32 317 JBZ-Raad

MS VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 februari 2022

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad1 hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 oktober 20212 waarin zij, samen met de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid en de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming, het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 aanbiedt. Naar aanleiding hiervan hebben De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA gezamenlijk hebben een aantal vragen en opmerkingen.

Daarnaast hebben de leden van de fractie van GroenLinks met belangstelling kennis genomen van het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan dat door de JBZ-Raad tijdens bedoelde vergadering werd gesteund. Deze leden hebben enkele vragen over dit actieplan.

De leden van de fractie van de PVV hebben naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober jongstleden ook een aantal vragen en opmerkingen.

Naar aanleiding hiervan is op 1 december 2021 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris.

De huidige Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hebben op 19 januari 2022 aangegeven dat het beantwoorden van de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn mogelijk is.

De commissies voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad en voor Justitie en Veiligheid3 hebben op 28 januari 2022 de Minister en de Staatssecretaris gevraagd de beantwoording van de vragen uiterlijk binnen twee weken aan de Kamer te doen toekomen.

De Minister en de Staatssecretaris hebben op 2 februari 2022 inhoudelijk gereageerd.

De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL / JBZ-RAAD

Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 1 december 2021

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 25 oktober 20214 waarin u, samen met de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming, het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 aanbiedt. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA gezamenlijk de navolgende vragen en opmerkingen. Daarnaast hebben de leden van de fractie van GroenLinks met belangstelling kennis genomen van het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan dat door de JBZ-Raad tijdens bedoelde vergadering werd gesteund, Deze leden hebben enkele vragen over dit actieplan. De leden van de fractie van de PVV hebben naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober jongstleden de volgende vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA gezamenlijk naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA merken op dat u in uw brief over de JBZ-Raad schrijft dat de Europese Commissie het instrumentaliseren van migratie door Belarus nog een keer heeft veroordeeld. Inmiddels hebben Polen en Litouwen een wet aangenomen die pushbacks legitimeert. Ook blijkt dat Letland maatregelen neemt om vreemdelingen terug te duwen. De fracties van GroenLinks en de PvdA betreuren ten diepste dat er inmiddels doden zijn gevallen in het grensgebied tussen Polen en Belarus. Deze onmenselijke taferelen moeten zo snel mogelijk ophouden. Ook al zien we dat het regime in Belarus willens en wetens gebruik maakt van de wanhoop van migranten en daarmee de EU onder druk zet, mag de EU niet haar eigen waarden schenden waardoor het op hetzelfde niveau belandt als het regime in Belarus. Dit vereist een snelle tijdelijke reactie waarbij aan de grens screening plaats vindt en het recht op verzoek tot asiel in behandeling kan worden genomen, zeker om te voorkomen dat mensen, vrouwen en kinderen in het bijzonder, onder mensonterende omstandigheden de koude winterdagen moeten overleven. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

Kan de regering aangeven welke acties de Europese Commissie onderneemt om de pushbacks door Polen en Litouwen te veroordelen en voorkomen? Is er al een procedure gestart tegen Polen of Litouwen of Letland over de pushbacks?

Omdat dit een situatie is aan de buitengrens van de EU en daarmee de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van alle EU-landen vragen deze leden vervolgens ook welke acties de Nederlandse regering heeft ingezet om Polen, Litouwen en Letland aan te spreken op de pushbacks die niet toegestaan zijn? Heeft de Nederlandse regering ervoor gepleit dat Polen de media en hulpverleners toelaat tot het grensgebied?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie naar aanleiding van hetCounter-Terrorism Action Plan Afghanistan

Na kennis te hebben genomen van het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan5 zijn de leden van de GroenLinks-fractie verontrust door de verregaande maatregelen die hierin worden voorgesteld. Deze leden hebben twijfels over de waarborgen die in de maatregelen zijn ingebouwd, de rechtmatigheid van het action plan, en de uiteindelijke effectiviteit. De leden van de fractie van GroenLinks hebben hierover dan ook enkele vragen.

  • 1. Het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan streeft het doel na dat op 17 september 2021 is gepresenteerd door de Raad (Buitenlandse Zaken) van de EU: «Voorkomen moet worden dat Afghanistan een uitvalsbasis wordt voor terrorisme of dat vanuit dat land terrorisme wordt gefinancierd of naar andere landen geëxporteerd. Alles moet in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat de taliban alle directe en indirecte banden met internationale terroristische organisaties verbreken.» Het Action Plan bevat 23 aanbevelingen voor maatregelen, met vier hoofdonderwerpen: (a) veiligheidscontroles, (b) strategische inlichtingen/prognoses, (c) monitoren en bestrijden van propaganda en mobilisatie en (d) bestrijden van georganiseerde criminaliteit als bron van terrorismefinanciering.

    Voor de uitvoering van dit actieplan moeten de lidstaten aan de hand van de aanbevelingen maatregelen nemen en acties ondernemen. Is de regering van plan op grond van dit actieplan een eigen nationaal plan te ontwikkelen, en zo ja, op welke manier wil de regering met deze aanbevelingen aan de slag? Zal de uitvoering van de aanbevelingen tot specifieke beleidswijzigingen op de vier bovengenoemde gebieden leiden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, wat is dan materiële betekenis van dit actieplan?

  • 2. Kan de regering concreet aangeven hoe de uitvoering van de aanbevelingen in het actieplan verschillende beleidsterreinen zal beïnvloeden? Kan de regering daarbij in ieder geval specifiek ingaan op asiel- en vreemdelingenbeleid, grensbewaking, en gegevensuitwisseling, en andere relevante beleidsterreinen?

  • 3. Een substantieel aantal van de aanbevelingen hebben betrekking op gegevensverzameling en -uitwisseling binnen en tussen de lidstaten en de EU. Deze aanbevelingen roepen bij de leden vragen op met betrekking tot de gehanteerde procedures en de ingebouwde waarborgen.

    • a. Kan de regering aangeven wat deze aanbevelingen concreet betekenen voor Nederland? Op welke manier zal gegevensuitwisseling plaatsvinden? Is er bij het verzamelen en uitwisselen van de gegevens van Afghanen sprake van een ander regime dan bij andere vreemdelingen? Welke (inter)nationale waarborgen en toezichtsmogelijkheden zijn van toepassing bij het plaatsen van een Afghaan op een lijst van mogelijke terroristen? Hoe betrouwbaar is de eventuele informatie op basis waarvan een iemand als een verdachte van terrorisme kan worden gezien, en hoe wordt deze betrouwbaarheid vastgesteld?

    • b. Bestaan er Europese lijsten van personen die verdacht worden van terrorisme?

    • c. Is Europol de leidende organisatie bij het verzamelen en delen van de gegevens, of zijn er inlichtingendiensten bij betrokken?

    • d. De leden van de fractie van de GroenLinks-fractie vrezen dat mensen mogelijk op basis van vage informatie op verkeerde lijsten terecht zullen komen waarvan zij ten eerste geen weet van hebben en ten tweede moeilijk vanaf kunnen komen. Hoe beoordeelt de regering deze zorg? Hoe transparant zijn de procedures waarmee personen op deze lijsten worden geplaatst, en waarmee personen er weer vanaf gehaald kunnen worden? En hoe transparant zijn de gebruikte informatiebronnen?

    • e. Kan een persoon die zich aanmeldt voor een asielprocedure buiten zijn eigen weten op een lijst van mogelijke terroristen terechtkomen? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bijvoorbeeld onschuldige asielzoekers niet ten onrechte van terrorisme worden verdacht?

    • f. Bij aanbeveling 2 wordt gerefereerd naar bestaande praktijken van informatie-uitwisseling. Bestaan er op dit moment Europese lijsten die specifiek gericht zijn op mensen afkomstig uit bepaalde landen, zoals uit Irak en Syrië? Kan de regering meer informatie geven over de genoemde bestaande praktijken? Heeft Nederland namen aangeleverd voor dergelijke lijsten of beoogt Nederland dit in de toekomst te doen? Welke organisatie en/of instituut houdt hier toezicht op?

  • 4. Het actieplan benadrukt het belang van de slagveldinformatie. Betrouwbare informatie is van cruciaal belang. Op basis van foute informatie voerden de Verenigde Staten op 29 augustus 2021 een droneaanval in Afghanistan uit waarbij tien slachtoffers vielen, waaronder drie kinderen. De Verenigde Staten veronderstelde dat ze een terrorist aan het elimineren waren, en feitelijk doodden ze onschuldige burgers. Dit voorbeeld laat zien hoe moeilijk het vergaren van informatie in Afghanistan is. Zelfs in het actieplan zelf lijkt te worden toegegeven dat er op bepaalde gebieden een gebrek aan informatie is, bijvoorbeeld door het gebruik van de kwalificatie «naar verluidt» over het aandeel van de Taliban in de opiumproductie en de papaverteelt in Afghanistan. Gezien het feit dat alle internationale troepen Afghanistan hebben verlaten en ook Afghanen die met het Westen hebben samengewerkt ofwel geëvacueerd zijn ofwel een groot gevaar lopen vermoord te worden, hoe dienen de lidstaten actuele en betrouwbare informatie te vergaren? Wat voor problemen voorziet de regering hierin, en hoe zouden die problemen opgelost of voorkomen kunnen worden?

  • 5. Het actieplan benadrukt ook samenwerking met buurlanden van Afghanistan over wiens grondgebied Afghanen naar de EU reizen. Pakistan, Iran en Turkije zijn hierbij de belangrijkste. Op welke manier werkt Nederland met deze landen – die het niet nauw nemen met de mensenrechten – samen? In welke mate zijn de EU lidstaten voor hun informatievoorziening afhankelijk van deze landen? Indien er sprake is van een dergelijke afhankelijkheid, ziet de regering dan een spanning tussen die afhankelijkheid en de toewijding van de EU aan mensenrechten? Zo ja, hoe wordt deze spanning beperkt? Zo nee, waarom niet?

  • 6. In het actieplan wordt een «regionaal politiek samenwerkingsplatform met de buurlanden van Afghanistan» genoemd, dat als resultaat van de Gymnich-bijeenkomst van 3 september 2021 zal worden opgezet. Kan de regering meer informatie verschaffen over de beoogde samenstelling en de beoogde doelen van dit samenwerkingsplatform? Kan de regering daarbij ook een appreciatie geven van de haalbaarheid van deze doelen voor een dergelijk platform?

  • 7. Aanbeveling één noemt inzet van databanken bij systematische controles van biografische en biometrische gegevens van Afghaanse of vermeende Afghaanse onderdanen, «overeenkomstig de bestaande wettelijke vereisten voor zulke bevragingen». Hoe is het toezicht op de naleving van deze wettelijke vereisten in de context van gegevens over Afghanen georganiseerd? Valt dit onder de toezichtsorganen van de verschillende databanken, of zijn hier aparte regelingen voor?

  • 8. In aanbeveling zes wordt gesteld dat «voor personen die in de Westelijke Balkan in transit zijn geplaatst en aan wie een inreisvisum voor de VS is geweigerd, (...) de regering van de VS [moet] worden verzocht hun persoons- en biometrische gegevens te delen met de autoriteiten van de lidstaten en/of Europol, evenals de redenen van afwijzing». Om hoeveel personen gaat het hierbij? Welke consequenties heeft het voor die landen? Wat is de rol van de EU in dit proces?

  • 9. Op pagina zeven wordt gesteld dat «uitwisseling van strategische informatie en regelmatig overleg met belangrijke partners (...) van essentieel belang» zijn. Welke partners worden hiermee bedoeld? Gaat het om Pakistan? Om Centraal-Aziatische landen? Welke rol hebben de Golfstaten hierin?

  • 10. Aanbeveling acht stelt dat het EU Intcen moet zorgen voor intensievere rapportage om de aanwezigheid van terroristische groeperingen in Afghanistan te beoordelen. Waar of bij wie komen die rapportages terecht? En wie houdt hier toezicht op?

  • 11. In aanbeveling veertien wordt gesproken over tegendiscours. Kan de regering deze term nader duiden, wat deze term precies inhoudt in de context van dit actieplan? Wordt hiermee propaganda bedoeld? Welke tegendiscours kan effectief ingezet worden als na twintig jaar de westerse landen onder leiding van de VS Afghanistan in de handen van Taliban hebben achtergelaten, en alle Afghanen die inderdaad in afgelopen 20 jaar met geloof in democratie en mensenrechten aan het opbouw van een nieuw Afghanistan hebben gewerkt in steek hebben gelaten? Welk geloofwaardig narratief wordt in die context nagestreefd? Welke ideeën heeft de regering hierover?

  • 12. In aanbeveling vijftien wordt gesteld dat de voortdurende samenwerking van de EU met Saudi-Arabië bij het terugdringen van islamitische extremistische bekeringspogingen kan dienen als voorbeeld voor dialogen met andere landen over terrorismebestrijding. Kan de regering nader duiden wat hiermee wordt bedoeld? Saudi-Arabië is een centrale speler in de export van islamitisch extremistisch gedachtegoed, speelt ook een grote rol in de financiering hiervan, en hanteert zelf een extreme interpretatie van de islam. Hoe kan, met die achtergrond, deze samenwerking op het gebied van het terugdringen van islamitisch extremisme en terrorisme bestaan? Wat houdt deze samenwerking met Saudi-Arabië in? Valt hier ook gegevensuitwisseling onder, en zo ja, hoe is dit vormgegeven? En hoe kan deze samenwerking, gezien de bovengenoemde achtergrond van Saudi-Arabië, gezien worden als een voorbeeld voor andere dialogen over terrorismebestrijding?

  • 13. Kan de regering, met inachtneming van de voorgaande vragen, een nadere reflectie geven op de effectiviteit en rechtmatigheid van de maatregelen in dit actieplan?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie n.a.v. het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021

De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat in het verslag van de JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 over het EOM het volgende wordt gesteld:

«Daarnaast uitte de Commissie haar zorgen over het feit dat nog niet alle lidstaten wetgeving hebben aangenomen om hun nationale justitiële systemen aan te passen voor de implementatie van de EOM-verordening. Tevens zijn er zorgen over het uitblijven van het aandragen van gedelegeerd Europese aanklagers door een lidstaat.»6

Kan de regering aangeven welke specifieke lidstaten dit betreft en welke eventuele consequenties hieraan verbonden zijn voor betreffende lidstaten ten aanzien van verdere deelname aan het EOM? Kan de regering tevens aangeven in hoeverre het voortduren van deze «zorgen» consequenties kan hebben voor de verdere Nederlandse deelname aan het EOM?

Verder wordt in het verslag over de gedragscode Hate Speech Online het volgende gesteld:

«De Commissie heeft verklaard dat het verspreiden van haatdragende teksten niet kan worden gerekend tot free speech en zodoende tegengegaan moet worden.» En: «Tot slot verklaarde de Commissie dat haatspeech mogelijk tot een Eurocrime dient te worden gerekend.»7

Kan de regering aangeven wat hier concreet de criteria zijn voor «haatdragende teksten», aan welk wettelijk en jurisprudentieel kader dit begrip getoetst wordt en hoe u deze stellingname van de Europese Commissie ziet in het kader van de vrijheid van meningsuiting? Kan de regering tevens aangeven wordt aangekeken tegen het voornemen van de Europese Commissie dit als een «Eurocrime» te beschouwen, wat hiervoor de criteria zijn en wat dit betekent voor de positie aan de autonome nationale rechtsmacht in dit kader? In hoeverre kan er sprake zijn van vervolging door het EOM indien dit tot een «Eurocrime» wordt gerekend en acht u dit een wenselijke ontwikkeling? Kan de regering tevens nader duiden hoe dit voornemen zich verhoudt tot de Digital Service Act8?

Verder geven de leden van de fractie van de PVV aan dat het verslag spreekt over de actieplannen migratie en dat in dit kader het volgende wordt gesteld:

«samenwerking met enkele prioritaire landen te versterken (in Noord-Afrika, Sub-Sahara Afrika, het Midden-Oosten en de Westelijke Balkan).»9

Kan de regering aangeven welke specifieke landen dit betreft en wat deze samenwerking concreet inhoudt: in hoeverre betreft dit bijvoorbeeld afspraken over «gereguleerde» migratie? Kan de regering tevens aangeven in hoeverre er in dit kader een samenhang is met de uitvoering van het VN-Migratiepact en wat hiervan de concrete effecten zijn?

