Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-XIII nr. 196

32 500 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2011

Nr. 196 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2011

Per brief heb ik uw Kamer op 28 april jl. laten weten welke besluiten het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft genomen op basis van de voorlopige resultaten van de herbeoordeling van de effecten van neonicotinoïden op bijensterfte. In dezelfde brief heb ik ook aangegeven dat ik het Ctgb heb verzocht drie insectendodende middelen voor niet-professioneel gebruik voor spuit- en aangiettoepassingen te heroverwegen en deze te verbieden of de toelating ervan op te schorten in afwachting van de definitieve herbeoordeling.

Op 13 mei jl. heeft het Ctgb mij gemeld (zie bijlage)1 dat er geen aanwijzingen zijn dat de desbetreffende toelatingen met de daarbij opgenomen restricties niet voldoen aan de toelatingscriteria van artikel 28 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Ctgb neemt daarbij in overweging dat het risico op blootstelling voldoende wordt gereduceerd wanneer het middel niet gebruikt wordt op of in de buurt van bloeiende planten en onkruiden en dat deze waarschuwing voldoende duidelijk en begrijpelijk wordt gecommuniceerd naar de gebruiker. Het Ctgb concludeert dus dat er geen gegronde redenen zijn om het besluit te herzien.

Ik twijfel echter ernstig of het bij de toelating van deze drie toepassingen voorgeschreven vereenvoudigde gebruiksvoorschrift waarborgt dat er geen onaanvaardbare effecten voor de bij zijn. Dit vanwege de risico’s voor de uitvoerbaarheid, naleefbaarheid en handhaafbaarheid van deze restricties, die het Ctgb zelf in zijn correspondentie heeft aangegeven. Ik heb daarom besloten om desbetreffende toelatingen op grond van artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 10:43 van de Algemene wet bestuursrecht de toelating te schorsen (zie bijlage)1, hangende een onderzoek of er reden is om tot vernietiging over te gaan.

De schorsing zal van kracht worden de dag na publicatie in de Staatscourant, waarschijnlijk in de week van 6 juni.

Ik heb opdracht gegeven voor nader onderzoek om te beoordelen of de toelating van deze middelen daadwerkelijk niet zal leiden tot onaanvaardbare effecten op bijen.

De nVWA heb ik gevraagd om mij te adviseren over de uitvoerbaarheid en de naleefbaarheid van de restrictiezin van de desbetreffende toelatingen voor niet-professionele gebruikers. Daarnaast heb ik een aantal EU-lidstaten (België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) gevraagd mij aan te geven of deze drie toepassingen een toelating hebben, hoe de risico’s voor bijen zijn beoordeeld in hun land en of en zo ja welke risicoreducerende maatregelen zijn voorgeschreven.

Het Ctgb zal de definitieve herbeoordeling van de neonicotinoïden uiterlijk 1 juli a.s. gereed hebben. Ik streef ernaar de genoemde nadere adviezen over de drie toelatingen voor niet-professioneel gebruik dan ook beschikbaar te hebben. Voor het Algemeen Overleg van 7 september a.s. over bijensterfte zal ik u hierover informeren. Verder informeer ik u dan ook over het vervolg op het besluit tot schorsing.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.