32 372 Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Nr. 92 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 april 2012

Op 29 maart 2012 zijn in «Science» twee onderzoeken gepubliceerd die beide betrekking hebben op (subletale) effecten van neonicotinoïden. Ik vind deze studies met praktijkrelevantie van groot belang.

  • Eén studie is verricht naar hommelvolken die bloot zijn gesteld aan pollen en nectar met imidacloprid. De hommels zijn 2 weken gevoerd met uitsluitend gecontamineerd stuifmeel en suikeroplossing. Deze studie concludeert dat een subletale dosis voor hommels een negatief effect heeft op de groei van het volk en de productie van koninginnen.

  • De andere studie is uitgevoerd met bijen die zijn blootgesteld aan de werkzame stof thiamethoxam via voeding met suikerwater. Daar wordt geconcludeerd dat een subletale dosis voor bijen het fourageersucces vermindert omdat bijen de weg terug naar de korf niet vinden.

Werkzame stoffen, zoals imidacloprid en thiamethoxam, worden in de EU geharmoniseerd beoordeeld, door EFSA (European Food and Safety Authority) en de lidstaten en goedgekeurd na een positieve beoordeling.

De bovengenoemde studies zijn, omdat het studies betreft naar werkzame stoffen, vrijdag 30 maart 2012 door de Europese Commissie voorgelegd aan de EFSA met het verzoek om vóór 30 april 2012 een wetenschappelijk oordeel te geven over de relevantie en kwaliteit van de studies voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

De rapporterende lidstaten van de 2 werkzame stoffen, Duitsland en Frankrijk, zijn eveneens op vrijdag 30 maart jl. benaderd. Zij zijn verantwoordelijk om valide inzichten uit recent onderzoek met de andere lidstaten (waaronder NL) te delen. Zij komen, zo is nu het vooruitzicht, op korte termijn met een opinie.

Direct na de publicatie van de onderzoeken heb ik het Ctgb verzocht te kijken naar de relevantie van het onderzoek voor de Nederlandse situatie en toelatingen. Hierop heb ik inmiddels een reactie ontvangen (bijlage 1)1. De eindconclusie van het Ctgb luidt dat «de onderzoeksresultaten van de studies geen gevolgen hebben voor de toelaatbaarheid van de momenteel in Nederland beschikbare middelen.

Er is geen aantoonbaar verband tussen de voorkomende blootstelling bij het toegelaten gebruik en de geconstateerde effecten op de Nederlandse bijenpopulatie, zodat op dit moment een ingrijpen door het Ctgb op de lopende toelatingen in Nederland niet gerechtvaardigd is.»

Zodra ik nadere informatie heb ontvangen van de Europese Commissie en EFSA en/of uit Duitsland of Frankrijk en deze informatie aanleiding geeft om aanvullende maatregelen in de Nederlandse toelatingspraktijk te treffen, zal ik terstond het Ctgb daartoe verzoeken.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie H. Bleker


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven