwater

Samenwerking tussen drie NL drinkwater bedrijven (Dunea, PWN, WMD) verenigd in de Stichting H2O en vijf op Aceh.

Drinkwater Oost-Indonesie

Add-on bij het P3SW project met als doelstellingen het snel vergroten van het aantal huisaansluitingen bij drie drinkwater bedrijven in Oost Indonesië

Klimaat en Engergie

Nuon – FRES PPS zonne-energiebedrijfjes opzetten

Het leveren van energie aan rurale gebieden zonder toegang tot elektriciteit door het opzetten van kleine zonne-energiebedrijfjes in 6 landen in sub-Sahara Afrika.

Groen licht voor Afrika Philips

Ontwikkelen van geschikte producten (lampjes) voor de «off-grid consumer market» in Afrika en deze producten via lokale distributie kanalen te leveren aan de rurale eindgebruikers die op dit moment geen fatsoenlijke energievoorziening hebben.

Fair Carbon Fund

Het Fair Climate Fund investeert in klimaatvriendelijke energie-oplossingen in ontwikkelingslanden

Overig

Partnerships Resource Center

Onderzoeksinstituut naar publiek-private partnerschappen.

11

Heeft u een beeld van de (voorlopige) toegevoegde waarde van publiek-private partnerschappen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking?

In 2010 is een tussentijdse evaluatie gedaan van de PPP’s die in het kader van de Millennium akkoorden en het Schokland fonds zijn aangegaan in de periode 2007–2008

De meeste van de PPP’s waren nog in hun opbouwfase, maar de analyse gaf de volgende sterke punten van PPP’s aan:

  • Een gemeenschappelijk kenmerk van PPP’s is de hoge mate van innovatie (nieuwe technologie, nieuwe partijen, nieuwe financiële middelen en een nieuwe aanpak).

  • De belangrijkste succesfactoren voor een welslagen van PPP’s zijn: een goede theory of change, vraaggestuurd, waar mogelijk marktgericht, ambitieus, flexibiliteit van alle partners, voldoende tijd en aandacht voor samenwerking tussen partijen en aansluiten bij corebusiness van bedrijven.

Op basis van ervaringen tot nu toe zit de toegevoegde waarde van PPP’s vooral in mogelijkheden voor innovatie en systeemveranderingen, door publieke en private partijen en expertise aan elkaar te koppelen. Concrete voorbeelden zijn het bieden van een afzetmarkt voor kleine boeren door ze te koppelen aan Heineken brouwerijen in enkele Afrikaanse landen (DRC, Burundi); het produceren van armoederelevante medicijnen (HIV/aids, TB, armoedeziektes); het verschaffen van krediet en technische assistentie aan ondernemers; het versterken van functioneren van waterbedrijven. Ook kunnen PPP’s een bijdrage leveren aan verbetering van ondernemingsklimaat door invoering van productkwaliteitssystemen (tuinbouwsector Ethiopië).

Voor 2012–2013 is een evaluatie voorzien van alle Schokland PPP’s.

12

Wat zijn de kosten en opbrengsten in 2011 van het aangaan van publiek-private partnerschappen?

2011 was een overgangsjaar waarin op basis van nieuwe beleidsprioriteiten het nieuw beleid in de steigers is gezet en waarin vervolg is gegeven aanenkele bestaande PPP’s (Solidaridad, Aqua4All).

Uitgaven voor lopende PPP’s in 2011, totaal EUR 48.3 mln.:

Voedselzekerheid en private sectorontwikkeling: EUR 8.7 mln.

Financiële dienstverlening: EUR 0.34 mln.

Water & sanitatie: EUR 13.5 mln.

Energie en klimaat, diversen: EUR 1.3 mln.

Gezondheid: EUR 24.5 mln.

Projecten zijn zeer divers van aard waardoor opbrengsten van PPP’s in algemene termen niet te geven zijn. Verder zijn resultaatgegevens niet altijd op jaarbasis beschikbaar. Wel kunnen enkele voorbeelden van de prestaties van enkele PPP’s worden gegeven.

In de PPP met Heineken worden kleine boeren getraind om sorghum te leveren aan lokale brouwerijen. In 2011 steeg het aantal boerenfamilies, dat betrokken is bij het programma, van 900 naar 1 560, de productie van 65 ton naar 1225 ton en de inkomsten van $ 24 000 naar $ 460 000

In Ethiopië werd onder het Ethiopian Netherlands Horticulture Partnership een sectorcode geïntroduceerd voor duurzame bloementeelt, inclusief capaciteitsversterking, die de sector toegang geeft tot de internationale markt. Momenteel wordt 80% van de exportteelt, die $180 miljoen bedraagt, onder deze code geproduceerd en zijn 50 000 mensen werkzaam in de sector.

In de PPP voor TB werd in juni 2011 aangetoond dat een nieuwe TB-test tot majeure kosten- en tijdsbesparing bij de behandeling leidt. In september 2011 werd een doorbraak bereikt in onderzoek naar breed werkzame antilichamen. De ontdekking van deze antilichamen heeft wereldwijd een enorme push gegeven aan het onderzoek naar Aids-vaccins.

13 en 53

Wat houdt de verdieping van de economische diplomatie ter bevordering van de handel exact in?

Waaruit bestaat de inzet in economische diplomatie?

Economische diplomatie wordt ingezet als instrument om export door Nederlandse bedrijven, buitenlandse investeringen in Nederland en internationale R&D-samenwerking te bevorderen. De in 2011 ingezette verdieping bestaat uit de volgende elementen:

  • Er is extra bezuinigd om het postennet in een aantal economische prioriteitslanden te versterken (Brazilië, China) of tenminste op peil te houden; er is een nieuwe post geopend in Panama en in de loop van 2012 zal een Consulaat-Generaal worden geopend in Chongqing in Zuid-China;

  • Dienstverlening aan het Nederlands bedrijfsleven en economische diplomatie hebben hoge prioriteit op de posten. De posten zijn in 2011 steeds meer ontschot gaan werken; Naast de medewerkers van de economische afdelingen, zetten bijvoorbeeld ook de ambassadeurs en cultureel medewerkers zich in ten behoeve van economische diplomatie.

  • Interdepartementaal wordt samengewerkt op basis van een strategische agenda van projecten, kansen en belemmeringen in belangrijke groeimarkten waar kansen liggen die met behulp van economische diplomatie kunnen worden verzilverd. Ook is er een kabinetsbrede strategische reisagenda opgezet, waar de economische missies nadrukkelijk onderdeel van zijn.

BZ en EL&I hebben gezamenlijk het opleidingsprogramma op het gebied van economie en handelsbevordering herzien en er is een ruimer aan bod van stage-mogelijkheden bij het Nederlands bedrijfsleven gecreëerd. De samenwerking met het MKB is geïntensiveerd. Er wordt bovendien toenemend belang gehecht aan talen.

14

Hoe is de rolverdeling tussen het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en het ministerie van Buitenlandse Zaken op het gebied van internationale marktwerking en welke rol speelt het ministerie van Financiën daarbij?

Het ministerie van EL&I treedt vooral op vanuit het perspectief van de Nederlandse economische belangen. Die rol ziet toe op bevordering van handel en investeringen. Verder richt het ministerie van EL&I zich op economische diplomatie en de economische functies van het postennetwerk en maakt het zich sterk voor vrije niet-discriminerende wereldhandel, met name in de World Trade Organization (WTO) en via Europese vrijhandelsverdragen.

Het ministerie van BZ zorgt voor een goede inbedding van economische diplomatie binnen het postennetwerk, marktwerking als onderdeel van het bredere beleidsterrein van internationale publieke goederen en verzekert de samenhang tussen economische diplomatie en de andere diplomatieke taken op de post (o.a. publieksdiplomatie, multilateraal etc). Vanuit ontwikkelingsperspectief concentreert de inzet zich op verbetering van internationale marktwerking in het belang van ontwikkelingslanden.

De rol van het ministerie van Financiën concentreert zich op de samenwerking en aansturing van de multilaterale instellingen, waarbij het aandeelhouder is, en de internationale samenwerking op het gebied van belastingen en douane, inclusief belastingverdragen en exportkredietverzekeringen.

15

Hoe zijn de middelen verdeeld over de vijf prioritaire thema’s? Wat is daarvan gerealiseerd?

In april 2011 is de geactualiseerde mensenrechtenstrategie met de prioritaire thema’s gepubliceerd. De verdeling van de beschikbare middelen is daar vervolgens zoveel mogelijk mee in lijn gebracht. De ambassades zijn gevraagd dat ook in de hun gedelegeerde budgetten te doen. Een centraal uitgeschreven tender werd ook specifiek gericht op de prioritaire thema’s. Een en ander kreeg begrotingstechnisch zijn beslag in augustus 2011. De resultaten over 2012 – het eerste volledige jaar dat deze verdeling zijn beslag krijgt – zullen tezijnertijd met uw Kamer worden gedeeld.

16

Kunt u de opbrengsten van het verbreken van de ontwikkelingsamenwerkingsrelatie met de vroegere partnerlanden inzichtelijk maken? En waarin worden deze opbrengsten geïnvesteerd?

Voor 2012 levert het verbreken van de ontwikkelingsrelatie met de vroegere partnerlanden een bedrag van circa EUR 116 miljoen op. Deze opbrengsten worden ingezet om de kortingen op het ODA-budget te dekken.

17 en 18

Wat zijn de kosten van de modernisering van de Nederlandse diplomatie tot nu toe geweest en welke kosten verwacht u nog te maken?

Welke cijfers zijn er bij u bekend over de opbrengsten van de modernisering van de Nederlandse diplomatie, voor zowel de lange als de korte termijn?

In 2012 is EUR 1,5 mln beschikbaar voor investeringen in modernisering. Deze middelen worden ingezet voor nieuwe (economische) opleidingen en stages in het bedrijfsleven en investeringen in moderne ICT-toepassingen, zoals het verder digitaliseren van informatie en het ontwikkelen van e-dienstverlening voor burgers. Ook wordt bij modernisering gekeken naar innovatieve manieren om in het buitenland «fysiek» aanwezig te zijn, zoals gezamenlijke huisvesting van ambassades met andere Europese landen, het beschikbaar stellen van residenties voor het Nederlands bedrijfsleven enzovoorts, om op die manier te besparen en tegelijkertijd op moderne en toegankelijke wijze in het buitenland vertegenwoordigd te zijn. Die moderniseringen en aanpassingen dragen uiteindelijk bij aan de bezuinigingen die gerealiseerd moeten worden op het postennet. Deze bezuinigingen bedragen uiteindelijk EUR 55 mln. in 2015. In de loop van 2012 zal de Commissie van Wijzen nader adviseren over verdere modernisering.

19

Wat zijn de overige inspanningen t.a.v. beleidsthema 1?

Het HGIS-Jaarverslag gaat beknopt in op de activiteiten en resultaten die in 2011 met de HGIS-middelen zijn gerealiseerd. Voor meer gedetailleerde informatie ten aanzien van beleidsthema 1 verwijs ik naar het Jaarverslag 2011 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

20

Is de opsomming van de Nederlandse bijdrage aan de Europese rechtsorde volledig?

Het HGIS-jaarverslag gaat beknopt in op de activiteiten en resultaten die in 2011 met de HGIS-middelen zijn gerealiseerd. Voor meer gedetailleerde informatie over de Nederlandse bijdrage aan de Europese rechtsorde verwijs ik naar de jaarverslagen 2011 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

21

Wat is er met het resterend bedrag van Rechtshandhaving/Europol en Eurojust gebeurd?

Het resterende bedrag houdt verband met de vertraging van de werkzaamheden aan de nieuwbouw van Europol. Zie hiervoor ook 27. Voor het benodigde budget dat nodig is voor de uitvoering en afronding van de werkzaamheden is conform de regelgeving Rijksbegroting een budgetoverheveling aangevraagd van 2011 naar 2012. Het overblijvende deel valt vrij.

22

Hoeveel bedraagt de Nederlandse bijdrage aan de renovatie van het VN-hoofdkantoor? Hoeveel bedraagt de verhoging van de verdragscontributie aan de Verenigde Naties van Nederland? Waar komen de middelen vandaan voor de verhoging van de begroting van de internationale rechtsorde?

De renovatie van het VN-hoofdkwartier in New York is onderdeel van de totale begroting van 1 876,7 miljoen USD die door alle VN-lidstaten krachtens resolutie 61/251 is goedgekeurd. Deze begroting wordt betaald uit contributies. Met de huidige verdeelsleutel betaalt Nederland 1,855% van de VN-begroting en daarmee ook 1,855% van 1 876,7 miljoen USD. De verplichte Nederlandse bijdrage bedraagt derhalve 34,8 miljoen USD. Sommige lidstaten, waaronder Nederland, hebben ook besloten tot het leveren van een vrijwillige bijdrage. Landen die een dergelijke bijdrage leveren mogen zogenaamde design input leveren. Nederland betaalt 3,0 miljoen USD als vrijwillige bijdrage. Landen die een dergelijke bijdrage leveren mogen zogenaamde design input leveren. Nederland betaalt 3,0 miljoen USD als vrijwillige bijdrage en mag dientengevolge het ontwerp leveren voor de VN Delegates Lounge. Dit project is een visitekaartje van de topsector creatieve industrie en Nederlands ondernemerschap aan de wereld. Daarnaast heeft dit project een diplomatieke functie. De Delegates Lounge wordt gebruikt door duizenden diplomatieke vertegenwoordigers van de 193 lidstaten en staat daarmee in het hart van de multilaterale diplomatie.

De verhoging van de verdragscontributie van 6,8 miljoen EUR wordt veroorzaakt door toevoegingen (add-ons) aan de tweejarige reguliere VN-begroting (in dit geval 2010–2011). Deze add-ons worden behandeld in de herfstzitting van het niet-begrotingsjaar. In het najaar van 2010 werden add-ons gepresenteerd voor onder meer speciale politieke missies, het informatiemanagementsysteem Umoja en het kantoor van de Speciaal Gezant voor seksueel geweld in conflictsituaties. Bovendien worden bij het opstellen van de begroting aannames gehanteerd voor onder andere wisselkoersen. Aan het einde van het niet-begrotingsjaar worden deze verrekend. Deze add-ons werden opgeteld bij de contributieaanslag voor 2011. Naast nominale nulgroei, streeft Nederland ook een transparante en voorspelbare begroting na.

23

Waar bestaat de stijging van EUR 1,0 miljoen ODA uit?

De stijging betreft het ODA-deel van de verhoging van de verdragscontributie aan de Verenigde Naties.

24

Uit welke overige elementen bestaat de verhoging van het budget voor mensenrechten nog meer, naast de extra bijdrage aan de Office of the High Commisioner of Human Rights?

De verhoging van het budget voor mensenrechten bestaat, naast de extra bijdrage aan de Office of the High Commissioner of human Rights, uit een betaling van een deel van de verdragscontributie 2012 voor de International Labour Organisation (zie jaarverslag Buitenlandse Zaken pag 73).

25

Wat is er met de meevaller op de begroting van internationale juridische instellingen gedaan?

Deze «meevaller» is doorgeschoven naar 2012, ter financiering van het Internationaal Strafhof. Het gaat op dit moment nog om een verandering in kasritme. Of de sloopkosten daadwerkelijk tot vrijval van budget leiden kan pas worden vastgesteld nadat de sloop is voltooid (september 2012). De bijdrage aan het internationaal Strafhof in 2012 is overigens op verzoek van de Kamer verhoogd (motie Pechtold c.s. Kamerstuk 33 000-V, nr. 85).

26

Welke concrete afspraken zijn gemaakt met landen en op welke manier wordt aangesloten bij mensenrechtenverplichtingen die al zijn aangegaan?

Er worden geregeld concrete afspraken over samenwerking met landen gemaakt, tijdens of naar aanleiding van bilaterale bezoeken van bewindspersonen en de mensenrechtenambassadeur. In de mensenrechtenrapportage die de Kamer eerder dit jaar is toegestuurd vindt u een weerslag van gemaakte afspraken met landen op de beleidsprioriteiten. Ook tijdens bilaterale mensenrechtendialogen en dialogen in EU-verband, worden met landen afspraken gemaakt over hun mensenrechtenbeleid. Daarbij wordt ook aangesloten bij aangegane VN-verdragscomitéverplichtingen. Bij mensenrechtendialogen wordt overigens geprobeerd zo veel mogelijk aan te sluiten bij toezeggingen die landen hebben gedaan n.a.v. hun «mensenrechtenexamen» i.h.k.v. de Universal Periodic Review in de VN-Mensenrechtenraad (informatie daarover is publiek toegankelijk via www.ohchr.org).

27

Wat betekent de vertraging van de werkzaamheden aan de nieuwbouw van Europol voor de komende jaren?

27

De vertraagde werkzaamheden aan de nieuwbouw van Europol worden afgerond in 2012 en hebben geen (financiële) effecten voor de latere jaren.

28

Wat is er gebeurd met de extra bijdrage aan de Office of the High Commissioner of Human Rights?

Deze extra bijdrage besteedt het kantoor van de Hoge Commissaris aan extra activiteitennaar aanleiding van de ontwikkelingen in de Arabische wereld. Met het Nederlandse geld is bijgedragen aan het openen van een tijdelijk regionaal kantoor in Tunis en zijn andere activiteiten mogelijk gemaakt in o.m. Libië, Egypte, Syrië en Jemen.

29

Wat is er van het begrootte budget voor Afghanistan tot nu toe gerealiseerd? En wat is het resterende budget?

In de laatste Stand van Zakenbrief over Afghanistan van 12 maart jl. is gerapporteerd over de realisatie van de additionele uitgaven voor de geïntegreerde politietrainingsmissie in 2011 (Kamerstuk 27 925 nr. 453).

De initiële raming voor de additionele uitgaven voor de geïntegreerde politietrainingsmissie voor Defensie en voor Veiligheid en Justitie (2011–2015) binnen de HGIS bedroeg EUR 467,8 miljoen. Daarvan is in 2011, zoals blijkt uit de brief van 12 maart jl. EUR 73,5 miljoen uitgegeven. Daarnaast is een bedrag van EUR 7 miljoen aan uitgaven doorgeschoven van 2011 naar 2012, waardoor de raming voor 2012 wordt verhoogd tot EUR 116,3 miljoen. Voor 2013 worden de uitgaven begroot op EUR 109,3 miljoen, voor 2014 op EUR 94,4 miljoen en voor 2015 wordt een bedrag van EUR 32,5 miljoen voorzien. De raming voor de periode 2012 -2015 bedraagt hiermee EUR 352,5 miljoen.

Daarnaast meldt dezelfde Stand van Zakenbrief dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het Rule of Law-gedeelte een bedrag van EUR 22,5 miljoen voor de gehele missie is begroot, waarvan in 2011 EUR 4,1 is uitgegeven. Het resterend budget voor de activiteiten op het gebied van Rule of Law bedraagt derhalve EUR 18,4 miljoen voor de resterende periode.

30

Kunt u toelichten wat er zo succesvol is geweest aan het programma voor de ontwikkeling van de veiligheidssector in Burundi? Kunt u hierbij met name ingaan op de output in plaats van de input van dit programma, oftewel, waaruit blijkt dat de veiligheidssector in Burundi daadwerkelijk is verbeterd?

Het Nederlandse programma voor de ontwikkeling van de veiligheidssector in Burundi heeft concreet geleid tot betere faciliteiten en werkomstandigheden voor militairen en politie, evenals trainingen op het gebied van ethiek, democratie, mensenrechten. Daarnaast is gewerkt aan een betere juridische inbedding van leger en politie en versterking van het toezicht op de veiligheidssector door parlement, maatschappelijk middenveld en media. Ook is de samenwerking tussen politie en burgers verbeterd door o.a. de oprichting in 11 gemeentes van veiligheidscomités waar politie, bestuurders en maatschappelijke organisaties samen lokale veiligheidsplannen opstellen.

Uit een onderzoek dat eind 2011 is uitgevoerd door de Burundese NGO Centre d’alerte et de prévention des conflits, blijkt dat de veiligheidsbeleving onder de Burundese bevolking ook daadwerkelijk is verbeterd, evenals het imago van de politie en het leger. Zo was de veiligheidssituatie volgens ruim 71% van de ondervraagden verbeterd ten opzichte van een jaar eerder. Ook vond 80% van de ondervraagden dat het leger zich beter gedraagt en 60% dat de politie zich beter gedraagt dan het jaar daarvoor.

31

Waaruit bestond de bijdrage van Nederland aan de oprichting van het Global Counter-Terrorism Forum?

Nederland is van meet af aan betrokken geweest bij de voorbereiding van de oprichting van het Global Counter-Terrorism Forum (GCTF), en de totstandkoming van de political declaration en de terms of reference. Nederland nam hiertoe deel aan verschillende voorbereidende vergaderingen en bracht een non-paper in. Het belang dat Nederland hecht aan dit samenwerkingsforum werd benadrukt door mijn aanwezigheid bij de oprichtingsvergadering in New York (september 2011). Sindsdien heeft Nederland er vooral op ingezet dat het GCTF wordt benut om activiteiten van internationale organisaties en bilaterale donoren beter op elkaar worden afgestemd. Inhoudelijk ligt daarbij het accent op het versterken van de rechtsstaat (o.m. de capaciteit van landen om terrorismezaken te voeren, inbedding mensenrechten in aanpak terroristen). Een tweede prioriteit is het tegengaan van gewelddadig extremisme. In het kader van het GCTF worden bijvoorbeeld best practices uitgewerkt over de inzet van (communicatie)middelen bij het voorkomen van radicalisering.

32

Waaraan zijn de overige 20% van de Nederlandse middelen voor noodhulp besteed die niet aan de VN of Rode Kruis-organisaties zijn uitbesteed?

In de Memorie van Toelichting 2011 werd als te realiseren prestatie genoemd om minstens 80% van de bijdragen aan de VN en Rode-Kruis familie geheel of gedeeltelijk ongeoormerkt in te zetten. Het resterende bedrag van het gehele noodhulpbudget dat niet via Rode Kruis-familie of VN werd besteed, werd gekanaliseerd via NGO’s en IOM

33

Wat is het resultaat van de Nederlandse inspanningen met betrekking tot het vergroten van de snelheid en effectiviteit van humanitaire hulpverlening binnen de EU?

De Europese Commissie en de EU-lidstaten behandelen op dit moment een EU-wetgevingsvoorstel voor de herziening van het EU Civil Protection Mechanism. Omdat het wetgevingsvoorstel nog behandeld wordt, is nog geen definitieve uitkomst te geven vande Nederlandse inspanningen op dit terrein.

Het voorstel heeft betrekking op civiele bescherming binnen en buiten de EU, en op humanitaire hulpverlening. Nederland staat positief tegenover de doelstelling van de Europese Commissie om de efficiëntie, effectiviteit en de coherentie van de EU rampenrespons te versterken. Het voorstel bevat verschillende elementen die tot een verbetering van het huidige Mechanisme voor Civiele Bescherming en tot een versterkte samenwerking tussen de lidstaten en de EU kunnen leiden. De Europese Commissie streeft naar een meer consistente lijn ten aanzien van operaties buiten de EU. Zij wil dit bereiken door via het EU Mechanisme hulp te bieden, door contact te onderhouden met de Europese Dienst voor Extern Optreden, en door situaties waarbij consulaire ondersteuning kan worden geboden, te verduidelijken.

De Nederlandse inzet in de onderhandelingen rondom dat EU-wetgevingsvoorstel richt zich vooral op een verduidelijking van taakverdeling tussen de Europese coördinatie in Brussel en de nationale taken op basis van nationale bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Die helderheid komt de snelheid van de respons ten goede. Het Nederlandse standpunt daarin is dat de primaire verantwoordelijkheid voor civiele bescherming bij de Lidstaten van de EU ligt en blijft liggen.

Nederland is van mening dat een verbeterde EU rampenrespons voor humanitaire crises in ontwikkelingslanden in het belang van deze ontwikkelingslanden is.  Daarbij is het wel essentieel dat de humanitaire respons van de EU goed is aangesloten op inzet door de Verenigde Naties en niet ten koste gaat van de efficiëntie en effectiviteit van de internationale humanitaire rampenrespons. Mede op aandringen van Nederland is nu in het wetgevingsvoorstel expliciet opgenomen dat de Europese coördinatie de wereldwijde coördinatie van humanitaire hulp door de VN zal ondersteunen.

34

Waaruit bestond de Nederlandse steun aan International Renewable Energy Agency en het Extractive Industries Transparency Initiative?

Nederland is een van 89 landen die is aangesloten bij het International Renewable Energy Agency (IRENA). De verplichte contributie bedraagt in 2011 EUR 220 000. Deze wordt door de ministeries van Buitenlandse Zaken en EL&I gezamenlijk voldaan. Nederland heeft sinds 2005 EUR 2,6 mln bijgedragen aan het Extractive Industries Transparency Initiative (EITI). Het betreft bijdragen aan het Multi Donor Trust Fund onder de Wereldbank (dat nationale implementatieprocessen deels financiert), een project op het terrein van capaciteitsopbouw van NGO’s die bij het EITI zijn betrokken (uitgevoerd door het Revenue Watch Institute) en een jaarlijkse financiële bijdrage aan het secretariaat van EITI. Nederland is actief lid van de Board van EITI.

35

Waar bestaat de stijging van de begroting Regionale stabiliteit en crisisbeheersing uit?

De stijging met EUR 3 594 mln is een gesaldeerd effect. Enerzijds is er sprake van een verhoging vanwege de bijdrage aan de Kunduz trainingsmissie. Anderzijds is er sprake van een verlaging omdat geplande activiteiten niet zijn doorgegaan en doordat de betalingen aan het Medefinancieringsstelsel (MFS)-I lager uit zijn gevallen en de nieuwe uitgaven voor het MFS-II niet meer op dit artikel worden geboekt.

36

Wat is de stand van de genoemde noodvoorraden? Wordt hier nog steeds een beroep op gedaan in het licht van de onrust in de Arabische Regio?

Nederland voldoet aan de voorraadverplichting van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), die voor lidstaten gelijk staat aan een hoeveelheid die overeenkomt met 90 dagen binnenlands verbruik in het voorgaande kalenderjaar. In 2012 is geen beroep gedaan op deze internationale noodvoorraden. De olieproductie in de Arabische regio werd vorig jaar verstoord door het uitvallen van de Libische productie; deze is bijna terug op het oude niveau.

37

Kunt u aangeven wat de resultaten zijn van het programma voor de rechtsstaatbevordering in partnerland Indonesië?

Nederland ondersteunt in Indonesië het in 1998 ingezette proces van bestuurlijke hervormingen en rechtstaatsontwikkeling. De door Nederland ondersteunde activiteiten versterken juridische structuren en instituties op het gebied van goed bestuur. Via deze programma’s zijn bijvoorbeeld de onderzoekstechnieken van de Anti-Corruptie Commissie versterkt, het systeem van openbare aanbesteding verbeterd en de functie van nationale ombudsman helpen opzetten en vormgeven. Voorts zijn instituties zoals de Hoge Raad en het opleidingsinstituut voor rechters versterkt en is door activiteiten gericht op het mondiger maken van arme en minder geprivilegieerde groepen in de samenleving «access to Justice» bevorderd.

38

Welke betekenis heeft de vertraging van de nieuwbouw van het NAVO-hoofdkwartier voor de begroting in de komende jaren?

De lagere uitgaven in 2011 hebben vooral te maken met een iets trager kasritme dan door de NAVO gepland was. Het kasritme in de jaren 2012 en verder wordt als gevolg hiervan iets naar boven aangepast, zonder dat de totale kosten toenemen. Overigens is er geen sprake van een vertraging in de oplevering en ingebruikname van het pand, die zijn voorzien in 2016/2017.

39 en 41

Hoeveel lager zijn de betalingen aan het Medefinancieringsstelsel (MFS)-I uitgevallen? Wat is er met deze meevaller gebeurd.

Welke uitgaven aan MFS-I zijn niet doorgegaan?

De betalingen zijn EUR 360 000 lager uitgevallen. Dit bedrag is ten goede gekomen aan prioriteiten binnen het OS-budget. Een aantal betalingen aan aflopende MFS-I subsidies viel lager uit. Bij de eindafrekening van de subsidie bleek de financieringsbehoefte lager (onder andere door renteinkomsten  op de subsidie bij de organisatie).

40

Waarom worden nieuwe uitgaven voor het MFS niet meer op dit artikel geboekt? Waar worden deze uitgaven dan wel geboekt?

De uitgaven van de voorlopers van MFS-II (MFS-I en TMF) waren op basis van thema’s onder de betreffende, verschillende begrotingsartikelen geboekt. De gemeenschappelijke beleidsdoelstelling van het MFS II is het leveren van een bijdrage aan de opbouw en de versterking van het maatschappelijk middenveld in het Zuiden als bouwsteen voor structurele armoedevermindering. Daarom worden voor MFS-II alle activiteiten verantwoord onder één artikel, nl artikel 5.6 (participatie civil society). Bijkomend voordeel is dat de beheersmatige en inhoudelijke coördinatie makkelijker wordt gewaarborgd.

42

Wat zijn de eventuele budgettaire gevolgen van de Nederlandse inzet bij de Raad van Europa?

Nederland is een actieve speler binnen de Raad van Europa en zal dat blijven. Er zijn geen budgettaire gevolgen voorzien ten opzichte van voorgaande jaren. De reguliere contributie van Nederland is EUR 8 468 761. Overigens is het budget van de Raad van Europa reëel gelijk gebleven. Overige (vrijwillige) bijdragen EUR 2 436 506,73 (waaronder Venetië Commissie en GRECO).

Vrijwillige bijdragen:

  • Toezegging staatssecretaris: financiering griffiemedewerker Hof voor 2 jaar.

  • NL draagt EUR 500 000 bij aan een LGBT project voor 2011–2013. NL hecht veel belang aan het bestrijden van discriminatie op grond van seksuele oriëntatie en geslacht.

  • NL draagt bij aan de Venetië Commissie. In totaal wordt door Nederland en andere landen (Finland, Frankrijk, Italië en Turkije) EUR 420 000 bijgedragen.

  • NL droeg EUR 250 000 bij aan het Human Rights Trust Fund. Dit fonds financiert o.a. de volgende projecten:

    • · Opzetten van een trainingsinstituut binnen het EHRM.

    • · Vertaling en verspreiding belangrijke EHRM-jurisprudentie in niet-officiële talen.

    • · Europees programma voor mensenrechten educatie voor juridische professionals.

De Raad van Europa (RvE) richt zich minder op bijzaken. Dit is in lijn met ons standpunt dat de RvE zich sterk moet maken om waar mogelijk doublures met andere organisaties op het terrein van mensenrechten te voorkomen.

43, 44 en 45

Welke oorzaken hebben de vertragingen in regionale programma’s?

Welke regionale programma’s hebben in 2011 last gehad van vertragingen?

Welke gevolgen hebben de vertragingen voor de begroting van de komende jaren?

Vertragingen in de regionale programma’s onder het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) worden veroorzaakt door een zwakke capaciteit van regionale organisaties, trage indaling van de regionale programma’s op nationaal niveau en teveel kleinschalige projecten.

Regio’s met de laagste uitputting van fondsen zijn West-Afrika, Zuidelijk Afrika, en Oost-Afrika. De vertraging heeft tot gevolg dat de Europese Commissie de fondsen die niet voor de oorspronkelijke regionale programma’s kunnen worden gecommitteerd voor andere doelstellingen binnen de regio’s zal aanwenden. Zo overweegt de Commissie investeringen in hernieuwbare energie als onderdeel van het Sustainable Energy for All Initiative van de Verenigde Naties. Aangezien er dergelijke reallocaties plaatsvinden zullen de vertragingen in de oorspronkelijk voorziene regionale programma’s geen gevolgen hebben voor het totale volume van EOF 10.

46

Waaruit bestaat de Nederlandse inzet voor de ontwikkeling van de private sector?

Het beleid ten aanzien van de ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden begint bij de bevordering van een goed ondernemingsklimaat, het scheppen van de randvoorwaarden waaronder het (lokale) bedrijfsleven kan functioneren en het stimuleren van bedrijvigheid en ondernemerschap. Daarbij wordt ingezet op verbetering van financiële dienstverlening voor burgers en bedrijven, betere beschikbaarheid van en toegang tot infrastructuur, marktontwikkeling en toegang tot markten, creëren van economische wet- en regelgeving, economische en bedrijfsmatige kennis en vaardigheden.

Er wordt gewerkt met verschillende partijen waaronder bedrijven, maatschappelijke organisaties, vakbonden, werkgeversorganisaties, lokale overheden en kennisinstellingen.

Uitgangspunt bij het samenwerken is dat bedrijven zich houden aan internationaal overeengekomen afspraken zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

47

Wat was afgelopen jaar de bijdrage van de Nederlandse topsectoren in ontwikkelingslanden op het gebied van voedselzekerheid?

Het topsectorenbeleid bouwt voort op de bestaande betrokkenheid van Nederlandse bedrijven in ontwikkelingslanden. Al voor de start van het topsectorenbeleid droegen bedrijven uit de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw/Uitgangsmaterialen bij aan voedselzekerheid in ontwikkelingslanden, al dan niet met behulp van bedrijfsleveninstrumenten als PSI en 2G@there. Voorbeelden zijn het Green Farming project in Kenia en Ethiopië, PSI projecten zoals de Alema Koudijs Feed Factory in Ethiopië en de door RijkZwaan opgestarte joint venture Afrisem in Tanzania.

Reagerend op lokale wordt in nauwe samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties de ontwikkeling van lokale agro&food- en tuinbouwsectoren in ontwikkelingslanden bevorderd als bijdrage aan voedselzekerheid en lokale economische ontwikkeling.

In de laatste helft van 2011 en het begin van 2012 zijn de internationale ambities door de topsectoren uitgewerkt. Op basis van deze uitwerking is onder andere een project gericht op aardappelteelt in Ethiopië gestart en wordt een soortgelijk project in Kenia verder uitgewerkt. Tevens is gestart met het tuinbouwtrainingsprogramma Train the Chain in Indonesië en zijn in Ethiopië, onder het nieuwe bedrijfsleveninstrument 2G@there-OS, zes Nederlandse bedrijven samen met Agriterra en Wageningen Universiteit bezig een driejarig programma op te zetten om de ontluikende pluimveesector te helpen ontwikkelen.

48

Kunt u specifiek ingaan op de goedlopende publiek-private partnerschappen? Hoeveel zijn het er en hoe groot is uw aandeel in deze partnerschappen? Kunt u een overzicht geven van de slechtlopende publiek-private partnerschappen? Kunt u aangeven waarom deze slecht lopen? Hoe groot is uw aandeel in deze partnerschappen?

Uit een tussentijdse review in 2010 van ruim 50 PPP’s bleek dat 60% van de PPP’s als innovatief werden beoordeeld en 90% enige resultaten laten zien met goede verwachtingen. In het algemeen werd 18% van de PPP’s als zeer succesvol beoordeeld, 37% als succesvol en 22% als gemiddeld succesvol. De resterende PPP’s scoorden om verschillende reden tot nu onder de maat. Het aandeel van BZ in PPP’s varieert van een EUR 0.5 milj. tot enkele miljoenen met incidentele uitschieters van EUR 10 miljoen of hoger.

Goede PPP’s kenmerken zich door een goede interventie logica, zijn gestuurd, waar mogelijk marktgericht, ambitieus, kennen flexibiliteit van alle partners, voldoende tijd en aandacht voor samenwerking tussen partijen en sluiten aan bij corebusiness van bedrijven. Minder goed lopende PPP’s scoren juist laag op deze aspecten.

In 2011 is besloten om na te gaan welke van de bestaande PPP’s opgeschaald kunnen worden. Uit deze inventarisatie zijn14 goed presterende PPP’s geselecteerd die opgeschaald kunnen worden. Tot nu toe zijn voor de PPP’s met Solidaridad, AKVO, Aqua4All, Vitens-Evidens Internationaal, North Star Alliance, Text to Change en UAFC verlengingen aangegaan. Meerjarig BZ-aandeel in deze PPP’s bedraagt EUR 54 miljoen.

Voor 2012–2013 staat een evaluatie gepland voor de PPP’s die in het kader van het Schokland fonds zijn aangegaan.

49

Wat zijn de resultaten van de voorstellen om belastingontduiking tegen te gaan in de OESO?

Het doel van de OESO Informal Task Force on Tax and Development is het verbeteren van de internationale omgeving voor ontwikkelingslanden op het gebied van belastingen. De Task Force kent een aantal activiteiten gericht op het tegengaan van belastingontduiking. In 2011 zijn meerdere voorstellen gedaan, waaronder het Tax Inspectors Without Borders initiatief. Dit initiatief heeft als doel het verlenen van technische assistentie op verzoek aan ontwikkelingslanden, vooral op het gebied van belastingaudits, gebruikmakend van wereldwijd beschikbare experts. Gestreefd wordt naar de oprichting van een onafhankelijk instituut/secretariaat in 2013, die dit programma zal gaan beheren. Een ander resultaat van de OESO Task Force is de openstelling van zowel het Global Forum on Transparency and Exchange of Information en het recent opgerichte Global Forum on Transfer Pricing voor ontwikkelingslanden. Sterkere betrokkenheid van ontwikkelingslanden bij deze initiatieven en geboden technische assistentie leidt tot meer uitwisseling van belastinggegevens tussen landen en praktische ondersteuning op het gebied van verrekenprijzenmethodieken. Dit zal direct resultaat opleveren bij het tegengaan van belastingontduiking. Specifiek wordt door de OESO in samenwerking met de Europese Commissie en de Wereldbank technische assistentie op het gebied van transfer pricing verleend aan Colombia, Ghana, Kenya, Rwanda en Vietnam. Tenslotte roept de Task Force ontwikkelingslanden op zich aan te sluiten bij het Multilaterale Verdrag inzake Wederzijdse Administratieve Bijstand in Belastingzaken. Het verdrag staat onder andere automatische uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten toe. Op 9 en 10 mei 2012 heeft de derde jaarvergadering van de Task Force plaatsgevonden in Kaapstad, onder co-voorzitterschap van Nederland en Zuid-Afrika, waarin de voortgang van genoemde activiteiten is besproken.

50

Kunt u verduidelijken wat u bedoelt met «beter aansluiten bij de lokale omstandigheden»?

Nederland vindt het belangrijk dat het Debt Sustainability Framework (DSF) goed aansluit bij de omstandigheden in verschillende landen. Het DSF zou bijvoorbeeld zo veel mogelijk rekening moeten houden met verschillen in debt management capaciteiten. Een schuldhoudbaarheidsanalyse zou vergezeld moeten gaan van een debt management strategie, waaruit duidelijk wordt hoe de betrokken autoriteiten omgaan met het beheer van de schuld. Nederland hecht hier waarde aan, wat ook blijkt uit de Nederlandse ondersteuning voor diverse multilaterale programma’s op het gebied van debt management in lage inkomenslanden, zoals de Debt Management Facility (DMF) van de Wereldbank en het Debt Management and Financial Analysis Software (DMFAS) programma van de VN. Daarnaast dient het DSF volgens Nederland – daar waar van toepassing – rekening te houden met de impact van geldstromen uit het buitenland (remittances) en de mate waarin geleend wordt op de binnenlandse markt. Door binnen het DSF meer ruimte te creëren voor op maat gemaakte analyses, ontstaat een beter beeld van de schuldensituatie per land.

51 en 52

Welke stappen hebben de ministeries gezet ter verbetering van de faciliteiten voor handels-en investeringsbevordering?

Op welke wijze houdt u daar rekening met ontwikkelingslanden?

In 2011 is een start gemaakt met de uitwerking van het nieuwe beleid voor internationaal ondernemen zoals verwoord in de brieven «Buitenlandse markten, Nederlandse kansen» van 24 juni 2011 en «Naar de top; het bedrijvenbeleid in actie(s) van 13 september 2011. Het instrumentarium ter ondersteuning van het bedrijfsleven bij het internationaal zakendoen is inmiddels grotendeels aangepast en legt een focus op economische diplomatie aangevuld met enkele ondersteunende instrumenten. Deze instrumenten bevatten minder subsidies dan voorheen en leggen de nadruk op de unieke rol van de overheid ten opzichte van marktpartijen. In het werk van het diplomatieke postennetwerk hebben de Nederlandse economische belangen prioriteit.

De ingezette aanpassingen zijn regelmatig afgestemd met het bedrijfsleven en brancheorganisaties. Ook in de Dutch Trade Board komt het beleid voor internationaal ondernemen ter sprake als ook in reguliere gesprekken op hoogambtelijk niveau met grote internationale opererende Nederlandse bedrijven. Door het beter verbinden van private en publieke activiteiten in het internationale economische domein, bijvoorbeeld de afstemming van de reisagenda en de internationaliseringoffensieven van de topsectoren, kunnen kansen in het buitenland beter worden opgepakt.

De wereld verandert in hoog tempo. Voormalige ontwikkelingslanden veranderen in nieuwe, opkomende markten. Vanuit die gedachte wordt ook meer interdepartementaal samenwerkt op het terrein van Ontwikkelingssamenwerking. Sommige landen kunnen immers profiteren van de kennis en kunde van bepaalde topsectoren om armoedevraagstukken op te lossen, andere landen zijn op afzienbare termijn mogelijk kansrijke markten voor het Nederlandse bedrijfsleven. In een aantal landen wordt de overgang van een bilaterale OS-relatie naar een economische relatie ondersteund door de Transitiefaciliteit die door BZ en EL&I in 2011 is opgezet en vanaf 2012 gezamenlijk wordt gefinancierd. Ook is in 2011 een verkenning gestart van de bruikbaarheid van een aantal EL&I instrumenten voor het investeren in ontwikkelingslanden, zoals het 2g@there instrument en de Financiering Opkomende Markten (FOM-OS). De investering wordt getoetst op de ontwikkelingsrelevantie: de lokale ontwikkeling die het oplevert.

54

Wat houdt de stijging van de begroting Draagvlak Nederlands buitenlandsbeleid van EUR 1.2 miljoen exact in? Met welke middelen heeft u dit bekostigd?

De stijging van EUR 1,2 miljoen wordt veroorzaakt door hogere uitgaven voor het klein programmafonds van EUR 0,7 miljoen. Vanuit dit fonds kunnen ambassades uitgaven doen om lokale kleinschalige projecten te ondersteunen. Daarnaast is de subsidie aan Instituut Clingendaal EUR 0,5 miljoen hoger dan voorzien. De extra uitgaven worden bekostigd uit onderuitputting op andere onderdelen van de begroting.

55

Waardoor heeft de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden minder aanspraak op de garantievoorziening gedaan dan mogelijk was? Wat is er gebeurd met het overgebleven budget? Waardoor zijn de betalingsritmes aan de Wereldbank aangepast? Heeft dit ook gevolgen voor de begroting van volgend jaar?

Het bedrag op de garantievoorziening is een stelpost. Indien debiteurenlanden niet voldoen aan aflossings- en/of renteverplichtingen wordt de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO) uit deze voorziening schadeloos gesteld. In 2011 is er minder uitgekeerd dan de omvang van de stelpost. Het overgebleven budget wordt als eindejaarsmarge meegenomen naar latere jaren.

De betalingsritmes van de Wereldbank zijn enerzijds aangepast door de periodieke bijstelling van de betaalschema’s door de Wereldbank en anderzijds vanwege een versnelling van de betalingen om redenen van kasmanagement. Als gevolg hiervan is de begroting meerjarig aangepast.

56

Waardoor is de uitgave aan het Bank Netherlands Partnership Program hoger dan begroot ? Is dit een structurele verhoging of eenmalig?

In het kader van de bezuinigingen op het OS-budget is in het voorjaar van 2011 besloten de bijdrage aan het BNPP-kernprogramma reeds dat jaar (in plaats van in 2014) te beëindigen en ook de geplande bijdrage van USD 20 miljoen voor 2011 te halveren. Op moment van mededeling aan de Wereldbank, bleek de Bank reeds een zogeheten «call for proposals» te hebben uitgeschreven. Om de Wereldbank in staat te stellen aan deze reeds aangegane verplichtingen te voldoen is besloten om deze voor zover mogelijk te compenseren. Het betreft dus geen eenmalige of structurele verhoging, maar gedeeltelijke compensatie voor een programma dat voortijdig is afgebroken.

57

Welke posten hebben wegens lokale omstandigheden minder uitgegeven? Voor welk bedrag? Heeft dit gevolgen voor de begroting van volgend jaar?

De ambassades, waaronder die te Addis Abeba, Bamako, Bujumbura en Lusaka, hebben bij elkaar een totaalbedrag van EUR 14,5 mln. minder uitgegeven dan was voorzien. De geraamde bedragen voor 2011 worden doorgeschoven naar 2012 en later jaren. Zie ook antwoord op 61.

58

Waardoor heeft het Global Agriculture and Food Program vertraging opgelopen? Heeft de vertraging van het Global Agriculture and Food Program gevolgen voor de begroting van volgend jaar?

Het Global Agriculture and Food Security Program/ Private sector Window is trager van start gegaan dan voorzien. Dit is met name veroorzaakt door het innovatieve karakter van het programma. De uitvoerder – IFC – zal zich op nieuwe markten met nieuwe klanten moeten begeven om de bedrijven te bereiken, die momenteel nog geen toegang hebben tot financiële diensten. Nederland heeft binnen dit onderdeel van het G8/G20 initiatief een leiderschapsrol. De nieuwe aanpak heeft bewerkstelligd dat de Canadese fondsen nu op dezelfde wijze ingezet gaan worden als de Nederlandse middelen. Ook de VS heeft inmiddels besloten zich bij de Nederlandse inzet aan te sluiten. Naar verwachting zal het VK binnenkort eveneens volgen. Kortom, de oorspronkelijke tijdsplanning is niet geheel gevolgd, maar het uiteindelijke effect is wel dat diverse G8 landen de Nederlandse lijn volgen. De begrotingsplanning voor 2012 zet in op een uitgave van EUR 25 mln. ten behoeve van GAFSP. Tot op heden wordt ervan uitgegaan dat dit bedrag ook aan IFC zal worden uitbetaald.

59

Waaruit bestaan de activiteiten van het Programma Uitgezonden Managers en het Minst Ontwikkelde Landen-fonds van de FMO? Met welk bedrag is het budget gestegen het afgelopen jaar? Heeft dit gevolgen voor de begroting van de komende jaren?

Programma Uitzending Managers: PUM adviseert MKB-bedrijven en Business Support Organisaties door middel van adviesmissies, follow-up missies en trainingen. Het budget is in 2011 gestegen van EUR 9,9 miljoen naar EUR 10,7 miljoen. De ophoging van het budget in 2011 heeft geen effect voor de begroting van 2012 aangezien er met ingang van 2012 een nieuwe subsidieperiode is gestart (2012–2015).

Minst Ontwikkelde Landen-fonds van de FMO: Het Infrastructure Development Fund (IDF) is de voortzetting van het MOL-fonds vanaf 2010. Het IDF heeft als doel om private investeringen in infrastructuur te stimuleren in minder ontwikkelde landen. Het IDF kan actief participeren in infrastructuurprojecten door middel van aandelenparticipaties, leningen en zelfs kleine giften. De reden dat er een hogere liquiditeitsbehoefte in 2011 bestond vanuit het IDF, is dat er een paar extra projecten zijn gecontracteerd. De extra liquiditeitsaanvan IDF in 2011 heeft geen effect op de bestaande IDF-ondersteuning in 2012 (EUR 20 mln.).

60

Waarom is er EUR 140 miljoen minder besteed aan Rechtshandhaving/Technische assistentie bij drugsbestrijding Suriname? Wat is er met dit geld gebeurd?

Er is EUR 140 000 (niet EUR 140 miljoen) minder besteed aan Rechtshandhaving/Technische assistentie bij drugsbestrijding Suriname. Deels heeft dat te maken met niet of te laat ingediende declaraties van andere departementen, deels met het feit dat er reeds veel investeringen gedaan zijn in de drugsbestrijding op de luchthaven van Suriname.

61

Kunt u een andere toelichting geven wat voor soort lokale omstandigheden hebben geleid tot minder uitgaven voor ondernemingsklimaat dan voorzien? Waarom was dit niet te voorzien?

De landenspeciefieke invulling en vormgeving van de programma’s evenals het overleg met lokale partners neemt tijd in beslag. Deze voorbereidingstijd was nodig om zeker te stellen dat de programma’s efficiënt en effectief zullen opereren en voldoen aan de gestelde vereisten.

62 en 63

Kunt u aangeven welk budget Nederland oorspronkelijk had gereserveerd voor de schuldkwijtschelding aan Ivoorkust en hoeveel er uiteindelijk is kwijtgescholden?

Wat gebeurt er met het EKI-kwijtscheldingenbudget van 2012, gezien de verlaging van het EKI-kwijtscheldingenbudget in 2011 met betrekking tot Ivoorkust?

Mede als gevolg van de onrust na de presidentsverkiezingen heeft Ivoorkust vertraging opgelopen in het HIPC-traject. Zodra duidelijk werd, dat Ivoorkust in 2011 het HIPC-eindpunt niet zou bereiken, is het budget neerwaarts bijgesteld. Oorspronkelijk was EUR 100 mln begroot op het EKI-kwijtscheldingenbudget. Ivoorkust kwam in 2011 wel in aanmerking voor interim debt relief in het kader van het HIPC-initiatief. Voor Nederland ging het om een bedrag van EUR 4 mln.

Voor 2012 is opnieuw een inschatting gemaakt van de verwachte kwijtschelding. Ivoorkust zal het HIPC-eindpunt waarschijnlijk medio 2012 bereiken en kwalificeert zich dan voor onherroepelijke schuldkwijtschelding onder het HIPC-initiatief. Voor Nederland gaat het om een bedrag van ongeveer EUR 100 mln. Hiervoor is een reservering op de begroting 2012 gemaakt.

64

Waaruit bestond de Nederlandse inzet bij UNAIDS?

De Nederlandse inzet bij UNAIDS in 2011 was gericht op het vergroten van de efficiëntie en de effectiviteit van UNAIDS, met name in de uitvoering op landenniveau. De aandacht richtte zich vooral op de implementatie van de nieuwe Strategie 2011–2015 (deels vastgelegd in het nieuwe financiële en resultaten raamwerk).

Inhoudelijk richtte Nederland de aandacht op de volgende onderwerpen:

  • Preventie

  • Samenhangende aanpak van SRGR en HIV/aids

  • Jongeren

  • Tegengaan van stigma en discriminatieKey populations waaronder homoseksuelen, drugsverslaafden en sekswerkers

65

In hoeverre is het gelukt om de Nederlandse inzet op internationaal emancipatiebeleid te dissemineren?

De hoofdlijnen van het Nederlandse internationale genderbeleid zoals verwoord in de kamerbrief (november 2011) worden internationaal krachtig uitgedragen, o.a. in EU (bijdrage aan het EU Gender Action Plan en overleg in DEVCO en COHOM), OESO(DAC-gendernet) en bij de VN. De vrouwenfondsen MDG3 en FLOW worden veelvuldig aangehaald als vooruitstrevend voorbeeld van internationale financiering van vrouwenorganisaties. Binnen de EU en NAVO speelt Nederland een voortrekkersrol in het kader van het tweede Nationale Actieplan 1325, o.a. door de met Spanje samen opgezette opleiding 1325 voor civiel en militair personeel bij vredesoperaties. Ook profileerde Nederland zich in 2011 samen met de VS op het thema vrouwen in de Mena-regio door het met Clinton ondertekende «joint statement on supporting women’s political empowerment in emerging democracies».Tijdens de komende AVVN wordt hier vervolg aan gegeven in een gezamenlijk side-event.

66

Wat is het subsidie bedrag in het kader van het Medefinancieringsstelsel-II? Heeft u een overzicht wat er met het geld gebeurd is?

Onder het Medefinancieringsstelsel-II (MFS-II) is EUR 1,918 miljard gecontracteerd voor de periode 2011–2015. In mei is de inhoudelijke en financiële rapportage over het eerste subsidiejaar ontvangen. Momenteel wordt deze rapportage beoordeeld waarmee vastgesteld kan worden of implementatie volgens contract gaande is.

67

Waardoor zijn de centraal gefinancierde activiteiten vertraagd? Heeft dit gevolgen voor de begroting van volgend jaar?

De lopende activiteit Meshwork MDG5 was vertraagd. Dit betreft het ontwikkelen van hitte-bestendig oxytocine. In oktober 2011 werd een expert-bijeenkomst belegd. Daaruit zijn nieuwe inzichten voortgekomen, die hebben geleid tot een doorstart van de activiteit in 2012. In het budget voor 2012 is er voldoende ruimte om dit te accommoderen.

69

Kunt u toelichten wat de plaatsgevonden aanpassingen in de betalingsritmes inhouden? En wat voor gevolgen dit heeft voor de begroting van komende jaren?

Een klein deel van de contractueel toegezegde bedragen is eerder betaald dan voorzien in de begroting. Deze bedragen zullen in het boekjaar 2012 verrekend worden.

70

Waarom is er EUR 25,0 miljoen minder besteed dan werd begroot aan onderwijs? Wat is er met dit bedrag gebeurd?

De lagere besteding aan onderwijs is vooral het gevolg van de versnelde afbouw van het onderwijsprogramma. Besloten is om enkele geplande nieuwe centrale onderwijsactiviteiten niet van start te laten gaan. Ook de opbouw van het programma beroepsonderwijs ter ondersteuning van de speerpunten kostte meer tijd dan voorzien. Daarnaast waren er lagere uitgaven op de bilaterale onderwijsprogramma’s, met name in Jemen en Zambia.

De EUR 25 miljoen is ten goede gekomen aan prioriteiten binnen het OS-budget.

71

Er is EUR 12,66 miljoen meer uitbesteed aan HIV/Aids dan werd begroot. Waar werd dit aan besteed? Uit welke middelen heeft u dit bekostigd?

De mutatie op HIV/Aids betreft per saldo een verhoging van EUR 12,66 mln. Het betreft hier onder meer een eerder dan voorziene betaling aan het Global Fund for Aids, TB and Malaria, zoals gemeld aan de Kamer in de 2e supletoire begroting. Deze mutatie is bekostigd uit onderuitputting elders op de begroting.

72

Waarom is er EUR 2,1 miljoen minder besteed dan werd begroot aan Kennisontwikkeling? Wat is er met dit bedrag gebeurd? Waarom is er EUR 3,25 miljoen minder besteed dan werd begroot aan Gender? Wat is er met dit bedrag gebeurd?

De lagere besteding aan Kennisontwikkeling wordt veroorzaakt door lagere bestedingen binnen het centrale onderzoeksprogramma. In de aanloop naar de herziening van het kennisbeleid zijn geen nieuwe activiteiten gestart waardoor de totale uitgaven binnen het programma zijn gedaald. De EUR 2,1 miljoen is ten goede gekomen aan prioriteiten binnen het OS-budget.

Het bedrag van EUR 3,25 miljoen betreft de bestedingen onder de Child Rights Alliance op het gebied van gender. Dit bedrag werd vanaf 2011 van beleidsartikel 5.3 overgeheveld naar artikel 5.6 (MFS).

73

Kunt u een overzicht geven van het door Nederland gevoerde kosteneffectief klimaatbeleid?

De internationale afspraken over klimaat zijn vertaald in een nationaal plan van aanpak. Dit plan dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu uw Kamer op 8 juni jl. toestuurde2, beschrijft hoe de regering het Nederlandse klimaatbeleid vorm wil geven. Een belangrijk uitgangspunt is dat klimaatbeleid ook economische kansen biedt en dat het beleid erop gericht is deze kansen te benutten. Voor concrete voorbeelden verwijs ik graag naar deze brief. Voor een verdere vooruitblik, waarbij de weg naar een klimaat neutrale economie in 2 050 centraal staat, verwijs ik u naar de brief die u op 18 november jl. ontving met de titel «Klimaatbrief 2050: uitdagingen voor Nederland bij het streven naar een concurrerend, klimaatneutraal Europa»

75

De begroting voor Water en stedelijke ontwikkeling is gestegen met EUR 8,78 miljoen. Wat is de oorzaak van de stijging? Waar heeft u dat geld vandaan gehaald?

De uitgaven van het UNICEF Water, Sanitation and Hygiene (WASH)-programma onder Artikel 6.2 (duurzaam waterbeheer en toegang tot drinkwater en sanitatie) zijn in 2011 gestegen ten opzichte van de begroting doordat het programma sneller wordt uitgevoerd dan eerder voorzien. De oorspronkelijke kasraming voor de jaren 2012 en 2013 is daarom gedeeltelijk naar voren gehaald. Deze extra uitgaven in 2011 zijn gecompenseerd uit elders ontstane budgetruimte, onder andere door lagere uitgaven onder artikel 6.1 (bescherming en duurzaam gebruik van milieu).

76

Wat zijn de oorzaken voor de vertragingen in de projecten en welk bedrag is hiermee gemoeid? Hebben zij gevolgen voor de begroting van volgend jaar?

De vertraging van een aantal hernieuwbare energieprojecten kent verschillende oorzaken.

Enerzijds is in 2011 een afroep van de Wereldbank voor het Scaling Up Renewable Energy Programma (SREP) vertraagd. De liquiditeitsbehoefte in 2011 bleek geringer dan bij de start van het programma was ingeschat, mede door latere finalisering van de investeringsprogramma’s van het SREP. Daardoor is de geplande betaling van het ministerie aan de Wereldbank verschoven naar 2012.

Anderzijds verloopt de uitvoering van projecten, met name in Afrika, langzamer dan gepland. Dit heeft een lager uitgavenritme tot gevolg. Voor veel landen in Afrika is hernieuwbare energie een relatief nieuwe sector. Identificatie en uitvoering van programma’s verloopt daardoor trager. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daarop de uitgavenramingen van de programma’s aangepast.

Voor de begroting van volgend jaar hebben bovengenoemde vertragingen vooralsnog geen gevolgen.

77

Kunt u de vergroting van de capaciteit voor de crisisrespons door de consulaire dienstverlening nader specificeren?

Het cluster dat zich bezig houdt met consulaire crisisrespons is uitgebreid met drie formatieplekken. Er wordt geïnvesteerd in crisisoefeningen en opleidingen voor medewerkers op ambassades. In het kader van de voorbereidingen voor de Olympische Spelen en de Europese Kampioenschappen voetbal zijn er in Londen, Kiev en Warschau consulaire crisisoefeningen georganiseerd. Het bestaande team van Snelinzetbare Crisis OndersteuningsTeam (SCOT) is uitgebreid met 29 medewerkers. De nieuwe SCOT-leden zijn opgeleid en getraind, o.a. door middel van een crisisoefening.

78

Met hoeveel is deze bijstand verruimd?

»Drie formatieplekken.

79

Betekent dit een structurele verlaging op de begroting ook voor de komende jaren wat betreft consulaire informatievoorziening?

Nee.

80, 81 en 83

Wat zijn de oorzaken voor de stijgende gemiddelde kostprijs per asielzoeker? Wat heeft dit te betekenen voor komende jaren? Wat zijn de gevolgen hiervan voor komende jaren?

Wat zijn de oorzaken voor de stijgende gemiddelde opvangduur per asielzoeker? Wat heeft dit te betekenen voor komende jaren? Wat zijn de gevolgen hiervan voor komende jaren?

Kunt u ingaan op de stijging van de gemiddelde kostprijs en opvangduur per asielzoeker?

De eerstejaarsopvang van asielzoekers wordt gefinancierd uit ODA. Hiertoe wordt een toerekensystematiek gehanteerd waarbij een aantal variabelen gebruikt worden. De belangrijkste zijn de instroom, kostprijs per asielzoeker en gemiddelde opvangduur. In 2011 is de kostprijs gestegen voor de opvang van alleenstaande minderjarige asielzoekers. Dit is het gevolg van beleidsaanpassingen op het gebied van beschermde opvang. Deze kostprijs blijft de komende jaren op het huidige niveau. Wel is het afgelopen jaar het aantal instromende asielzoekers afgenomen. Deze dalende trend zet zich vooralsnog voort en zal van invloed zijn op de gemiddelde kostprijs omdat de overheadkosten nu over minder asielzoekers verdeeld worden. De gemiddelde opvangduur is gestegen vanwege de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande het uitzetten van asielzoekers naar Irak, Somalië en Afghanistan en opschorting van de Overeenkomst van Dublin voor asielzoekers die in eerste instantie uit Griekenland afkomstig waren. Voor 2012 en verder is de verwachting dat de gemiddelde opvangduur korter zal worden. Dit als gevolg van het versnellen van beslisprocedures.

82

Kunt u de voortgang van de restmechanismes van de tribunalen voor Rwanda en Joegoslavië uiteenzetten?

Op 22 december 2010 besloot de VN Veiligheidsraad via resolutie 1966 tot de instelling van het Restmechanisme voor het Joegoslavië-tribunaal en Rwanda-tribunaal met twee vestigingen. De vestiging voor het Rwanda-tribunaal komt in Arusha, Tanzania, en zal haar activiteiten per 1 juli 2012 aanvangen. De vestiging voor het Joegoslavië-tribunaal komt in Den Haag en vangt haar activiteiten per 1 juli 2013 aan. Tevens is besloten dat enkele restactiviteiten van het Rwanda-tribunaal, waaronder de hoger beroepszaken en het beheer van de archieven, per 1 juli 2012 vanuit de vestiging in Den Haag zullen worden geleid. Onderhandelingen tussen Nederland en de VN over de juridische en praktische voorbereidingen voor de start van de activiteiten van het Restmechanisme in Den Haag bevinden zich in een afrondende fase. Overigens heeft het Rwanda-tribunaal in juni 2011 besloten dat uitlevering van verdachten van de genocide naar Rwanda inmiddels geoorloofd is. De eerste uitlevering vanuit Arusha vond in april 2012 plaats. Nederland heeft een monitoringsmechanisme gefinancierd waardoor experts van het Rwanda-tribunaal dit proces in Rwanda van het moment van uitlevering tot het vonnis kunnen bijwonen en volgen.

84

Kunt u de correctie van de kasschuif die in 2013 ten laste van het apparaatsartikel heeft plaatsgevonden nader specificeren?

Het betreft hier een technische mutatie zoals in de memorie van toelichting 2012 is gemeld. Ten behoeve van het generale beeld heeft een kasschuif plaatsgevonden tussen 2013 en 2015 van EUR 90 miljoen. EUR 40 mln hiervan heeft betrekking op artikel 11; in de begroting van 2013 zal de invulling worden bepaald.

85

Wat zijn de belangrijkste doelstellingen van de brede visie op het Nederlands gastheerschap? En hoe zullen deze worden bereikt?

Het Nederlandse gastlandbeleid heeft als voornaamste doelstellingen om een goed gastheer te zijn voor de in Nederland gevestigde internationale organisaties en relevante nieuwe internationale organisaties voor Nederland te werven De uitwerking hiervan zal worden opgenomen in de notitie «Nederland Gastland».

86

Wanneer zijn de drie transitielanden geen transitielanden meer en welk bedrag aan ODA-middelen gaat er nog naar de transitielanden nadat het geen transitielanden meer zijn?

De voormalige transitielanden zijn geselecteerd op basis van criteria voor inkomens- en armoedeniveau (BZ) en de mogelijkheden voor een wederzijdse profijtelijke economische samenwerking met inzet van het Nederlandse bedrijfsleven. Deze drie landen hebben de status van middeninkomen land bereikt, hetgeen de reden is waarom deze landen geen OS-partnerland meer zijn. De doelstelling van de transitiefaciliteit is om met behulp van de inzet van Nederlandse kennis en kunde de transitie van een OS-relatie naar een economische relatie mogelijk te maken. In de transitie naar duurzame investeringen en duurzame handel door Nederlandse bedrijven zal op deze kennis, opgebouwd in de OS relatie, voortgebouwd worden. De (beperkte) ODA-fondsen nemen in de loop van de jaren af, terwijl de non-ODA middelen vanuit het ministerie van EL&I zullen toenemen. Het antwoord op de wanneer deze transitie afgerond is, is afhankelijk van de ontwikkeling van het betreffende land, uitgaande van een periode van 3 tot 5 jaar. Als het land geen transitieland (meer) is, krijgt het geen ODA-middelen meer uit de faciliteit.

87

Kunt u aangeven wanneer de ontwikkelingsrelatie met de 24 exitlanden stopt, hoeveel geld er per jaar naartoe gaat totdat de ontwikkelingsrelatie is beëindigd en waarom er in totaal nog EUR 276 402 000 miljoen naar «exit»-landen gaat?

De directe bilaterale ontwikkelingsrelatie stopt in de laatste exitlanden in 2015. Dit betreft een beperkt aantal landen, in 2013 en 2014 wordt reeds de relatie met de overige exitlanden beëindigd. Voor 2012 staat nog EUR 196 miljoen gereserveerd voor de exitlanden waarna dit terugloopt via EUR 129 miljoen in 2013 naar EUR 28 miljoen in 2014. In 2015 is nog EUR 8 miljoen beschikbaar voor de laatste exitlanden. Pas in de loop van 2011 is bekend geworden in welke landen de bilaterale ontwikkelingsrelatie gestopt wordt. Hoewel voortvarend begonnen is met het beëindigen van het programma in deze landen is tijd nodig om deze uitfasering op verantwoorde wijze uit te voeren, zoals is toegezegd aan uw Kamer. Programma’s in van oudsher belangrijke partnerlanden als Tanzania, Bolivia en Burkina hebben daardoor in 2011 nog omvangrijke uitgaven.


X Noot
1

Zie bijgevoegd overzicht (Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer)

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 813, nr. 1.