32 415 (R 1915) Bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk (Rijksvisumwet)

Nr. 12 VERSLAG VAN DE STATEN VAN SINT MAARTEN

Vastgesteld 8 maart 2012

De bespreking van de onderhavige voorstel van rijkswet heeft dezerzijds aanleiding gegeven tot het maken van de navolgende op- en aanmerkingen.

De in de Staten van Sint Maarten aanwezige fracties stellen dat na 10-10-10 de Staten van het nieuwe land Sint Maarten het voorstel van rijkswet nimmer officieel via vastgestelde procedures aan de Staten is aangeboden. Desondanks hebben de Staten van Sint Maarten het goed gevonden om hun inbreng te geven over het onderwerp.

Met belangstelling hebben de Staten kennisgenomen van de gewisselde stukken en kunnen naar aanleiding daarvan kort hun mening geven. Nederland beoogt met een Rijksvisumwet te komen tot eenvormigheid van het visumbeleid in Caribisch Nederland. De in de Rijkswet op te nemen bepalingen zijn niet van toepassing in Europees Nederland. Hiermee wordt al een eerste uitzondering gemaakt op de interpretatie van het begrip «Rijkswet». Nederland stelt voorts, zie memorie van toelichting bij het concept, dat het vraagstuk van het visumbeleid wordt aangemerkt als Koninkrijksaangelegenheid omdat het de Internationale positie van het Koninkrijk raakt of kan raken: «het visumbeleid is ook een Koninkrijksaangelegenheid omdat het de reismogelijkheden van vreemdelingen met een bestemming in het Koninkrijk beïnvloedt en het mede daarom de – alledaagse – betrekkingen met het buitenland betreft», aldus de opvatting van Nederland in het concept verwoord.

Daarnaast beoogt het concept de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland een bijzondere positie te willen geven, namelijk die van de eindverantwoordelijke Minister en dat de uitoefening van zijn bevoegdheden niet afhankelijk kan worden gesteld van de instemming van de andere landen van het Koninkrijk. Deze opvatting correspondeert niet met het feit dat toelating en uitzetting op nationaal niveau een bevoegdheid van de landen is. De vraag is dan ook wat bij een eventuele invoering van de voorgestelde Rijkswet feitelijk die bevoegdheid zal inhouden en in hoeverre dit correspondeert met de nieuwe staatkundige structuur.

Verder wordt de eis van eenvormigheid in het visumbeleid gesteld. Ook deze eis van eenvormigheid doet geen recht aan de nieuwe staatkundige structuur, de zelfstandige positie van de landen, en houdt onvoldoende rekening met de specifieke belangen en geografische ligging van de landen, met name in het Caribische gedeelte.

In het concept wordt voorts gesteld dat het visumbeleid een instrument is van het buitenlandsbeleid. De Staten zijn van mening dat het bij visumverstrekking in essentie gaat om toelating. Het beleid inzake toelating komt, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, aan de individuele landen toe. Het zijn de landen die op basis van hun economische, sociale en openbare orde situatie moeten beoordelen wie wel of niet wordt toegelaten.

De Staten kunnen zich vanwege de hiervoor genoemde reden niet vinden in de opvatting van Nederland. Daarnaast stelt het Statuut in artikel 24: «Overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties, welke Aruba, Curaçao of Sint Maarten raken, worden gelijktijdig met de overlegging aan de Staten-Generaal aan het vertegenwoordigende lichaam van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten voorgelegd. Het is dan onjuist te stellen, zie memorie van toelichting bij het concept, dat de landen kennis kunnen nemen van het buitenlandsbeleid uit de gedachtewisseling met de Tweede Kamer.

In de verslagen van Aruba en Curaçao respectievelijk en in het bijzonder in de inbreng van zowel de Arubaanse PDR-fractie als de Curaçaose MAN-fractie, zijn de knelpunten die de ongewijzigde goedkeuring van het voorstel van Rijksvisumwet met zich zullen meebrengen dusdanig geformuleerd dat zij ook de gevoelens van de Staten van Sint Maarten verwoorden. Met het oog hierop sluiten de Staten van Sint Maarten zich aan hetgeen door deze twee fracties in hun respectievelijke verslagen hebben opgenomen.

Dit verslag geldt als Eindverslag.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Centrale Commissie van de 8ste maart 2012.

De Rapporteur, G. R. Arrindell

Naar boven