32 369 Voorstel van wet van de leden Van Velzen en Waalkens tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 juni 2010

De initiatiefnemers wensen de verschillende fracties te danken voor hun inbreng op ons initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Wet verbod Pelsdierhouderij.

Duidelijk is dat hoewel een aantal fracties het betreuren dat de ingangsdatum van het verbod is verschoven naar 2024, er begrip is voor de noodzaak hiervan.

Wij danken de fracties van GroenLinks, de Partij voor de Vrijheid, de Partij van de Arbeid en de Socialistische Partij voor hun steun aan deze wetswijziging.

De initiatiefnemers zijn verheugd dat de leden van de fractie van de ChristenUnie nog steeds van mening zijn dat een verbod op de pelsdierhouderij in principe gerechtvaardigd is. De indieners delen de mening van de leden van de ChristenUnie dat de aard van het dier zich niet leent voor het houden van deze dieren in de pelsdierhouderij en dat er voldoende alternatieven zijn voor bont.

De leden van de ChristenUnie vragen naar de achterliggende redenen van de voorgestelde wijziging. Zoals de indieners hebben gesteld in de Memorie van Toelichting heeft de parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel langer geduurd dan voorzien. De indieners zijn het met de leden van het CDA eens dat dit voortkomt uit de dusdanige kwaliteit van de parlementaire behandeling, een zorgvuldig en democratisch doorlopen wetgevingsproces neemt tijd in beslag.

De indieners zijn na uitvoerig beraad met de leden van de Eerste Kamer tot de conclusie gekomen dat, hoewel voor nertsenhouders het verbod voorzien zou zijn geweest, het einde van de overgangstermijn te dicht op de datum van invoering van de wet komt te liggen.

De indieners zijn zich er van bewust dat zolang het wetgevingsproces loopt, pelsdierhouders geen zekerheid hebben over hun toekomst. De indieners zijn daarom, in antwoord op de leden van het CDA, geenszins van plan om na behandeling van het voorliggende wetsvoorstel weer tot herbezinning te komen, maar hopen op een spoedige parlementaire behandeling om de pelsdierhouders snel zekerheid te geven.

De leden van het CDA stellen een aantal vragen naar de overeenkomsten en de verschillenen tussen het voorliggende wetsvoorstel en het oorspronkelijke voorstel. De indieners willen nogmaals benadrukken dat de novelle slechts een technische wijziging van de overgangstermijn behelst, en dus het oorspronkelijke voorstel verder gehandhaafd blijft.

Overgangstermijn

De leden van de fracties van de ChristenUnie en SGP vragen naar de overgangstermijn in het nieuwe voorstel, en de mogelijkheden voor het terugverdienen van investeringen.

Tijdens de parlementaire behandeling van het oorspronkelijke voorstel dat op 30 juni 2009 door Tweede Kamer is aangenomen, hebben de indieners uitvoerig toegelicht waarom toen is gekozen voor een overgangstermijn van tien jaar. Die overgangsperiode sluit aan bij het normale regime van afschrijvingen voor roerende en onroerende goederen.

De indieners verwachten dat de overgangstermijn nu langer zal zijn dan tien jaar, omdat de overgangstermijn zal lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot 1 januari 2024. De duur van de overgangstermijn hangt dus af van de datum van inwerkingtreding van de wet, maar zal pas eindigen tien jaar na de laatste verplichte welzijnsinvesteringen.

Met deze verschuiving van het einde van de overgangstermijn, zal in ieder geval een einde komen aan de ongelijkheid tussen pelsdierhouders die eerder geïnvesteerd hebben in welzijnsverbeteringen, en pelsdierhouders die nog in 2013 investeringen moeten doen om aan de welzijnseisen te voldoen. Conform eerdere afspraken, vastgelegd in de verordening van het productschap, moeten vanaf 1 januari 2009 en tot 1 januari 2014 50% van de nertsen gehuisvest zijn volgens de PPE-welzijnsnormen. Vanaf 1 januari 2014 moeten alle nertsen in Nederland worden gehuisvest volgens deze normen. De laatste welzijnsinvesteringen zullen dus vóór 1 januari 2014 gedaan zijn.

De leden van de ChristenUnie vragen voorts naar de mogelijkheden die het gewijzigde voorstel biedt aan pelsdierhouders om voldoende vermogen op te kunnen bouwen, met pensioen te gaan of een ander bedrijf te starten. Indieners zijn van mening dat het gewijzigde voorstel, een technische wijziging van de overgangstermijn, voor pelsdierhouders beduidend meer mogelijkheden geeft om vermogen en pensioen op te bouwen. Het verbod zal nu pas in 2024 ingaan, in plaats van in 2018 en geeft daarmee in ieder geval een periode van tien jaar voor afschrijving van de laatste verplichte welzijnsinvesteringen.

Het proces van bedrijfsbeëindiging kunnen indieners niet beschrijven, omdat dit voor iedere ondernemer anders zal zijn. Nu al hebben veel nertsenhouders die nu al inkomsten hebben uit nevenactiviteiten, en is het waarschijnlijk dat deze uitgebouwd zullen worden. Anderen zullen nevenactiviteiten starten. Weer anderen zullen bedrijfsbeëindiging afstemmen op hun pensionering. Verschillen in proces zullen onder meer bepaald worden door de bedrijfsstrategie die de afgelopen jaren is gevoerd. Sommige bedrijven hebben zich na de indiening van het initiatiefwetsvoorstel Verbod Pelsdierhouderij terughoudend opgesteld, vooruitlopend op een mogelijk verbod, anderen hebben zich juist enorm uitgebreid. In zijn algemeenheid kan echter gesteld worden dat de voorgestelde termijn voor de verschillende scenario’s ruimte biedt om zich te ontvouwen.  

De leden van het CDA vragen naar het mogelijk gebruik van de gehele vergunningsruimte in overgangstermijn. Zij stellen dat de indieners beogen om niet toe te staan dat de nertsenhouders de gehele vergunningsruimte benutten wanneer deze voor 17 januari 2008 niet geheel werd gebruikt. De leden van het CDA vragen zich af of dit niet een disproportionele beperking is van het eigendomsrecht en de (vergunnings-) rechten die de nertsenhouders hebben verkregen van de overheid en daarmee strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het is onjuist dat de indieners beogen om niet toe te staan dat de nertsenhouders de gehele vergunningsruimte benutten wanneer deze voor 17 januari 2008 niet geheel werd gebruikt. De indieners regelen slechts dat nertsenhouders na inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij en deze novelle niet meer nertsen mogen houden, dan zij mogen houden volgen hun vergunning. Verder mag de nertsenhouder niet meer nertsen houden dan waarvoor hij huisvestingsplaatsen had op het moment van melding. De melding dient binnen vier weken na inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij en deze novelle te worden gedaan. Er is dus geen sprake meer van enige koppeling aan de datum van 17 januari 2008.

Gezien voorgaande is er dus ook geen sprake van het schending van het rechtszekerheidsbeginsel.

Nertsenhouders mogen hun maximale vergunningsruimte gebruiken, mits zij hiervoor op het moment van melding voldoende huisvestingsplaatsen hebben. Hierbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de wetgever door voortschrijdend inzicht of door een verandering van de samenleving tot de conclusie kan komen dat een bij vergunning toegestane rechtshandeling voortaan geheel verboden zou moeten zijn en daartoe regelgeving opstellen.

De leden van de ChristenUnie stellen dat na inwerkingtreding van deze wet bedrijven weinig meer waard zullen zijn. De indieners onderkennen dat een nertsenfokverbod de waarde van de onderneming zal doen dalen. Maar het is echter niet zo dat er bij het voorziene verbod geen enkele opbrengst meer uit verkoop van de nertsenfokkerij kan komen. Gebouwen en grond kunnen nog steeds verkocht worden. Ook biedt het wegvallen van de stankcirkel mogelijkheden voor ontwikkelingsruimte op de bouwkavel. Indieners zien mogelijkheden vergelijkbaar als de «ruimte-voor-ruimte-regeling» voor de intensieve veehouderij ,en moedigen de regering aan met lokale en regionale overheden afspraken te maken over het herbestemmen van bouwkavels. Uit een ruwe berekening van CE Delft (Compensatie nertsenfokkerij, CE Delft, juni 2009) blijkt dat uitgaande van een gemiddelde pensioenduur van 15,2 jaar voor mannen en een door het LEI berekende gemiddelde opbrengst van grond en opstallen van 495.000 euro (mannelijke) nertsenhouders exclusief AOW gemiddeld 39.500 euro per jaar beschikbaar hebben na hun pensionering.

In antwoord op de leden van de SGP verwachten de indieners niet dat de infrastructuur rondom de nertsenhouderij tijdens de overgangsperiode zal afbrokkelen. Voerleveranciers gebruiken reststromen uit onder andere de pluimveehouderij en de visverwerkende industrie. Vaak gaat het hier om internationale grondstofstromen, deels uit België en Duitsland. Er is geen reden te verwachten dat deze door een in de toekomst op handen zijnde Nederlands verbod nu al stil zouden komen te liggen. Bovendien is de nertsenvoerproductie deels zelfs in handen van nertsenfokkers die er uiteraard geen belang bij hebben productie en leverantie voortijdig te staken.

De leden van de fractie van de SGP vragen naar de aannames die Deloitte enerzijds en CE Delft anderzijds hebben gedaan in hun onderzoeken naar gevolgen van een verbod op de pelsdierhouderij voor nertsenfokkers. Naast verschillen in sectorspecifieke aannames, zijn in beide onderzoeken ook verschillende methoden voor schadebepaling toegepast.

Het onderzoek van Deloitte in opdracht van de NFE is, naast een analyse van het LEI-rapport, grotendeels gebaseerd op informatie en meningen van stakeholders uit de sector. Indieners wijzen er op dat het BOR-rapport over het desbetreffende LEI onderzoek uitermate kritisch was over het gebruik van interviews met stakeholders uit de sector als bron van informatie. Deloitte stelt in de inleiding van het onderzoek dat er geen separate accountantscontrole is toegepast en dat er geen beoordelingsopdracht is uitgevoerd op het cijfermateriaal.

Het onderzoek van CE Delft is een peer review op het onderzoek van het LEI en laat zien dat uitgegaan kan worden van lagere boekwaarden, hogere restwaarden van activa, lagere sloopkosten en daling in pelsprijzen in plaats van een standstill. Deloitte hanteert in het onderzoek de aanname dat de prijzen in 2007 respectievelijk 2008 gehandhaafd zouden blijven indien er geen nertsenfokverbod komt. Deloitte heeft enkel oog voor negatieve prijsontwikkeling in het afbouwscenario. Volgens Deloitte lagen de pelsprijzen in 2009 ruim 22% lager. In het rapport wordt verondersteld dat deze prijsdaling enkel het gevolg is van het voorliggende verbod op de pelsdierhouderij, aangezien in het rekenmodel zonder verbod het prijsniveau van 2007/2008 gehandhaafd is. De indieners willen er echter op wijzen dat de economische omstandigheden van 2008 niet te vergelijken zijn met die in 2009, er in zeer veel sectoren sprake is van teruggang en het daarom onredelijk is de prijsdaling toe te schrijven aan een mogelijk verbod. Bovendien is er een wereldmarkt voor nertsenbont, met producenten en afzetmarkten in diverse landen. Hierdoor is het niet aannemelijk dat een mogelijk verbod op de nertsenhouderij in Nederland met een afbouwperiode van tien jaar al in 2009 negatieve effecten op pelsprijzen en afzetmarkt zou veroorzaken. De prijzen liggen momenteel fors hoger en het netto rendement van de bedrijven zal dus navenant hoger zijn. Dit geeft bedrijven extra ruimte om de investeringen terug te verdienen.

Een ander verschil tussen enerzijds het rapport van Deloitte en anderzijds het rapport van CE Delft is het verwachte afzetvolume. CE Delft gaat, net als het LEI, uit van een gelijkblijvende afzet onder het afbouwscenario, terwijl Deloitte een situatie schetst waarin de sector op korte termijn verlies lijdt, voornamelijk door een versnelde uitstroom van personeel.

De indieners zijn van mening dat deze aanname van Deloitte discutabel is. Deloitte stelt dat naar schatting 75% van het personeel de sector zou willen verlaten door een gebrek aan toekomstperspectief en een imagoprobleem. Maar ook staat in het rapport dat het huidige personeel toegewijd is en een bewezen «gevoel voor nertsen» heeft. Het lijkt de indieners dan ook niet aannemelijk dat het personeel nu al op grote schaal elders zal solliciteren. Het imagoprobleem waar het personeel mee te maken zou hebben, is niet het gevolg van het verbod op de pelsdierhouderij. In het verleden was de sector ook niet vrij van ethische bezwaren en maatschappelijke tegenstand. Ook wordt er in de Tweede Kamer al jaren gesproken over een mogelijk verbod. Tenslotte kunnen de werkzaamheden nog meer dan tien jaar continueren. Voorts gaat Deloitte uit van inkomensschade tijdens de afbouwperiode. CE Delft benadrukt dat ondernemers de overgangstermijn kunnen gebruiken om hun bedrijfsvoering aan te passen aan het naderende verbod. Er wordt compensatie in de vorm van tijd gegeven.

De leden van het CDA vragen opnieuw of de initiatiefnemers gesproken hebben met investeerders in de sector en of er een inschatting gemaakt is van het verlies dat uit de productie en uit de gedane investeringen vloeit na invoering van de wet. Ze vragen ook opnieuw om kwantitatieve onderbouwing van de stelling dat de investeringen van het verleden in een termijn van tien jaar kan worden terugverdiend.

Ook in antwoord op deze vragen wijzen de initiatiefnemers naar de aard van voorliggend initiatiefwetsvoorstel en de eerdere beantwoording van deze vragen. De voorgestelde technische wijziging van de overgangstermijn gaat uit van dezelfde grondslagen voor het vaststellen van een overgangstermijn als in het initiatiefvoorstel Wet verbod pelsdierhouderij.

De leden van de fractie van de VVD stellen een aantal vragen over het reeds aangenomen wetsvoorstel die al tijdens de voorgaande schriftelijke en ook de plenaire ronde aan de orde zijn gekomen. Opvallend is dat zij geen oordeel geven over de voorliggende initiatiefwetwijzing.

De leden van de VVD vragen welke garanties wij als initiatiefnemers kunnen geven dat er daadwerkelijk een Europees verbod op de pelsdierhouderij zal komen. Een Nederlands verbod zou een goede aanzet zijn voor een Europees verbod, zoals de aanname van de initiatiefwet van de leden Snijder en Waalkens om de import van zeehondenbont te verbieden een stap was die leidde tot een Europees importverbod op zeehondenbont. Ook wijzen de leden op het verbod in de handel op honden- en kattenbont dat via nationaal beleid tot Europees beleid werd. Zoals vele grote veranderingen begint het met de eerste stap nemen. De indieners zijn er trots op dat Nederland deze rol, samen met enkele andere Europese landen, zoals bijvoorbeeld Oostenrijk en Engeland, kan vervullen. Een internationaal/Europees verbod op de pelsdierhouderij begint met een of enkele landen die het voortouw nemen in de EU, dan met de EU die volgt, dan met andere gebieden in de wereld. Overigens zijn er op dit vlak ook buiten Europa ontwikkelingen. Zo staat Israël op het punt het eerste geheel bontvrije land te worden.

Voorts vragen de leden van de VVD hoe de initiatiefnemers de welzijnsomstandigheden in andere landen waar nertsen worden gehouden kunnen garanderen.

Als een dergelijke impliciete eis ook gesteld was toen besloten werd kinderarbeid te verbieden was er nooit zo’n breed gedragen verzet tegen deze vormen van arbeid geweest en was er nooit een verbod op gekomen. Van het verbieden van het fokken van dieren voor bont gaat een zekere normerende werking uit. Een logische volgende stap zou zijn om ook de handel in deze producten te verbieden.

De leden van de VVD en van de SGP willen nogmaals duidelijkheid over de ethische overwegingen bij het wetsvoorstel. Zij vragen hoe ethisch het is, als het effect van het wetsvoorstel is het verplaatsen van fokkerijen naar landen waar lagere welzijnsnormen gelden.

Gedurende de gehele wetsbehandeling hebben indieners het probleem van verplaatsing naar het buitenland erkend. Hierbij werd verwezen naar het Europese verbod voor de handel in honden- en kattenbont en de handel in zeehondenbont. Ook deze verboden zijn begonnen met nationale maatregelen. Nederland, als derde grootste producent van nertsenbont ter wereld, kan aan die beweging een enorme impuls geven. Het blijkt dat nú al in vele landen met nauwe belangstelling het politieke besluitvormingsproces rondom deze wet wordt gevolgd. In Engeland, Oostenrijk, Kroatië en Ierland is al een nertsenfokverbod tot stand gekomen, net als in sommige Duitse deelstaten. In andere landen wordt er druk aan gewerkt. Zelfs in Denemarken, de grootste producent van nertsenbont ter wereld, is naar aanleiding van de stemming in de Tweede Kamer over onderhavige wet, een politieke en maatschappelijke discussie op gang is gekomen over een Deens nertsenfokverbod. Indieners wijzen er tevens op dat er vele landen en ook lidstaten zijn die een stap meer zetten dan het gelijk speelveld vraagt, ook op dierenwelzijngebied. Mogelijke verplaatsing naar het buitenland van ongewenste praktijken, waar ook het CDA voor vreest, mag een overheid er niet van weerhouden een einde te maken aan die ongewenste praktijken. Het goede voorbeeld geven getuigt volgens de indieners juist van ethisch handelen, in plaats van het tegendeel, zoals de leden beweren.

De leden van het CDA stellen enkele vragen over de reactie van de Europese Commissie op het wetsvoorstel 30826 en wat voor verschil er is met het voorliggende wetsvoorstel.

Indieners delen de bezorgdheid van de leden van het CDA over de intracommunautaire handel niet, daar het verbod op de pelsdierhouderij de productie betreft en niet de handel. Er zijn dus geen belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel in levende dieren, export van bontproducten, diervoeders, agrarische werktuigen, onderkomens voor dieren en medische producten.

De leden van het CDA vragen de indieners naar de verschillen tussen het oorspronkelijk wetsvoorstel, 30 826, en het voorliggende. Zij vragen daarbij specifiek naar de gevolgen voor de werking van de gemeenschappelijke marktordening en de intracommunautaire handel. Indieners willen erop wijzen dat het voorliggend wetsvoorstel een technische wijziging betreft van de overgangstermijn in het initiatiefwetsvoorstel Wet verbod pelsdierhouderij. Dientengevolge zijn er geen verschillen.

Verder wijzen de leden van de SGP en ook het CDA op de willekeur van opiniepeilingen.

Deze leden lijken te veronderstellen dat indieners de ethische onaanvaardbaarheid van de pelsdierhouderij enkel stoelen op opiniepeilingen. Dit is niet juist. Het principe dat de exploitatie van dieren alleen is gerechtvaardigd als daar een redelijk en proportioneel doel tegenover staat, is de basis van de Nederlandse dierenbeschermingswetgeving. Het is de basis van zowel de Gezondheids- en Welzijns Wet voor Dieren als de nieuwe Wet Dieren.

Een nertsenfokverbod is een belangrijke stap om de werkelijkheid in overeenstemming te brengen met onze principes van de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en een gerechtvaardigd gebruik. Anders dan voedselproductie is het produceren van bont in de 21ste eeuw geen goede reden om dieren te exploiteren: voor bont bestaan tal van goede en goed verkrijgbare alternatieven. Met andere woorden, de intrinsieke waarde van het dier moet in dit geval boven de functie voor de mens worden gesteld. De opiniepeilingen illustreren – met opvallende consistentie – dat de maatschappij klaar is voor dit standpunt. Een nertsenfokverbod is in dat opzicht ook van belang als reflectie van de publieke moraal. Dit is een van de pijlers voor de ethische afweging. Daarnaast richt het dierwelzijnsbeleid in Nederland zich op een afweging van de vijf vrijheden van Brambell (of eigenlijk, de Farm Animal Welfare Council) tegen andere belangen.

Deze vrijheden houden in dat dieren vrij behoren te zijn van: (1) dorst, honger en onjuiste voeding; (2) fysiek en fysiologisch ongerief; (3) pijn, verwondingen en ziektes; (4) angst en chronische stress en (5) om hun natuurlijke (soorteigen) gedrag te vertonen. In de nertsenhouderij worden al deze vijf vrijheden geschonden:

De indieners zijn deze afweging nagelopen en komen tot de conclusie dat het houden van nertsen voor hun pels tegen de intrinsieke waarde van deze niet-gedomesticeerde dieren ingaat. Het afwegingskader dat indieners gehanteerd hebben is gebaseerd op de intrinsieke waarde van het dier zoals hierboven genoemd, afgezet tegen de economische belangen en de maatschappelijke opinie. Deze factoren vormen samen de basis om de morele waarde aan ondernemers op te leggen.

In eerdere stadia hebben indieners een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de publieke moraal wanneer het gaat om de omgang met dieren. Nogmaals wijzen indieners erop dat het oorspronkelijke wetsvoorstel voor een verbod op de pelsdierhouderij ook al een afweging was van welzijnsaantasting ten opzichte van nut en noodzaak van de pelsdierhouderij.

De initiatiefnemers zijn niet van plan, zoals gevraagd werd, een nieuwe opiniepeiling uit te voeren gezien de laatste peiling over bont zeer recent is (november 2009). Deze opiniepeiling werd uitgevoerd door CenTERdata, gelieerd aan de Universiteit Tilburg, in opdracht van WSPA Nederland. Op de vraag in hoeverre de respondenten het aanvaardbaar vinden dat dieren gebruikt worden voor bont, geeft 60,9% aan dit «zeer onaanvaardbaar» te vinden en 19,4% «onaanvaardbaar». In totaal dus 80,3%. Daar staat tegenover dat slechts 5% diergebruik voor bont «aanvaardbaar» vindt en 2,5% «zeer aanvaardbaar».

De leden van het CDA vragen of de indieners bekend zijn met opinieonderzoeken waaruit blijkt dat de meerderheid van de bevolking geen probleem heeft met het houden van nertsen als dit op verantwoorde wijze geschiedt en het dierenwelzijn is gewaarborgd? Zij vragen in welke mate dit wordt weersproken door het opinieonderzoek dat door de indieners als maatgevend wordt gegeven.

