I ALGEMEEN
Verdrag van Montreal
Het Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (Trb. 2000, 32) (hierna te noemen: het verdrag) is door het Koninkrijk der Nederlanden geratificeerd voor Nederland op 29 april 2004 en
op 28 juni 2004 voor Nederland in werking getreden. Het verdrag is van toepassing op overeenkomsten van internationaal vervoer
van personen, bagage of goederen met luchtvaartuigen tegen betaling of gratis, mits verricht door een luchtvervoeronderneming.
Van internationaal vervoer in de zin van het verdrag is sprake indien de plaats van vertrek en bestemming beide zijn gelegen
in verschillende staten die partij zijn bij het verdrag, en als de plaats van vertrek en bestemming beide in dezelfde verdragsstaat
zijn gelegen en er een tussenlanding wordt gemaakt in een andere staat (die geen partij hoeft te zijn bij het verdrag). Het
verdrag regelt onder andere de aansprakelijkheid van de vervoerder en de omvang van de vergoeding van de schade bij luchtvervoer.
Ook de Europese Unie (EU) heeft regelgeving opgesteld over de aansprakelijkheid bij luchtvervoer. Verordening (EG) 2027/97
(hierna te noemen: verordening 2027) is in 1998 in werking getreden en is van toepassing op alle luchtvaartmaatschappijen
met een exploitatievergunning binnen de EU. Verordening 2027 is door Verordening (EG) 889/2002 (hierna te noemen: verordening
889) in overeenstemming gebracht met het verdrag. Verordening 889 is in 2008 van kracht geworden op het moment dat het verdrag
voor de Europese Unie in werking trad. Het verdrag is in 2005 geïmplementeerd in titel 16 («Exploitatie») van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek (BW). Titel 16 van Boek 8 BW bevat onder andere bepalingen over de aansprakelijkheid voor schade aan personen
en goederen aan boord van een luchtvaartuig (en dus niet op de grond) en de beperking hiervan. De bepalingen in deze titel
die de beperking van aansprakelijkheid regelen, zijn de artikelen 8:1359, 8:1399 en 8:1400 BW.
Herziening van de limieten
De aansprakelijkheid van de vervoerder is geregeld in de artikelen 17, 18 en 19 van het verdrag. De bedragen waartoe de vervoerder
zijn aansprakelijkheid kan beperken, staan in de artikelen 21 en 22 van dit verdrag. Verder regelt artikel 24 van het verdrag
de herziening van deze aansprakelijkheidsgrenzen. In dit artikel is bepaald dat de aansprakelijkheidsgrenzen elke vijf jaar
door de depositaris (thans de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)) worden herzien, waarbij de eerste herziening
plaatsvindt aan het einde van het vijfde jaar na inwerkingtreding van het verdrag. Omdat het verdrag in 2004 voor de toenmalige
Europese Unie in werking is getreden, zijn in 2009 de aansprakelijkheidsgrenzen voor de eerste keer herzien op grond van deze
herzieningsprocedure. Omdat de herziening niet door een meerderheid van de verdragsstaten is afgekeurd, is deze op 30 december
2009 in werking getreden. Het gevolg hiervan is dat de hogere aansprakelijkheidslimieten uit het verdrag van toepassing zijn
in plaats van de limieten genoemd in de artikelen 8:1359, 8:1399 en 8:1400 BW. Deze nieuwe limieten zijn bekend gemaakt in
het Tractatenblad op 2 april 2010 (Trb. 2010, 114).
Algemene maatregel van bestuur
De nieuwe limieten hebben net als het verdrag zelf rechtstreekse werking. Dat wil zeggen dat de vervoerder sinds 30 december
2009 aansprakelijk is tot de nieuwe limieten (ongeacht of deze limieten in de Nederlandse wetgeving zijn opgenomen). Het is in
Nederland echter gebruikelijk dat vervoerverdragen ondanks de rechtstreekse werking ervan in Boek 8 BW worden opgenomen op
een wijze die aansluit bij het systeem van Boek 8 BW (Kamerstukken II, 2002/03, 28 946, B). Het kan verwarrend werken indien
de Nederlandse regelgeving nog de oude limieten aangeeft. Vanuit een oogpunt van toegankelijkheid, duidelijkheid en rechtszekerheid
is er daarom evenals bij de vaststelling en invoering van titel 16 van Boek 8 BW voor gekozen de nieuwe limieten over te nemen
in nationale wetgeving.
Er wordt voortaan verwezen naar een algemene maatregel van bestuur (hierna te noemen: amvb). Door de bedragen op te nemen
in een amvb is het mogelijk deze sneller te wijzigen na elke herziening, aangezien aanpassing van een amvb een kortere procedure
vereist dan een wetswijziging. Snelle aanpassing van de bedragen in de nationale wetgeving aan de nieuwe geldende limieten
op grond van het verdrag zal de rechtszekerheid bevorderen. Overigens is het verwijzen naar een amvb geen uitzondering in
het vervoerrecht. Ook bijvoorbeeld bij vervoer over de weg, vervoer over spoor en de binnenvaart wordt voor de beperking van
de aansprakelijkheid verwezen naar een amvb (zie Besluit van 15 maart 1991, Stb. 114 (gewijzigd door Besluit van 24 november
2008, Stb. 505), Besluit van 11 maart 1991, Stb. 106 en Besluit van 15 december 1994, Stb. 888).
II ARTIKELEN
Artikel I
Onderdeel A
In artikel 8:1359 lid 1 BW wordt het bedrag van zeventien rekeneenheden vervangen door een verwijzing naar een amvb waarin
het bedrag is vermeld.
Onderdeel B
In artikel 8:1399 BW worden in lid 1 en 2 de genoemde bedragen vervangen door een verwijzing naar een amvb waarin de bedragen
zijn vermeld.
Onderdeel C
In artikel 8:1400 worden in lid 1 en 2 de genoemde bedragen vervangen door een verwijzing naar een amvb waarin de bedragen
zijn vermeld.
Artikel II
Wanneer het voorstel van wet tot wet wordt verheven, wordt de datum van inwerkingtreding bij koninklijk besluit bepaald. Hierdoor
kan er worden gekozen voor inwerkingtreding op een van de vaste verandermomenten.
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin