Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932411 nr. 9

32 411 Voorstel van wet van de leden Bergkamp, Özütok en Van der Hul houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van handicap en hetero- of homoseksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond

Nr. 9 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 2 augustus 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift wordt «hetero- of homoseksuele gerichtheid» vervangen door «seksuele gerichtheid».

B

In de beweegreden wordt «hetero- of homoseksuele gerichtheid» vervangen door «seksuele gerichtheid».

C

In artikel II wordt «hetero- of homoseksuele gerichtheid» vervangen door «seksuele gerichtheid».

Toelichting

Naar aanleiding van de motie Van Dijk c.s over de wenselijkheid van de voorgestelde aanpassing van de non-discriminatiegrond «hetero- of homoseksuele gerichtheid» in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) door de term «seksuele gerichtheid» heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) drie onderzoeken laten doen.1 Het ministerie heeft expliciet de onderzoekers gevraagd ook in te gaan op de vraag wat de term voor artikel 1 van de Grondwet zou moeten zijn.

Op 19 juni 2019 zijn de onderzoeken gepresenteerd. Per brief van 8 juli 2019 heeft de Minister van BZK de Kamer gemeld dat de Awgb gewijzigd zal worden.2 De term hetero- of homoseksuele gerichtheid zal worden veranderd naar «seksuele gerichtheid». Dit is conform de aanbevelingen van de onderzoekers. Over de vraag welke term gehanteerd zou moeten worden in de Grondwet zijn de onderzoekers ook unaniem. Ook daar, zelfs juist daar, geven zij de voorkeur aan de term «seksuele gerichtheid».

Enkele argumenten voor de herformulering zijn dat seksuele gerichtheid de term is die ook internationaal gehanteerd wordt door bijvoorbeeld de Human Rights Council van de Verenigde Naties en het Europese Parlement.3 De term sluit dus aan bij de internationaal gebruikelijke terminologie. Daarnaast is de term «seksuele gerichtheid» inclusiever. Van den Brink en Tigchelaar schrijven in dat verband in hun discussiepaper ook dat een ruimere, symmetrische, open term als seksuele gerichtheid meer ruimte biedt voor diversiteit.4 De formulering «hetero- of homoseksueel» lijkt toch een zekere binariteit te suggereren en een «mono»-seksuele gerichtheid.5 Hierdoor herkennen vooral lesbiennes en biseksuelen zich beter in de term «seksuele gerichtheid». Ook is de term seksuele gerichtheid meer consistent met de bestaande vijf gronden in artikel 1, die immers eveneens generiek zijn geformuleerd, dat wil zeggen zonder nadere preciseringen.6

Dit wetsvoorstel is bedoeld om de (her)kenbaarheid van de beschermwaardigheid van vooral homoseksuelen, lesbiennes en biseksuelen te vergroten. Nu uit diverse onderzoeken is gebleken dat dit doel beter wordt bereikt als de term «seksuele gerichtheid» wordt gehanteerd in wet- en regelgeving, hebben initiatiefnemers ervoor gekozen ook in dit wetsvoorstel deze term te gebruiken. Dit draagt ook bij aan de consistentie van wetgeving.

Bergkamp Özütok Van der Hul


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/2019, 34 650, nr. 11 – gewijzigde motie.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/2019, 34 650, nr. 13.

X Noot
3

Protection against violence and discrimination based on sexual orientation and gender identity, A/HRC/RES/32/2, United Nations Humans Rights Council.

Resolutie van het Europees parlement over de strijd tegen homofobie in Europa, 2012/2657(RSP).

X Noot
4

Van den Brink en Tigchelaar, Discussiepaper «Van bescherming van «hetero- en homoseksuele gerichtheid» naar «seksuele gerichtheid» in de Awgb en Grondwet, p.6. Dit discussiepaper is als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2018/2019, 34 650, nr. 13.

X Noot
5

Idem.

X Noot
6

Van den Brink en Tigchelaar, Discussiepaper «Van bescherming van «hetero- en homoseksuele gerichtheid» naar «seksuele gerichtheid» in de Awgb en Grondwet, o.a. p. 7. Dit discussiepaper is als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2018/2019, 34 650, nr. 13.