Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132389 nr. 12

32 389 Wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht)

Nr. 12 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 17 augustus 2011

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel I wordt in de bijlage, bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet onder het kopje «C. Ministerie van Infrastructuur en Milieu» toegevoegd:

4. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer.

b. Na onderdeel I wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

J

In de bijlage, bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet, onder het kopje «C. Ministerie van Infrastructuur en Milieu», vervalt «4. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer.».

2

Na artikel 1.12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.12a

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad (Huisvestingswet 20..) (32 271) niet tot wet is verheven en inwerking is getreden op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt de Huisvestingswet als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel a, wordt «Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

Artikel 4, derde lid, eerste volzin, komt te luiden: Bij de uitvoering van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid worden de ingevolge artikel 68 ter zake van de woonruimteverdeling gegeven aanwijzingen in acht genomen.

C

In artikel 6, vierde lid, vervalt «Zodanige aanwijzing behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.».

D

In artikel 13a vervallen het tweede tot en met vierde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

E

In artikel 13b vervallen het tweede tot en met vierde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

F

Artikel 13c, tweede lid, komt te luiden:

2. Voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de gemeente of in een of meer kernen, behorend tot de gemeente, kan de gemeenteraad afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b, d en e.

G

In artikel 60b, tweede lid, wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door: Onze Minister voor Immigratie en Asiel.

H

De artikelen 60e en 60f vervallen.

I

In artikel 60g, eerste lid, wordt «de artikelen 60c, 60e en 60f» vervangen door: artikel 60c.

J

In het opschrift van Hoofdstuk V, paragraaf 2, vervalt «en aanwijzingen».

K

De artikelen 64, 65 en 66 vervallen.

L

In het opschrift van Hoofdstuk V, paragraaf 3, wordt «Ministeriële aanwijzingen» vervangen door: Ministeriële regels.

M

Artikel 67 vervalt.

N

Artikel 69, eerste volzin, komt te luiden: Alvorens toepassing te geven aan artikel 68, tweede lid, pleegt Onze Minister overleg met het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.

O

Artikel 70 vervalt.

P

Artikel 78 vervalt.

3

Artikel 2.1, onderdeel C, komt te luiden:

C

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede tot en met vierde lid vervallen.

2. Het vijfde lid wordt vernummerd tot het tweede lid.

4

Artikel 3.3, onderdeel M, vervalt.

5

Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Da

Artikel 5.23 vervalt.

b. Onderdeel J komt te luiden:

J

Artikel 20.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking houdende een certificaat of een accreditatie als bedoeld in artikel 11.2, derde lid, onderdeel b of c.

b. Het derde en vierde lid vervallen.

6

Artikel 3.9 komt te luiden:

Artikel 3.9

De artikelen 8, 12 en 13 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden vervallen.

7

In artikel 6.2 wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 29 wordt «De artikelen 16 en 17 zijn» vervangen door: Artikel 16 is.

8

Artikel 10.1 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 1.2, onderdeel J, in werking met ingang van 1 augustus 2014.

Toelichting

1, 5 en 8 Wet milieubeheer

Onderdeel 5 betreft een wijziging van artikel 3.5. In artikel 3.5 wordt de Wet milieubeheer aangepast. In de bijlage bij het kabinetsstandpunt inzake het advies van de commissie-Oosting is met betrekking tot de door de commissie-Oosting verrichte doorlichting een uitzondering opgenomen met betrekking tot de in artikel 5.12, dertiende lid van de Wet milieubeheer opgenomen instemming met wijzigingen in het Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (ten tijde van het advies van de commissie opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), Kamerstukken 30 489).

De commissie-Oosting had geadviseerd zowel deze instemming als de aanwijzingsbevoegdheid van artikel 5.23 van de Wet milieubeheer te vervangen door het generiek stelsel van de Gemeentewet en de Provinciewet. Nu in het kabinetsstandpunt ter zake van de aanwijzing geen uitzondering op het advies van de commissie is gemaakt, had in het voorstel van wet moeten zijn opgenomen dat artikel 5.23 van de Wet milieubeheer wordt geschrapt. Deze omissie wordt thans hersteld.

In artikel 5.23 van de Wet milieubeheer is een aanwijzingsbevoegdheid opgenomen voor bepaalde gevallen, waarbij in het vierde lid is bepaald dat de minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats kan stellen als de aanwijzing niet wordt opgevolgd.

De aanwijzing ziet op enkele artikelen die deels zijn uitgewerkt (de artikelen 5.9, eerste lid, en 5.19, vierde lid) en deels zien op de verstrekking van informatie (artikelen 5.12, zevende lid, en 5.14), waarbij de indeplaatsstelling van artikel 5.23, vierde lid, toch al niet goed denkbaar is. Artikel 5.23 is nog van belang bij artikel 5.12, negende lid, (tijdige uitvoering van een programma). In die bepaling is sprake van een opgedragen taak in de zin van artikel 124, eerste lid, van de Gemeentewet of artikel 121, eerste lid, van de Provinciewet. Op deze taak kan derhalve heel goed met het generieke instrumentarium uit de Gemeentewet en de Provinciewet worden toegezien.

In samenhang met het schrappen van artikel 5.23 Wet milieubeheer wordt in artikel 20.2, tweede lid, Wet milieubeheer een verwijzing naar artikel 5.23, alsmede het overbodig geworden derde en vierde lid, geschrapt. Artikel 3.5, onderdeel J, van onderhavig voorstel van wet bevat reeds een wijziging van artikel 20.2, tweede lid, in verband met het vervallen van artikel 17.5 van de Wet milieubeheer. Artikel 20.2, tweede lid, wordt opnieuw vastgesteld, omdat van de opsomming in dat lid slecht één onderdeel overblijft.

In samenhang met de wijziging van de Wet milieubeheer wordt voorgesteld om in onderdeel 1 een tijdelijke voorziening in de Gemeentewet te treffen voor de uitvoering van het interbestuurlijk toezicht op titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Het Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit loopt tot 1 augustus 2014 en voorziet in een gezamenlijke inspanning van rijk, provincies en gemeenten om op dat tijdstip aan op grond van de Europese richtlijn van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa voorgeschreven luchtkwaliteitseisen te voldoen. Thans berust het toezicht op gemeenten en provincies voor de uitvoering van het plan bij de minister van Infrastructuur en Milieu. Consequentie van het toepasselijk worden van het generiek stelsel van interbestuurlijk toezicht is dat het toezicht inzake artikel 5.12, negende lid, van de Wet milieubeheer op het gemeentebestuur, zoals voor de andere onderdelen van de Wet milieubeheer, bij gedeputeerde staten zou komen te berusten. Dat zou betekenen dat de organisatie van de uitvoering van het programma voor de laatste twee jaren van de looptijd zou moeten worden aangepast, in die zin dat de gemeenten in eerste instantie door gedeputeerde staten moeten worden aangesproken en pas in tweede instantie door de minister van Infrastructuur en Milieu op grond van het voorgestelde artikel 124a van de Gemeentewet. Ik acht dat niet doelmatig.

Voorgesteld wordt daarom om het interbestuurlijk toezicht voor de looptijd van het Nationaal programma, dus tot 1 augustus 2014, op te dragen aan de minister van Infrastructuur en Milieu. Bij een nieuw nationaal programma kan dan het interbestuurlijk toezicht worden vormgegeven overeenkomstig de hoofdregels van onderhavig voorstel van wet. Daartoe wordt in onderdeel 1, onder a, titel 5.2 van de Wet milieubeheer toegevoegd aan de bijlage bij artikel 124b van de Gemeentewet en in onderdeel 1, onder b, weer van die bijlage geschrapt. In onderdeel 8 is bepaald dat het schrappen van titel 5.2 van de Wet milieubeheer van de bijlage in werking treedt met ingang van 1 augustus 2014.

2. Huisvestingswet

Bij het indienen van onderhavig voorstel van wet was de gedachte dat bij inwerkingtreding de Huisvestingswet zou zijn vervangen door het bij koninklijke boodschap van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad (Huisvestingswet 20..) (32 271). Dat wetsvoorstel is aangepast aan de uitgangspunten van de kabinetsreactie inzake het advies van de commissie-Oosting en bevat inzake interbestuurlijk toezicht slechts bepalingen inzake de huisvesting van zogenoemde statushouders. Deze bepalingen zijn slechts in dat voorstel opgenomen om het tijdvak te overbruggen tussen de inwerkingtreding van de nieuwe Huisvestingswet en onderhavig voorstel van wet. In artikel 1.12 is dan ook voorzien in het schrappen van die bepalingen in de nieuwe Huisvestingswet. Inmiddels lijkt het waarschijnlijk dat de beraadslaging in de Staten-Generaal over onderhavig voorstel van wet eerder is afgerond dan die over de nieuwe Huisvestingswet. Dat zou tot gevolg hebben dat na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet de bepalingen over het interbestuurlijk toezicht in de gewijzigde Gemeentewet botsen met de niet-aangepaste bepalingen in de huidige Huisvestingswet. Om dat te voorkomen wordt de huidige Huisvestingswet alsnog in overeenstemming gebracht met de uitgangspunten van de kabinetsreactie. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt de aanduidingen van diverse ministers aan te passen aan met het aantreden van het huidige kabinet gekozen indeling in departementen.

3. Natuurbeschermingswet 1998

In artikel 2.1 is bij de redactie van de wijziging van artikel 57 van de Natuurbeschermingswet 1998 geen rekening gehouden met het nieuwe vijfde lid dat aan artikel 57 is toegevoegd met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op 1 oktober 2010. Met deze nota van wijziging wordt het nieuwe vijfde lid vernummerd tot het tweede lid.

4. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

In artikel 3.3, onderdeel M, wordt een bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gewijzigd die bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op 1 oktober 2010 reeds is geschrapt. Artikel 3.3, onderdeel M, kan daarom komen te vervallen.

6. Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

In artikel 3.9 wordt de aanwijzingsbevoegdheid van de inspecteur van de VROM-Inspectie uit artikel 8 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden geschrapt. Daarbij is de aanwijzingsbevoegdheid uit artikel 12 van die wet over het hoofd gezien. Voorgesteld wordt om, gelet op het kabinetsstandpunt inzake het advies van de Commissie Oosting, tevens de aanwijzingsbevoegdheid uit artikel 12 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden te schrappen. Daarbij wordt voorgesteld om het hieraan gekoppelde administratief beroep op de minister in artikel 13 te schrappen, nu dit, zelden toegepaste, artikel evenmin past in de voorgestane rol van de minister.

7. Wet op de Jeugdzorg

In artikel 6.2 wordt de Wet op de Jeugdzorg aangepast aan de uitgangspunten van het generiek interbestuurlijk toezicht. Daarbij komt artikel 17 te vervallen. Verzuimd was in artikel 29 een verwijzing naar artikel 17 te schrappen. Dit verzuim wordt thans hersteld.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner