32 452 EU-voorstel Richtlijn seizoenarbeiders COM(2010)379

D/ nr. 9 BRIEF VAN DE VICE-PRESIDENT VAN DE EUROPESE COMMISSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal1

Brussel, 21 januari 2011

De Commissie dankt de Nederlandse Tweede Kamer voor haar advies (kamerstuk 32 452, nr. 5) over een voorstel voor een richtlijn betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op seizoenarbeid (COM(2010)379). Zij heeft in het bijzonder kennis genomen van de standpunten die daarin werden verwoord over de conformiteit van het voorstel met het subsidiariteitsbeginsel.

De goede werking van de Europese Unie vereist actieve deelname van alle betrokken partijen, met inbegrip van de nationale parlementen en derhalve is de Commissie verheugd dat de Nationale parlementen de nieuwe taak en verantwoordelijkheden opnemen, die het Verdrag van Lissabon hun heeft toegekend.

De Commissie waardeert de interesse van veel nationale parlementen in het bovengenoemde voorstel en stelt vast dat de verschillende kamers een groot aantal uiteenlopende adviezen hebben uitgebracht, zowel over de subsidiariteit als over de inhoud van het voorstel.

Uit de eerste gedachtewisseling in de Raad is gebleken dat het voorstel in het algemeen wordt gesteund, waarbij het belang van de Europese toegevoegde waarde wordt onderstreept alsook de behoefte om blijk te geven van flexibiliteit en om rekening te houden met specifieke nationale situaties.

Sommige lidstaten stelden meer problematische kwesties in verband met de richtlijn over seizoenarbeiders aan de orde, zoals de subsidiariteit en de gelijke behandeling met EU-onderdanen op het gebied van sociale zekerheid.

In het Europees Parlement kon het voorstel tot dusver op grote steun rekenen van de meeste partijen.

De in Protocol 2 bij het Verdrag vermelde drempels werden niet bereikt binnen de termijn van 8 weken. Niettemin heeft de Commissie uiteraard, in het kader van haar politieke dialoog met de nationale parlementen, alle adviezen die zij van 17 kamers heeft ontvangen, zorgvuldig behandeld en kennis genomen van de daarin geformuleerde opmerkingen.

In de bijlage bij deze brief vindt u een reeks antwoorden op de belangrijkste opmerkingen uit de adviezen van de nationale parlementen aan de Commissie, die met de subsidiariteitsvraag verband houden. Wanneer bepaalde kamers specifiekere opmerkingen over de inhoud van het voorstel hebben geformuleerd, beantwoordt de Commissie deze afzonderlijk. Zoals gebruikelijk zullen alle antwoorden op de Europa-website van de Commissie worden gepubliceerd.

De Commissie hoopt dat deze verduidelijkingen een bevredigend antwoord vormen op de door de Nederlandse Tweede Kamer geuite bezorgdheid.

Ik kijk ernaar uit om onze politieke dialoog verder te ontwikkelen.

De vice-president van de Europese Commissie,

Maroš Šefčovič

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE OP DE IN VERBAND MET SUBSIDIARITEIT VAN DE NATIONALE PARLEMENTEN ONTVANGEN ADVIEZEN OVER HET VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN BETREFFENDE DE VOORWAARDEN VOOR TOEGANG EN VERBLIJF VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN MET HET OOG OP SEIZOENARBEID (COM(2010)379)

I. Beleidsachtergrond

Alvorens de aan de orde gestelde specifieke kwesties te behandelen, moet het voorstel geplaatst worden in de bredere context van de EU-maatregelen om een integraal immigratiebeleid te ontwikkelen.

Sinds de Europese Raad van Tampere van 1999 heeft de Europese Unie getracht om op basis van haar nieuwe bevoegdheden krachtens het Verdrag van Amsterdam, een integraal immigratiebeleid te ontwikkelen waarin alle aspecten van het fenomeen aan bod komen, te weten legale en illegale immigratie, visum- en grensbeleid, samenwerking met de landen van herkomst van immigranten en de eerlijke behandeling van onderdanen van derde landen.

In 2001 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een richtlijn betreffende de voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op arbeid in loondienst en economische activiteiten als zelfstandige.2 Hoewel de overige Europese instellingen positieve adviezen gaven3, bleef het in de Raad bij een eerste lezing en werd het voorstel in 2006 officieel ingetrokken4.

In het Haags programma van 2005 werd het belang van legale migratie voor het bevorderen van de economische ontwikkeling in de Europese Unie andermaal bevestigd en werd de Commissie verzocht een beleidsplan over legale migratie in te dienen, «waarin toelatingsprocedures zijn opgenomen waarmee snel kan worden ingespeeld op wisselingen in de vraag naar arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt»5. De mededeling van de Commissie van 2005 Beleidsplan legale migratie6 stelde de goedkeuring van vijf wetgevingsvoorstellen over arbeidsmigratie in het vooruitzicht, onder meer over de voorwaarden voor toegang en verblijf van seizoenarbeiders. Het Europees pact inzake immigratie en asiel van 20097 gaf uiting aan het vaste voornemen van de Europese Unie en haar lidstaten om een eerlijk, doeltreffend en samenhangend beleid te voeren ten aanzien van de problemen en kansen die uit migratie voortvloeien. Tenslotte hebben de Commissie en de Raad in het programma van Stockholm van 2009 – onderschreven door alle lidstaten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders via de Europese Raad – nog eens bevestigd dat zij het beleidsplan legale migratie zouden uitvoeren; daarin wordt aangedrongen op de ontwikkeling van een toekomstgericht en alomvattend Europees migratiebeleid, gebaseerd op solidariteit en verantwoordelijkheid. Het actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm stelde de goedkeuring van het voorstel over seizoenarbeiders in 2010 in het vooruitzicht8.

II. Algemene opmerkingen over het voorstel

A. Migratiestromen

De Commissie wil er nogmaals op wijzen dat met een gemeenschappelijke EU-regeling over seizoenarbeiders de voorgestelde minimumharmonisatie een vergelijkbaar wettelijke kader in de hele Europese Unie oplevert. Als gevolg daarvan zouden de lidstaten alle even aantrekkelijk zijn en zouden de migratiestromen in de hele Europese Unie derhalve niet scheefgroeien door eventuele verschillen tussen de regels van de lidstaten.

De Commissie erkent dat de lidstaten overeenkomstig artikel 79, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepalen hoeveel economische migranten tot hun grondgebied worden toegelaten. Dit beginsel doet niettemin geenszins afbreuk aan de geldigheid van het argument over de vertekening van migratiestromen. Quota moeten namelijk worden beschouwd als slechts één element dat invloed heeft op de migratiestromen.

Een ander, even belangrijk aspect is de aantrekkelijkheid van de nationale regelingen. Zoals hierboven uiteengezet zal de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader voor de Europese Unie er naar verwachting voor zorgen dat de migratiestromen niet scheefgroeien door de uiteenlopende aantrekkelijkheid van de voorgestelde regelingen.

B. Schengenregels

De Commissie concludeert nogmaals dat het Schengengebied zonder binnengrenzen gemeenschappelijke minimumvoorschriften vereist om het risico te verkleinen dat seizoenarbeiders te lang blijven of illegaal de EU binnenkomen, wat een gevolg kan zijn van lakse en uiteenlopende regels inzake de toelating van seizoenarbeiders.

C. Bescherming van werknemers/voorkomen van sociale dumping

Het vaststellen van gemeenschappelijke EU-voorschriften is essentieel om ervoor te zorgen dat seizoenarbeiders uit derde landen in de hele Europese Unie sociaaleconomische rechten hebben die zo dicht mogelijk aanleunen bij die welke aan EU-burgers zijn toegekend en juridisch afdwingbaar zijn. Dit is cruciaal ter voorkoming van uitbuiting, niet-conforme arbeidsvoorwaarden en misbruik, die helaas in de Europese Unie zijn voorgekomen. Op die manier kan er ook voor worden gezorgd dat seizoenarbeiders uit derde landen niet in oneerlijke concurrentie treden met EU-burgers.

Voorts zij opgemerkt dat het voorstel op dat gebied minimumvoorschriften bevat. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, over gunstiger bepalingen, kunnen lidstaten bepalingen invoeren of handhaven die gunstiger zijn wat de rechten van seizoenarbeiders betreft.

D. Uiteenlopende arbeidsmarkt

De Commissie is het ermee eens dat de vraag naar seizoenarbeiders uit derde landen van EU-lidstaat tot EU-lidstaat verschilt. Dit wordt duidelijk aangegeven in de effectbeoordeling9. In het voorstel wordt daarmee rekening gehouden alsook met andere verschillen op de arbeidsmarkt van de lidstaten en is een aantal bepalingen opgenomen die het de lidstaten mogelijk moeten maken om in te spelen op hun specifieke nationale situaties. Zoals bepaald in artikel 79, lid. 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en herhaald in artikel 6, lid 3van het voorstel kunnen de lidstaten met name bepalen hoeveel seizoenarbeiders zij toelaten. Overeenkomstig artikel 6, lid 2, en overweging 14, kunnen de lidstaten een arbeidsmarkttoets uitvoeren en de economische sectoren aanwijzen die onder seizoenarbeid vallen, zoals gedefinieerd in artikel 3, onder c), van het voorstel.

E. Samenwerking met derde landen en circulaire migratie

De Commissie herhaalt haar standpunt dat geharmoniseerde regels over migratie de samenwerking van de Europese Unie met derde landen zullen vergemakkelijken. Er is een onbetwistbaar verband tussen migratie en ontwikkeling10. Door sommige derde landen wordt reeds lang uitgekeken naar een gemeenschappelijke wettelijke regeling op EU-niveau over seizoenarbeiders uit derde landen, die ook wordt beschouwd als een belangrijk element van het migratiebeleid van de Europese Unie dat belangrijke gevolgen kan hebben voor het ontwikkelingsbeleid11. Derhalve mogen de toekomstige voordelen van het voorstel op het gebied van ontwikkelingssamenwerking niet worden onderschat.

Als antwoord op de door sommige nationale parlementen over het concept van circulaire migratie geuite twijfels, wenst de Commissie er nogmaals op te wijzen dat circulaire migratie legale migratie en mobiliteit bevordert en daardoor niet alleen goed is voor de sociaaleconomische ontwikkeling van landen van herkomst en bestemming, maar waarschijnlijk ook illegale migratie zal voorkomen door legale migratiemogelijkheden te creëren12. Voorts wordt vaak aangevoerd dat circulaire migratie mede kan leiden tot de zogenaamde «triple win»-situatie, namelijk: het land van bestemming kan aan de behoeften van» zijn arbeidsmarkt voldoen, migranten uit derde landen brengen bij terugkeer naar hun landen van oorsprong deskundigheid, kennis en middelen mee, die op hun beurt hun landen van herkomst ten goede komen13.

III. Specifieke bepalingen

A. Rechtsgrondslag (inleidende bepalingen en artikel 1)

Het voorstel heeft hoofdzakelijk betrekking op de voorwaarden voor toegang en verblijf en op de rechten van onderdanen van derde landen die wettig in een lidstaat verblijven. Bijgevolg is de correcte rechtsgrondslag artikel 79, lid 2, onder a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Bovendien zij daaraan toegevoegd dat artikel 63, leden 3 en 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de voorganger van artikel 79, lid 2, onder a) en b), als rechtsgrondslag werd gebruikt voor de vaststelling van de andere wetgevingsinstrumenten op het gebied van legale migratie14.

B. Verplichting om de bezoldiging en het aantal werkuren te specificeren (artikel 5)

Artikel 5, lid 1, onder a), vermeldt als voor de toelating noodzakelijke bewijsstukken onder meer een geldig arbeidscontract of een bindend werkaanbod waarin de bezoldiging en het aantal werkuren worden genoemd. De Commissie vindt het essentieel ervoor te zorgen dat onderdanen van derde landen een passende vergoeding krijgen en een redelijk aantal uren werken. Dit is niet alleen belangrijk om eventueel misbruik van onderdanen van derde landen te voorkomen maar ook om ervoor te zorgen dat, zoals vastgesteld in artikel 5 lid 2 seizoenarbeiders gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan beschikken om zichzelf te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het bijstandsstelsel van de gastlidstaat.

C. EU-preferentie (artikel 6, lid 2)

De Commissie wenst te beklemtonen dat het voorstel in overeenstemming is met het beginsel van EU-preferentie, zoals neergelegd in de toetredingsakten van 2003 en 2005. Overweging 7 van het voorstel bepaalt dat de richtlijn het beginsel van EU-preferentie op het vlak van toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaten, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de toetredingsakten, onverlet dient te laten. Dit wordt ook bevestigd door artikel 7, lid 2, betreffende de weigeringsgronden, dat bepaalt dat de lidstaten kunnen nagaan of de betrokken vacature niet kon worden vervuld door eigen of EU-onderdanen, of door onderdanen van derde landen die legaal in de lidstaat verblijven en reeds deel uitmaken van hun arbeidsmarkt.

D. Verblijfs- en werkvergunning voor een verblijf van minder dan 3 maanden (artikel 10)

De Commissie wenst te verduidelijken dat het voorstel de lidstaten niet verbiedt om werkvergunningen af te geven voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. Het voorstel bevat weliswaar verplichtingen om aan seizoenarbeiders verblijfsvergunningen af te geven voor een verblijf van meer dan drie maanden, maar dat betekent niet dat de lidstaten geen vergunningen meer mogen afgeven voor een korter verblijf. Hierover beslissen de lidstaten.

E. Duur van het verblijf (artikel11, lid 1)

Wat de duur van het verblijf betreft, heeft de Commissie zorgvuldig mogelijke opties overwogen. Zij heeft het bestaande wetgevingskader in de lidstaten onderzocht en vastgesteld dat er, hoewel de termijn in de meeste lidstaten tussen drie en zes maanden bedraagt, ook lidstaten zijn waar het verblijflanger is en tot 12 maanden duurt15. Rekening houdend met het feit dat de richtlijn onder meer als doel heeft de werkgevers te helpen in hun behoefte aan seizoenarbeiders te voorzien en er tegelijk voor te zorgen dat banen van een jaar niet worden ingevuld met seizoenarbeiders uit derde landen, heeft de Commissie een termijn van zes maanden voorgesteld.

F. Mogelijkheid om van werkgever te veranderen (artikel 11, lid 2)

De mogelijkheid voor seizoenarbeiders uit derde landen om van werkgever te veranderen is een ander belangrijk mechanisme dat ervoor zorgt dat deze kwetsbare groep werknemers wordt beschermd. Het is van groot belang dat seizoenarbeiders niet gebonden zijn aan hun werkgevers. Er zij echter onderstreept dat het veranderen van werkgever en het sluiten van een nieuw contract alleen binnen de vastgestelde maximale termijn van zes maanden zijn toegestaan.

G. Meerseizoenenvergunning (artikel 12)

Meerseizoenenvergunningen worden beschouwd als een nuttig instrument om ervoor te zorgen dat seizoenarbeiders uit derde landen uitzicht hebben op werk in de lidstaat voor langere tijd dan een enkel seizoen – dit systeem zal naar verwachting voorkomen dat seizoenarbeiders langer blijven dan is toegestaan. Daardoor krijgen werkgevers de gelegenheid om een beroep te doen op een min of meer vaste groep van reeds ingewerkte arbeidskrachten16. Er zij echter beklemtoond dat de lidstaten een zekere manoeuvreerruimte behouden. Elke lidstaat kan er namelijk voor kiezen vergunningen voor meerdere seizoenen af te geven dan wel een versoepelde procedure toe te passen voor onderdanen van derde landen die in een volgend jaar opnieuw willen worden toegelaten.

H. Huisvesting (artikel 14, lid 1)

De verplichting om het bewijs te leveren dat de seizoenarbeiders op passende wijze worden gehuisvest, is nog een belangrijk onderdeel van het voorstel om ervoor te zorgen dat migrerende werknemers niet worden misbruikt. Niettemin moet erop worden gewezen dat de betrokken bepaling geen buitensporige last op de werkgevers legt omdat huisvesting ofwel door de werkgever ofwel door een derde partij kan worden aangeboden en dat van de seizoenarbeiders huur mag worden gevraagd.

I. Sociale zekerheid (artikel 16, lid 2, en overweging 22)

Met betrekking tot de bezorgdheid dat aan seizoenarbeiders uit derde landen ruimere rechten worden toegekend dan aan burgers van de Unie op het gebied van de sociale zekerheid, moet worden beklemtoond dat het voorstel deze mogelijkheid uitsluit. Overweging 22 bepaalt immers dat seizoenarbeiders uit derde landen gelijkwaardig moeten worden behandeld met betrekking tot de takken van sociale zekerheid die zijn opgesomd in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Deze richtlijn mag aan de betrokkenen niet meer rechten toekennen dan die waarin de bestaande EU-wetgeving op het gebied van sociale zekerheid al voorziet voor onderdanen van derde landen die grensoverschrijdende belangen hebben in verschillende lidstaten. Voorts mag deze richtlijn geen rechten verlenen met betrekking tot situaties die buiten de werkingssfeer van de EU-wetgeving vallen, zoals bijvoorbeeld gezinsleden die in een derde land verblijven. Dit doet geen afbreuk aan de niet-discriminerende toepassing door de lidstaten van nationale wetgeving die voorziet in de-minimisregels voor de bijdragen aan het pensioenstelsel.

IV. Andere opmerkingen

A. Mogelijkheid om in een andere lidstaat te werken

Wat de verblijfsduur betreft, is het voorstel duidelijk: een seizoenarbeider uit een derde land mag in elk kalenderjaar maximaal zes maanden in de Unie verblijven, waarna hij of zij naar een derde land moet terugkeren (artikel 11 juncto artikel 3, onder b), van het voorstel). Met andere woorden: de termijn van zes maanden is per lidstaat vastgesteld en niet voor de Europese Unie als geheel. Daaruit volgt dat het voorstel niet wil beletten dat een onderdaan van een derde land in een tweede lidstaat seizoenarbeid zoekt aangezien een dergelijke regeling zowel voor de mogelijke werkgevers als voor werknemers onnodig beperkend zou zijn en, wat belangrijk is, voor de lidstaten een aanvullende last zou meebrengen.

B. Illegale tewerkstelling/verblijf

Met betrekking tot de geformuleerde bezwaren dat het voorstel illegale tewerkstelling en/of illegaal verblijf niet op afdoende wijze behandelt, moet worden herhaald dat het voorstel in de context van een breder migratiebeleidskader moet worden gezien. Deze aspecten worden geregeld door andere EU-instrumenten, te weten vooral Richtlijn 2009/52/EG tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en Richtlijn 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

Het voorstel behandelt echter indirect de kwesties van illegale werkstelling en/of verblijf. Door legale migratiemogelijkheden te creëren en een mechanisme in te stellen dat onderdanen van derde landen het vooruitzicht biedt om in het volgend seizoen legaal terug te keren, zou het voorstel even efficiënt kunnen blijken als strafmaatregelen bij de aanpak van illegale migratie. Het is namelijk belangrijk om meer legale werkgelegenheid te creëren voor migranten van derde landen en hen tegelijk de mogelijkheid te bieden om periodiek naar hun landen terug te keren en zo de banden met hun families en lokale gemeenschappen te onderhouden.

C. Aanvullende kosten

Hoewel de invoering van het voorgestelde juridisch kader in bepaalde lidstaten aanvullende administratieve en financiële lasten kan meebrengen (zie de gedetailleerde analyse in de effectbeoordeling, blz. 40–43), primeren de voordelen van de voorgestelde regeling over de mogelijke kosten.

D. Geen goede analyse van de subsidiariteitsvraag

De toelichting bij het voorstel voor de richtlijn bevat een onderdeel over het subsidiariteitsbeginsel op pagina’s 6 en 717. Voorts wordt in de effectbeoordeling bij het voorstel en de bijlagen het probleem gedefinieerd en worden de doelstellingen beschreven, de mogelijke beleidsopties geanalyseerd en de modaliteiten van het voorgestelde juridisch kader uitgewerkt, met inbegrip van de beoordeling van de verwachte kosten18. De Commissie is van oordeel dat de subsidiariteitsvraag naar behoren is onderzocht en dat het voorstel de subsidiariteitstoets doorstaat.

V. Slotopmerkingen

Concluderend is de Commissie van mening dat het voorstel voor een richtlijn betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op seizoenarbeid een belangrijk wetgevingsinitiatief is.

De Commissie heeft haar uiterste best gedaan om een evenwichtig voorstel in te dienen dat rekening houdt met de verschillende, soms uiteenlopende belangen van de belanghebbenden.

De Commissie is ervan overtuigd dat het Europees Parlement en de Raad beide een belangrijke inbreng zullen hebben die kan leiden tot een verdere verbetering van de tekst. Zij vertrouwt erop dat na de behandeling door de medewetgevers, op dit gebied gemeenschappelijke regels zullen worden vastgesteld.


XNoot
1

Een brief van gelijke strekking is door de vice-president van de Europese Commissie aangeboden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

XNoot
2

COM(2001) 386.

XNoot
3

Adviezen van het Europees Parlement van 12.2.2003 (A5–0010/2003), van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16.1.2002 (SOC/084, CES 28/2002) en van het Comité van de Regio’s van 13.3.2002 (CdR 386/2001).

XNoot
4

In dit verband wordt er nog eens aan herinnerd dat voor legale immigratie unanimiteit in de Raad en raadpleging van het Europees Parlement was vereist.

XNoot
5

COM(2005) 184 definitief.

XNoot
6

COM(2005) 669.

XNoot
7

ASIM 72,13440/08.

XNoot
8

COM(2010) 171 definitief.

XNoot
9

Werkdocument van de diensten van de Commissie, effectbeoordeling bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op seizoenarbeid, SEC(201O) 887, 9–10.

XNoot
10

Conclusies van de Raad over de samenhang in het ontwikkelingsbeleid (PCD), 2974ste zitting van de Raad Externe Betrekkingen, Brussel, 17 november 2009.

XNoot
11

Zie bijvoorbeeld de besprekingen in het kader van het partnerschap EU/Afrika op het gebied van migratie, mobiliteit en werkgelegenheid.

XNoot
12

Werkdocument van de diensten van de Commissie «Policy Coherence for Development Work Programme 2010–2013» bij de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s «EU-twaalfpuntenplan ter ondersteuning van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling», SEC(20l0) 421 definitief, 26.

XNoot
13

Zie bijvoorbeeld de besprekingen in het kader van de EU-ACS-dialoog over migratie en ontwikkeling.

XNoot
14

Zie bijvoorbeeld Richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen of Richtlijn 2009/501EG van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.

XNoot
15

Effectbeoordeling, zie voetnoot 1, blz. 4, 10–11.

XNoot
16

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – Migratie en ontwikkeling: een aantal concrete ideeën, Brussel, 1.9.2005 COM(2005) 390 definitief.

XNoot
17

Zie ook Effectbeoordeling, voetnoot 1. blz. 4, 15–16.

XNoot
18

Ibid., 33–43.

Naar boven