Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-I nr. 2

32 500 I Vaststelling van de begrotingsstaat van de Koning (I) voor het jaar 2011

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

 

blz.

   

A

Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel

2

   

B

Begrotingstoelichting

3

   

1

Leeswijzer

3

   

2

Niet-beleidsartikelen

5

01

Grondwettelijke uitkering aan de leden van het koninklijk huis

5

02

Functionele uitgaven van de Koning

6

03

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

8

   

3

Moties en toezeggingen

10

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van de Koning voor het jaar 2011 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2011. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2011.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2011 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 3

In aansluiting op het kabinetsstandpunt over het rapport van de Stuurgroep herziening stelsel kosten koninklijk huis heeft begroting I (voorheen genaamd het «Huis der Koningin», thans «de Koning») een andere en uitgebreidere artikelsgewijze indeling gekregen. Om die ook formeel mogelijk te maken dient afgeweken te kunnen worden van de artikelen 1, 8 en 57 van de Comptabiliteitswet 2001. Evenals voor het jaar 2010 is gebeurd, worden ook voor het jaar 2011 die afwijkingen in het onderhavige wetsartikel geregeld. Bij de voorziene modernisering van de Comptabiliteitswet 2001 of zoveel eerder als mogelijk zullen deze aanpassingen definitief in die wet worden doorgevoerd.

De Minister-President

Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Deze memorie van toelichting betreft de begrotingsstaat voor het jaar 2011 van begroting de Koning. Met ingang van de begroting 2010 is niet alleen de naam van begroting I gewijzigd in begroting «de Koning», maar bevat de begroting naast de grondwettelijke uitkeringen aan de leden van het koninklijk huis (thans 3 leden) ook de uitgaven ten behoeve van de constitutionele Koning als staatshoofd. Dit in navolging van de brief van de minister-president over de nieuwe opzet van begroting I van de Rijksbegroting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 I, nr. 5), gebaseerd op de aanbevelingen van de Stuurgroep herziening stelsel kosten koninklijk huis.

De belangrijkste wijzigingen die met ingang van de begroting 2010 zijn ingevoerd betroffen de toevoeging van de artikelen 2 en 3.

  • Artikel 2: Functionele uitgaven van de Koning. Dat betreft de functionele uitgaven die op declaratiebasis door de Dienst van het Koninklijk Huis namens de Koning worden ingediend bij de minister-president en die ten laste van deze begroting worden betaald.

  • Artikel 3: Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen. Dit betreft de geraamde uitgaven die niet via de Dienst van het Koninklijk Huis lopen, maar die wel deel uitmaken van de uitgaven die functioneel samenhangen met het koningschap.

De nieuwe opzet van begroting I impliceert dat met uitzondering van artikel 1 er geen bedragen beschikbaar zijn voor de jaren voorafgaand aan het begrotingsjaar 2010.

De wijze van uitputting van de begroting vindt plaats via het verstrekken van voorschotten aan de Dienst van het Koninklijk Huis en aan de desbetreffende ministeries. Voor artikel 1 vindt de afrekening nog in het lopende begrotingsjaar plaats, maar bij de artikelen 2 en 3 zal de afrekening niet eerder dan in het volgende jaar kunnen plaatsvinden.

De raming van de ontvangsten bij de artikelen is op nihil gesteld en zal alleen betrekking hebben op ontvangsten uit hoofde van de afrekeningen van voorgaande jaren.

In aansluiting op de bepaling zoals die in artikel 8 van de Comptabiliteitswet is opgenomen, hebben de begrotingsartikelen die worden opgenomen in deze begroting het karakter van een niet-beleidsartikel.

In deze begroting zijn tevens de besparingen verwerkt zoals deze in de eerste suppletore begroting van de Koning 2010 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 395 I, nr. 2) zijn gemeld en toegelicht. In onderstaande tabel worden de besparingen weergegeven waarbij een aansluiting wordt gemaakt tussen de stand van de Begroting 2010 en deze begroting.

Besparingen begroting de Koning (x € 1000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

1. Versobering vliegregeling

0

–305

–305

–305

–305

2. Groene Draeck

–163

–163

   

3. Koninklijke trein

 

–14

–14

–14

–14

4. AZ/RVD

 

–90

–155

–155

–155

5. Vergoeding voor paleizen

–800

–800

–800

–800

–800

6. Overige bijstellingen sinds begroting 2010

19

150

148

152

152

 

944

1 222

1 126

1 122

1 122

waarvan t.l.v. Begroting van de Koning

     

Totaal

144

422

326

322

322

2. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1: Grondwettelijke uitkering aan de leden van het koninklijk huis

Dit begrotingsartikel bevat de grondwettelijke uitkeringen krachtens de aangepaste Wet financieel statuut van het koninklijk huis. De technische aanpassing en actualisering van deze wet, die in 2008 door de Staten-Generaal is aanvaard (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 505) en gepubliceerd in het Staatsblad (Staatsblad 2008, 535), vormt de basis voor de ramingen van dit begrotingsartikel.

Budgettaire gevolgen (x € 1000)

Uitkeringen aan de leden van het koninklijk huis

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

6 961

7 102

7 155

7 155

7 155

7 155

7 155

Uitgaven

6 961

7 102

7 155

7 155

7 155

7 155

7 155

Ontvangsten

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

De grondwettelijke uitkeringen op grond van de Wet financieel statuut van het koninklijk huis aan de in deze begroting vermelde leden van het koninklijk huis zijn opgebouwd uit twee componenten:

Een A-component, die het inkomensbestanddeel vormt. Als basis is genomen het bedrag genoemd in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis, dat is aangepast in de verhouding waarin de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State in het jaar 2010 afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007. De raming is hiermee gelijk aan het werkelijke uitgavenniveau 2010.

Een B-component, die betrekking heeft op personele en materiële uitgaven. De personele uitgaven hebben betrekking op de personeelsleden, die hun instructie rechtstreeks van de Koning of van (de echtgenote van) de vermoedelijke opvolger van de Koning ontvangen en/of in de onmiddellijke omgeving van hen verkeren en voor wie het dienstverband zich grotendeels in de familiesfeer voltrekt.

Als basis is genomen het bedrag genoemd in de Wet financieel statuut van het koninklijk huis. Dit bedrag is voor de helft aangepast in de verhouding waarin de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel in 2010 afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007. De raming is hiermee gelijk aan het werkelijke uitgavenniveau 2010.

Voor de andere helft is het bedrag aangepast in de verhouding waarin het algemeen prijspeil van het gezinsverbruik blijkens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex in de maand juni 2009 afwijkt van het prijspeil in de maand juni van het jaar 2007 en vervolgens voor de jaren 2010 en 2011 verhoogd met de verwachte ontwikkeling van de consumentenprijsindex zoals opgenomen in de CEP 2010.

Indien de uiteindelijk loon- en prijsontwikkeling voor 2010 en 2011 afwijkt van de verwachting, dan zal ook de werkelijke uitkering afwijken van het in deze begroting genoemde bedrag. Deze afwijking is derhalve als PM aan te merken.

De raming over 2011 is als volgt samengesteld (bedragen x € 1 000):

Grondwettelijke uitkering aan:
 

A

B

Totaal

De Koning

829

4 314

5 143

De vermoedelijke opvolger van de Koning

246

1 140

1 386

De echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koning

246

380

626

Totaal

  

7 155

Artikel 2: Functionele uitgaven van de Koning

Dit begrotingsartikel bevat de functionele uitgaven die te relateren zijn aan de uitoefening van het koningschap en die op declaratiebasis door de Dienst van het Koninklijk Huis namens de Koning worden ingediend bij de minister-president en ten laste van deze begroting worden betaald. Het begrotingsartikel bestaat uit een personele en een materiële component en overige specifieke uitgaven met in het bijzonder de uitgaven voor de inzet van luchtvaartuigen, het onderhoud van de Groene Draeck en de uitgaven voor de reis- en verblijfkosten die samenhangen met bezoeken aan de Nederlandse Antillen en Aruba.

Budgettaire gevolgen (x € 1000)

Functionele uitgaven van de Koning

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

n.v.t

26 655

26 407

26 355

26 355

26 355

26 355

Uitgaven

n.v.t

26 655

26 407

26 355

26 355

26 355

26 355

Ontvangsten

n.v.t

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

De personele en materiële uitgaven worden door de Dienst van het Koninklijk Huis verricht en vervolgens in rekening gebracht bij deze begroting. In onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de verschillende onderdelen binnen dit begrotingsartikel.

Raming over 2011 (bedragen x € 1000)

Personeel Dienst van het Koninklijk Huis

17 529

Materieel Dienst van het Koninklijk Huis

7 657

Uitgaven voor luchtvaartuigen

1 094

Onderhoud Groene Draeck

47

Bezoeken aan Nederlandse Antillen en Aruba

80

Totaal

26 407

Personeel Dienst van het Koninklijk Huis

Deze personeelsuitgaven hebben betrekking op 260 fte; dit is exclusief 19 post-actieven. Tevens is dit exclusief de personeelsleden die worden betaald uit de B-component.

De uitgaven voor actief personeel betreffen de personeelsinzet ten behoeve van o.a. departement van de hofmaarschalk, koninklijk huisarchief, koninklijk staldepartement (chauffeurs/monteurs, koetsiers en onderhoudspersoneel) en de personeelsinzet voor de facilitaire functies voor de in de Wet financieel statuut van het koninklijk huis aangewezen paleizen (paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam).

Materieel Dienst van het Koninklijk Huis

De materiële uitgaven hebben betrekking op uitgaven voor de instandhouding van het rijtuigenpark (auto’s, paarden en rijtuigen) en voor de gebruikskosten voor de eerder genoemde paleizen (inclusief de verwarming en verlichting voor de drie hiervoor genoemde locaties). Daarnaast bevatten zij de uitgaven voor telecommunicatie, accountantscontrole, advisering en de uitgaven van facilitaire aard zoals voor bureauvoorzieningen. Tenslotte bevat het een tegemoetkoming in de infrastructuurkosten van Kroondomein Het Loo.

Uitgaven voor luchtvaartuigen

De hier begrote uitgaven voor luchtvaartuigen (met uitzondering van staatsbezoeken en werkbezoeken aan de Nederlandse Antillen en Aruba) betreffen de uitgaven voor vliegkosten van de Koning alsmede de uitgaven voor privé-vliegkosten (m.u.v. die van de Koning en echtgenote, die altijd in het kader van het openbaar belang zijn) beperkt tot de zogenaamde uitkeringsgerechtigde leden van het koninklijk huis krachtens de Wet financieel statuut van het koninklijk huis (te weten de toekomstige Koning, de afgetreden Koning en echtgenoten) 1 tot aan het maximum van de franchise 2. Het betreft zowel de uitgaven voor de inzet van het regeringsvliegtuig en andere luchtvaartuigen in het beheer bij het Rijk alsmede civiele inhuur.

Op grond van de ministeriële regeling «Besluit gebruik van het regeringsvliegtuig en luchtvaartuigen van de krijgsmacht», kunnen de zogenaamde uitkeringsgerechtigde leden van het koninklijk huis gebruik maken van het regeringsvliegtuig. Indien het regeringsvliegtuig niet beschikbaar is of niet aan de gebruikseisen voldoet, kan een beroep worden gedaan op luchtvaartuigen in beheer van het Ministerie van Defensie. Indien zowel het regeringsvliegtuig als de luchtvaartuigen van Defensie niet beschikbaar zijn, draagt de vluchtcoördinator zorg voor civiele inhuur 3.

Het bedrag voor de post inzet regeringsvliegtuig voor het jaar 2011 bestaat uit een inschatting van de Dienst van het Koninklijk Huis van het aantal vlieguren van het regeringsvliegtuig in het kader van het openbaar belang (geraamd op 60 uur) en het maximale aantal vlieguren van dit vliegtuig dat voor privévluchten ter beschikking wordt gesteld (25 uur). Het totaal aantal vlieguren wordt vermenigvuldigd met het tarief dat is vastgesteld voor het regeringsvliegtuig.

Het bedrag voor de gebruikmaking van Defensie luchtvaartuigen is gebaseerd op een inschatting van de Dienst van het Koninklijk Huis van het aantal vlieguren in het kader van het openbaar belang (geraamd op 65 uur) en het maximale aantal vlieguren dat voor Defensie luchtvaartuigen voor privévluchten ter beschikking wordt gesteld (47,5 uur). Het vervoer wordt uitgevoerd met de Gulfstream en de Alouette helikopter. Het totaal aantal vlieguren per luchtvaartuig wordt vermenigvuldigd met het tarief dat is vastgesteld voor de specifieke toestellen. Deze tarieven worden gehanteerd bij de doorbelasting van de inzet van de luchtvaartuigen aan gebruikers.

Raming 2011 (bedragen en tarieven in euro’s)

Openbaar belang

Uren

Tarief

Bedrag

Inzet regeringsvliegtuig (PH-KBX)

60

4 891

293 460

Vastvleugelige inzet (Gulfstream)

15

2 294

34 410

Helikopterinzet (Alouette)

50

2 425

121 250

Inhuur civiele luchtvaartuigen

  

335 000

Subtotaal

  

784 120

Privé

Uren

Tarief

Bedrag

Inzet regeringsvliegtuig (PH-KBX)

25

4 891

122 275

Vastvleugelige inzet (Gulfstream)

32,5

2 294

74 555

Helikopterinzet (Alouette)

15

2 425

36 375

Inhuur civiele luchtvaartuigen

  

76 313

Subtotaal

  

309 518

    

Totaal

  

1 093 638

Groene Draeck

De Groene Draeck is in 1957 door de Nederlandse bevolking aan de toenmalige kroonprinses geschonken. De Staat gaf bij deze gelegenheid mede het onderhoud van de Groene Draeck als geschenk. Het bedrag dat hiermee samenhangt wordt daarom op deze begroting toegelicht.

De kosten van het reguliere onderhoud aan de Groene Draeck zijn begroot op € 47 000 per jaar en bestaan uit de geraamde kosten van het aantal uren dat door het Marinebedrijf aan onderhoud wordt besteed, de kosten van het benodigde materiaal en voor de rest uit een raming van uit te besteden werkzaamheden. Zoals reeds bij eerste suppletore begroting van de Koning 2010 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 395 I, nr. 2) is gemeld, worden de extra werkzaamheden in het kader van het groot onderhoud (dat na 52 jaar noodzakelijk is) door de Koningin zelf gedragen.

Bezoeken aan de Nederlandse Antillen en Aruba

De uitgaven die samenhangen met bezoeken aan de Nederlandse Antillen en Aruba in de vorm van reis- en verblijfkosten (inclusief de vliegkosten) vormen ook een deel van de uitgaven die binnen dit begrotingsartikel worden geraamd. Indien er in een jaar geen werkbezoek plaatsvindt, zullen deze middelen vrijvallen en in een jaar dat er wel een werkbezoek zal worden afgelegd, zullen de uitgaven in dat jaar via een suppletore begroting eventueel worden bijgesteld.

Artikel 3: Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Op dit begrotingsartikel worden de uitgaven geraamd die niet via de Dienst van het Koninklijk Huis lopen, maar wel deel uitmaken van de uitgaven die functioneel samenhangen met het koningschap. Het gaat om de uitgaven in het kader van de voorlichting (Rijksvoorlichtingsdienst), het Militaire Huis als onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en de uitgaven van het Kabinet der Koningin. Deze uitgaven ontstaan (en worden betaald) onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende minister. De uitgaven worden primair geraamd en verantwoord ten laste van de desbetreffende begrotingen en zullen vervolgens door de minister (rechtstreeks) worden doorbelast aan deze begroting, die daarvoor een raming bevat (en daar tegenover ontstaat dan een ontvangstenraming op de desbetreffende begroting).

Budgettaire gevolgen (x € 1000)

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

n.v.t

5 742

5 608

5 542

5 546

5 546

5 546

Uitgaven

n.v.t

5 742

5 608

5 542

5 546

5 546

5 546

Ontvangsten

n.v.t

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

nihil

In onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de verschillende onderdelen binnen dit begrotingsartikel. Het begrotingsartikel bestaat uit een personele en een materiële component.

Raming over 2011 (bedragen x € 1000)

Doorbelaste personele uitgaven

3 806

Doorbelaste materiële uitgaven

1 802

Totaal

5 608

w.v. RVD

1 430

w.v. Militair Huis

1 824

w.v. Kabinet der Koningin

2 354

De personele en materiële uitgaven van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) hebben betrekking op de communicatie over en de begeleiding van publieke optredens van de Koningin, de Prins van Oranje en zijn echtgenote. Bij de communicatie over deze, en eventueel overige, leden van het koninklijk huis wordt zorg gedragen voor een goed evenwicht tussen tijdige en feitelijke voorlichting enerzijds en bescherming van de persoonlijke levenssfeer anderzijds. De personeelsinzet voor de uitvoering van deze activiteiten bedraagt 12,6 fte.

Het Militaire Huis is een integraal onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en is belast met het (mede) organiseren van evenementen voor en begeleiding van de Koning en de leden van het koninklijk huis. Ook onderhoudt het Militaire Huis de niet-politieke contacten tussen het koninklijk huis en het Ministerie van Defensie en is het verantwoordelijk voor het militaire ceremonieel aan het hof. De personeelsinzet betreft 16 fte.

Het Kabinet der Koningin heeft tot taak de Koning ten behoeve van de uitoefening van diens constitutionele taken te ondersteunen inzake:

  • a. het verkeer tussen de Koning en de overige leden van de regering;

  • b. contacten met andere organen van de overheid, ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Koning;

  • c. verzoekschriften aan de Koning;

  • d. de zorg voor het registreren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke besluiten en andere staatsstukken.

De personele inzet voor de uitvoering van deze taken bedraagt 26 fte.

3. MOTIES EN TOEZEGGINGEN

Omschrijving van de motie of toezegging

Vindplaats

Stand van zaken

Motie Timmer over afbouwen van de financiering van privévluchten van leden van het koninklijk huis. (TK 32 123 I, nr.18)

Begrotingsbehandeling 2010

8 oktober 2009

Zie eerste suppletore begroting van de Koning 2010 (TK 32 395 I, nr. 2)

   

De minister-president zegt toe dat net als alle andere begrotingen, ook begroting I in het kader van de heroverwegingen, kritisch zal worden bezien. De uitkomsten zullen worden betrokken bij het opstellen van de Voorjaarsnota 2010.

Begrotingsbehandeling 2010

8 oktober 2009

Zie eerste suppletore begroting van de Koning 2010 (TK 32 395 I, nr. 2)

   

De minister-president zal in overleg met de staatssecretaris van Financiën bezien of in de fiscaliteit aanpassingen mogelijk zijn, waaronder met name de bestaande vrijstelling van het schenkingsrecht, conform de systematiek van de Wet financieel statuut van het koninklijk huis

Begrotingsbehandeling 2010

8 oktober 2009

Zie eerste suppletore begroting van de Koning 2010 (TK 32 395 I, nr. 2)

   

De minister-president zal bezien of de activiteiten van de diverse leden van het koninklijk huis beter belicht kunnen worden in het kader van de jaarlijkse verantwoording van Begroting I

Begrotingsbehandeling 2010

8 oktober 2009

Zie eerste suppletore begroting van de Koning 2010 (TK 32 395 I, nr. 2)


XNoot
1

Indien een lid van het koninklijk huis namens de Koning een (representatieve) verplichting uitvoert waartoe vervoerskosten moeten worden gemaakt, worden de kosten van dat vervoer gedragen door de Staat respectievelijk wordt door de Staat voor vervoer gezorgd.

XNoot
2

Privé-vliegkosten van de zogenaamde uitkeringsgerechtigde leden van het koninklijk huis (met uitzondering van het staatshoofd) boven de franchise worden aan de gebruiker doorbelast en komen derhalve niet ten laste van deze begroting.

XNoot
3

Betreft de inhuur van commerciële luchtvaartuigen.