Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032374 nr. 4

32 374 Wijziging van de Wet houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

Nr. 4 ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT 1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 8 februari 2010 en het nader rapport d.d. 20 april 2010, aangeboden aan de Koningin door de minister van Economische Zaken. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 15 januari 2010, no. 10.000077, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt, met memorie van toelichting.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 januari 2010, nr. 10.000077, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 8 februari 2010, nr. W10.10.0008/III, bied ik U hierbij aan.

Het wetsvoorstel betreft een novelle, welke het wetsvoorstel houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt2 (hierna: het wetsvoorstel) wijzigt. Het hangt samen met de novelle3 tot wijziging van het wetsvoorstel implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie.4 De beide wetsvoorstellen, die mede dienen ter implementatie van richtlijn 2006/32/EG5, voorzien onder andere in de grootschalige introductie en het gebruik van zgn. slimme meters. Dat zijn meters die op afstand uitleesbaar zijn door de netbeheerder. Zij zijn in staat om actuele gegevens over het energiegebruik te genereren, en kunnen zo behulpzaam zijn bij het besparen op energieverbruik.

De novelles worden voorgesteld naar aanleiding van de discussie in de Eerste Kamer der Staten-Generaal (EK) over beide wetsvoorstellen. Deze discussie spitste zich vooral toe op de verplichting voor eindgebruikers om mee te werken aan de plaatsing van slimme meters en daaraan verbonden sancties bij weigering (de zogenoemde verplichte grootschalige uitrol), alsmede op de privacyaspecten van het gebruik van slimme meters. De novelles strekken ertoe de verplichte uitrol te vervangen door plaatsing van slimme meters op basis van vrijwilligheid, met daarbij het schrappen van de voorgestelde sancties. Tevens leiden ze tot gebruik van door de meters gegenereerde gegevens – afgezien van enkele basisgegevens, benodigd voor de facturering – op basis van toestemming van de eindgebruiker. Eindgebruikers kunnen de plaatsing van een slimme meter weigeren. Indien een slimme meter reeds is geplaatst, kan de eindgebruiker de meter «administratief» uit laten zetten. Dat houdt in dat de meter niet automatisch gegevens doorgeeft aan de netbeheerder (het opgeven van de meterstanden gebeurt dan op de traditionele wijze). Voor het gebruik van de slimme meterfuncties is de toestemming van de eindgebruiker vereist.

De Raad van State maakt een opmerking met betrekking tot de plaatsing en het gebruik van slimme meters in het licht van richtlijn 2006/32/EG, met name artikel 13.6 Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

a. Plaatsing slimme meter: verplicht of vrijwillig?

In dit verband dient allereerst de vraag te worden beantwoord of artikel 13 van richtlijn 2006/32/EG uitgaat van een verplichte uitrol van de slimme meters, of dat dit artikel slechts verplicht tot het aanbieden van deze meters.

De formulering van het eerste lid van artikel 13 lijkt ervan uit te gaan dat een slimme meter weliswaar in bepaalde gevallen ter beschikking moet worden gesteld aan de eindafnemer, maar lijkt niet tevens te betekenen dat deze meter door de eindafnemer ook daadwerkelijk moet worden geaccepteerd.7 De minister heeft aanvankelijk, in de nadere memorie van antwoord aan de EK, deze interpretatie weersproken. De richtlijn zou er geen twijfel over laten bestaan dat in de situaties van nieuwbouw en renovatie een digitale meter op de aansluiting verplicht moet worden gerealiseerd, zonder dat dit een wilsbeschikking van de eindafnemer vereist. In het debat dat nadien in de EK is gevoerd, is de minister kennelijk van inzicht veranderd, getuige de novelle waarin van de tegenovergestelde benadering wordt uitgegaan.

Het ter beschikking stellen kan ook zo worden gelezen, dat het eerste lid van artikel 13 uitgaat van plaatsing (en daarmee van de verplichting de meter te aanvaarden), en beoogt de gevallen te regelen waarin een slimme meter wordt geplaatst. Vergelijking tussen de verschillende taalversies leidt niet tot een ondubbelzinnige conclusie op dit punt.8 Uit de rechtspraak van het HvJ EG9 blijkt dat indien tussen de verschillende taalversies verschillen bestaan, de betrokken bepaling volgens het Hof, gelet op de noodzaak van een eenvormige uitleg van deze versies, moet worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. In dit verband kan worden gewezen op het verschil in afwegingscriteria voor de verschillende situaties (ingrijpende renovatie en nieuwbouw, vervanging, en overige situaties) in artikel 13, eerste lid.10 Verder kan worden gewezen op het tweede lid van artikel 13, dat voorschrijft dat – indien van toepassing – leveranciers inzicht moeten verschaffen in het actuele energieverbruik, door een facturering die frequent genoeg is om de afnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen. Slimme meters lijken hiervoor een onmisbaar instrument te zijn. Tot slot kan worden gewezen op punt 2 van bijlage I bij richtlijn nr. 2009/72/EG11, waarin, onder voorbehoud van een gunstige evaluatie van de invoering van slimme meters (deze evaluatie vindt uiterlijk 3 september 2012 plaats), wordt bepaald dat in 2020 ten minste 80% van de consumenten moet zijn voorzien van een slimme meter. Een vrijwillige benadering, met acceptatievrijheid, staat op gespannen voet met deze doelstelling. In de nadere memorie van antwoord aan de EK had de minister overigens al gemeld dat verschillende andere lidstaten (Frankrijk, Zweden, Italië, Verenigd Koninkrijk uitgaan van verplichte plaatsing.12

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in de richtlijn niet scherp is omschreven of met betrekking tot slimme meters sprake moet zijn van een verplichte uitrol, dan wel dat dit wordt opengelaten en ook vrijwilligheid mogelijk is. Een verplichte uitrol lijkt echter het meeste recht te doen aan doel en strekking van de richtlijn, mede gelet op het oogmerk dat uiteindelijk sprake is van een dekkingsgraad van 80%. Over het tempo waarin dat geschiedt, zegt de richtlijn niets, maar een aanpak op basis van vrijwilligheid kan leiden tot onzekerheid over het behalen van dit resultaat.

Daar staat tegenover dat de richtlijn niet met zoveel woorden uitgaat van een verplichte uitrol van slimme meters. Bovendien moet uiterlijk in 2012 een evaluatie plaatsvinden aan de hand waarvan de doelstelling van een dekkingsgraad van 80% in 2020 al dan niet zal gaan gelden. Zo bezien zou, zoals in de toelichting wordt betoogd, voor de korte termijn met de thans gekozen benadering op basis van vrijwilligheid een start kunnen worden gemaakt die inzicht geeft in de werking van de meters en in de verschillende aspecten die aan de meters zijn verbonden (waaronder privacyaspecten). Dit inzicht kan worden ingebracht in de ingevolge richtlijn 2009/72/EG vereiste evaluatie. Deze evaluatie geeft aldus een toets- en bijsturingsmoment voor de verdere introductie van slimme meters in de periode daarna. Dat geeft bovendien tijd om op Europees niveau voor de verschillende aspecten (waaronder privacyaspecten) eventueel tot een meer definitieve en eenduidige benadering te komen. De introductie van slimme meters zou daarmee een pilotkarakter krijgen. Een aanpak op basis van vrijwilligheid kan in die context passend zijn.13

Er moet echter wel goed rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat op relatief korte termijn (na de evaluatie) alsnog een verplichting zal moeten worden ingevoerd om tijdig tot de beoogde 80% dekkingsgraad te komen. Dit betekent ook dat waar in de nabije toekomst niet-slimme meters worden geïnstalleerd (met name nieuwbouw), er een grote kans bestaat dat die op korte termijn weer moeten worden vervangen, met alle kosten van dien (vervanging, afschrijving e.d.). Zo bezien, is de nu, in de novelle, gekozen oplossing omslachtig, en brengt zij de nodige extra kosten mee.

De Raad zal hierna, onder b, eerst ingaan op het gebruik van de slimme meter, en aan het slot van dat onderdeel terugkomen op de keuze, met de novelle, om (vooralsnog) af te zien van de verplichte uitrol.

a. In het wetsvoorstel is voorgesteld om de verplichte acceptatie van de op afstand uitleesbare meters door kleinverbruikers los te laten. De Raad van State werpt de vraag op of deze vrijwillige benadering mogelijk is op grond van richtlijn nr. 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PbEG L 114) (hierna: richtlijn energie-efficiëntie). Ik deel de conclusie van de Raad van State dat de richtlijn energie-efficiëntie niet met zoveel woorden uitgaat van een verplichte uitrol van de slimme meters. In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is nader ingegaan op de verenigbaarheid.

De Raad bekijkt de richtlijn energie-efficiëntie echter ook in het licht van richtlijn nr. 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PbEU L 211) (hierna: derde elektriciteitsrichtlijn). In de derde elektriciteitsrichtlijn wordt bepaald dat in 2020 80% van de consumenten voorzien moet zijn van een slimme meter, mits de evaluatie in 2012 positief is. Volgens de Raad staat de vrijwillige benadering in dit wetsvoorstel op gespannen voet met de doelstelling van de derde elektriciteitsrichtlijn. De Raad geeft aan dat een verplichte uitrol het meest recht lijkt te doen aan doel en strekking van de derde elektriciteitsrichtlijn, gelet op het oogmerk dat er bij positieve evaluatie er sprake moet zijn van een dekkingsgraad van 80%. Na weging van het advies van de Raad van State is ervoor gekozen om vast te houden aan de vrijwillige benadering. Het is van belang om op basis van vrijwilligheid ervaring op te doen met de op afstand uitleesbare meter. Op die manier kan er draagvlak ontstaan voor de besparingsmogelijkheden die de meter biedt en de aanvullende diensten die de meter mogelijk maakt. De ontwikkelingen rond de op afstand uitleesbare meter zullen worden gemonitord. Indien besloten wordt tot een grootschalige uitrol op basis van een economische analyse en tijdens de uitrol blijkt dat de vrijwillige benadering onvoldoende zekerheid biedt dat de doelstelling van de derde elektriciteitsrichtlijn wordt gehaald, dan zullen op een later moment alsnog aanvullende voorstellen worden gedaan om aan de verplichtingen van die richtlijn te voldoen.

b. Gebruik slimme meter (gegevensverstrekking)

Een van de belangrijkste discussiepunten tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Staten-Generaal was de bescherming van persoonsgegevens bij het gebruik van slimme meters. Met de slimme meters zou zeer veel informatie beschikbaar komen voor de netbeheerder en de energieleverancier. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om gegevens over het elektriciteitsgebruik per kwartier.14

Thans wordt voorgesteld dat slechts een beperkt aantal gegevens, dat nodig is voor de facturering, verplicht moet worden verstrekt door eindgebruikers, al dan niet met gebruikmaking van de functies van een slimme meter. Voor het verstrekken en verzamelen van verdergaande gegevens met gebruikmaking van de functies van slimme meters is de toestemming van de eindgebruiker noodzakelijk. Voorts is in de novelle geregeld wat er vervolgens met de aldus verzamelde gegevens mag gebeuren. Met deze maatregelen wordt verzekerd dat voor het verzamelen van gebruiksgegevens met slimme meters wordt voldaan aan de uit de richtlijn privacybescherming (95/46/EWG) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) voortvloeiende eisen.

Ook in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is van belang na te gaan welke verplichtingen dienaangaande uit de richtlijnen voortvloeien.

In dit verband is artikel 13, tweede en derde lid, van richtlijn 2006/32/EG van belang. Uit artikel 13, tweede lid, wordt duidelijk, dat de richtlijn uitgaat van gebruik van de slimme meters met een zodanige frequentie dat deze inzicht geeft in het actuele gebruik, zodat eindgebruikers hun gebruik kunnen regelen.15 Dit betekent in elk geval een grotere frequentie dan die van een jaarlijkse facturering. Over de nadere invulling daarvan ontbreken in de richtlijn echter duidelijke aanwijzingen, zodat op dit punt aan de lidstaten (en partijen) de nodige ruimte wordt gelaten.

Tegen deze achtergrond kan de Raad zich vinden in de gekozen benadering: basisgegevens moeten worden verstrekt om aan de Europese verplichtingen te voldoen, maar voor het meerdere geldt een toestemmingsvereiste. Door het toestemmingsvereiste (zowel voor het verzamelen als voor het verdere gebruik van de betreffende gegevens) wordt voldoende recht gedaan aan de eis tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Wel vraagt de Raad er aandacht voor dat voorkomen dient te worden dat het toestemmingsvereiste feitelijk wordt uitgehold door standaardclausules in energiecontracten met eindverbruikers, indien die zouden dwingen tot een (frequentie van) aanlevering van gegevens die een te vergaande inbreuk zou betekenen op de persoonlijke levenssfeer.

Met de novelle is het belangrijkste bezwaar tegen het wetsvoorstel, betreffende de privacybescherming, weggenomen. Gelet daarop is het de vraag of het plaatsen van slimme meters nog wel zo problematisch moet worden geacht. De eindverbruiker heeft in de thans gekozen benadering immers de mogelijkheid alle «slimme» functies van de meter uit te schakelen, waardoor deze als een traditionele meter functioneert.

De hiervoor aangeduide problemen die zouden rijzen bij een keuze voor een verplichte plaatsing van slimme meters kunnen daarmee reeds worden vermeden. Door de voorgestelde vrijwilligheid op het punt van het gebruik, behoeft daarom uit een oogpunt van het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer naar het oordeel van de Raad geen overwegend bezwaar te bestaan tegen de verplichte uitrol. In dit verband wijst de Raad ten slotte nog op het belang dat leveranciers en netbeheerders volgens de toelichting (paragraaf 5) hechten aan de introductie van slimme meters, als een belangrijke randvoorwaarde voor een spoedige introductie van het leveranciersmodel. Zij wijzen er blijkens de toelichting op dat een deel van de voordelen pas behaald kan worden als elke aansluiting over een slimme meter beschikt, ongeacht of die meter administratief uit staat of niet.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is er, naar het oordeel van de Raad, reden om de keuze, met de novelle, om alsnog af te zien van verplichte uitrol nader te bezien.

De Raad adviseert in de toelichting nader op het vorenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.

b. De Raad stelt dat door de mogelijkheid te introduceren dat de op afstand uitleesbaarheid van de meter kan worden uitgeschakeld het belangrijkste bezwaar tegen het oorspronkelijke wetsvoorstel, de privacybescherming, is weggenomen. Gelet daarop zou het dan volgens de Raad niet meer problematisch zijn om een uitrol van de op afstand uitleesbare meter met een verplicht karakter te hebben.

De privacybezwaren in combinatie met een uitrol met een verplicht karakter zijn de directe aanleiding geweest voor deze novelle. De keuzevrijheid is niet alleen een extra waarborg voor de privacy van de kleinverbruikers, maar ook een belangrijk middel om draagvlak te creëren bij de afnemers. Daarom wordt, ondanks dat ook op andere wijze al aan de privacybezwaren tegemoet wordt gekomen, de keuzevrijheid voor de kleinverbruiker gehandhaafd in dit wetsvoorstel.

De Raad vraagt verder aandacht voor de wijze waarop toestemming wordt verleend om meer persoonsgegevens te verwerken dan dat het wetsvoorstel voorschrijft. Op grond van het wetsvoorstel worden de gegevens die de netbeheerder nodig heeft voor het uitvoeren van zijn wettelijke taak verzameld en verwerkt. Bij op afstand uitleesbare meters is dat bijvoorbeeld het zes keer per jaar verzamelen en verwerken van de meterstanden, om de leveranciers in de gelegenheid te stellen een overzicht van het energieverbruik te kunnen sturen aan de kleinverbruiker. Indien er meer gegevens worden verzameld is de toestemming van de kleinverbruiker vereist. De Raad wijst er op dat het toestemmingsvereiste niet uitgehold mag worden door standaardclausules in energiecontracten. Een uitholling van het toestemmingsvereiste is niet mogelijk, omdat aan de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens zal moeten worden voldaan. Het College bescherming persoonsgegevens houdt hier toezicht op.

c. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de samenloop te regelen met het voorstel van wet tot wijziging van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998, tot versterking van de werking van de gasmarkt, verbetering van de voorzieningszekerheid en houdende regels met betrekking tot de voorrang voor duurzame elektriciteit, alsmede enkele andere wijzigingen van deze wetten (31 904). In het wetsvoorstel 31 904 zijn reeds enkele samenloopbepalingen opgenomen. Echter niet op alle punten is voldoende voorzien in de situatie dat dit wetsvoorstel, samen met het voorstel van wet houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt (31 374), eerder in werking zou treden dan het wetsvoorstel 31 904. Met de in dit wetsvoorstel opgenomen samenloopbepalingen wordt hier alsnog in voorzien.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om ondergeschikte redactionele en technische aanpassingen aan te brengen in de memorie van toelichting.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
2

Voorstel van wet houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt (Kamerstukken I 2007/08, 31 374, A).

XNoot
3

Waarover de Raad heden eveneens advies uitbrengt (W10.10.0007/III).

XNoot
4

Voorstel van wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie (Kamerstukken I 2007/08, 31 320, B).

XNoot
5

Richtlijn nr. 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EG van de Raad (PbEU L 114).

XNoot
6

Artikel 13 luidt:

1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers voor elektriciteit, aardgas, stadsverwarming en/of stadskoelingen en warm water voor huishoudelijke doeleinden, voorzover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voorzover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegenconcurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het actuele energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over de tijd waarin sprake was van daadwerkelijk verbruik.

Wanneer een bestaande meter wordt vervangen, worden deze individuele meters tegen concurrerende prijzen altijd ter beschikking gesteld, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn.

Wanneer een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of in geval van een ingrijpende renovatie overeenkomstig Richtlijn 2002/91/EG worden deze individuele meters tegen concurrerende prijzen altijd ter beschikking gesteld.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat, indien van toepassing, de facturering door energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie is gebaseerd op het actuele energieverbruik en in duidelijke en begrijpelijke taal is gesteld. De eindafnemer krijgt samen met de rekening de nodige informatie zodat hij over een volledig overzicht van de huidige energiekosten beschikt. De facturering op basis van het daadwerkelijke verbruik is frequent genoeg om de afnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat, indien van toepassing, de energiedistributeurs, distributienetbeheerders of detailhandelaars in energie in of bij rekeningen, contracten, transacties en/of ontvangstbewijzen bij distributiestations in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie aan de eindafnemers beschikbaar stellen:

a) de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;

b) een vergelijking van het huidige energieverbruik van de eindafnemer met het verbruik in dezelfde periode van het voorgaande jaar, bij voorkeur in grafische vorm;

c) wanneer dit mogelijk en nuttig is, een vergelijking met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-energieverbruiker van dezelfde verbruikerscategorie;

(d) contactinformatie voor consumentenorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindgebruikersprofielen en/of objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.

XNoot
7

Zie in deze zin ook een rapport van oktober 2008 dat door Cuijpers en Koops (UvT) is opgesteld in opdracht van de Consumentenbond. Dit rapport heeft in de behandeling in de Eerste Kamer een rol gespeeld.

XNoot
8

De Engelse en de Duitse taalversie lijken meer te wijzen in de richting van verplichte plaatsing. De Franse geeft geen uitsluitsel. Overigens geeft de considerans in dezen geen nader inzicht.

XNoot
9

Zaak C-72/95, Kraaijeveld, Jur. 1996 I-5408, overweging 28.

XNoot
10

Zo geldt voor nieuwbouw dat slimme meters altijd ter beschikking worden gesteld, om te voorkomen dat net geplaatste meters binnen korte tijd weer zouden moeten worden vervangen. Een vrijwillige benadering past hierin niet.

XNoot
11

Richtlijn nr. 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Uniue van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PbEU L 211).

XNoot
12

Kamerstukken I 2008/09, 31 320 en 31 374, H, blz. 3.

XNoot
13

Gelet op de onzekerheden over de uitleg van artikel 13 verdient het bij deze benadering aanbeveling een en ander op geschikte wijze af te stemmen met de Europese Commissie.

XNoot
14

Het in het oorspronkelijke wetsvoorstel voorgestelde artikel 26ab van de Elektriciteitswet 1998 (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 2).

XNoot
15

Zie daartoe ook punt 1, onder i, van bijlage I van richtlijn 2009/72/EG (waar het gaat om de voorschriften inzake consumentenbescherming) waarin een en ander aldus is verwoord:

i) naar behoren worden geïnformeerd over hun daadwerkelijk elektriciteitsverbruik en de kosten daarvan, zulks voldoende frequent om hen in staat te stellen hun eigen elektriciteitsverbruik te regelen. Voor de verstrekking van de informatie wordt een voldoende ruime termijn ingesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van de meetapparatuur van de afnemer en met het elektriciteitsproduct in kwestie. Er wordt naar behoren rekening gehouden met de kostenefficiëntie van deze maatregelen. Voor deze dienst mogen de verbruiker geen extra kosten worden aangerekend;