Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132415-(R1915) nr. 10

32 415 (R1915) Bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk (Rijksvisumwet)

Nr. 10 VERSLAG VAN DE STATEN VAN CURAÇAO

Vastgesteld 9 mei 2011

De Staten van de Nederlandse Antillen hebben goede nota genomen van het on-derhavig voorstel van Rijkswet. Er is extensief overleg plaats gevonden in de vaste Commissie Rijksaangelegenheden en Interparlementaire Relaties van de Staten. Echter kunnen de Staten zich niet geheel vinden in het voorstel van Rijkswet zoals dat ter tafel ligt en wensen dan ook de volgende vragen te stellen.

De PAR-fractie kan zich niet vinden in de opvatting van de Koninkrijksregering dat de statutaire grondslag van het wetsontwerp Rijksvisumwet alleen gebaseerd moet zijn op artikel 3, eerste lid, onderdeel b en g van het Statuut voor het Koninkrijk. Het visumbeleid als instrument van buitenlands beleid (koninkrijksaangelegenheid) moet onderscheiden worden van visumbeleid als instrument van toegangs- en toelatingsbeleid (landsaangelegenheid). De directe aanleiding voor de invoering van de visumplicht in de toenmalige Nederlandse Antillen was het tegengaan van illegaal verblijf in het land. Immers de visumprocedure omvat naast een toets van het beleid inzake buitenlandse betrekkingen, mede een beoordeling aan de hand van de toegangscriteria: voldoende middelen van bestaan, geen gevaar voor de openbare rust, openbare orde en nationale veiligheid. Heden ten dage is de visumverlening in hoofdzaak een instrument van toegangs- en toelatingsbeleid en in ondergeschikte mate een instrument van buitenlands beleid. Gezien het vorenstaande is de PAR-fractie van mening dat de hoofdlijnen van het visumbeleid in beginsel dienen te worden gebaseerd op artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk en de bepalingen die te maken hebben met buitenlandse betrekkingen op artikel 3, eerste lid, onder b, van meergenoemd Statuut.

Kan de Koninkrijksregering specifieker motiveren waarom zij artikel 3, eerste lid, onder g van het Statuut voor het Koninkrijk mede als wettelijke grondslag voor het meegezonden voorstel van rijkswet wenst te hanteren? De eenvormigheid op het gebied van visumbeleid is te summier onderbouwd. In de afgelopen jaren is binnen het Koninkrijk ten aanzien van visumverlening een vergaande visumharmonisatie bereikt waardoor voldoende waarborgen voor eenvormigheid is bereikt. Waarom wordt van het vroegere beleid van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken afgestapt, waarbij voor lichtere instrumenten dan rijks-wetgeving werd gekozen voor het regelen van het visumbeleid? Indien aantoonbare behoefte is aan meer eenvormigheid dan kan dit via een onderlinge regeling conform artikel 38 van het Statuut geregeld worden.

Volgens de PAR-fractie moet artikel 4 alleen de feitelijke mandatering van het behandelen van visumaanvragen, namens de autoriteiten, te regelen. Zoals het thans is geformuleerd in de tweede volzin wordt niet alleen de mandatering geregeld, maar tevens het geven van aanwijzingen tijdens de werkelijke uitvoering van het mandaat. Acht de Koninkrijksregering het niet raadzaam om de tweede volzin te schrappen?

Ingevolge artikel 5, tweede lid onder c moet vrijstelling van visum-plicht geregeld worden via een regeling van Onze minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de bevoegde autoriteit aangeduide categorie. Waarom kan de huidige praktijk niet worden voortgezet, waarbij de Minister van Justitie van het land vrijstelling geeft aan de hand van een ministeriele beschikking? De vrijstelling wordt geacht van toegevoegde waarde te zijn voor het land waarvoor het wordt uitgegeven.

Indien naar het oordeel van Onze Minister van Buitenlandse Zaken en de bevoegde autoriteiten ten aanzien van een aangelegenheid sprake is van ernstige bezwaren voor onder andere de doelmatigheid van de uitvoering of de belangen van de landen dan kan het geschilpunt voorgelegd worden aan de raad van ministers van het Koninkrijk ingevolge artikel 15 tweede lid van het Statuut voor het Koninkrijk. De PAR-fractie kan hiermede niet instemmen en stelt voor dit via artikel 38 van het Statuut voor het Koninkrijk bij onderlinge regeling te regelen.

De MAN-fractie acht de door de Nederlandse regering ingezette trend om landsaangelegenheden te verheffen tot Rijksaangelegenheden, zoals zich dat wederom met het onderhavige ontwerp rijksvisumwet manifesteert, onaanvaardbaar. Dit laatste zeker in het licht van de verdere vormgeving van de emancipatie van de Curaçaose bevolking. Volharding in deze trend van de zijde van de Nederlandse regering impliceert bovendien een verdere uitholling van de reeds te noemen quasi-autonome status van Curaçao als land binnen het koninkrijk. De MAN vraagt zich tevens af in hoeverre de op stapel staande discussie inzake minimaliseren van het democratisch deficit in het Koninkrijk zich met deze trend verhoudt en of deze discussie überhaupt nog zin heeft, indien essentiële autonome bevoegdheden van Curaçao, stuk voor stuk getild worden naar rijksniveau, en dus buiten de invloedssfeer van het democratisch gekozen bestuur en volksvertegenwoordiging van de landen worden gezet.

Zoals algemeen bekend is het huidige visumbeleid steeds een lokaal beleid geweest, gestoeld op de lokale behoeften, waaronder o.a. de bevordering van het toerisme. Het toerisme is een belangrijke peiler van de Curaçaose economie en deze kan niet afhankelijk worden gesteld van de centralistische behoeftes van de laatste jaren om eigen landsaangelegenheden zoveel mogelijk op Rijksiveau te regelen.

Hier zij opgemerkt dat het regelen van een landszaak in een Rijkswet, met gebruikmaking van een verkeerde interpretatie van artikel 3 eerste lid onder letter g, van het Statuut, zoals in dit ontwerp wordt beoogd, een kwalijke zaak is, en in essentie in strijd is met het Statuut. Maar ook het regelen van een landszaak in een Rijkswet op grond van artikel 38 (zgn. Consensus Rijkswet) behoort bij hoge uitzondering plaats te vinden. Immers een Consensus Rijkswet is qua werking een gewone Rijkswet. In het handboek Van Helsdingen waar het Statuut en de wordingsgeschiedenis van het Statuut uitentreuren wordt behandeld1, wordt prof. Logemann op dit punt geciteerd2, waar hij stelt dat … (eenmaal geregeld bij Rijkswet) er geen sprake meer is van een landsaangelegenheid, doch van een «verschanste rijksaangelegenheid», omdat de mogelijkheid niet is voorbehouden om van de regeling af te komen. De beëindiging wordt immers medeafhankelijk gesteld van de goedkeuring van de Nederlandse Tweede Kamer, waarmee een zelfstandige autonome keuze van Curaçao tot beëindiging prompt komt te vervallen. Gecombineerd met en gekoppeld aan de huidige context van het democratische deficit in het Koninkrijk, is de conclusie daar dat er geen sprake is van een reële beëindigingsmogelijkheid.

In dit kader is de MAN bovendien tegen vastlegging van deze landstaak in een Consensusrijkswet op grond van artikel 38, lid 2 van het Statuut. Landszaken horen thuis in lokale landsverordeningen en daar waar samenwerking evident en/of gewenst is, biedt het Statuut reeds mogelijkheden daartoe in de vorm van onderlinge regelingen op grond van artikel 38 lid 1, die de autonome landsaangelegenheden en daarbij behorende bevoegdheden intact laten. De vrijwilligheid als grondslag voor deze onderlinge samenwerkingsvorm, stelt in tegenstelling tot hetgeen beweerd wordt, juist een verdergaande aanspraak op solidariteit en wederzijds vertrouwen in de samenwerking zowel binnen het koninkrijk als daarbuiten, in vergelijking tot een gedwongen grondslag zoals dit zich materialiseert in een (consensus)rijkswetconstructie.

Vervolgens wenst de MAN-fractie in te gaan op de statutaire grondslag waarvan het onderhavig ontwerp uitgaat.

Artikel 3, eerste lid onder letter b van het Statuut bepaalt dat Buitenlandse Betrekkingen als een koninkrijksaangelegenheid moet worden aangemerkt, terwijl artikel 3, eerste lid onder letter g van het Statuut het stellen van algemene voorwaarden als koninkrijksaangelegenheid aanmerkt. Echter, het toelatingsbeleid t.a.v. vreemdelingen is voor het overgrote deel een landszaak, aldus de officiële toelichting op artikel 3 eerste lid onderdeel g van het Statuut. Volgens dezelfde toelichting kan op Koninkrijksniveau slechts regels worden gesteld omtrent de «vereisten» waaraan »vreemdelingen «in ieder geval» aan moeten voldoen om te mogen worden toegelaten, in verband met de internationale positie van het Koninkrijk. Hier kan worden gedacht aan bv. in het bezit zijn van een geldig paspoort.

In de toelichting wordt verder gesteld dat toelating vanwege de Rijksregering niet kan worden opgelegd.

Dat het toelatingsbeleid t.a.v. vreemdelingen een landszaak is blijkt uit het volgende. In artikel 4 van de (nieuwe) Staatsregeling van Curaçao is als grondrecht opgenomen dat de toelating en uitzetting van vreemdelingen bij landsverordening wordt geregeld.

Vervolgens wordt geconstateerd dat de toelating tot Curaçao volledig is geregeld in de Landsverordening Toelating en Uitzetting (LTU). (P.B. 1966, zoals gewijzigd) De toelating tot tijdelijk verblijf wordt o.a. op verzoek, bij vergunning verleend, afgegeven door of namens de Minister van Justitie. (art.7 LTU)3 Er kunnen voorwaarden worden gesteld betreffende o.a. de openbare orde, de publieke rust en veiligheid of de goede zeden. Ook Curaçao krijgt in toenemende mate te maken met grensoverschrijdende criminaliteit. Curaçao zal dan ook bij het uitstippelen van een eigen visumbeleid de juiste afwegingen moeten plegen en dient hiervoor niet per definitie haar autonome bevoegdheid in deze vrij te geven.

Ter bevordering van het toerisme kan van het vergunningvereiste worden afgeweken. (art.8 LTU) Kortom, een landszaak waarbij met de eigen landsbelangen rekening wordt gehouden (bv. toerisme).De bevordering van het toerisme als een van de belangrijke economische peilers is van essentieel belang voor het bestaan van Curaçao. Het toerisme is één van de belangrijke deviezengenerende economische activiteiten voor Curaçao. De toerist wil snel kunnen reizen en doet een andere bestemmingskeuze als er lange wachttijden zijn voor het verkrijgen van visa en andere belemmeringen worden opgeworpen om naar Curaçao als toerist te kunnen afreizen. Naast de Verenigde Staten en Nederland, zijn de landen in de regio ook belangrijk voor het Curaçaose toerisme. De betekenis van deze landen als toeristische bronnen zal per land verschillend zijn. Het is dan ook van belang dat elk land een eigen visumbeleid voert.

De toelating tot Curaçao wordt nader geregeld in het Toelatingsbesluit ter uitvoering van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1985, 57 zoals gewijzigd)4. Uit artikel 3–1b van het Toelatingsbesluit kan worden geconcludeerd dat Curaçao een categorie staatsburgers kan aanwijzen die visumplichtig is5. Deze «lijst» is maatwerk gericht op de openbare orde en nationale veiligheid, maar ook op het gewenste economisch beleid.

Zo is bij landsbesluit van de 15de februari 19916 de Dominicaanse Republiek als zodanig aangewezen. (zie ook blz. 4 van de Memorie van Toelichting op de concept-Rijksvisumwet). Dus wederom een bevestiging dat toelating een landszaak is. Een verdere uitwerking van de toelating vindt plaats in de zgn. Toelatingsbeschikking7 (P.B. no.2004, no. 92), alwaar de toelatingsvoorwaarden, documenten voor grensoverschrijding en waarborgsommen nader worden gespecificeerd. Kortom wederom een indicatie dat het toelatingsbeleid altijd een landszaak is geweest.

De Man-fractie komt tot de conclusie dat de toelating van vreemdelingen, oftewel het toelatingsbeleid, een landsaangelegenheid van Curaçao is. Buitenlandse betrekkingen, in de zin van de relatie met andere landen, het aangaan van internationale overeenkomsten zoals bilaterale en multilaterale verdragen is een koninkrijksaangelegenheid.

Landsaangelegenheden behoren in landsverordeningen te worden vastgelegd. (hier o.a. art.4 Staatsregeling Curaçao, de LTU, het toelatingsbesluit etc.)

De vastlegging van een landstaak in een consensus rijkswet op grond van artikel 38 van het Statuut, verdient geen aanbeveling. Landszaken horen thuis in lokale landsverordeningen. Concensus-Rijkswetten als onderlinge regeling moeten slechts bij hoge uitzondering worden gerealiseerd.

Toerisme is belangrijk voor de Curaçaose economie, maar de openbare orde en nationale veiligheid evenzeer. Bij het uitstippelen van een lokaal visumbeleid moeten de juiste afwegingen worden gepleegd, aldus de MAN-fractie.

Nu er bovendien geen koninkrijkbreed toetsingskader wordt beoogd, in die zin dat dezelfde criteria bij de visumverlening voor alle landen binnen het Koninkrijk worden toegepast, dit laatste is zelfs onmogelijk t.a.v. Nederland gezien de Europese regelgeving, is er geen reden voor een Rijkswet. Uitgaande van het voorgaande is de MAN-fractie zowel tegen vastlegging van deze landstaak Rijkswet op basis van artikel 3 van het Statuut, als in een Consensusrijkswet op grond van artikel 38, lid 2 van het Statuut.

De MAN-fractie behoudt zich in navolging van artikel 17, lid 2 van het Statuut het recht voor om in een latere fase en tijdens de behandeling van onderhavig ontwerp, haar standpunt in de hoedanigheid van bijzonder gedelegeerde, mondeling toe te lichten.

De M.F.K.- fractie wenst op de eerste plaats dat nagegaan wordt of het onderhavig ontwerp procedureel op de juiste, in het Statuut voorgeschreven wijze bij de Staten van Curaçao voor behandeling is aangeboden. Thans is bij de fractie alléén een e-mail bekend, waarin een wetgevingsjurist van de Tweede Kamer aan de fungerende griffier van de Staten van Curaçao om inlichtingen vraagt over het onderzoek van het voorstel. Hierna is het onderwerp geagendeerd voor de Commissie Rijksaangelegenheden en I.R. van de Staten. Vastgesteld kan worden dat het voorstel van Rijkswet eerder wel op de voorgeschreven wijze is aangeboden aan de Staten van de Nederlandse Antillen en wel bij Koninklijke Boodschap d.d. 15 juni 2010, door de Staten van de Nederlandse Antillen ontvangen op 1 juli 2010. Vervolgens werd vervolgstuk nr.5 (Verslag) op het voorstel op 1 oktober 2010 ontvangen door de Staten van de Nederlandse Antillen, terwijl vervolgstukken nrs. 6 en 7 respectievelijk op 17 februari 2011 en 1 maart 2011 werden ontvangen door de Staten van Curaçao.

De M.F.K.- fractie wijst er voorts op dat het voorstel van Rijkswet vóór de indiening bij de Staten van de Nederlandse Antillen door de Rijksministerraad is geaccordeerd. Welk standpunt heeft de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen bij de behandeling toentertijd in de Rijksministerraad aangenomen? Kan aan de Regering gevraagd worden om alle stukken betreffende de besluitvorming in de Rijksministerraad over dit ontwerp aan de Staten te zenden? Met name eventuele instructies die door de toenmalige regering aan de Gevolmachtigde Minister zijn gegeven en correspondentie over dit voorstel moeten ter kennisneming beschikbaar worden gesteld.

De M.F.K.- fractie zou willen vernemen of er overeenkomstig artikel 16 van het Statuut een termijn is bepaald waarbinnen schriftelijk verslag moet zijn uitgebracht over het ontwerp. Dit in verband met de behoefte die de fractie voelt om, zoals hieronder nader aangegeven, meer informatie van met name de toeristische en de freezone sectoren te verkrijgen over wensen en verwachtingen die bij hen bestaan over visaverlening aan en toelating van vreemdelingen uit specifieke landen voor en tot ons land. In dit verband merkt de M.F.K. – fractie op, dat het bestaan van een zgn. democratisch deficit in het Koninkrijk in de zin van het ontbreken van een adequate controle op de Koninkrijksregering zich ook hier laat voelen. Immers, indien dit deficit met geëigende maatregelen was weggenomen, dan had Curaçao op gepaste wijze de gewenste invloed kunnen uitoefenen.

Voor wat betreft de wettelijke grondslag voor de regeling van visaverlening voor Curaçao in een rijkswet merkt de fractie het volgende op.

In het ontwerp worden de artikelen 3 eerste lid, onderdelen b en g van het Statuut als grondslag opgevoerd voor de Rijksvisumwet. De M.F.K.- fractie is van oordeel dat dit berust op een onjuiste interpretatie van het Statuut. Zonder hier uitvoerig op deze kwestie in te gaan, wordt hier kortverwezen naar de wetsgeschiedenis vande totstandkoming van het Statuut en de toelichting daarop ter onderbouwing van dit oordeel. Ook kan gewezen worden op de praktijk van decennia, waarbij de nationale wetgever via de Landsverordening Toelating en Uitzetting van vreemdelingen en de bijbehorende uitvoeringsregelingen, een eigen, niet in een rijkswet verankerd visabeleid heeft gevoerd. Het oordeel van de fractie komt grotendeels overeen met dat van de Raad van Advies van de Nederlandse Antillen en strookt ook met het oordeel van de Raad van Advies van Aruba, terwijl deze opinie ook te vinden is in het Verslag van de Staten van Aruba.

Het verdient ook geen aanbeveling om in plaats van bovengenoemde onderdelen van artikel 3 van het Statuut, artikel 38 (consensusrijkswet) aan te wijzen als grondslag. Niet alleen zou hiermee onze autonomie onnodig verder worden uitgehold, maar ook is de weg terug naar landstaak indien een materie eenmaal is geregeld bij rijkswet een weg vol voetangels en klemmen.

De Rijkswetgever lijkt in het voorstel ook te aarzelen tussen visaverlening als landsbevoegdheid en als rijksbevoegdheid. Uit artikel 1 onderdelen e en f van het ontwerp kan worden afgeleid dat een minister van het land Curaçao de bevoegde autoriteit is voor visumverlening voor toegang tot Curaçao, dus landsbevoegdheid. Uit artikel 3 van het ontwerp volgt evenwel dat de minister van het land Curaçao bij de visaverlening het visumbeleid van de Koninkrijksminister van Buitenlandse Zaken in acht dient te nemen, dus rijksbevoegdheid.. En dat beleid van de Koninkrijksminister is volgens de toelichting op artikel 3 kenbaar uit onder andere de Memorie van Toelichting bij de Rijksbegroting en de (schriftelijke) gedachtewisseling tussen minister en Staten-Generaal e.d. Aldus blijft er weinig over van de bevoegdheid van de minister van het land Curaçao en moet hij bovendien beleid in acht nemen dat moeilijk kenbaar is en weinig vastigheid lijkt te vertonen. De vraag is gerechtvaardigd hoe een land bijvoorbeeld een eigen toeristisch beleid of een beleid m.b.t. bezoek aan belastingvrije zones op een dergelijk onzeker fundament kan voeren.

Het ontwerp voorziet in artikel 15, eerste lid in «regelmatig overleg»» tussen de minister van Buitenlandse Zaken en de autoriteiten van de landen, waarbij de belangen van de landen ín aanmerking worden genomen». Het is de vraag of deze voorziening afdoende is om de landen in staat te stellen hun belangen voor te staan en veilig te stellen. Ook de in artikel 15, tweede lid gegeven mogelijkheid om een geschilpunt aan de Koninkrijksministerraad voor te leggen, lijkt – gelet op de ervaringen in het verleden met dit instituut – niet voldoende om een adequate belangenbehartiging te waarborgen.

In het voorstel van Rijkswet wordt als grondmotief voor het voorstel gewezen op de wenselijkheid van harmonisatie en eenvormigheid van het visumbeleid. Er kan terecht op gewezen worden, dat in ieder geval geen harmonisatie zal bestaan tussen enerzijds Nederland en anderzijds de overige delen van het Koninkrijk. Immers, Nederland zal onderworpen blijven aan het door de EU bepaalde visa-regime, terwijl dit niet zal gelden voor de overige delen. Nederland is niet meer baas in eigen huis op dit terrein en lijkt thans een leidende en coördinerende rol op te eisen in andermans huis.

Voorts kan worden vastgesteld dat harmonisatie en eenvormigheid hier worden nagestreefd als doel op zichzelf, terwijl hiervoor in een koninkrijk, dat bestaat uit entiteiten die allen heel verschillende belangen hebben bij een visumbeleid, geen ruimte is of hoort te zijn. In Nederland speelt met name het tegengaan van (ongewenste) migratie een rol bij het visumbeleid. In Curaçao vervullen handel en toerisme een grote rol bij de economische ontwikkeling en daardoor kunnen te stringente voorwaarden en verkeerde prioriteiten heel directe schadelijke gevolgen hebben in economisch opzicht.

De M.F.K.-fractie behoudt zich, gelet op al het bovenstaande, het recht voor om , overeenkomstig artikel 17 van het Statuut, zo nodig haar standpunt toe te lichten bij de behandeling van het ontwerp in de Staten-Generaal.

Tenslotte: gegeven de conclusies van de M.F.K.-fractie voor wat betreft de aantasting van de autonomie van Curaçao door het voorliggend ontwerp, moet worden stilgestaan bij de erosie van deze autonomie die onder de vorige regeringen is ingezet. Wij moeten ernaar streven dat deze trend wordt omgebogen en dat er opnieuw sprake is van een volledige autonomie zoals beoogd in het laatst gehouden referendum.

De PS-fractie heeft kennis genomen van het voorstel van rijkswet inzake de bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk (Rijksvisumwet), de Memorie van Toelichting, het advies van de Raad van Advies van de voormalige Nederlandse Antillen, het advies van de Raad van Advies van Aruba, het verslag van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken vastgesteld 16 september 2010 en het advies van de Raad van State van het Koninkrijk en nader rapport en berichten u als volgt.

De staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk zijn gewijzigd, desalniettemin bevinden we ons nog steeds in het Koninkrijk. Hierdoor krijgen wij automatisch te maken met de Rijkswetten die voor het Koninkrijk gelden en zullen gelden, zonder dat wij enig inbreng in dergelijke rijkswetten zullen hebben.

In artikel 1 van de rijksvisumwet staat niet het koninkrijk aangegeven. Aangegeven staat Nederland, Openbare lichamen en de landen. Dit geeft de discrepanties in de machtsverhoudingen aan. Indien het Koninkrijk was aangegeven, zou Nederland ook als één van de landen van het Koninkrijk worden aangegeven.

Artikel 2 lid 1, geeft aan dat deze wet van toepassing is op de verlening van visa voor de toegang tot de landen en de openbare lichamen. Nederland valt voor de verlening van visa onder een andere regeling zoals in lid 2 is aangegeven.

De ministers van de betreffende landen beslissen over verlening van visa voor de betreffende landen. De minister dient echter wel het gevoerde beleid, begrepen het visumbeleid van de minister van Buitenlandse Zaken in acht te nemen, zoals in artikel 3 wordt aangegeven. Dit geeft nog een keer aan dat wij geen inbreng hebben in de rijkswetten en de invullingen ervan.

Artikel 4 geeft aan dat in overeenstemming met de minister van Buitenlandse Zaken aanwijzingen kunnen worden gegeven. Dit geeft tevens aan dat het uiteindelijk invulling van de rijkswet, enkel en alleen door de minister van Buitenlandse Zaken geschiedt.

Artikel 9 bepaald dat de bevoegde autoriteit op aanvraag van de vreemdeling een visum kan verlenen. Het derde lid geeft echter aan dat hieraan bij landsregeling, nadere regels kunnen worden gesteld. Dit impliceert dat de bevoegde autoriteit niet de volledige autoriteit heeft om op een aanvraag te beslissen. Hetzelfde geldt voor de toepassing van artikel 10.

De bevoegde autoriteit dient zelfs de zienswijze van minister van Buitenlandse Zaken in acht te nemen, zoals gesteld in artikel 13. Vervolgens wordt in artikel 15 aangegeven dat, indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, het geschilpunt aan de raad van ministers van het Koninkrijk wordt voorgelegd. Dit impliceert opnieuw dat wij geen inbreng hebben of invloed kunnen hebben op de invulling van de rijkswetten.

Wellicht ten overvloede delen wij u mede dat, gezien het advies van de raad van advies van de voormalige Nederlandse Antillen, de visumaanvraag een landsaangelegenheid betreft en geen koninkrijksaangelegenheid. De raad concludeert dat de visumverlening heden ten dage in hoofdzaak een instrument van toegangs- en toelatingsbeleid is (landsaangelegenheid) en in ondergeschikte mate een instrument van buitenlands beleid (koninkrijksaangelegenheid).

Tevens dient te worden opgemerkt dat inning van de kosten voor een visumaanvraag door de ambassades van het koninkrijk geschieden. Hierdoor vloeit alle financiële middelen die met een visumaanvraag gemoeid zijn in de kas van Nederland. De overige landen van het koninkrijk lopen het deel van de financiële middelen die nu in de kas van het betreffende land zouden vloeien, volledig mis.

Mede gelet op het vorenstaande zien wij deze rijkswet als koloniale maatregelen, die ons zeker niet ten goede zal komen. Bevoegdheden die ons land toekomen worden door deze rijkswet in handen van Nederland gelegd. Dit is onacceptabel en wij willen hierbij nog een keer benadrukken dat de enige mogelijkheid om van deze en andere koloniale rijkswetten te ontkomen is door te kiezen voor onafhankelijkheid.

De P.N.P.-fractie is van mening dat het onderhavig ontwerp Rijkswet zodanig geregeld moet worden opdat het geen belemmering vormt voor het vrije verkeer van personen en de handel in ons regio , vooral niet in het Caraïbische gebied. Er dient rekening worden gehouden met het toerisme en personen die zaken met ons doen.

Landen die zowel van economisch belang zijn als voor toerisme moeten uitgezonderd worden van elke vorm van visumplicht, als is het geval in de Europese Unie. Het zou voor ons ook mogelijk moeten zijn uitzonderingen op te nemen in het onderhavige ontwerp Visumrijkswet.

Tot slot wijst deze fractie op het ontbreken van volledige gelijkwaardige demo-cratische representatie tussen de partners in het Koninkrijk en hoopt dat het democratisch deficit in het Koninkrijk eens wordt weggenomen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Centrale Commissie van de 6de mei 2011.

De Rapporteur,

A. C. M. Thode


X Noot
1

Zie van Helsdingen blz. 468.

X Noot
2

N.J.B. van 18 februari 1956 (blz. 148–149).

X Noot
3

Opm: toelating kan ook van rechtswege.

X Noot
4

Lbham ter uitvoering van de artikelen 7 ld 6, 8 lid 1, 11 lid 1, 20 en 21 lid 1 van de landsverordening Toelating en Uitzetting.

X Noot
5

Aan vergunningen tot tijdelijk verblijf zijn de volgende voorwaarden verbonden: ... de betrokkene dient in het bezit te zijn van een geldig visum, indien hij behoort tot de categorie van visumplichtige staatsburgers van bij landsbesluit bepaaldelijk aangewezen landen.

X Noot
6

Zie P.B. 1991 no. 39.

X Noot
7

Ministeriele beschikking van de 7de december 2004, ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onderdeel 1, onder a en b, artikel 3, tweede en vierde lid, artikel 9, eerste en tweede lid, van het Toelatingsbesluit.