Het enige onderzoek dat een afwijkend beeld te zien lijkt te geven, is een onderzoek uitgevoerd door Maurice de Hond in opdracht van het Nederlands Bontinstituut. Echter, aan de respondenten is in dit onderzoek niet gevraagd of zij het fokken en doden van dieren voor bont acceptabel vinden. De vraagstelling van dit specifieke onderzoek luidde: «Het maakt in principe niet uit waarvoor je dieren houdt, als je het maar doet op een manier waarbij rekening is gehouden met het welzijn van dieren.» Zoals eerder reeds is toegelicht is het niet meer dan logisch dat respondenten bij zo’n algemene vraagstelling denken aan landbouwhuisdieren die worden gehouden voor melk, eieren of vlees – maar niet aan de bontindustrie. In het onderzoek voor zover door het Nederlands Bont Instituut gepubliceerd, worden geen vragen gesteld over het doden van dieren louter voor hun bont, Het is dus methodologisch onjuist om de uitslag naar buiten te brengen (zoals het NBI deed, Furworks 3, 2006) als «Meerderheid Nederlanders vindt bont dragen prima zolang aan voorwaarden is voldaan.»

Voor de overzichtelijkheid geven wij hieronder nog een overzicht van andere recente opiniepeilingen:

2008

Opiniepeiling Planet Panel in opdracht van Bont voor Dieren.

77,3% van de respondenten antwoordt «ja» op de vraag «Bent u voor een verbod op het fokken van nertsen?» Bovendien geeft in datzelfde onderzoek 83,4 % van de respondenten aan een enigszins tot zeer negatief beeld te hebben van bont verwerkt in kleding (consistent ten opzichte van eerdere onderzoeken).

2007

Opiniepeiling Ergo in opdracht van Ministerie van LNV.

75% van de bevolking is tegen het fokken van bont.15% is voor.

2006

Opiniepeiling TNS NIPO in opdracht van Bont voor Dieren.

72% van de ondervraagden vindt dat de bontproductie moet worden verboden.

2003

Opiniepeiling Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht

68% van de ondervraagden is tegen het doden van nertsen voor bont. 14,4% is voor.

2000

Opiniepeiling Intomart in opdracht van Bont voor Dieren .

78% van de ondervraagden is voor een nertsenfokverbod.

Verder bleek uit onderzoek van de Radboud Universiteit in Nijmegen (2008) dat bont als een zeer decadent product wordt ervaren.

Hoe de leden van het CDA tot de conclusie komen dat de indieners van mening zouden zijn dat opinieonderzoek voldoende rechtsgrondslag biedt voor een maatregel als onderhavige, is de indieners niet bekend. In de eerste behandeling hebben zij de opiniepeilingen naar voren geschoven als extra ondersteuning van hun pleidooi om tot een verbod te komen, niet als voldoende rechtsgrond.

De leden van de SGP stellen voor om 2014 af te wachten en dan de gewenste welzijnsverbeteringen te evalueren.

Indieners wijzen er nogmaals op dat niet zozeer het welzijnscriterium als wel het ethisch kader de grondslag voor het verbod vormt. Afwachten tot de verbeteringen in welzijn, zoals vereist in de verordening nertsen, zijn afgerond geeft geen garanties voor een mogelijk aanvaardbare verbetering van welzijn. Met een evaluatie in 2014 is bovendien de ethische afweging, namelijk dat het houden en doden van dieren enkel voor hun pels, nog steeds relevant. Onderhavige novelle verandert de datum van de overgangstermijn dus niet zozeer om de welzijnsverbeteringen af te wachten, als wel om de voorlopers in de welzijnsinvesteringen niet de dupe te laten worden van de achterblijvers.

De leden van de SGP stellen enkele vragen over de verschillende wetenschappelijke onderzoeken en aanbevelingen. Er valt wellicht op wetenschappelijk vlak te twisten over percentages in mate van welzijnsaantasting, maar over de constatering dat het welzijn van nertsen wordt aangetast in de bontproductie is een wetenschappelijke consensus. De indieners hebben eerder betoogd dat het doel van nertsenproductie, een product als bont, geen welzijnsaantasting rechtvaardigt. Recent wetenschappelijk onderzoek laat ook zien dat wat als «verbetering» mag doorgaan, niet per se helpt. Zo onderzocht een groep wetenschappers vorig jaar of het welzijn van nertsen werd verbeterd als zij een tredmolentje in de kooi geplaatst kregen. Wat bleek, de dieren maakten hier gebruik van als substituut voor stereotype gedrag. Anders gezegd, het lopen in de tredmolen werd hun stereotype gedrag. De dwangmatige gedragsstoornis bleef hetzelfde, alleen uitte die zich anders. De aantasting van het welzijn bleef hetzelfde. (Zie S.W. Hansen, B.M. Damgaard, «Running in a running wheel substitutes for stereotypes in mink, but does it improve their welfare?», Applied Animal Behaviour Science, 118 (2009) 76–83.)

Ook is geprobeerd nertsen te fokken die zich in de huidige huisvestingssystemen «beter» voelen dan de thans gefokte nertsen. Binnen de natuurlijke gedragsvariatie hebben onderzoekers nertsen geselecteerd die minder vatbaar zijn voor stereotype (repeterend obsessief) gedrag. De ratio hierachter was dat stereotype gedrag een belangrijke indicator is van welzijn en dat dus een foklijn met minder stereotype gedrag nertsen oplevert met minder welzijnsproblemen. De uitkomst was echter negatief, of zelfs, mogelijkerwijs, dat het welzijn van deze «laag stereotype nertsen» nog slechter was dan van de «hoog stereotype nertsen». De laag stereotype nertsen waren namelijk angstiger. De onderzoekers concludeerden: «The correlation between stereotypy and confidence in the present study supports earlier findings showing a higher promotion of fearful animals in groups of low stereotyping mink. So, although the selection against stereotype behaviour clearly reduced the FCM it may have contradictory consequences for the welfare of mink.» (Zie: P.M. Svendsen et al, «Selection of stereotype behaviour may have contradictory consequences for the welfare of mink», Applied Animal Behaviour Science 107 (2007) 110–119.)

Het beeld dat de leden van de SGP hebben van de welzijnsaantastingen lijkt daarnaast te rooskleurig. De leden van de SGP melden dat de prevalentie van staartbijten op de onderzochte Nederlandse bedrijven «niet verder komt dan ongeveer 30%.» En vervolgens: «Daar is bovendien de huidige welzijnsverordening nog bijgekomen.» Allereerst, 30% is volgens ons als initiatiefnemers zeer hoog. Ten tweede, het is niet zo dat de huidige welzijnsverordening daar nog «bij» komt. Immers, de huidige welzijnsverordening komt grotendeels overeen met het Plan van Aanpak. Meer dan dat, de Animal Science Group heeft de Productschapsverordening bekritiseert voor zover zij niet overeenkomt met het Plan van Aanpak.

Ook de leden van het CDA stellen dat er in 2003 «nog strengere welzijnsnormen» zijn vastgesteld door het productschap. Nogmaals, dit is niet juist. Deze productschapsverordening hield dezelfde eisen aan als het Plan van Aanpak uit 1995.

In het Plan van Aanpak van de NFE uit 1995 worden de nieuwe kooiafmetingen gesteld op 85X30X45 centimeter. Daarmee correspondeert een oppervlak van 2550 vierkante centimeter per maximaal twee (fok)dieren. Aanvankelijk mag het oppervlak van de nestbox (oppervlak 20X20) daarbij meetellen, vanaf 1997 is dit exclusief oppervlakte nestbox. Voor elk extra dier dat in de kooi zit dient minimaal een additionele 850 vierkante centimeter oppervlak aanwezig te zijn. Invoering hiervan dient te geschieden via 25% van de gehouden dieren per bedrijf medio 1998, 50% medio 2000 en 100% medio 2005. Bovendien dienen op de bedrijven in 1998 alle kooiverrijkingen toegepast te worden, hetzij in de vorm van een plateau, hetzij in de vorm van een cilinder. (NFE, Plan van Aanpak Nertsenhouderij (Nederasselt 1995/1996) p.3–6).

De eisen aan huisvesting gesteld in de Verordening welzijnsnormen nertsen van het Productschap uit 2003 zijn dezelfde als in het Plan van Aanpak uit 1995, namelijk kooiafmetingen van 85X30X45; een nestbox met oppervlak 20x20; 2550 vierkante centimeter per maximaal twee (fok)dieren plus een additionele 850 vierkante centimeter per extra dier. En ook hier toepassing van kooiverrijking hetzij in een plateau, hetzij een cilinder. (SER, Mededelingenblad en Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, jrg 54, 29 april 2004, nr. 24, p. 26–27).

Meer nog, voor zover de Productschapsverordening (kleine) verschillen te zien gaf ten opzichte van het Plan van Aanpak, betekende dit verslechteringen. Zo stelde de Animal Science Group: «Een herijking van de verordening op het plan van aanpak en nieuw ontwikkelde kennis is aan te bevelen.» (p. 26). Onder meer gaat het om de speenleeftijd, die in het Plan van Aanpak was aangegeven als leeftijd, terwijl in de Productschapsverordening wordt uitgegaan van een datum – dit met negatieve gevolgen voor het welzijn van met name laat geboren nertsen (die daardoor te vroeg gespeend worden).

Hier kan nog aan worden toegevoegd dat ook de aanpassingen van het Plan van Aanpak vergeleken met de periode ervoor niet heel groot zijn. Een nestbox was al aanwezig, de kooihoogte hoefde slechts opgekrikt van 40 naar 45 centimeter. Via het aan elkaar schakelen van de kooien kon bovendien het oppervlak van te smalle kooien (breedte 20 of 25 centimeter) vergroot worden. (Zie voor deze praktische aanpassingen: W. Michels, Plan van aanpak in praktijk, PP-uitgave, nr. 36, 1995, 23–28.)

Wetenschappers concludeerden over het welzijn in het Plan van Aanpak (en dus de welzijnsverordening) dan ook als volgt:

Prof. Donald Broom: «However, the action plan enrichment does not result in abolition of abnormal behaviour. Welfare is still too poor after such enrichment. It would seem that a much more radical change in the housing system for mink is needed if there is to be a good chance that their welfare will be good. The present small cages with little locomotor possibility, no climbing possibility, except for a few centimetres up the cage wall, not enough room for substantial enrichment using objects, and no possibility for access to water for swimming will never be good enough to provide for the needs of the animals and hence allow an acceptable level of welfare.»

Van Eerdenburg constateerde al dat « [ ...] een aantal van de natuurlijke gedragingen, zoals het solitair leven, regelmatig zwemmen, het afleggen van grote afstanden en het hebben van meerdere slaapplaatsen, erg moeilijk in te passen zullen zijn in een houderijsysteem. Ook het Plan van Aanpak gaat aan deze aspecten voorbij en waarborgt dus niet dat de dieren hun natuurlijke gedrag kunnen uitoefenen, een voorwaarde voor welzijn.»

Prof. F.J. Grommers schreef over bevordering van het welzijn van nertsen:

«Alle aanpassingen met betrekking tot verandering van kooien of zelfs selectie van dieren zullen op de middellange termijn slechts een cosmetisch effect hebben. Wil men op de korte termijn een wezenlijke daad stellen dan zal, evenals bijvoorbeeld bij kippen, besloten kunnen worden tot het afschaffen van de houderij in kooien.»

Het onderzoek van de Universiteit Wageningen waaraan de CDA-fractie refereert concludeerde overigens onder meer dat de nerts het enige productiedier is dat als volwassen dier van nature solitair leeft en ook niet gedomesticeerd is. Dit probleem is volgens de ASG niet oplosbaar: «De nerts is in vergelijking met de andere diersoorten, die in dit rapport behandeld worden, een moeizaam te domesticeren soort. Er zijn lijnen speciaal geselecteerd op tamheid en minder angst en agressie naar de mens, maar dergelijke selectie bleek niet erg effectief. Tegelijkertijd wordt door de toenemende schaalvergroting het contact met mensen minder frequent en zal de nerts angstig en agressief blijven.» (p. 25)

De leden van het CDA vragen ons of gezien de door hun genoemde voorgeschiedenis, een totaalverbod voor alleen Nederland niet disproportioneel is.

Nederland zou niet het eerste land met een verbod op de productie van nertsenbont zijn. Andere landen gingen ons reeds voor, zoals Oostenrijk, Engeland, en straks Duitsland; in andere omringende landen is men bezig een dergelijk verbod voor te bereiden. Wij wijzen de leden van de CDA fractie er verder op dat er vanuit Europarlementariërs ook initiatieven worden ontplooid om tot een EU-verbod te komen. Het feit dat de Tweede Kamer verleden jaar vóór een nertsenfokverbod heeft gestemd, heeft in Denemarken – zoals bekend de grootste nertsenbontproducent ter wereld – een nertsenfokverbod ook op de maatschappelijke agenda gezet. Ook vanuit andere Scandinavische landen bestaat veel belangstelling voor het Nederlandse verbod als inspiratiebron voor een nationaal (en uiteindelijk Europees verbod). Israël overweegt zelfs een totaalverbod op bont (productie en consumptie).

De Tweede Kamer kan uiteraard alleen over een Nederlands verbod beslissen. Binnen de huidige staatsrechtelijke verbanden kunnen verboden nu eenmaal alleen op nationaal en Europees niveau tot stand komen.

De leden van het CDA stellen opnieuw de vraag of niet met terugwerkende kracht een maatregel over de bedrijfssector wordt afgekondigd en of dit niet in strijd is met het rechtsbeginsel dat een overheid niet eerder straft dan dat een feit als illegaal wordt gezien en daarmee het rechtszekerheidsbeginsel aantast. Ook de leden van de ChristenUnie stellen een vraag over de terugwerkende kracht.

De indieners wijzen er volledigheidshalve op dat ook in het initiatiefvoorstel Wet verbod pelsdierhouderij geen feit strafbaar wordt gesteld dat ten tijde van het begaan van het feit niet strafbaar was. De indieners zijn dan ook van mening dat dat wetsvoorstel niet in strijd is met het in de Grondwet en in enkele verdragen verankerde beginsel «nullum delictum, nulla poena sine praevia poenali». Er was dan ook geen sprake van een maatregel die met terugwerkende kracht over de bedrijfssector wordt afgekondigd. Het nu voorliggende initiatiefwetsvoorstel koppelt het ingaan van de overgangstermijn aan de inwerkingtreding van de wet, waardoor de vraag over het al dan niet met terugwerkende kracht afkondigen van een maatregel niet meer relevant is.

De indieners stelden bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel onder nummer 30 826 dat het verbod op het houden van pelsdieren niet kan worden aangemerkt als onteigening. De leden van het CDA vragen of deze stelling is veranderd en vragen de indieners van het wetsvoorstel om deze stellingname juridisch verder te onderbouwen gezien de overheid de facto een bedrijfssector van het ondernemerschap en het eigendomsrecht berooft.

Deze stellingname is niet veranderd en al eerder door de indieners juridisch onderbouwd. Het EHRM maakt onderscheid tussen onteigening en regulering van eigendom. De precieze grens hiertussen is niet duidelijk, maar in dit geval is er waarschijnlijk geen sprake van ontneming van eigendom, omdat het recht te beschikken over het eigendom niet geheel verloren gaat. Wel is er sprake van regulering van eigendom: door het verbod worden de gebruiksmogelijkheden van de eigendom beperkt, zonder dat het beschikkingsrecht daarover geheel verloren gaat. De gebouwen, hokken, machines etc.worden niet van de pelshouders weggenomen, ze kunnen echter niet meer gebruikt worden waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk het houden van pelsdieren. Dat is een beperking van de gebruiksrechten van het eigendom, hetgeen volgens artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM alleen is toegestaan indien daar rechtvaardigingsgronden voor zijn. De inmenging moet bij wet zijn voorzien en een gerechtvaardigd algemeen belang dienen. In dit geval is dat gerechtvaardigd algemeen belang de ethische en maatschappelijke weerstand tegen de bontproductie. Het Hof in Straatsburg biedt overheden hierin een ruime beleidsvrijheid. Ten slotte moet de inmenging proportioneel zijn. Dit komt neer op het égalité-beginsel: de inmenging mag geen onevenredige last op de betrokkene leggen. In dat verband is van belang dat de invoering van het verbod op de pelsdierhouderij gepaard gaat met een overgangstermijn tot 2024. De stelling van de leden van het CDA dat de overheid de facto een bedrijfssector van het ondernemersschap en het eigendomsrecht berooft, laten de indieners dan ook volledig voor verantwoording door het CDA, aangezien deze stelling volgens indieners gezien de juridische onderbouwing volledig onjuist is.

De leden van het CDA maken de opmerking dat gesteld kan worden dat het wetsvoorstel leidt tot een belemmering van het eigendomsrecht zoals aangegeven in artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Hierin wordt uiteengezet dat de overheid het gebruik van eigendom kan reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Bij het huidige wetsvoorstel is hiervan sprake, gezien de nieuwe inzichten van de staat. Stuit het niet compenseren van deze beperking van het eigendomsrecht niet op de bepalingen van het Eerste Protocol van het EVRM?

Het is de indieners niet duidelijk op welke nieuwe inzichten van de staat de leden van het CDA doelen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie over het niet-compenseren merken de indieners het volgende op. De regulering van eigendom in verband met het algemeen belang als aangegeven in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM mag niet disproportioneel zijn .In onderhavig geval is hier geen sprake van: er wordt immers geen onevenredige last op de betrokkenen gelegd. De invoering van het verbod gaat immers gepaard met een overgangstermijn tot 2024, zodat alle welzijnsinvesteringen terugverdiend dan wel afgeschreven kunnen worden.

De leden van het CDA vragen of de indieners kunnen aangeven welke ontwikkeling er is geweest met betrekking tot de publieke moraal in de periode tussen het wetsvoorstel 30 826 en het voorliggende wetsvoorstel. Voor een antwoord hierop verwijzen indieners naar de bovengenoemde representatieve opiniepeiling uitgevoerd door CenterData, november 2009.

De leden van het CDA vragen of de vraag naar bont in de afgelopen periode tussen het wetsvoorstel 30826 en het voorliggende wetsvoorstel zowel in Nederland als in het buitenland is gestegen en in hoeverre dit duidt op een verandering van denken over bont en de productie hiervan. Een verband tussen vraag en verandering van denken over bont en de productie hiervan, kunnen de indieners niet onderbouwen. Veel vraag komt voort uit onwetendheid en peer pressure. Ook op andere terreinen is bekend dat consumentengedrag niet altijd makkelijk te vertalen valt naar opvattingen.

De leden van het CDA vragen in hoeverre door het aannemen van het verbod, de vraag naar en de productie van het bont zal afnemen en in hoeverre de maatregel daarmee veroorloofd en proportioneel is. Deze leden vragen zich af dat wanneer vast wordt gesteld door de indieners zelf dat de productie van bont wereldwijd niet zou afnemen, het dan ethisch gezien niet beter is om de productie juist in het land te willen waar de normen het hoogst zijn.

Deze vraag kan met een wedervraag worden beantwoord. Wanneer vast wordt gesteld dat het Nederlandse verbod op kinderarbeid niet ertoe heeft geleid dat de kinderarbeid wereldwijd af is genomen, is het dan ethisch gezien niet beter om de kinderarbeid juist in het land te willen waar de normen het hoogst zijn? De indieners vertrouwen erop dat het CDA op dit vlak tot eenzelfde oordeel komen als de indieners. De les van de wedervraag is derhalve dat maatschappelijke verandering een langdurig en moeizaam proces is, maar waarin mogelijke ongewenste neveneffecten nooit een excuus mogen zijn ongewenste situaties te laten voortbestaan.

De leden van het CDA vragen een reactie op de berichten van mei 2010 dat dit jaar de prijzen voor het nertsenbont op het hoogste niveau sinds 25 jaar ligt en vragen een verklaring voor deze stijging.

Als prijzen al verklaarbaar zijn dan zouden de initiatiefnemers er op willen wijzen dat deze stijging eenvoudig verklaarbaar zou kunnen zijn als een correctie op de zeer scherpe daling van de bontprijzen afgelopen jaar. De prijzen waren verleden jaar zo laag dat handelaren zelfs hun aanbod van de veiling terugtrokken. Het lijkt niet meer dan logisch volgens de indieners dat er nu weer een prijscorrectie ontstaat.

Begrip hebben wij voor de kritische reactie van de leden van de Partij voor de Dieren op het later ingaan van dit verbod.  

Zij stellen voor om de laatste investeringstermijn die voorgeschreven wordt in de productschapsverordening en die voorschrijft dat in 2014 de laatste investeringen in welzijnsmaatregelen op alle bedrijven is toegepast, te laten vallen.

Dit is een optie die wij inderdaad overwogen hebben. Voorop staat dat wij als Kamerleden slechts een verzoek aan het productschap zouden kunnen richten maar niet eigenstandig kunnen besluiten dat de inhoud van een verordening gewijzigd dient te worden. Dit zijn overwegingen van procedurele aard. Meer inhoudelijk: het laten vallen van de laatste investeringstermijn in dierenwelzijnmaatregelen zoals de PvdD voorstelt, zou betekenen dat die nertsenhouders die voorop lopen met investeringen worden achtergesteld ten opzichte van die fokkers die achterlopen met hun investeringen. Zo wordt een rechtsongelijkheid gecreëerd.

Om genoemde redenen hebben de initiatiefnemers besloten af te zien van deze optie.

De optie om nertsenfokkers uit te kopen, waar ook het CDA naar vraagt, lijkt de initiatiefnemers niet uitvoerbaar gezien de financiële implicaties die deze optie heeft. Het mag duidelijk zijn dat de rijksoverheid een enorme bezuinigingstaakstelling heeft uit te voeren en een serieuze financiële compensatie van nertsenhouders daarbinnen op dit moment geen optie is.

In onze pogingen om het fokken van dieren voor bontproducten verboden te krijgen hebben wij alle bondgenoten nodig.  Mocht de steun van de Partij voor de Dieren wegvallen zoals uit de inbreng van deze fractie opgemaakt zou kunnen worden, dan zou dit kunnen betekenen dat het doel om het houden van dieren voor bontproducten te verbieden, verder weg komt te liggen in plaats van dichterbij.

De indieners hopen tenslotte op een spoedige plenaire behandeling van deze initiatief wetswijziging.

Krista van Velzen

Harm Evert Waalkens

Naar boven