Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201632467 nr. I

32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens)

I VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 15 januari 2016

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning1 heeft in haar vergaderingen van 17 en 24 november 2015 gesproken over de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 11 november 2015 betreffende de financiële evaluatie van de werkzaamheden en het functioneren van het College voor de Rechten van de Mens.2 Naar aanleiding van deze evaluatie hebben de leden van de fracties van PvdA en GroenLinks enige vragen gesteld op 30 november 2015. De leden van de fractie van de SP hebben zich bij de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks aangesloten.

De Minister heeft op 14 januari 2016 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT / ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING

Aan de Minister van Veiligheid en Justitie

Den Haag, 30 november 2015

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning heeft in haar vergaderingen van 17 en 24 november 2015 gesproken over uw brief van 11 november 2015 betreffende de financiële evaluatie van de werkzaamheden en het functioneren van het College voor de Rechten van de Mens.3 Naar aanleiding van deze evaluatie wensen de leden van de fracties van PvdA en GroenLinks enige vragen te stellen. De leden van de fractie van de SP sluiten zich bij de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks aan.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de financiële eva-luatie van het College voor de Rechten van de Mens, alsmede van de reactie van de regering en het College zelf daarop. Zij constateren met tevredenheid dat het College in korte tijd zijn plaats volwaardig in het Nederlandse bestel heeft weten te vinden. De aan het woord zijnde leden zijn ook verheugd over het feit dat het College vanaf 2014 een A-status bij de Verenigde Naties heeft verworven. Zij kijken uit naar de meer inhoudelijke evaluatie die over enkele jaren is voorzien. Zij hebben naar aanleiding van de financiële evaluatie enkele vragen.

Deze leden constateren dat het wetgevend proces gericht op bekrachtiging van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking nu zodanig binnen bereik komt dat dit verdrag in 2016 ten langen leste ook voor Nederland in werking zal kunnen treden. In de imple-mentatiewet is de specifieke wettelijke taak van toezichthouder opgedragen aan het College voor de Rechten van de Mens. Ziet de regering daarin een aanleiding om de financiële ruimte voor het College, die kennelijk gezien het brede takenpakket als erg krap wordt ervaren, enigszins uit te breiden? Voorts zouden de leden van de PvdA-fractie graag informatie ontvangen over hoe tot op heden de contacten en eventuele samenwerking tussen het College en het EU-Grondrechtenbureau verlopen.

In de evaluaties wordt enkele keren verwezen naar het ontbreken van activiteiten van het College met betrekking tot de BES-eilanden. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie hierop een reactie. Daarnaast vragen zij de regering of zij niet van mening is dat de werking van het College voor de Rechten van de Mens niet alleen voor Nederland maar voor alle vier landen van het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten gelden. Nederland is immers als het gehele Koninkrijk der Nederlanden partij bij diverse mensenrechtenverdragen, die binnen het werkterrein van het College voor de Rechten van de Mens vallen. Zeker bij de mondiale mensenrechtenverdragen zullen de toezichthoudende comités het moeilijk kunnen begrijpen dat het bij de Verenigde Naties geaccrediteerde College voor de Rechten van de Mens uitsluitend Europees Nederland en de BES-eilanden als zijn werkterrein kan opvatten. Deelt de regering deze opvatting? Zo ja, wat denkt de regering eraan te doen om de reikwijdte van het werk van het College tot alle delen van het Koninkrijk uit te breiden? Zo niet, op welke gronden meent de regering de werkingssfeer van het College tot Europees Nederland en de BES-eilanden te kunnen beperken?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van de evaluatie van de uitvoering van de taken van het College voor de Rechten van de Mens. Zij zien dat het College zijn verantwoordelijkheden zeer serieus neemt en op verantwoorde wijze tot prioriteiten komt. Een aantal ambities, zoals op het gebied van voorlichting en educatie, kunnen echter nog niet worden waargemaakt. Dat – en voortzetting van andere taken – is des te meer van belang door recente ontwikkelingen als de grote instroom van vluchtelingen en de blijvende dreiging van hernieuwde terroristische aanslagen. In dit klimaat is het onder meer van het grootste belang dat in de samenleving brede kennis bestaat over wat essentiële burgerschaps-waarden en onaantastbare mensenrechten zijn. Samenwerking van het College met onderwijs en andere maatschappelijke organisaties op dat gebied vinden de leden van de fractie van GroenLinks – met de regering – van grote waarde.

De leden van de fractie van GroenLinks maken zich zorgen over de budgettaire kaders voor de komende jaren van het College. De onderzoekers die de evaluatie hebben opgesteld becijferen als deze leden dat goed hebben begrepen dat een minimumbudget van 5,8 miljoen nodig is voor de uitoefening van de taken. Het budget is mede door de wachtgeldproblematiek daaronder gezakt. Ook volgens de regering is inmiddels al een hoge mate van efficiency behaald. Daar zit geen winst meer. Het College becijfert zelf een totaalbudget van 7,4 miljoen structureel nodig te hebben om alle taken en ambities waar te maken, inclusief die op het gebied van voorlichting en educatie. Dat zou exclusief de wachtgeldverplichtingen zijn, die het College niet kan beïnvloeden, maar wel voor eigen rekening moet nemen. De leden van de GroenLinks-fractie hebben daarbij de volgende vragen:

  • Anders dan de regering hebben deze leden wel zorgen over het budget. Kan de Minister in elk geval garanderen dat het budget van het College niet verder daalt dan het nu gesignaleerde minimum van 5,8 miljoen?

  • Kan de Minister de kosten voor wachtgeldregelingen van Collegeleden buiten het budget hou-den, elders dekken, en zo nee, waarom niet?

  • Kan de Minister de huisvestingslasten op dezelfde manier buiten het budget houden zoals nu of anders het College daarvoor compenseren?

  • Wil de Minister met het College in overleg over de kloof van 1,6 miljoen tussen het minimum-budget (5,8 miljoen) en wat het College zelf denkt nodig te hebben (7,4 miljoen) en kan de Minister de commissie nader informeren waarom die kloof zo groot is, wat daar aan gedaan kan worden en hoe de regering de continuïteit van de taakuitoefening door het College volgens de Paris Principles ook kan waarborgen in de komende jaren?

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, J.W.M. Engels

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 januari 2016

Graag beantwoord ik de vragen, gesteld in uw brief van 30 november 2015 door de leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks, waarbij de leden van de fractie van de SP zich hebben aangesloten bij de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks, over de brief die ik op 11 november jl. aan de Tweede en Eerste Kamer heb gezonden over de financiële evaluatie van het College voor de Rechten van de Mens (verder: het College of het CRM). Helaas is beantwoording binnen de door uw Kamer verzochte vier weken in verband met de kerstperiode niet gelukt. Ik beantwoord uw vragen in de volgorde zoals door de leden van de genoemde fracties gesteld.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering aanleiding ziet de financiële ruimte van het College enigszins uit te breiden met het oog op de uitvoering van de specifieke wettelijke taak van toezichthouder, voortvloeiende uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking.

In antwoord op deze vraag kan ik uw Kamer melden dat het College voor het uitvoeren van de taak van monitoring-body uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking een structureel budget ontvangt van het Ministerie van VWS. Dit budget bedraagt in 2015 € 0,4 mln. en in 2016 € 0,5 mln. Voor vaststelling van het budget voor 2017 en de jaren daarna worden in 2016 nadere afspraken gemaakt. Hierbij wordt gedacht aan een bedrag vergelijkbaar met wat in 2016 ter beschikking is gesteld.

Op het verzoek van de leden van de PvdA-fractie om informatie over hoe tot op heden de contacten en eventuele samenwerking tussen het College en het EU-Grondrechtenbureau verlopen, kan ik antwoorden dat het College regelmatig contact onderhoudt met het EU-Grondrechtenbureau (Fundamental Rights Agency (FRA)). Het College geeft aan veel waardering te hebben voor de kwaliteit van de rapporten van FRA, waarvan het in zijn werk dankbaar gebruik maakt. Het College levert regelmatig bijdragen aan meerdaagse bijeenkomsten van de FRA in Wenen, in het bijzonder over het thema discriminatie/gelijke behandeling en de wijze van communicatie van mensenrechtenissues. In november 2014 heeft FRA meegewerkt aan (de voorbereiding van) een symposium van het College over het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (verdrag van Istanbul). Er is verder op diverse niveaus van beide organisaties regelmatig contact over de mogelijkheden om met elkaar samen te werken.

Op de vraag van deze leden over het ontbreken van activiteiten van het College met betrekking tot de BES-eilanden, reageer ik als volgt.

Anders dan de leden van de PvdA-fractie meen ik niet dat activiteiten van het College met betrekking tot Caribisch Nederland ontbreken. Het College besteedt jaarlijks uitgebreid aandacht aan de mensenrechten in Caribisch Nederland in de rapportage over de mensenrechten in Nederland en het heeft tot nu toe twee adviezen gegeven die op Caribisch Nederland betrekking hebben. Op 3 april 2013 publiceerde het College een advies over gelijke behandeling bij de toepassing van het Kinderrechtenverdrag en op 5 maart 2014 een advies ten behoeve van de evaluatie van de op 10-10-2010 ingevoerde staatkundige herindeling. Ook heeft het College in zijn rapportage aan het Comité bij het VN anti-folterverdrag (Convention against Torture) aandacht besteed aan de situatie op Caribisch Nederland.

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering niet van mening is dat de werking van het College voor de Rechten van de Mens niet alleen voor Nederland maar voor alle vier landen van het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten gelden.

De Wet CRM betreft alleen Nederland, inclusief Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het is aan de landen zelf te beslissen over de oprichting van een eigen mensenrechteninstituut. Omdat er geen sprake is van een koninkrijksaangelegenheid is gekozen voor een normale wettelijke regeling, die uit de aard der zaak dus niet geldt voor de andere landen binnen het Koninkrijk.

Voor de Nederlandse gelijke behandelingswetgeving geldt dat deze niet van toepassing is verklaard op Caribisch Nederland. Dat betekent dat het College niet bevoegd is om op dat terrein onderzoek te doen of advies te geven en om verzoeken om een oordeel te behandelen van mensen die woonachtig zijn in Caribisch Nederland. Het College kan wel onderzoek doen naar en adviseren over de bescherming van de mensenrechten in Caribisch Nederland. Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt over het evaluatierapport Vijf jaar Caribisch Nederland, waarin zal worden ingegaan op de vraag in welke mate en op welke termijn Nederlandse wetgeving zal worden doorgevoerd, kan worden overwogen ook de gelijke behandelingswetgeving in Caribisch Nederland van toepassing te verklaren.

De leden van de fractie van GroenLinks maken zich zorgen over de budgettaire kaders voor de komende jaren van het College. Zij stellen daarover de volgende vragen.

Kan de Minister in elk geval garanderen dat het budget van het College niet verder daalt dan het nu gesignaleerde minimum van € 5,8 miljoen?

Het budget van het College bedraagt voor 2018 en volgende jaren € 5,8 mln. Daarbij moet het budget dat het College ontvangt voor zijn taak als toezichthouder uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking nog worden opgeteld (€ 0,4 mln. in 2015, € 0,5 mln. in 2016 en een vergelijkbaar bedrag voor de jaren daarna). De inspanningen zijn er op gericht om het budget van het College op een adequaat niveau te handhaven. In verband hiermee wordt overleg gevoerd met de overige betrokken ministeries. Als gevolg hiervan heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken aangekondigd dat een nieuwe bijdrage aan het College van € 100.000 per jaar voor de duur van drie jaar, vanuit het Mensenrechtenfonds mogelijk is.

Kan de Minister de kosten voor wachtgeldregelingen van Collegeleden buiten het budget houden, elders dekken, en zo nee, waarom niet?

Ik kan de leden van de fractie van GroenLinks melden dat ik zal onderzoeken of een wijziging van de voor het CRM toepasselijke regeling bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid mogelijk is. Indien dat vanuit het oogpunt van het waarborgen van de onafhankelijkheid van de leden van het College niet wenselijk blijkt, dan wordt bezien hoe de financiële druk van de regeling bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid op het CRM-budget kan worden verlicht of weggenomen. Prognoses geven aan dat de kosten van deze regeling, voor lopende uitkeringen in 2018 kunnen oplopen tot zo’n € 0,24 mln. per jaar.

Kan de Minister de huisvestingslasten op dezelfde manier buiten het budget houden zoals nu of anders het College daarvoor compenseren?

Vanuit doelmatigheidsoverwegingen dienen in principe alle kosten voortvloeiend uit de taken en het functioneren van het College binnen het eigen budget te worden gedekt. Dat geldt dus ook voor de huisvestingskosten, waarvoor ten behoeve van het College een apart budget van € 0,5 mln. beschikbaar is, dat op dit moment centraal door het Ministerie van VenJ wordt beheerd. Hierdoor is het niet zichtbaar op de begroting van het College hetgeen tot misverstanden over de hoogte van het totaal beschikbare budget kan leiden. Zoals ik ook in mijn brief van 11 november jl. heb verwoord, zal ik om redenen van transparantie in overleg met het College het centrale budget voor huisvesting aan het budget van het CRM toevoegen.

Wil de Minister met het College in overleg over de kloof van € 1,6 miljoen tussen het minimumbudget (€ 5,8 miljoen) en wat het College zelf denkt nodig te hebben (€ 7,4 miljoen) en kan de Minister de commissie nader informeren waarom die kloof zo groot is, wat daar aan gedaan kan worden en hoe de regering de continuïteit van de taakuitoefening door het College volgens de Paris Principles ook kan waarborgen in de komende jaren?

Een van de aanbevelingen aan het College uit de financiële evaluatie betreft de versterking van de (transparantie van) de financiële verslaglegging op activiteitenniveau en de externe verantwoording daarover. Zoals ik in mijn reactie op de financiële evaluatie aangaf onderschrijf ik de conclusie dat een meer transparante, externe verantwoording nodig is om te kunnen beoordelen welk budget het College nodig heeft voor een adequate uitvoering van zijn taken. Ik ga daarom met het College in gesprek over de wijze waarop de begroting en verantwoording transparanter kunnen worden gemaakt en zal dan ook met het College spreken over het verschil tussen het beschikbaar budget en wat het College denkt nodig te hebben. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten daarvan te zijner tijd nader berichten.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Samenstelling:

Engels (D66) (voorzitter), Nagel (50PLUS), Ruers (SP) (vice-voorzitter), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Van Kappen (VVD), Koffeman (PvdD), Strik (GL), De Vries-Leggedoor (CDA), Flierman (CDA), Knip (VVD), Barth (PvdA), De Graaf (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Bikker (CU), Van Hattem (PVV), Köhler (SP), Lintmeijer (GL), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Verheijen (PvdA), Vreeman (PvdA), Van Weerdenburg (PVV).

X Noot
2

Kamerstukken I 2015/16, 32 467, H.

X Noot
3

Kamerstukken I 2015/16, 32 467, H.