Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232501 nr. 20

32 501 Trendnota Arbeidszaken Overheid 2011

Nr. 20 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 april 2012

Inleiding

Tijdens het Algemeen Overleg over het MIRT op 12 december 2011 (Kamerstuk 33 000 A, nr. 57) heeft het kamerlid de heer De Rouwe aandacht gevraagd voor social return als methode om werkzaamheden aan bedrijven te gunnen die zich actief inzetten voor mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt. Met zijn pleidooi heeft de heer De Rouwe de wens uitgesproken dat ik mij inzet voor de toepassing van social return bij Rijkswaterstaat. Ik heb hierop toegezegd een Plan van Aanpak over social return bij Rijkswaterstaat in het voorjaar 2012 aan Uw Kamer te zullen toesturen.

Onderhavige brief bevat dit Plan van Aanpak, dat ik hieronder zal toelichten.

Mijn inzet is dat ik gelijktijdig twee sporen bewandel: het uitvoeren van twee pilots met een contractverplichting, en daarnaast het actief volgen van de ontwikkeling van een door de markt op te zetten prestatieladder voor social return.

Spoor 1: twee pilots met social return in een contractverplichting

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft laatstelijk op 14 oktober 2011 Uw Kamer in algemene zin geïnformeerd over de voortgang op dit dossier bij het Rijk. Onderdeel van de gemelde voortgang is de aanbesteding, door Rijkswaterstaat, van twee grote werken in de periode 2011–2013.

Rijkswaterstaat heeft inmiddels deze twee grote 5-jarige onderhoudswerken opgedragen. Hierin is social return in de vorm van een contractverplichting (uitvoeringsvoorwaarde) als pilot opgenomen. Rijkswaterstaat zal de ervaringen met social return in deze twee pilots nauwgezet monitoren en evalueren op inhoudelijke effectiviteit, efficiency en kosten. Zodoende kan een beeld worden verkregen van de uitvoerbaarheid van social return in een omvangrijke, complexe en multidisciplinaire GWW-opdracht.

Beide pilots verkeren in de aanvangsfase, waardoor er nu nog geen concrete ervaringen met social return zijn. In het najaar van 2012 verwacht ik uw Kamer tussentijds te kunnen informeren over de verdere voortgang van de pilots. In 2013 wordt uw Kamer door de Ministeries Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Sociale Zaken en Werkgelegenheid geïnformeerd over de rijksbrede evaluatie van het social return beleid. Daarbij zullen ook de ervaringen van de pilots worden meegenomen.

Het afgelopen decennium heeft Rijkswaterstaat bewust gekozen voor de rol van professioneel opdrachtgever, die via een functionele uitvraag marktpartijen uitdaagt met eigen, slimme oplossingen te komen. Rijkswaterstaat beschrijft het «wat» en geeft de opdrachtnemer de ruimte om het «hoe» in te vullen.

Daar past een gedetailleerd voorschrijven van de inzet van mensen niet bij. Daarom kijkt Rijkswaterstaat naar initiatieven naast de huidige toepassingsvorm van de contractvoorwaarde.

Dit is temeer belangrijk omdat Rijkswaterstaat (anders dan gemeentelijke opdrachtgevers) geen directe informatie, deskundigheid en middelen heeft om na te gaan hoe bedrijven en instanties de doelgroepen benaderen en invulling geven aan social return. Het opdragen van social return via grote GWW aanbestedingen vereist kennis over hoe de markt invulling geeft aan het arbeidsmarktbeleid.

In de twee pilots is zoveel mogelijk initiatief bij de opdrachtnemers neergelegd. De mogelijkheid tot deskundige begeleiding van het gevraagde initiatief door Rijkswaterstaat wordt sterk vergroot door de ingerichte arbeidsmarktvoorzieningen welke de opdrachtnemers in staat stellen om zich te verbinden met de doelgroepen van social return. De toepassing van social return door opdrachtnemers steunt op een goede gebruikmaking van reeds ingerichte arbeidsmarktvoorzieningen. Het gaat erom dat opdrachtnemers en Rijkswaterstaat in de pilots met elkaar leren hoe de uitvoering op de beste wijze vorm krijgt.

Rijkswaterstaat streeft in zijn aanbestedingsbeleid naar een landelijk uniforme toepassing van social return teneinde transparant te opereren naar marktpartijen en het aanbestedingsproces zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. De evaluatie van beide pilots zal inzicht geven in de mate waarin een uniform toepasbare voorwaarde in de GWW sector is te formuleren. Daarnaast verwacht ik zicht te krijgen op voor de GWW sector passende aanbestedingen, waarbij de slagingskans van social return het grootst is en structurele toepassing realistisch is. Om het resultaat van de evaluatie te maximaliseren laat het Rijk deze door een onafhankelijke instantie uitvoeren. Ik ondersteun dit door bij de uitvoering van de pilots de effecten te meten voor de verschillende GWW opdrachtnemers en marktpartijen in het algemeen.

Buiten deze twee pilots bij grote werken is social return als contractverplichting door Rijkswaterstaat inmiddels ook opgenomen in de aanbesteding van een grote dienstverleningsopdracht op het gebied van catering, schoonmaak en bewaking.

Spoor 2: actief volgen van de ontwikkeling voor prestatieladder social return

Het, door de markt, aangekondigde initiatief van een prestatieladder voor social return sluit aan bij mijn inzet om kwaliteiten van opdrachtnemers te belonen. Ik verwacht in dit verband veel goeds van de door Vernieuwing Bouw gecoördineerde marktinitiatieven om een prestatieladder voor social return in te richten. Zowel Rijkswaterstaat als Prorail ondersteunen deze ontwikkelingen, zodat een met de CO2-prestatieladder samenhangend instrumentarium voor de grote opdrachtgevers beschikbaar komt. In deze lijn denkt Rijkswaterstaat vanuit zijn opdrachtgeverrol en inkoopexpertise mee over de ontwikkeling van de prestatie instrumenten. De prestatieladder vereenvoudigt mogelijk de uniforme toepasbaarheid in de opdrachtverlening. Een dergelijk systeem biedt ook kansen voor een duurzame incorporatie van social return in de bedrijfsvoering van de opdrachtnemers.

Deze aanpak past in de strekking van het antwoord dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 14 oktober 2011 heeft gegeven op de motie Koopmans/Van Hijum. (Kamerstuk 32501/31490, nr. 18)

Tot slot

Naar mij nu bekend is, heeft Vernieuwing Bouw voor de prestatieladder een ontwikkelingshorizon van twee jaren. Deze termijn valt goeddeels samen met de met uw Kamer afgesproken implementatieperiode voor social return van twee jaren. Ik wil in deze implementatieperiode de ervaringen uit de twee pilots gebruiken als inbreng in het ontwikkelingstraject van Vernieuwing Bouw. Zo hoop ik te bereiken dat Rijkswaterstaat bij toekomstige opdrachtverlening social return via een prestatieladder als afwegingscriterium bij de gunning kan inbrengen. Ik streef er naar om social return generiek en duurzaam in te bedden in het GWW aanbestedingsbeleid van Rijkswaterstaat. En geef zodoende graag optimaal invulling aan de wens van het kamerlid de heer De Rouwe.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus