Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432382 nr. 31

32 382 Aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur)

Nr. 31 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID SEGERS TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 27

Ontvangen 7 april 2014

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel Za, wordt artikel 36b als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De in artikel 36a, tweede lid, bedoelde leden kunnen niet tevens:

    • a. lid of medewerker zijn van een ander orgaan van de Nederlandse orde van advocaten of van een orgaan van de orden in de arrondissementen;

    • b. voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid, plaatsvervangend lid of griffier zijn van een raad van discipline of het hof van discipline;

    • c. het lidmaatschap bekleden van publiekrechtelijke colleges waarvoor de keuze geschiedt krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;

    • d. een openbare betrekking bekleden waaraan een vaste beloning of toelage is verbonden; of

    • e. het lidmaatschap bekleden van vaste colleges van advies en bijstand aan de Regering.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Onder het tweede lid, onderdeel d, worden niet begrepen betrekkingen bij een instelling als bedoeld in artikel 1.1., onderdeel f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Toelichting

Dit amendement regelt dat de in artikel 36b, tweede lid, opgenomen incompatibiliteit voor de in artikel 36a, tweede lid, bedoelde leden van het college van toezicht komt te zien op een ieder die in dienst is van de overheid, zowel met een aanstelling als met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Alle ambtenaren werkzaam bij centrale en decentrale overheden, inclusief zelfstandig bestuursorganen, openbaar ministerie en politie en bijvoorbeeld staatsraden bij de Raad van State zijn daarmee uitgesloten van het lidmaatschap van het college van toezicht. Op grond van het nieuw voorgestelde vijfde lid omvat de uitsluiting niet het werkzaam zijn in het hoger onderwijs, zoals gedefinieerd in art. 1.1. sub f van de Wet op het hoger onderwijs.

Segers