Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232418 nr. 16

32 418 Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte

Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 november 2011

Tijdens de plenaire behandeling op 12 april 2011 van het wetsvoorstel Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (32 418) zegde ik toe nader te onderzoeken of aanpassing van het Besluit buitengerechtelijke kosten (Stb. 2009, 268) tot de mogelijkheden behoort. Hierbij kom ik deze toezegging na.

Met uw Kamer is op 12 april jl. de nieuwe voorgestelde regeling voor buitengerechtelijke incassokosten besproken (Handelingen II 2010–2011, nr. 72, item 17). Het wetsvoorstel is vervolgens op 19 april jl. met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen. Het wetsvoorstel biedt een grondslag om de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van geldvorderingen tussen private partijen bij algemene maatregel van bestuur (amvb) te normeren. De vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt in de amvb procentueel berekend aan de hand van de hoofdsom van de vordering. Daarbij geldt dat het percentage lager wordt, naarmate de vordering groter wordt.

De berekening van de incassokosten voor vorderingen met een hoofdsom van ten hoogste € 25 000 geschiedt in de concept-amvb op de volgende wijze:

  • 15% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de eerste € 2 500 van de vordering;

  • 10% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 2 500 van de vordering;

  • 5% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 5 000 van de vordering;

  • 1% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 15 000 van de vordering.

De vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten bedraagt ten minste € 40.

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel heb ik toegezegd dat de begrenzing van de regeling tot vorderingen van ten hoogste € 25 000 kan vervallen. Bovenstaande regeling wordt daarom uitgebreid waardoor de incassokosten van geldvorderingen worden genormeerd ongeacht de hoogte van deze vorderingen. Er is schriftelijk geconsulteerd over de vraag hoe de berekening van incassokosten van vorderingen van meer dan € 25 000 eruit zou kunnen zien aan de hand van een concreet voorbeeld. De reacties op het voorstel waren wisselend en zullen worden verwerkt bij de aanpassing van het ontwerpbesluit voordat dit voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt gezonden. Verder wordt het ontwerpbesluit uitgebreid met een regeling waardoor de vergoeding voor incassokosten wordt verhoogd met een percentage dat gelijk is aan het btw-percentage voor ondernemers die een derde inschakelen voor het innen van hun vordering en de in rekening gebrachte btw niet kunnen verrekenen. Ook dit volgt uit een toezegging aan de Tweede Kamer. Ongewijzigd blijft dat bij vorderingen op consumenten er geen hogere incassokosten in rekening kunnen worden gebracht dan volgt uit de amvb. In andere gevallen kunnen hogere incassokosten worden overeengekomen.

Het Kamerlid Spekman van de PvdA heeft tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel gewezen op de discrepantie tussen het percentage dat voor de overheid geldt op basis van het Besluit buitengerechtelijke kosten om incassokosten te berekenen en de aflopende percentages die zullen gelden op basis van de nieuwe regeling voor de incassokosten bij geldvorderingen tussen private partijen. Ik heb aangegeven om te onderzoeken of in het Besluit buitengerechtelijke kosten de percentages uit de nieuwe regeling zullen worden overgenomen en uw Kamer daarover te informeren. Naar aanleiding van dit onderzoek meen ik dat de percentages uit de nieuwe regeling voor civiel recht niet zouden moeten worden overgenomen in het bestuursrecht.

Op grond van het Besluit buitengerechtelijke kosten (Stb. 2009, 268) is een bestuursorgaan dat de betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld door middel van een dwangbevel ten uitvoer legt, bevoegd om de buitengerechtelijke kosten die gepaard gaan met deze tenuitvoerlegging aan de schuldenaar in rekening te brengen. Aan het in rekening brengen van de buitengerechtelijke kosten stelt het Besluit echter twee voorwaarden:

  • 1. de in rekening gebrachte kosten moeten redelijk zijn, en

  • 2. zij mogen niet meer dan 15% bedragen van de te betalen geldsom.

Er is bij de totstandkoming van het Besluit buitengerechtelijke kosten in 2009 gekozen voor een specifieke bestuursrechtelijke regeling. De reden daarvoor hield verband met het feit dat de invordering van geldschulden tussen private partijen op enkele punten wezenlijk verschilt van de invordering van geldschulden door de overheid. Zo is het traject om bestuursrechtelijke geldschulden te incasseren dwingender voorgeschreven dan bij private partijen en kunnen bestuursorganen deels ook andere instrumenten inzetten bij de invordering (bijv. vereenvoudigd derdenbeslag). In de nieuwe civielrechtelijke regeling wordt slechts voorgeschreven dat er bij vorderingen op consumenten een aanmaning moet worden verstuurd voordat aanspraak op incassokosten kan worden gemaakt. Voor het overige wordt niet voorgeschreven welke incassohandelingen moeten worden verricht. Vastgelegd wordt welk bedrag aan incassokosten maximaal aan een schuldenaar in rekening mag worden gebracht wanneer deze zijn contractuele verplichting tot betaling van een geldsom niet is nagekomen. Welke incassohandelingen worden verricht en door wie – bijvoorbeeld door de schuldeiser zelf of door een derde zoals een incassobureau – wordt vrijgelaten. Hierdoor kan de schuldeiser zelf een zo effectief mogelijk incassotraject kiezen.

Bij het in rekening brengen van buitengerechtelijke kosten geldt in het bestuursrecht als uitgangspunt dat er niet meer in rekening wordt gebracht dan de reële kosten. Aangezien het incassotraject bij bestuursorganen in de regel gestandaardiseerd is, is een andere benadering vereist dan in het civiele recht wordt voorgesteld. Hierbij ligt het voor de hand om per incassostap (bijv. het verzenden van een aanmaning of het toepassen van verhaal met dwangbevel) te bekijken wat gemiddeld de reële kosten zijn en daaraan een redelijk tarief te koppelen. Doorgaans zal dit betekenen dat de door bestuursorganen te hanteren tarieven lager uitvallen dan in het civiele recht wordt voorgesteld. Zoals gezegd is de 15% van het Besluit buitengerechtelijke kosten slechts een maximum. Om deze redenen meen ik dat de normering voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten zoals voorgesteld voor civielrechtelijke vorderingen, niet geschikt is om te worden toegepast op bestuursrechtelijke geldschulden.

Met deze brief meen ik te hebben voldaan aan mijn toezegging over mogelijke aanpassing van het Besluit buitengerechtelijke kosten zoals gedaan tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel over buitengerechtelijke incassokosten op 12 april 2011.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten