32 500 Nota over de toestand van 's Rijks financiën

Z VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 september 2011

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft in haar vergadering van 5 juli 2011 gesproken over de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2011 met de Hoofdlijnennotitie Werken naar Vermogen (32 500, W en bijlage).

Naar aanleiding daarvan hebben de fracties van de PvdA, SP en D66 nog enkele vragen gesteld, die zijn opgenomen in de brief aan de staatssecretaris van 19 juli 2011.

De staatssecretaris heeft op 16 september 2011 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Kim van Dooren

BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Den Haag, 19 juli 2011

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in haar vergadering van 5 juli 2011 gesproken over uw brief van 21 april 2011 met de Hoofdlijnennotitie Werken naar Vermogen (32 500, W en bijlage). De fracties van PvdA, SP en D66 hebben naar aanleiding van deze brief en de bijgevoegde hoofdlijnennotitie nog enkele vragen.

PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met grote zorg de hoofdlijnennotitie Werken naar Vermogen ontvangen. Zij hebben begrepen dat over de hervormingen van de Wet werk en bijstand en de Wet investeren in Jongeren (WWB/WIJ), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) tot een regeling werken naar vermogen nog nader overleg zal plaatsvinden naar aanleiding van het aan te leveren wetsvoorstel dienaangaande. Op basis van de aangeboden hoofdlijnennotitie en de reactie hierop van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben de leden van de PvdA-fractie nu reeds de volgende vragen.

Voor de leden van de PvdA-fractie is een meer activerend stelsel van sociale zekerheid een doel op zich en geen middel om tot bezuinigingen te komen, daar waar het kabinet die op andere dossiers niet aandurft. In die zin spreekt de hoofdlijnennotitie ten onrechte over het veiligstellen van de solidariteit. Wat is die solidariteit wanneer er wordt geschrapt in banen en inkomens, en er wordt bezuinigd op de kwetsbaarste mensen in onze samenleving tot een bedrag oplopend tot € 800 mln in 2015? Graag een reactie van de regering.

Zeker wanneer hierbij de bezuinigingen in de jeugdzorg, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het speciaal onderwijs worden betrokken, moeten deze leden vaststellen dat deze regering niet solidair is met mensen met een arbeidsbeperking, maar hen juist vijf keer treft. Hoe denkt de regering om te gaan met mensen met een arbeidbeperking die meerdere keren worden getroffen?

Met het oog op het bovenstaande vernemen deze leden graag of u bereid bent een meer activerend stelsel van sociale zekerheid los te koppelen van een ex ante bezuinigingsdoelstelling, zodat mensen met een arbeidsbeperking niet het kind van de rekening van de bankencrisis worden. Graag uw reactie.

Vertrekpunt van de hoofdlijnennotitie is dat het vergroten van prikkels voor mensen met een arbeidsbeperking, voor de gemeenten als uitvoerder en voor de werkgevers leidt tot een aanzienlijk effectiever en efficiënter activeringsbeleid. Bent u op de hoogte van de onderzoeken van Nobelprijswinnaars Peter Diamond, Dale Mortensen en Chris Pissarides, waaruit echter juist de beperkte werking van prikkels blijkt in een arbeidsmarkt die wordt gekenmerkt door zoekfricties. Graag vernemen de leden een reactie van de regering hierop.

Dit is niet zonder risico’s: in geval de drie betrokken groepen – mensen met een arbeidsbeperking, gemeenten en bedrijven – namelijk onvoldoende op de veronderstelde prikkels reageren, leidt dit tot minder banen en lagere inkomens voor de doelgroep. De regering lijkt zich als vangnet van dit risico louter te willen beperken tot een eenmalige transitiefaciliteit van € 400 mln, zonder dat helder is waar dit bedrag op is gebaseerd. Is deze constatering juist?

Welke garanties kan de regering bieden dat mensen met een arbeidsbeperking niet de dupe worden van de mogelijkheid dat de in de hoofdlijnennotitie gehanteerde uitgangspunten in de praktijk niet blijken te kloppen? Kan de regering nogmaals uiteenzetten hoe zij aan deze uitkomst komt. Acht de regering, met de PvdA-fractie, deze doelgroep dusdanig kwetsbaar dat het risico op beleidsfouten niet acceptabel is en hoe gaat de regering met de gevolgen om?

In uw brief van 27 januari 2011 (Kamerstukken I, 2010/11, 32 500, U) heeft u de Kamer gemeld, dat voor een effectieve en uitvoerbare regeling nauw overleg met de uitvoerders en andere betrokkenen cruciaal is om te bezien op welke wijze een dergelijke regeling het beste kan worden gerealiseerd. In dat kader spreekt deze fractie haar zorg uit over het feit dat de VNG tijdens haar Algemene Ledenvergadering van 8 juni jl. heeft uitgesproken dat gemeenten de door u voorgestane aanpak niet voor hun rekening kunnen nemen. In het bijzonder betreft dit de zorg van de VNG dat de Wet werken naar vermogen (WWnV) grote financiële risico’s voor de gemeenten gaat opleveren die zij niet kunnen dragen.

Kan de regering bevestigen dat zonder het vereiste draagvlak de nieuwe regeling met onaanvaardbare risico’s gepaard gaat, met onacceptabele gevolgen voor zowel de gemeenten als de betreffende doelgroepen? Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie van u hoe het benodigde draagvlak alsnog wordt verkregen. Wat zijn de plannen mocht dit draagvlak niet worden verkregen?

SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met zorg kennis genomen van de hoofdlijnennotitie werken naar vermogen. Zij vragen hoe de plannen die het kabinet in deze notitie ontvouwt zich verhouden tot de Eerste Kamermotie Kox c.s. (Kamerstukken I, 2010/11, 32 500, J) over het beperken van de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de sociale werkvoorzieningen en de toezegging van de minister-president deze motie in deze notitie mee te nemen. In de brief van 21 april 2011 die de aanbieding van de hoofdlijnennotitie vergezelt refereert de regering weliswaar aan deze motie, maar geeft niet aan wat het effect is van de beoogde maatregelen op de werkgelegenheid in de Wsw en of de motie daarmee recht wordt gedaan.

De regering schrijft in de voornoemde brief dat het voorstel voor een nieuwe Wet werken naar vermogen (WWnV) zou moeten bijdragen aan het behoud van de solidariteit, het draagvlak en de betaalbaarheid. De regering geeft wel aan wat de WWnV zou moeten besparen (bijdragen aan de betaalbaarheid), maar niet hoe dit voorstel solidariteit of draagvlak hoog zou moeten houden.

De leden van de SP-fractie vernemen graag alsnog welk effect op de werkgelegenheid in de Wsw van de WWnV wordt verwacht en hoe dit zich verhoudt tot het gestelde in de motie-Kox c.s. Ook vragen deze leden de regering toe te lichten hoe met de WWnV de solidariteit wordt gediend en hoe het draagvlak ermee gediend is, nu de VNG (in zeer ruime meerderheid) het onderdeel «werk» uit het Bestuursakkoord niet voor haar rekening wil nemen.

D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de hoofdlijnennotitie ter introductie van de Wet Werken naar Vermogen. Ook voor de leden van de D66-fractie is van belang dat werk een belangrijke manier is voor ontplooiing, zowel in sociale als in economische zin. Dat is zeker van betekenis voor de jongeren die instromen in de Wajong en vanwege hun handicap de aansluiting met de arbeidsmarkt mogelijk missen en voor de mensen die zijn aangewezen op de Sociale Werkvoorziening.

De leden van deze fractie hebben enkele vragen over de geplande uitvoering. De hoofdlijnennotitie berust op drie pijlers, te weten solidariteit, draagvlak en betaalbaarheid. In solidariteit en draagvlak is al een bres geschoten, doordat de VNG in haar Algemene Ledenvergadering van 8 juni jl. het financiële risico, dat de gemeenten volgens de notitie op hun bordje krijgen, niet hebben aanvaard. De vraag is of een voortgaand wettelijk traject zinvol is als de belangrijkste uitvoerder daaraan niet gaat meewerken, omdat hij het risico te groot acht. Daarbij is ondanks vertrouwenwekkende woorden in de notitie over het draagvlak onder werkgevers, op wie ook een belangrijke taak rust, niet duidelijk hoe dit draagvlak is gevormd. Heeft u daarnaar onderzoek gedaan?

Voorts is volgens het regeerakkoord het voornemen van de regering de thans ingestroomde Wsw-ers en Wajongers ongemoeid te laten en de WWnV slechts van toepassing te laten zijn op nieuwe instromers. De vraag is of deze gedachte – regeerakoord of niet – niet in strijd komt met de rechtsgelijkheid. Waarom niet de oude Wsw-ers en Wajongers opnieuw laten testen en toetsen, zoals ook is gebeurd ten aanzien van oude WAO-ers toen de WIA in werking trad?

In dat verband komt wat betreft de betaalbaarheid ook de vraag op of de doelstelling om het aantal van 90 000 Wsw-plaatsen te beperken tot 30 000 haalbaar is als in ieder geval 41 000 Wsw-ers niet naar het nieuwe systeem verplaatsbaar zijn. In dat geval is immers vanaf de aanvang voor nieuwe Wsw-instromers geen plaats, hetgeen de uitvoering ook een moeizame aangelegenheid maakt. Deze vraag is ook al op 25 mei 2011 in de vaste commissie van SZW in de Tweede Kamer met u aan de orde geweest, maar aldaar niet afdoende beantwoord.

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Sylvester

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 september 2011

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen gesteld door de leden van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van mijn brief van 21 april 2011 inzake de Hoofdlijnennotitie werken naar vermogen (Kamerstukken I, 2010–2011, 32 500, W).

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom

Het kabinet heeft kennisgenomen van de vragen van de Eerste Kamerfracties van PvdA, SP en D66 bij de hoofdlijnennotitie Werken naar vermogen.

PvdA 1:

Voor de leden van de PvdA-fractie is een meer activerend stelsel van sociale zekerheid een doel op zich en geen middel om tot bezuinigingen te komen, daar waar het kabinet die op andere dossiers niet aandurft. In die zin spreekt de hoofdlijnennotitie ten onrechte over het veiligstellen van de solidariteit. Wat is die solidariteit wanneer er wordt geschrapt in banen en inkomens, en er wordt bezuinigd op de kwetsbaarste mensen in onze samenleving tot een bedrag oplopend tot € 800 mln in 2015? Graag een reactie van de regering.

Antwoord PvdA 1:

Het kabinet vindt het positief dat de PvdA-fractie het eens is met de zienswijze van het kabinet dat de sociale zekerheid activerender moet worden. Het kabinet vindt het van belang dat zoveel mogelijk mensen economisch en financieel op eigen benen staan. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor zelfontplooiing, gevoel van eigenwaarde, zelfvertrouwen en weerbaarheid. Werk biedt daartoe het beste perspectief. Werk gaat daarom boven een uitkering. Van mensen die dat kunnen, verwacht het kabinet dat zij naar vermogen werken. Het hoofddoel van de Wet werken naar vermogen (WWNV) is dat meer mensen aan het werk gaan. Tegelijk blijft de overheid bescherming en hulp bieden aan mensen die dit nodig hebben.

Het kabinet spreekt in de hoofdlijnennotitie welbewust over het veiligstellen van de solidariteit. De mensen die hiervoor de kosten dragen moeten er op hun beurt op kunnen rekenen dat de overheid alleen dán bijdraagt wanneer dit echt nodig is. Naar de mening van het kabinet is er met de WWNV een goed evenwicht gevonden tussen beide en vormt het daarmee een stevige basis voor solidariteit. De plannen voor de WWNV leveren ook een forse bijdrage aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Hiermee wil het kabinet werken aan een goede financiële basis, waarmee ook in de toekomst de betaalbaarheid van het sociale vangnet wordt verbeterd.

PvdA 2:

Zeker wanneer hierbij de bezuinigingen in de jeugdzorg, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het speciaal onderwijs worden betrokken, moeten deze leden vaststellen dat deze regering niet solidair is met mensen met een arbeidsbeperking, maar hen juist vijf keer treft. Hoe denkt de regering om te gaan met mensen met een arbeidsbeperking die meerdere keren worden getroffen?

Antwoord PvdA 2:

Het hoofddoel van de WWNV is dat meer mensen aan het werk gaan. Werk gaat daarom boven een uitkering. Van mensen die dat kunnen, verwacht het kabinet dat zij naar vermogen werken.

Met de WWNV investeert het kabinet in het voorkomen van inactiviteit en uitkeringsafhankelijkheid van toekomstige generaties. Het kabinet stelt gemeenten met de WWNV in staat een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Gemeenten voeren immers ook op andere terreinen als (jeugd)zorg, welzijn, schuldhulpverlening en begeleiding de regie of gaan dit op korte termijn doen.

De WWNV biedt gemeenten de ruimte om ook re-integratie in te zetten voor mensen met meervoudige problemen die wel beschikken over arbeidsvermogen, desgewenst in combinatie met het aanpakken van meervoudige problemen.2

Hiermee worden naar de mening van het kabinet expertises zoveel mogelijk gebundeld, wordt de bureaucratie teruggedrongen en wordt de uitvoering meer in één hand gelegd, zo dicht mogelijk bij de burgers. Gemeenten kunnen daardoor integraal naar de problematiek kijken.

De zorgen van de PvdA over de effecten van mogelijke cumulatie van beleid zijn bekend. De Minister President heeft in juni jl. toegezegd de maatregelen in samenhang te bekijken.

PvdA 3:

Met het oog op het bovenstaande vernemen deze leden graag of de regering bereid is een meer activerend stelsel van sociale zekerheid los te koppelen van een ex ante bezuinigingsdoelstelling, zodat mensen met een arbeidsbeperking niet het kind van de rekening van de bankencrisis worden. Graag uw reactie.

Antwoord PvdA 3:

De WWNV heeft als doel zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen in reguliere banen door een activerender stelsel van sociale zekerheid en een effectievere inzet van publieke middelen. Het huidige stelsel is onvoldoende activerend en biedt onvoldoende kansen voor mensen met een arbeidsbeperking om deel te nemen aan de samenleving. Met de WWNV worden de uitkeringsvoorwaarden, financiering, ondersteuning en uitvoering zoveel mogelijk gelijkgetrokken.

Deze maatregelen leiden tot een stelsel dat activerender, transparanter en eenvoudiger is. Dat is in het belang van betrokkenen, uitvoerders én werkgevers.

Dit is ook nodig om de overheidsfinanciën op orde te brengen en de sociale zekerheid betaalbaar te houden. Daardoor is er ook in de toekomst voldoende geld om blijvend bescherming te bieden aan mensen die echt niet kunnen werken.

Binnen de re-integratie en sw-sector is, zoals het kabinet in haar brief aan de Tweede Kamer van 27 mei 20113 heeft aangegeven, nog ruimte voor het realiseren van besparingen. Middelen kunnen gerichter en effectiever worden ingezet door alle geldstromen voor re-integratie vanaf 2013 bij elkaar te voegen in één gebundeld re-integratiebudget. Gemeenten kunnen daardoor maatwerk leveren en zo effectief mogelijk ondersteuning bieden.

Het is niet de bedoeling dat het gebundeld re-integratiebudget wordt gebruikt voor mensen die zonder steun ook hun weg naar de arbeidsmarkt weten te vinden. De combinatie van het activerender stelsel met een efficiëntere inzet van het beschikbare budget, maakt het mogelijk méér te doen met minder middelen. Dit is niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk.

Mensen met een arbeidsbeperking worden dus niet – zoals de PvdA stelt – het kind van de rekening. Integendeel: volgens het kabinet biedt de WWNV mensen met een arbeidsbeperking juist kansen die ze in het huidige stelsel niet krijgen.

PvdA 4:

Vertrekpunt van de hoofdlijnennotitie is dat het vergroten van prikkels voor mensen met een arbeidsbeperking, voor de gemeenten als uitvoerder en voor de werkgevers leidt tot een aanzienlijk effectiever en efficiënter activeringsbeleid. Bent u op de hoogte van de onderzoeken van Nobelprijswinnaars Peter Diamond, Dale Mortensen en Chris Pissarides waaruit echter juist de beperkte werking van prikkels blijkt in een arbeidsmarkt die wordt gekenmerkt door zoekfricties. Graag vernemen de leden een reactie van de regering hierop.

Dit is niet zonder risico’s: in geval de drie betrokken groepen – mensen met een arbeidsbeperking, gemeenten en bedrijven – namelijk onvoldoende op de veronderstelde prikkels reageren, leidt dit tot minder banen en lagere inkomens voor de doelgroep.

Antwoord PvdA 4:

Een activerend stelsel van sociale zekerheid stimuleert mensen om aan het werk te gaan. Dat is in Nederland bij eerdere hervormingen van de WIA en de WWB gebleken: er zijn meer mensen vanuit een uitkering aan de slag gegaan. Daarnaast blijken veel werkgevers nu ook al bereid om mensen met een arbeidsbeperking een kans te geven4.

De leden wijzen er naar aanleiding van het onderzoek van de Nobelprijswinnaars terecht op dat in een arbeidsmarkt die wordt gekenmerkt door zoekfricties de prikkels verminderd werken. Als de drempels om werk te vinden hoog zijn, zijn mensen minder bereid om actief te zoeken. Het kabinet herkent zich echter niet in het beeld dat de PvdA in deze vraag schetst over de risico’s van een beperkte prikkelwerking in relatie tot de WWNV. De WWNV heeft juist tot doel om zoekfricties te verminderen, waardoor prikkels beter kunnen werken:

  • – Veel mensen met een arbeidsbeperking geven aan dat zij graag willen werken maar dat de huidige regels en aanpak die stap naar de arbeidsmarkt in de weg staan. De introductie van het instrument loondispensatie maakt het, voor mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mogelijk dat deze mensen bij een reguliere werkgever gaan werken;

  • – Door de WWNV moet het voor werkgevers eenvoudiger worden om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen. De introductie van het instrument loondispensatie in de WWNV zorgt ervoor dat werkgevers alleen het loon hoeven te betalen dat overeenkomt met de productiviteit van de werknemer. De arbeidsmarkt wordt de komende jaren als gevolg van demografische ontwikkelingen als vergrijzing en ontgroening meer gespannen vanwege een krimpende beroepsbevolking. Het zal steeds moeilijker worden om aan mensen te komen voor vacatures die ontstaan. Die noodzaak voor werkgevers betekent nieuwe kansen en mogelijkheden. Werkgevers zullen zich meer inspannen waardoor het voor werknemers gemakkelijker wordt om werk te vinden en te profiteren van de financiële prikkels;

  • – Daarnaast stelt het kabinet met de WWNV en de andere decentralisaties gemeenten in staat een integrale aanpak te ontwikkelen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Gemeenten staan het dichtst bij de mensen zelf en kunnen hen door maatwerk snel en goed ondersteunen richting de arbeidsmarkt.

PvdA 5

De regering lijkt zich als vangnet van dit risico louter te willen beperken tot een eenmalige transitiefaciliteit van € 400 mln, zonder dat helder is waar dit bedrag op is gebaseerd. Is deze constatering juist?

Antwoord PvdA 5:

Nee, deze constatering is onjuist. Zoals bij vraag PvdA 4 uiteen gezet, herkent het kabinet zich niet in het geschetste beeld van de risico’s op minder banen en lagere inkomens voor de doelgroep als gevolg van de WWNV.

Het kabinet stelt € 400 miljoen beschikbaar voor een herstructurering van de sw-sector (de herstructureringsfaciliteit). Het doel van deze faciliteit is om de transformatie te ondersteunen richting een effectievere bedrijfsvoering van de sw-sector.

PvdA 6:

Welke garanties kan de regering bieden dat mensen met een arbeidsbeperking niet de dupe worden van de mogelijkheid dat de in de hoofdlijnennotitie gehanteerde uitgangspunten in de praktijk niet blijken te kloppen? Kan de regering nogmaals uiteenzetten hoe zij aan deze uitkomst komt. Acht de regering, met de PvdA-fractie, deze doelgroep dusdanig kwetsbaar dat het risico op beleidsfouten niet acceptabel is en hoe gaat de regering met de gevolgen om?

Antwoord PvdA 6:

Het kabinet vindt het juist niet acceptabel om niet in te grijpen. Het kabinet vindt het van belang dat zoveel mogelijk mensen economisch en financieel op eigen benen staan. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor zelfontplooiing, gevoel van eigenwaarde, zelfvertrouwen en weerbaarheid. Werk biedt daartoe het beste perspectief. Werk gaat daarom boven een uitkering. Van mensen die dat kunnen, verwacht het kabinet dat zij naar vermogen werken. Het hoofddoel van de WWNV is dat meer mensen aan het werk gaan.

De huidige regelingen kennen onvoldoende samenhang. Ook is de ene regeling – financieel – aantrekkelijker dan de ander. Het kabinet wil het huidige stelsel met de WWNV daarom aanpassen zodat mensen gestimuleerd worden om aan het werk te gaan en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Het instrument loondispensatie helpt om zoveel mogelijk mensen in een gewone baan aan de slag te laten gaan. De WWNV is dus een verdere stap naar een activerend stelsel van sociale zekerheid alsook naar een effectievere inzet van publieke middelen. Ze zijn een logisch gevolg op de stappen die vorige kabinetten, met succes, hebben gezet.

SP 1:

De leden van de SP-fractie vragen hoe de plannen die het kabinet in deze notitie ontvouwt zich verhouden tot de Eerste Kamermotie Kox c.s. (Kamerstukken I, 2010/11, 32 500, J) over het beperken van de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de sociale werkvoorzieningen en de toezegging van de minister-president deze motie in deze notitie mee te nemen. In de brief van 21 april 2011 die de aanbieding van de hoofdlijnennotitie vergezelt refereert de regering weliswaar aan deze motie, maar geeft niet aan wat het effect is van de beoogde maatregelen op de werkgelegenheid in de Wsw en of de motie daarmee recht wordt gedaan.

SP 2:

De regering schrijft in de voornoemde brief dat het voorstel voor een nieuwe Wet werken naar vermogen (WWNV) zou moeten bijdragen aan het behoud van de solidariteit, het draagvlak en de betaalbaarheid. De regering geeft wel aan wat de WWNV zou moeten besparen (bijdragen aan de betaalbaarheid), maar niet hoe dit voorstel solidariteit of draagvlak hoog zou moeten houden.

De leden van de SP-fractie vernemen graag alsnog welk effect op de werkgelegenheid in de Wsw van de WWNV wordt verwacht en hoe dit zich verhoudt tot het gestelde in de motie-Kox c.s.

Antwoord SP 1 en 2:

De motie-Kox c.s. gaat over het effect van de beoogde maatregelen op de werkgelegenheid in de Wsw. De CPB-doorrekening van het regeerakkoord naar structurele werkgelegenheidseffecten laat zien dat de hervorming van de Wsw (en de Wajong) de reguliere werkgelegenheid vergroot. De WWNV stimuleert mensen immers naar reguliere banen.

De huidige systematiek van rechten en plichten in de Wsw, verandert niet voor de groep mensen die op dit moment een Wsw-indicatie heeft. Personen die op of na 15 mei 2011 op de wachtlijst komen te staan worden, als hun indicatie verloopt na 1 januari 2013 en zij dan nog op de wachtlijst staan, bij de periodieke herindicatie ge(her)indiceerd volgens het nieuwe criterium Wsw «beschut werk».

Mensen die – eventueel met begeleiding – bij een reguliere werkgever kunnen werken, komen na 1 januari 2013 niet meer in aanmerking voor de Wsw. Zij kunnen, indien nodig, gebruik gaan maken van het instrument loondispensatie. Dit maakt het ook mogelijk de Wsw tot z’n oorspronkelijke doelstelling terug te brengen: werkgelegenheid bieden voor mensen die alleen beschut kunnen werken. Dat is ook nodig. Mensen die geheel afhankelijk zijn van beschut werken komen nu met moeite de Wsw in, terwijl dit hun enige mogelijkheid is om mee te draaien in het arbeidsproces.

Op langere termijn zullen hierdoor minder Wsw-plekken nodig zijn; rond 2045 zal de Wsw ongeveer 30 000 plekken beslaan (zie ook de grafiek bij het antwoord op vraag 4 van D66).

PvdA 7:

In uw brief van 27 januari 2011 (Kamerstukken I 2010/11, 32 500, U) heeft u de Kamer gemeld dat voor een effectieve en uitvoerbare regeling nauw overleg met de uitvoerders en andere betrokkenen cruciaal is om te bezien op welke wijze een dergelijke regeling het beste kan worden gerealiseerd. In dat kader spreekt deze fractie haar zorg uit over het feit dat de VNG tijdens haar Algemene Ledenvergadering van 8 juni jl. heeft uitgesproken dat gemeenten de door u voorgestane aanpak niet voor hun rekening kunnen nemen. In het bijzonder betreft dit de zorg van de VNG dat de Wet werken naar vermogen (WWNV) grote financiële risico’s voor de gemeenten gaat opleveren die zij niet kunnen dragen.

Kan de regering bevestigen dat zonder het vereiste draagvlak de nieuwe regeling met onaanvaardbare risico’s gepaard gaat, met onacceptabele gevolgen voor zowel de gemeenten als de betreffende doelgroepen? Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie van u hoe het benodigde draagvlak alsnog wordt verkregen.

SP3:

Ook vragen deze leden de regering toe te lichten hoe met de WWNV de solidariteit wordt gediend en hoe het draagvlak ermee gediend is, nu de VNG (in zeer ruime meerderheid) het onderdeel «werk» uit het Bestuursakkoord niet voor haar rekening wil nemen.

D66 1:

De leden van deze fractie hebben enkele vragen over de geplande uitvoering. De hoofdlijnennotitie berust op drie pijlers, te weten solidariteit, draagvlak en betaalbaarheid. In solidariteit en draagvlak is al een bres geschoten, doordat de VNG in haar Algemene Ledenvergadering van 8 juni jl. het financiële risico, dat de gemeenten volgens de notitie op hun bordje krijgen, niet hebben aanvaard. De vraag is of een voortgaand wettelijk traject zinvol is als de belangrijkste uitvoerder daaraan niet gaat meewerken, omdat hij het risico te groot acht.

Antwoord PvdA 7, SP 3 en D66 1:

Gemeenten steunen de richting die het kabinet kiest met de WWNV. De VNG heeft dat eerder al aangeven in bijvoorbeeld de brief van 5 augustus 2010 aan de informateur. Hierin schetst de VNG de eigen inzet voor de kabinetsformatie. VNG pleit «voor een integrale benadering voor de verschillende doelgroepen ongeacht hun uitkeringsrechten. Participatiebeleid wordt lokaal vormgegeven. Bundeling van krachten is nodig via werkpleinen en arbeidsmarktregio’s, onder bestuurlijke regie van gemeenten. Gemeenten worden belast met de uitvoering van een geïntegreerde regeling gericht op activering en participatie». Tegen deze achtergrond – en de afspraken in het regeerakkoord – heeft het kabinet met gemeenten overlegd.

De VNG heeft per brief van 14 juni 2011 toegelicht, waarom het kabinet het besluit van de ledenvergadering van VNG als een aanvaarding en niet als een afwijzing van het onderhandelaarsakkoord zou moeten opvatten. Het kabinet heeft in reactie op deze brief aangegeven van mening te zijn dat er in de afgelopen periode goede afspraken zijn gemaakt die hun weerslag hebben gekregen in het onderhandelaarsakkoord. Daarbij zal het kabinet zich, evenals de VNG dit doet met betrekking tot onderdeel 6.1 (de paragraaf Werken naar Vermogen), vrijer opstellen ten opzichte van dit onderdeel en de afspraak over de regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s). Gelet op de verantwoordelijkheid die het kabinet voelt voor de hervorming van de sw-sector, heeft het kabinet zich bereid getoond het geld dat vrijkomt door het buiten haken plaatsen van de afspraken over de RUD’s, te reserveren. Hiermee kan het rijk deze verantwoordelijkheid, indien dat bij evaluatie van de stand van zaken en uitvoering van de herstructurering noodzakelijk zou blijken, financieel vertalen.

Het kabinet heeft in haar brief van 13 juli 2011 aan de Tweede Kamer aangegeven dat met deze stap het onderhandelaarsakkoord voor beide partijen, kabinet en VNG, een basis is voor constructieve samenwerking in de komende jaren.

D66 2:

Daarbij is ondanks vertrouwenwekkende woorden in de notitie over het draagvlak onder werkgevers, op wie ook een belangrijke taak rust, niet duidelijk hoe dit draagvlak is gevormd. Heeft u daarnaar onderzoek gedaan?

Antwoord D66 2:

Werkgevers hebben een belang bij het aantrekken van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Werkgevers zullen immers als gevolg van de verwachte krapte op de arbeidsmarkt meer dan ooit een behoefte hebben aan werknemers. Ook aan werknemers die verder van de arbeidsmarkt afstaan.

De arbeidsmarkt wordt de komende jaren als gevolg van demografische ontwikkelingen als vergrijzing en ontgroening meer gespannen vanwege een krimpende beroepsbevolking. Het zal steeds moeilijker worden om aan mensen te komen voor vacatures die ontstaan. Daarom dienen werkgevers nu al aan de slag te gaan om ook straks de juiste man of vrouw op de juiste plaats te hebben. Ervaring opdoen met de groep mensen met een arbeidsbeperking is daarbij noodzaak.

Diverse onderzoeken tonen aan dat werkgevers deze bereidheid ook hebben. Recente rapporten tonen aan dat er veel bereidheid bij werkgevers is om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan te nemen.5 Zo laat de eerste rapportage van de Wajongmonitor zien dat, ondanks de economische crisis, het aantal Wajongers dat bij een reguliere werkgever aan de slag komt in één jaar is toegenomen met 6,3 procent (2009 ten opzichte van 2008). UWV heeft vastgesteld dat 93 procent van de werkgevers die door UWV is benaderd, geïnteresseerd is in een Wajonger.

Ook de tweede Wajongmonitor laat een stijging zien. Het absolute aantal werkende Wajongers nam toe met 7 procent: van 47 600 eind 2009 naar 50 400 eind 2010. Deze stijging doet zich geheel voor bij reguliere werkgevers.

Ook de proef met de Wajong adviesvoucher bevestigt de interesse van werkgevers in Wajongers. De eerste resultaten laten zien dat er bij vier op de vijf bedrijven mogelijkheden zijn om Wajongers te plaatsen. Bedrijven waar die mogelijkheden gevonden worden zijn vervolgens ook daadwerkelijk van plan om een Wajonger aan te nemen. Enkele voorbeelden, in aanvulling op de rapporten die in de hoofdlijnennotitie genoemd zijn:

  • – Onderzoek van Cedris naar de wensen en behoeften van werkgevers (gepresenteerd op 24 juni 2011) geeft aan dat bij 37 procent van de werkgevers iemand in de organisatie werkt die gebruik maakt van de Wsw, WWB of Wajong. Van de werkgevers die dit nu nog niet doen, zegt 25 procent te verwachten dat dit binnen vijf jaar wel het geval is.

  • – Uit de voorjaarsrapportage cao-afspraken 2011 (1 juli 2011) blijkt dat in 2010 in meer cao’s afspraken zijn gemaakt over het in dienst nemen van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en Wajongers.

Enkele recente voorbeelden van cao’s die hier afspraken over bevatten, zijn die voor het Hoger beroepsonderwijs (looptijd 1 augustus 2010 tot 1 februari 2012) en de Mode- Interieur- Tapijt- en Textielindustrie (looptijd 1 juli 2010 tot 1 juli 2012).

Het kabinet ziet in de praktijk tal van positieve initiatieven die het draagvlak bij werkgevers (en werkgeversorganisaties) onderstrepen. Veel bedrijven en organisaties zijn al doende mensen met een arbeidsbeperking een werkplek te bieden, zoals: ABU, Albert Hein, Albron, Alliander, Atlant Partnership, Apollo Vredestein, Autotaalglas, De Bijenkorf, C1000, DELTA N.V., DOW Benelux B.V., DSM, Van Gansewinkel Groep, Hoogvliet Supermarkten Ikea, Joulz, KNVB, KPN, Ordina, Randstad, Scapino, Sligro, Slotervaart Ziekenhuis, St. Philadelphia, Tata Steel, TNT, Unilever, VDL en Vebego.

D66 3:

Voorts is volgens het regeerakkoord het voornemen van de regering de thans ingestroomde Wsw-ers en Wajongers ongemoeid te laten en de WWnV slechts van toepassing te laten zijn op nieuwe instromers. De vraag is of deze gedachte – regeerakoord of niet – niet in strijd komt met de rechtsgelijkheid. Waarom niet de oude Wsw-ers en Wajongers opnieuw laten testen en toetsen, zoals ook is gebeurd ten aanzien van oude WAO-ers toen de WIA in werking trad?

Antwoord D66 3:

Het kabinet kiest er bij de WWNV voor om mensen die nu al onder de Wsw of de Wajong vallen zoveel mogelijk te ontzien. In de Wajong wordt bekeken of iemand arbeidsvermogen heeft en wordt het zittend bestand op basis hiervan heringedeeld. Dit is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Wajongers hebben immers al rechten opgebouwd op het moment dat de WWNV in werking treedt en hebben zich – in tegenstelling tot de mensen die zich daarna melden – minder kunnen voorbereiden op de aankomende wijzigingen. Het kabinet houdt hiermee in de uitwerking van de voorstellen rekening.

De herbeoordeling van de «oude» WAO-ers illustreert bovendien dat het kabinet bij de invoering van de WIA rekening heeft gehouden met de bijzondere positie van het zittend bestand. De WIA gold immers voor nieuwe gevallen. De WAO werd voor bestaande gevallen gecontinueerd. Wel werden de «oude WAO-ers» eenmalige herbeoordeeld naar aanleiding van de aanpassing van het zogenaamde Schattingsbesluit.

D66 4:

In dat verband komt wat betreft de betaalbaarheid ook de vraag op of de doelstelling om het aantal van 90 000 Wsw-plaatsen te beperken tot 30 000 haalbaar is als in ieder geval 41 000 Wsw-ers niet naar het nieuwe systeem verplaatsbaar zijn. In dat geval is immers vanaf de aanvang voor nieuwe Wsw-instromers geen plaats, hetgeen de uitvoering ook een moeizame aangelegenheid maakt. Deze vraag is ook al op 25 mei 2011 in de vaste commissie van SZW in de Tweede Kamer met u aan de orde geweest, maar aldaar niet afdoende beantwoord.

Antwoord D66 4:

Het kabinet herkent het genoemde aantal van 41 000 Wsw-ers die «niet verplaatsbaar zijn naar het nieuwe systeem» niet. De voorgenomen wijziging van de Wsw schrapt geen Wsw-dienstbetrekkingen. Alle mensen met een Wsw-indicatie die nu werkzaam zijn in een Wsw-dienstbetrekking, kunnen daarin werkzaam blijven. Wel wordt voor nieuwe gevallen de toegang tot de Wsw beperkt tot degenen met een indicatie «beschut» werken. Op de langere termijn zijn naar de inschatting van het kabinet hiervoor nog circa 30 000 plekken nodig. Op basis van natuurlijk verloop van Wsw-werknemers, bijvoorbeeld door (pre)pensioen, zullen Wsw-plekken vrijvallen.

Het kabinet houdt in de bekostiging van de Wsw vanaf januari 2013 rekening met het invullen van een derde deel van de plekken die vrijkomen door uitstroom uit de huidige Wsw, met nieuwe dienstbetrekkingen voor mensen met een indicatie «beschut» werken. Dit garandeert dat er nog steeds mensen in de Wsw terecht kunnen.

Gemeenten kunnen voor mensen die niet meer in aanmerking komen voor een Wsw-indicatie en niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, in de WWNV het instrument

loondispensatie inzetten.

Grafiek Afbouw zittend bestand Wsw en opbouw nieuw bestand

Grafiek Afbouw zittend bestand Wsw en opbouw nieuw bestand


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Terpstra (CDA), Noten (PvdA), Sylvester (PvdA), (voorzitter), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), De Lange (OSF), Sent (PvdA), Postema (PvdA), Klever (PVV), (vice-voorzitter), Sörensen (PVV). Reynaers (PVV), Ester (CU), De Grave (VVD), Van Rey (VVD) en Beckers (VVD).

X Noot
2

Hiermee tevens uitwerking gevend aan de motie van de leden Koşer Kaya en Sterk (Kamerstukken II 2010/11, 26 448, nr. 455).

X Noot
3

Kamerstukken II 2010–2011, 28 719, nr. 78.

X Noot
4

Uit de eerste rapportage van de Wajongmonitor volgt dat 93% van de werkgevers die door UWV zijn benaderd, geïnteresseerd is in een Wajonger. Eerder volgde uit onderzoek van Cross-over (2009) dat 42 procent van de werkgevers bereid is Wajongers aan te nemen. Ook de proef met de Wajongadviesvoucher laat zien dat er interesse en mogelijkheden zijn bij werkgevers: bij vier op de vijf bedrijven zijn mogelijkheden voor Wajongers.

X Noot
5

Wajongmonitor, eerste bevindingen Wajong adviesvoucher.

Naar boven