Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032417 nr. 2

32 417 Kabinetsformatie 2010

Nr. 2 BRIEF VAN DE INFORMATEUR

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hierbij zend ik u, daartoe gemachtigd door Hare Majesteit de Koningin, afschrift van het eindverslag van mijn informatiewerkzaamheden.

Prof.dr. U. Rosenthal

AAN DE KONINGIN

Den Haag, 25 juni 2010

Majesteit,

Op 12 juni 2010 heeft U mij verzocht om, mede gelet op de moeilijke situatie waarin ons land verkeert, op korte termijn te verkennen welke mogelijkheden op basis van de verkiezingsuitslag aanwezig zijn voor de vorming van een kabinet dat mag rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal en daartoe als eerste te onderzoeken de mogelijkheid van een kabinet waarvan de grootste partij en de grootste winnaar deel uitmaken. Gaarne breng ik U hieronder verslag uit van het door mij verrichte onderzoek.

De moeilijke situatie waarin ons land verkeert blijkt uit de financieel-economische situatie, ook in Europees en internationaal verband, en de complexiteit van de verkiezingsuitslag die ik heb geduid als verpulvering van ons politieke landschap.

Over de actuele ontwikkelingen in de financieel-economische situatie heb ik informatie ingewonnen bij de directeur van het Centraal Planbureau, de president van De Nederlandsche Bank en de minister van Financiën. De voorzitter van de Eerste Kamer, de voorzitter van de Tweede Kamer en de vice-president van de Raad van State heb ik ontvangen voor een beschouwing over de verkiezingsuitslag en een duiding van de betekenis hiervan.

Ter uitvoering van de mij gegeven opdracht heb ik op maandag 14 juni de voorzitters van de fracties in de Tweede Kamer elk afzonderlijk ontvangen. In deze gesprekken heb ik hun aandacht gevraagd voor de moeilijke situatie waarin in ons land verkeert, in het bijzonder de financieel-economische situatie. Tevens heb ik de fractievoorzitters gevraagd of zij bereid zijn tot deelname aan een kabinet waarvan de grootste partij en de grootste winnaar deel uitmaken. Voorts heb ik hen gevraagd welke mogelijkheden zij op basis van de uitslag van de verkiezingen voor de Tweede Kamer aanwezig achten voor de vorming van een kabinet dat mag rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Hiertoe vestigde ik hun aandacht op de mogelijkheden voor de vorming van een stabiel parlementair meerderheidskabinet, bij voorkeur bestaande uit niet meer dan vier partijen.

In deze gesprekken is gebleken dat de voorzitters van alle fracties in de Tweede Kamer de analyse delen dat ons land in een moeilijke situatie verkeert, met name op financieel-economisch terrein. Tevens hebben verschillende fractievoorzitters gewezen op de complexiteit van de verkiezingsuitslag en de wenselijkheid van een stabiel kabinet.

De fractievoorzitters hebben zich elk uitgesproken over de vraag of zij al dan niet bereid zijn deel te nemen aan een meerderheidscoalitie die mede bestaat uit de VVD als grootste fractie in de Tweede Kamer en de PVV-fractie in de Tweede Kamer als grootste winnaar. De fractievoorzitters van VVD en PVV noemden een coalitie VVD-PVV-CDA als hun eerste respectievelijk enige voorkeur bij de vorming van meerderheidscoalities. De voorzitters van de overige fracties verklaarden dat zij deelname aan een coalitie VVD-PVV uitsloten of uiterst onwaarschijnlijk achten, met uitzondering van de voorzitter van de CDA-fractie. Hij verklaarde geen standpunt te kunnen innemen over deelname aan een coalitie VVD-PVV zolang tussen VVD en PVV geen overeenstemming was bereikt over de inhoud van hun samenwerking. De voorzitter van de PvdA-fractie sloot deelname aan een coalitie VVD-PVV uit. De voorzitter van de CU-fractie zag geen aanknopingspunten voor onderhandelingen van zijn fractie inzake deelname aan een coalitie VVD-PVV

De voorzitter van de SGP-fractie stelde vast dat deelname van zijn fractie aan een coalitie VVD-PVV-CDA getalsmatig onnodig en overigens niet aangewezen was, maar sloot deelname daaraan niet per definitie uit. Afspraken over enige vorm van steun aan een coalitie VVD-PVV-CDA sloot hij, anders dan de voorzitter van de CU-fractie, niet uit.

De voorzitter van de PvdD-fractie sloot zulke afspraken met haar fractie ook niet uit.

Voorts noemde een aantal fractievoorzitters in de gesprekken een of meer andere meerderheidscoalities die hun voorkeur zouden genieten indien een meerderheidscoalitie waarvan VVD en PVV uitmaken, niet mogelijk zou blijken. De voorzitters van de fracties van PvdA, CDA, D66, GL en PvdD spraken hierbij hun voorkeur uit voor onderzoek naar een coalitie VVD-PvdA-D66-GL. De voorzitter van de VVD-fractie beschouwde deze coalitie als zijn derde voorkeur vanwege programmatische verschillen tussen de vier betrokken partijen. De voorzitter van de SP-fractie achtte de genoemde coalitie mogelijk. De voorzitter van de SGP-fractie maakte bezwaar tegen onderzoek naar de coalitie VVD-PvdA-D66-GL.

Andere stabiele meerderheidscoalities die in de gesprekken de revue passeerden, waren de coalities VVD-PvdA-CDA en VVD-PvdA-CDA-D66-GL alsmede de coalitie PvdA-CDA-SP-GL. De coalitie VVD-PvdA-CDA genoot de tweede voorkeur van de voorzitter van de VVD-fractie. De voorzitters van de fracties van PvdA, SP, D66 en GL zagen bezwaren tegen een coalitie VVD-PvdA-CDA. De voorzitter van de SGP-fractie uitte twijfels over de haalbaarheid van een dergelijke coalitie. De coalitie VVD-PvdA-CDA-D66-GL is als optie genoemd door de voorzitter van de PvdA-fractie, zij het als alle andere mogelijkheden vergeefs zijn verkend. De voorzitter van de SP-fractie noemde de coalitie PvdA-CDA-SP-GL als mogelijkheid. Tot slot zag de voorzitter van de CU-fractie, gelet op de verkiezingsuitslag, geen reden in deze verkenning meerderheidscoalities of andere coalities te noemen waaraan zijn fractie zou kunnen deelnemen.

Op basis van mijn opdracht en de gevoerde gesprekken heb ik geconcludeerd als eerste de mogelijkheid te onderzoeken van een coalitie VVD-PVV-CDA. Hiertoe heb ik op maandag 14 juni bevorderd dat de voorzitters van de fracties van VVD en PVV overleg zouden voeren over samenwerking op basis van de inhoud van hun partijprogramma’s.

Dinsdag 15 juni heb ik achtereenvolgens de voorzitter van de VVD-fractie en de voorzitter van de PVV-fractie afzonderlijk voor een gesprek ontvangen. Beiden hebben daarin herhaald dat hun eerste respectievelijk enige voorkeur lag bij een coalitie VVD-PVV-CDA. De voorzitter van de VVD-fractie verklaarde voorts bereid te zijn tot onderhandelingen met de voorzitter van de PVV-fractie. De voorzitter van de PVV-fractie nam het standpunt in dat hij geen onderhandelingen met de voorzitter van de VVD-fractie wenste te voeren zonder deelname daaraan van de voorzitter van de CDA-fractie. Vervolgens heb ik de voorzitters van de fracties van VVD en PVV tezamen ontvangen. De voorzitter van de PVV-fractie bleef bij zijn ingenomen standpunt, zowel ten aanzien van een coalitie VVD-PVV-CDA als enige mogelijkheid als ook ten aanzien van de volgens hem noodzakelijke deelname van de voorzitter van de CDA-fractie aan de te voeren onderhandelingen. Bij het laatstgenoemde punt sloot de voorzitter van de VVD-fractie zich aan. De fractievoorzitters van VVD en PVV waren bereid de CDA-fractievoorzitter in de met hem te voeren onderhandelingen tegemoet te komen. Ik heb de fractievoorzitters van VVD en PVV toegezegd de fractievoorzitter van het CDA uit te nodigen en dit met hem te bespreken.

Woensdag 16 juni heb ik mij eerst laten informeren door de directeur van het Centraal Planbureau, de president van De Nederlandsche Bank en de minister van Financiën over de moeilijke financiële situatie. Aansluitend heb ik de voorzitter van de CDA-fractie ontvangen teneinde hem te informeren over de uitkomsten van het gesprek van dinsdag 15 juni met de fractievoorzitters van VVD en PVV gezamenlijk. Voorts heb ik hem verzocht mee te werken aan tweegesprekken met achtereenvolgens de voorzitter van de VVD-fractie en de voorzitter van de PVV-fractie. Hij toonde zich bereid mijn voorstel in beraad te nemen en mij vervolgens te informeren over de uitkomst daarvan.

Donderdag 17 juni heb ik allereerst de voorzitter van de CDA-fractie ontvangen om zijn reactie op mijn voorstel vast te stellen. De voorzitter van de CDA-fractie deelde mij mee dat hij na ampel beraad niet kon ingaan op mijn voorstel zolang VVD en PVV niet eerst gezamenlijk overeenstemming hadden bereikt over een concept-hoofdlijnenakkoord, op basis waarvan hij zou kunnen beoordelen of hij bereid zou zijn tot gemeenschappelijk overleg met de voorzitters van de fracties van VVD en PVV. De fractievoorzitter van de PVV hield vast aan zijn eerder ingenomen standpunt dat hij niet met de voorzitter van de VVD-fractie wilde onderhandelen zonder deelname daaraan van de voorzitter van de CDA-fractie. Op grond hiervan heb ik donderdagmiddag 17 juni de conclusie moeten trekken dat een meerderheidscoalitie VVD-PVV-CDA niet mogelijk is.

Gelet op mijn opdracht tot verkenning van mogelijkheden tot vorming van een kabinet dat mag rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal, heb ik mijn verkenning vervolgens gericht op andere stabiele meerderheidscoalities, in het bijzonder een coalitie VVD-PvdA-D66-GL en een coalitie VVD-PvdA-CDA. Hiertoe heb ik vrijdag 18 juni achtereenvolgens de voorzitters van de fracties van PvdA, CDA, D66, GL en VVD afzonderlijk ontvangen. In deze gesprekken bevestigden de voorzitters van de fracties van PvdA, D66 en GL hun eerste voorkeur voor een coalitie VVD-PvdA-D66-GL. De voorzitter van de VVD-fractie bevestigde dat deze coalitie niet zijn eerste voorkeur was op grond van programmatische verschillen. Hij noemde, gegeven de gebleken onmogelijkheid van een onderzoek naar een coalitie VVD-PVV-CDA, een coalitie VVD-PvdA-CDA als eerste voorkeur. De voorzitter van de CDA-fractie deelde mee dat hij zich zou aansluiten bij de keuze van de voorzitter van de VVD-fractie ten aanzien van de verkenning van mogelijke coalities waaraan de CDA-fractie kon deelnemen, behoudens zijn hierboven genoemde voorwaarde ten aanzien van een coalitie VVD-PVV-CDA. De voorzitter van de PvdA-fractie noemde een coalitie VVD-PvdA-CDA onwenselijk.Tegen een coalitie VVD-PvdA-CDA-D66-GL hadden de fractievoorzitters van PvdA, D66 en GL verschillende bezwaren waaronder het bezwaar dat een dergelijke coalitie een verlegenheidsoplossing zou zijn die voor hen pas aan de orde kon komen na een vergeefse verkenning van andere mogelijkheden.

Op grond van de gesprekken met de genoemde vijf fractievoorzitters heb ik de voorzitters van de fracties van VVD, PvdA, D66 en GL uitgenodigd voor een gezamenlijke bijeenkomst op maandag 21 juni als tussenstap teneinde te bezien of onderhandelen over een kabinet van VVD, PvdA, D66 en GL zin heeft. Op maandag 21 juni en dinsdag 22 juni hebben de voorzitters van de vier genoemde fracties onder mijn leiding besprekingen gevoerd. In deze besprekingen zijn verschillende punten van programmatische aard aan de orde gekomen. De fractievoorzitters van PvdA, D66 en GL zagen op dat moment, anders dan de voorzitter van de VVD-fractie, mogelijkheden voor het voeren van onderhandelingen.

Gelet op de inhoud van deze besprekingen heb ik dinsdagmiddag 22 juni geconstateerd dat onderhandelen over een kabinet van VVD, PvdA, D66 en GL thans geen zin heeft.

Hierna heb ik op woensdag 23 juni achtereenvolgens de voorzitters van de fracties van CDA, PvdA en VVD afzonderlijk ontvangen om te bezien of een kabinet van VVD, PvdA en CDA tot de mogelijkheden behoort. De voorzitter van de VVD-fractie sprak zijn voorkeur uit voor een coalitie VVD-PvdA-CDA maar sloot een coalitie van VVD-PvdA-CDA met deelname van de fracties van D66 en/of GL niet uit. De voorzitter van de PvdA-fractie achtte een coalitie VVD-PvdA-CDA onwenselijk en deelde in dit verband mee dat de PvdA niet zou deelnemen aan een kabinet zonder de fracties van D66 en GL. Hierna is vervolgens gesproken over de mogelijkheid van een kabinet VVD-PvdA-CDA-D66-GL. De voorzitter van de CDA-fractie gaf de voorkeur aan een coalitie VVD-PvdA-CDA maar achtte een coalitie VVD-PvdA-CDA-D66 denkbaar. Hij sloot een coalitie VVD-PvdA-CDA-D66-GL niet uit. De drie fractievoorzitters hebben in hun afzonderlijke gesprekken in dit verband geen coalities uitgesloten.

De voorzitter van de CDA-fractie heeft wederom zijn standpunt bevestigd met betrekking tot zijn eerdergenoemde voorwaarde inzake deelname aan een coalitie VVD-PVV. De voorzitter van de VVD-fractie heeft de constatering bevestigd dat onderhandelen over een coalitie VVD-PvdA-D66-GL thans geen zin heeft.

Op basis hiervan heb ik donderdag 24 juni de voorzitters van de fracties van GL en D66 ontvangen. Beiden rekenden coalities met VVD-PvdA-CDA waarvan zij mede deel uitmaken nadrukkelijk niet tot hun voorkeuren maar zij hebben dergelijke coalities evenmin uitgesloten. Zij achtten onderzoek naar deze coalities ontijdig en pas aangewezen na grondig onderzoek van andere meerderheidscoalities.

Een coalitie van PvdA-CDA-SP-GL, zoals genoemd door de voorzitter van de SP-fractie, achtte de voorzitter van de PvdA-fractie in dit stadium niet aan de orde. De voorzitter van de CDA-fractie achtte de kans van slagen van deze optie zeer onwaarschijnlijk. De voorzitter van de GL-fractie vond een coalitie PvdA-CDA-SP-GL met het oog op de verkiezingsuitslag thans niet voor de hand liggen.

Gelet op het voorgaande kom ik na deze verkenning ter uitvoering van mijn opdracht tot de volgende bevindingen.

Uit het verrichte onderzoek heb ik de conclusie moeten trekken dat een parlementair meerderheidskabinet van VVD-PVV-CDA niet mogelijk is. In het kader van mijn verkenning heb ik voorts geconstateerd dat onderhandelen over een kabinet VVD-PvdA-D66-GL thans geen zin heeft. Een kabinet van VVD, PvdA en CDA – de voorkeur van de voorzitters van de fracties van VVD en CDA – werd door de voorzitter van de PvdA-fractie voor onwenselijk gehouden, maar door hem niet uitgesloten. Tot slot heb ik geconstateerd dat er onvoldoende steun bestaat voor een kabinet van PvdA-CDA-SP-GL.

Uit mijn verkenning is gebleken dat vijf partijen uit het brede midden (VVD, PvdA, CDA, D66 en GL) bereid zijn tot het dragen van regeringsverantwoordelijkheid en elkaar daarbij niet uitsluiten. Het ligt daarom in de rede deze mogelijkheden inhoudelijk te doen onderzoeken. Voor zulk een onderzoek houden de voorzitters van de fracties van VVD, PvdA, CDA, D66 en GL zich beschikbaar.

Met betrekking tot de wijze van onderzoek zijn de voorzitters van de vijf genoemde fracties van oordeel dat hiertoe de benoeming van een of twee informateurs is aangewezen.

Op grond van het voorgaande beveel ik u daarom aan een of twee vooraanstaande personen uit de kringen van VVD en PvdA te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van de spoedige totstandkoming van een kabinet uit het brede midden dat mag rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal.

Dit verslag besluit ik met U te danken voor het vertrouwen dat U in mij heeft gesteld en voor de gesprekken die ik met U mocht voeren om U over het verloop van de besprekingen in te lichten.

Met gevoelens van hoge achting,

Prof.dr. U. Rosenthal