Over de migratiesituatie op de verschillende routes wordt in het verslag het volgende gesteld:

«Ook benoemde de Commissie de problematiek van secundaire migratie waarbij de Commissie expliciet Nederland noemde als een van de lidstaten die daar het meest mee worden geconfronteerd.»10

Kan de regering de omvang van deze problematiek kwantificeren en aangeven wat de meest betrokken herkomstlanden zijn? Kan de regering tevens aangeven wat de actuele stand van zaken is ten aanzien van het uitzetten van Dublin-claimanten?

Verder wordt in het verslag nog het volgende gesteld, zo merken de leden van de fractie van de PVV op:

«Daarbij onderstreepte Nederland het belang om te blijven werken aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in Libië, verbeterde behandeling van vluchtelingen en migranten, inclusief de situatie in de detentiecentra, en het belang van de hervatting van de humanitaire evacuatievluchten.»11

Kan de regering aangeven in hoeverre dergelijke «humanitaire evacuatievluchten» richting Nederland zijn vertrokken en hoeveel personen hiermee uiteindelijk in het Nederlandse asielsysteem zijn beland? Kan de regering tevens aangeven wat de specifieke criteria zijn om plaats te krijgen in zo’n vlucht en hoe en door wie dit ter plaatse in Libië wordt getoetst en beoordeeld?

Tot slot wijzen de leden van de fractie van de PVV op de volgende passage uit het verslag:

«Europol gaf aan hoe belangrijk het is om de juiste bevoegdheden te hebben om materiaal te kunnen verzamelen en veilig te kunnen stellen ook al is dit van encryptie voorzien.»12

Kan de regering aangeven hoe de (privacy)positie van goedwillende gebruikers van encryptie kan worden geborgd gelet op deze voornemens?

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Hoogachtend,

De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad, M.H.M. Faber-van de Klashorst

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 januari 2022

Hierbij delen wij uw Kamer mede dat de vragen naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 en het Counter Terrorism Action Plan Afghanistan zoals gesteld aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 1 december 2021 (Kenmerk 169931.03U) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord.

Wij streven ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL / JBZ-RAAD EN VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Minister en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 28 januari 2022

De leden van de vaste commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad en voor Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal hebben de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij brief van 1 december 2021 vragen voorgelegd naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 en het Counter Terrorism Action Plan Afghanistan.13 Aan het slot van de brief hebben de commissies gevraagd de antwoorden uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van de brief te mogen ontvangen. Bij brief van 19 januari 2022 heeft u en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de commissies laten weten dat de vragen niet binnen de gestelde termijn beantwoord konden worden.14 U gaf tevens aan de vragen spoedig te willen beantwoorden. In reactie hierop vragen de commissies u de antwoordbrief onverwijld doch uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van onderhavige brief aan de Eerste Kamer te doen toekomen. Een gelijkluidende brief is verzonden aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, M.H.M. Faber-van de Klashorst

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, M.M. de Boer

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2022

Hierbij bieden wij uw Kamer, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de antwoorden aan op de vragen naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 en het Counter Terrorism Action Plan Afghanistan zoals gesteld aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 1 december 2021 (Kenmerk 169931.03U).

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA gezamenlijk naar aanleiding van het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA merken op dat u in uw brief over de JBZ-Raad schrijft dat de Europese Commissie het instrumentaliseren van migratie door Belarus nog een keer heeft veroordeeld. Inmiddels hebben Polen en Litouwen een wet aangenomen die pushbacks legitimeert. Ook blijkt dat Letland maatregelen neemt om vreemdelingen terug te duwen. De fracties van GroenLinks en de PvdA betreuren ten diepste dat er inmiddels doden zijn gevallen in het grensgebied tussen Polen en Belarus. Deze onmenselijke taferelen moeten zo snel mogelijk ophouden.

Ook al zien we dat het regime in Belarus willens en wetens gebruik maakt van de wanhoop van migranten en daarmee de EU onder druk zet, mag de EU niet haar eigen waarden schenden waardoor het op hetzelfde niveau belandt als het regime in Belarus. Dit vereist een snelle tijdelijke reactie waarbij aan de grens screening plaats vindt en het recht op verzoek tot asiel in behandeling kan worden genomen, zeker om te voorkomen dat mensen, vrouwen en kinderen in het bijzonder, ondermensonterende omstandigheden de koude winterdagen moeten overleven. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

Kan de regering aangeven welke acties de Europese Commissie onderneemt om de pushbacks door Polen en Litouwen te veroordelen en voorkomen? Is er al een procedure gestart tegen Polen of Litouwen of Letland over de pushbacks?

Omdat dit een situatie is aan de buitengrens van de EU en daarmee de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van alle EU-landen vragen deze leden vervolgens ook welke acties de Nederlandse regering heeft ingezet om Polen, Litouwen en Letland aan te spreken op de pushbacks die niet toegestaan zijn? Heeft de Nederlandse regering ervoor gepleit dat Polen de media en hulpverleners toe laat tot het grensgebied?

Antwoord

Het kabinet deelt de zorgen van uw Kamer over de situatie aan de grenzen met Belarus. Het is een bewuste en volstrekt onacceptabele strategie van het regime in Belarus om migranten te misbruiken voor eigen geopolitieke doeleinden. Daar dient de EU kordaat op te reageren. Dat gebeurt ook: Op 2 december jl. een vijfde sanctiepakket aangenomen naar aanleiding van het gedrag van het Belarussische regime.

Voorts deelt het kabinet de zorgen over de aanhoudende berichtgeving t.a.v. pushbacks. Grensbeheer dient te allen tijde plaats te vinden conform internationaal en Europees recht, met respect voor mensenrechten, het recht op aanvragen van asiel en met inachtneming van het principe van non-refoulement. Daarop dringt het kabinet bij de betreffende lidstaten met regelmaat aan, zowel in EU-verband als in bilateraal gesprekken. Zo heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de afgelopen maanden diverse gesprekken gevoerd met haar Poolse, Litouwse en Letse collega’s. Tegelijkertijd is de situatie aan de grenzen met Belarus buitengewoon complex, en heeft het kabinet begrip voor de verantwoordelijkheid en verplichting van Europese lidstaten om de grenzen te beschermen. Ook dat draagt Nederland uit in bilateraal en EU-verband.

Ook de Europese Commissie (Commissie) roept op tot transparantie over het handelen aan de grens. Commissaris Johansson is doorlopend in nauw contact met de betrokken lidstaten en heeft onderstreept dat het naleven van Europees en internationaal recht essentieel is, pushbacks nooit genormaliseerd mogen worden en transparantie van het grootste belang is. In debat met het Europees Parlement benoemde zij dat bij het beschermen van de gemeenschappelijke EU-buitengrens, ook de EU-waarden en het EU-acquis dienen te worden beschermd.

Inmiddels heeft de Commissie ook een voorstel gedaan tot een raadsbesluit met voorlopige noodmaatregelen voor de betrokken lidstaten. Het kabinet heeft uw Kamer onlangs het in een BNC-fiche geïnformeerd over zijn standpunt.15

Met betrekking tot de toegang tot het grensgebied voor internationale en humanitaire organisaties en media acht het kabinet het van groot belang dat alle Europese lidstaten aan de grenzen met Belarus ongehinderde toegang verlenen voor internationale en humanitaire organisaties ten behoeve van hulpverlening en volgt het de ontwikkelingen goed. Daarnaast deelt het kabinet de opvatting van deze leden over het grote belang van transparantie en toegang voor de media tot de grensgebieden. Het kabinet heeft hiervoor regelmatig gepleit in bilateraal- en EU-verband en zal dat ook blijven doen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie naar aanleiding van het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan

Na kennis te hebben genomen van het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan16 zijn de leden van de GroenLinks-fractie verontrust door de verregaande maatregelen die hierin worden voorgesteld. Deze leden hebben twijfels over de waarborgen die in de maatregelen zijn ingebouwd, de rechtmatigheid van het action plan, en de uiteindelijke effectiviteit. De leden van de fractie van GroenLinks hebben hierover dan ook enkele vragen.

  • 1. Het Counter-Terrorism Action Plan Afghanistan streeft het doel na dat op 17 september 2021 is gepresenteerd door de Raad (Buitenlandse Zaken) van de EU: «Voorkomen moet worden dat Afghanistan een uitvalsbasis wordt voor terrorisme of dat vanuit dat land terrorisme wordt gefinancierd of naar andere landen geëxporteerd. Alles moet in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat de taliban alle directe en indirecte banden met internationale terroristische organisaties verbreken.» Het Action Plan bevat 23 aanbevelingen voor maatregelen, met vier hoofdonderwerpen: (a) veiligheidscontroles, (b) strategische inlichtingen/prognoses, (c) monitoren en bestrijden van propaganda en mobilisatie en (d) bestrijden van georganiseerde criminaliteit als bron van terrorismefinanciering. Voor de uitvoering van dit actieplan moeten de lidstaten aan de hand van de aanbevelingen maatregelen nemen en acties ondernemen. Is de regering van plan op grond van dit actieplan een eigen nationaal plan te ontwikkelen, en zo ja, op welke manier wil de regering met deze aanbevelingen aan de slag? Zal de uitvoering van de aanbevelingen tot specifieke be leidswijzigingen op de vier bovengenoemde gebieden leiden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, wat is dan materiële betekenis van dit actieplan?

  • 2. Kan de regering concreet aangeven hoe de uitvoering van de aanbevelingen in het actieplan verschillende beleidsterreinen zal beïnvloeden? Kan de regering daarbij in ieder geval speci fiek ingaan op asiel- en vreemdelingenbeleid, grensbewaking, en gegevensuitwisseling, en andere relevante beleidsterreinen?

Antwoord 1 en 2

Het kabinet acht het van belang dat EU zich voorbereidt op mogelijke migratiestromen vanuit Afghanistan naar de regio. Ook dient te worden voorkomen dat Afghanistan opnieuw een uitvalsbasis wordt voor internationaal terrorisme. De EU moet daarbij streven naar geïntegreerde aanpak met aandacht voor zowel gevolgen binnen de EU, als daarbuiten. Het kabinet beschouwt het contraterrorisme-actieplan (CT-actieplan) als een behulpzaam kader dat lidstaten helpt om voorbereidingen te treffen en, indien de noodzaak zich voordoet, actie te kunnen ondernemen tegen een mogelijke dreiging voor de interne veiligheid van de EU die voortkomt uit de situatie in Afghanistan. Het merendeel van de in het CT-actieplan opgenomen elementen zijn gestoeld op bestaande afspraken en samenwerkingsverbanden binnen de EU, maar zijn in reactie op de situatie in Afghanistan gebundeld in een CT-actieplan.

Het Nederlandse beleid om terroristische dreiging tegen te gaan, zoals vastgelegd in de Nederlandse contraterrorismestrategie, past binnen de kaders van dit CT-actieplan. Gelet op het grensoverschrijdende aspect van de mogelijke terrorismedreiging heeft het kabinet het CT-actieplan verwelkomd, als extra stimulans aan en ondersteuning voor lidstaten waar de dreiging minder scherp voor ogen staat, of daar waar extra steun gewenst is. Het kabinet heeft dit standpunt in EU-verband uitgedragen en daarbij vooral het belang van informatie-uitwisseling en een gecoördineerde aanpak benadrukt. De nationale veiligheid blijft primair de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de EU kan met dit CT-actieplan van meerwaarde zijn bij het verbeteren van de informatie-uitwisseling, de coördinatie van de aanpak van grensoverschrijdende fenomenen en de samenwerking met derde landen.

  • 3. Een substantieel aantal van de aanbevelingen hebben betrekking op gegevensverzameling en -uitwisseling binnen en tussen de lidstaten en de EU. Deze aanbevelingen roepen bij de leden vragen op met betrekking tot de gehanteerde procedures en de ingebouwde waarbor gen.

    • a. Kan de regering aangeven wat deze aanbevelingen concreet betekenen voor Nederland? Op welke manier zal gegevensuitwisseling plaatsvinden? Is er bij het verzamelen en uitwisselen van de gegevens van Afghanen sprake van een ander regime dan bij andere vreemdelingen? Welke (inter)nationale waarborgen en toezichtsmogelijkheden zijn van toepassing bij het plaatsen van een Afghaan op een lijst van mogelijke terroristen? Hoe betrouwbaar is de eventuele informatie op basis waarvan een iemand als een verdachte van terrorisme kan worden gezien, en hoe wordt deze be trouwbaarheid vastgesteld?

Antwoord 3a

Zoals hierboven gesteld, leiden de aanbevelingen niet tot wijzigingen in het Nederlandse beleid. Voor gegevensuitwisseling in EU-verband wordt gebruik gemaakt van een palet aan reeds beschikbare EU-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, zoals het Schengeninformatiesysteem, of van systemen uit asiel- en migratieketen, zoals Eurodac en het Visuminformatiesysteem (VIS). De inzet van deze systemen gebeurt volgens de reeds geldende wettelijke kaders.

Informatie wordt zorgvuldig getoetst en geduid en onder toezicht geplaatst binnen de nationale juridische kaders die worden gesteld zoals de Wet Politiegegevens (WPG), EU-wetgevingen en conform internationale waarborgen zoals gesteld door het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).

  • 3.

    • b. Bestaan er Europese lijsten van personen die verdacht worden van terrorisme?

Antwoord 3b

Europese databases zoals het Schengen-informatiesysteem (SIS) bieden lidstaten onder andere de mogelijkheid om individuen te signaleren die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, waaronder terrorismeverdachten. Daarnaast zijn er EU-sanctielijsten waarop individuen of organisaties kunnen worden gezet in het kader van terrorismebestrijding. Een plaatsing op deze lijst volgt op voordracht van (één van) de lidstaten en wordt gebaseerd op een besluit van een nationale competente autoriteit; bijvoorbeeld op basis van een nationale veroordeling voor terrorisme of plaatsing op een nationale sanctielijst voor terrorisme. Lidstaten besluiten hierover met unanimiteit. Betrokken personen en organisaties kunnen hun plaatsing op een sanctielijst aanvechten bij het EU Hof van Justitie.

  • 3.

    • c. Is Europol de leidende organisatie bij het verzamelen en delen van de gegevens, of zijn er inlichtingendiensten bij betrokken?

Antwoord 3c

Nee, conform haar mandaat heeft Europol uitsluitend een faciliterende rol ten aanzien van de lidstaten en de wijze waarop zij opsporingsinformatie delen. Conform artikel 4.2. van het verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn lidstaten zelf verantwoordelijk voor hun nationale veiligheid. Grensoverschrijdende samenwerking en informatiedeling tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten vindt bilateraal en multilateraal plaats en is deels verankerd binnen de Counter Terrorism Group (CTG). Dit is een samenwerkingsverband van de veiligheidsdiensten uit de EU-lidstaten plus Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland.

  • 3.

    • d. De leden van de fractie van de GroenLinks-fractie vrezen dat mensen mogelijk op basis van vage informatie op verkeerde lijsten terecht zullen komen waarvan zij ten eerste geen weet van hebben en ten tweede moeilijk vanaf kunnen komen. Hoe beoordeelt de regering deze zorg? Hoe transparant zijn de procedures waarmee personen op deze lijsten worden geplaatst, en waarmee personen er weer vanaf gehaald kunnen worden? En hoe transparant zijn de gebruikte informatiebronnen?

Antwoord 3d

Het kabinet hecht veel belang aan informatiedeling, en zet zich voortdurend ervoor in dat dit gebeurt conform de fundamentele rechten en privacywaarborgen. De huidige EU-instrumenten zijn sterk gebonden aan wettelijke kaders en richtlijnen ten aanzien van de transparantie van procedures en gebruikte informatiebronnen. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3b, kunnen betrokken personen en organisaties hun plaatsing op een sanctielijst aanvechten bij het EU Hof van Justitie. Het kabinet oordeelt dat daarmee aan deze zorg voldoende tegemoet is gekomen. Bij aanpassing en/of ontwikkeling van nieuwe instrumenten blijft het kabinet er scherp op toezien dat deze waarborgen behouden blijven.

  • 3.

    • e. Kan een persoon die zich aanmeldt voor een asielprocedure buiten zijn eigen weten op een lijst van mogelijke terroristen terechtkomen? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bijvoorbeeld onschuldige asielzoekers niet ten onrechte van terrorisme worden verdacht?

Antwoord 3e

Zoals ook gesteld in het verslag van het Schriftelijk Overleg over de JBZ-Raad van 31 augustus 2021, dat uw Kamer in afschrift is toegekomen, maken screening en onderzoek naar mogelijke risico’s voor openbare orde en nationale veiligheid vast onderdeel uit van de asielprocedure. Het asielproces start met de identificatie en registratie door de politie of door de Koninklijke Marechaussee (Kmar), waarbij ook aandacht is voor mogelijke signalen van mensenhandel, of van een bedreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid. Vervolgens screent de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) waarna verdere behandeling van de asielaanvraag volgt. In het aanmeldproces onderzoekt de IND onder meer of er signalen zijn die wijzen op (identiteits-)fraude, een bedreiging voor de nationale veiligheid, of op mensensmokkel/mensenhandel. Zoals eerder aan de Tweede Kamer gemeld, is in de kleine vreemdelingenketen17 een meldstructuur ingericht waarbij signalen die mogelijk de nationale veiligheid kunnen raken (op ieder moment van de asielprocedure) worden doorgegeven aan de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten.18

Indien – bijvoorbeeld uit een ambtsbericht van de AIVD of een veroordeling wegens een terroristisch misdrijf – blijkt dat een vreemdeling daadwerkelijk een bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, kan een asielaanvraag worden afgewezen op grond van gevaar voor de nationale veiligheid. Daarnaast wordt een inreisverbod opgelegd voor de periode van 20 jaar. Dit inreisverbod wordt gesignaleerd in SIS. Betrokkenen kunnen zich hiertegen verweren en in (hoger) beroep gaan. Er is bij de IND geen sprake van (het bijhouden van) een lijst van mogelijke terrorismeverdachten.

Signalering in SIS gebeurt conform de SIS-verordening. (Europese) privacytoezichthouders zien toe op de bescherming van de persoonsgegevens die via de systemen worden uitgewisseld. Personen kunnen bij Schengenlidstaten vragen om inzage in hun gegevens.

  • 3.

    • f. Bij aanbeveling 2 wordt gerefereerd naar bestaande praktijken van informatie-uitwisseling. Bestaan er op dit moment Europese lijsten die specifiek gericht zijn op mensen afkomstig uit bepaalde landen, zoals uit Irak en Syrië? Kan de regering meer informatie geven over de genoemde bestaande praktijken? Heeft Nederland namen aangeleverd voor dergelijke lijsten of beoogt Nederland dit in de toekomst te doen? Welke organisatie en/of instituut houdt hier toezicht op?

Antwoord 3f

Aanbeveling 2 verwijst naar de inspanningen van de EU en lidstaten, waaronder Nederland, om in de context van de verhoogde terrorismedreiging en de uitreis van Foreign Terrorist Fighters (FTFs) naar onder andere Syrië en Irak de onderlinge informatiedeling te verbeteren. De informatie-uitwisseling ziet op gegevens die zijn gebaseerd op een veiligheidsdreiging, niet op nationaliteit of afkomst. Het kabinet heeft in het verleden niet bijgedragen, noch beoogt het in de in toekomst bij te dragen aan eventuele instrumenten of lijsten die specifiek gericht zijn op mensen afkomstig uit bepaalde landen.

  • 4. Het actieplan benadrukt het belang van de slagveldinformatie. Betrouwbare informatie is van cruciaal belang. Op basis van foute informatie voerden de Verenigde Staten op 29 augustus 2021 een droneaanval in Afghanistan uit waarbij tien slachtoffers vielen, waaronder drie kinderen. De Verenigde Staten veronderstelde dat ze een terrorist aan het elimineren waren, en feitelijk doodden ze onschuldige burgers. Dit voorbeeld laat zien hoe moeilijk het vergaren van informatie in Afghanistan is. Zelfs in het actieplan zelf lijkt te worden toegegeven dat er op bepaalde gebieden een gebrek aan informatie is, bijvoorbeeld door het gebruik van de kwalificatie «naar verluidt» over het aandeel van de Taliban in de opiumproductie en de papaverteelt in Afghanistan. Gezien het feit dat alle internationale troepen Afghanistan hebben verlaten en ook Afghanen die met het Westen hebben samengewerkt ofwel geëvacueerd zijn ofwel een groot gevaar lopen vermoord te worden, hoe dienen de lidstaten actuele en betrouwbare informatie te vergaren? Wat voor problemen voorziet de regering hierin, en hoe zouden die problemen opgelost of voorkomen kunnen worden?

Antwoord 4

Het kabinet acht beschikking over betrouwbare inlichtingen eveneens van groot belang en erkent de complexiteit van het verkrijgen van informatie gezien de huidige situatie in Afghanistan. Die complexiteit is inherent aan de vergaring van betrouwbare slagveldinformatie, en kan per situatie beperkingen opleveren voor de mate waarin dit voor Nederland en/of internationale partners mogelijk is. Het is tevens mogelijk dat Nederland bij gebrek aan eigenstandige onderzoeksmogelijkheden hiervoor (deels of volledig) afhankelijk is van internationale partners.

Het is in algemene zin van belang om met de internationale gemeenschap actief in te zetten op het delen en analyseren van de slagveldinformatie die tot op heden is verkregen of die mogelijk in de toekomst nog kan worden verkregen. Daarbij onderstreept het kabinet wel de realiteit dat het per situatie verschilt of, en zo ja in hoeverre, (met terugwerkende kracht) betrouwbare slagveldinformatie kan worden verkregen.

Naast dat het actieplan het belang van betrouwbare slagveldinformatie onderstreept, delen ook de NAVO-bondgenoten, VN-leden en de bredere internationale gemeenschap dit standpunt. In NAVO-verband is overeengekomen dat het opbouwen van een gedegen dreigingsanalyse essentieel is, Nederland heeft hiervoor expliciet zijn steun uitgesproken. Het actieplan onderschrijft het belang van NAVO-samenwerking op dit gebied.

Het kabinet zet voorts in op zorgvuldige duiding en verwerking van slagveldinformatie door de eigen nationale ketenpartners. In EU-verband wijst het kabinet herhaaldelijk op het belang om wettelijke kaders en fundamentele rechten te respecteren. Daarnaast zet het kabinet zich ervoor in dat de derdelandsinformatie in de geëigende kanalen wordt gedeeld en dat de verantwoordelijkheid voor de duiding en verwerking bij de EU LS blijft.

  • 5. Het actieplan benadrukt ook samenwerking met buurlanden van Afghanistan over wiens grondgebied Afghanen naar de EU reizen. Pakistan, Iran en Turkije zijn hierbij de belangrijkste. Op welke manier werkt Nederland met deze landen – die het niet nauw nemen met de mensenrechten – samen? In welke mate zijn de EU lidstaten voor hun informatievoorziening afhankelijk van deze landen? Indien er sprake is van een dergelijke afhankelijkheid, ziet de regering dan een spanning tussen die afhankelijkheid en de toewijding van de EU aan mensenrechten? Zo ja, hoe wordt deze spanning beperkt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Waarborgen van fundamentele rechten en privacy zijn voor het kabinet het uitgangspunt bij informatie-uitwisseling en overige samenwerking met alle landen.

Dat geldt in ieder ook voor de samenwerking van Nederland met genoemde landen. Vanwege zijn ligging speelt Turkije bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de aanpak van uitreizigers en Nederland en Turkije werken nauw samen op het gebied van terrorismebestrijding. In algemene zin geldt dat, zowel bilateraal als in EU-verband, in de relatie met niet EU-landen wordt gezocht naar constructieve samenwerking, maar ook naar ruimte voor het benoemen van zaken waarover we het niet eens zijn, of waarover zorgen bestaan. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar vraag 12, waar wordt ingegaan op de dialoog met Saoedi-Arabië.

  • 6. In het actieplan wordt een «regionaal politiek samenwerkingsplatform met de buurlanden van Afghanistan» genoemd, dat als resultaat van de Gymnich-bijeenkomst van 3 september 2021 zal worden opgezet. Kan de regering meer informatie verschaffen over de beoogde sa menstelling en de beoogde doelen van dit samenwerkingsplatform? Kan de regering daarbij ook een appreciatie geven van de haalbaarheid van deze doelen voor een dergelijk platform?

Antwoord 6

Het kabinet acht het van belang om de regio te betrekken en dat de EU hierin een belangrijke rol speelt. Dit doel kan op verschillende manieren worden bereikt. De EU heeft verschillende initiatieven genomen om landen uit de regio bij elkaar te brengen. Dat heeft nog niet tot formele samenwerkingsstructuren geleid. Wel heeft de EU de bilaterale banden met relevante spelers in de regio inzake Afghanistan nadrukkelijk geïntensiveerd. Ook steunt het kabinet het werk van de Speciale Vertegenwoordigers van de EU voor Centraal Azië en voor Afghanistan die de regio regelmatig bezoeken. Daarnaast is het van belang dat de EU zoveel mogelijk aangehaakt is bij al bestaande regionale overlegstructuren zoals de Trojka Plus waar de VS, China, Rusland en Pakistan toe behoren.

  • 7. Aanbeveling één noemt inzet van databanken bij systematische controles van biografische en biometrische gegevens van Afghaanse of vermeende Afghaanse onderdanen, «overeenkomstig de bestaande wettelijke vereisten voor zulke bevragingen». Hoe is het toezicht op de naleving van deze wettelijke vereisten in de context van gegevens over Afghanen georganiseerd? Valt dit onder de toezichtsorganen van de verschillende databanken, of zijn hier aparte regelingen voor?

Antwoord 7

EU-lidstaten hebben eigen nationale wettelijke kaders voor de systematische controle van biografische en biometrische gegevens. Bij Europese databases zoals SIS en Eurodac zijn de wettelijke vereisten en het toezicht vastgelegd in de betreffende verordeningen. In Nederland is de vergelijking van gegevens met nationale of Europese databases terug te vinden in de vreemdelingenwet. Daarin is onder andere vastgelegd dat er een openbare orde en nationale veiligheidscheck wordt gedaan vanuit de asielprocedure, kijkend naar strafrechtelijke gegevens (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3e).

  • 8. In aanbeveling zes wordt gesteld dat «voor personen die in de Westelijke Balkan in transit zijn geplaatst en aan wie een inreisvisum voor de VS is geweigerd, (...) de regering van de VS [moet] worden verzocht hun persoons- en biometrische gegevens te delen met de autoriteiten van de lidstaten en/of Europol, evenals de redenen van afwijzing». Om hoeveel personen gaat het hierbij? Welke consequenties heeft het voor die landen? Wat is de rol van de EU in dit proces?

Antwoord 8

De EU CTC staat in nauw contact met de VS over de voortgang van het evacuatieproces van de personen die in de Westelijke Balkan in transit zijn. Niet allen hebben de VS als eindbestemming. De betrokken landen ontvangen steun van NAVO-bondgenoten bij het afnemen van de veiligheidsscreening van de evacuees. Omdat dit een zorgvuldig proces betreft dat uit verschillende stappen bestaat is er nog geen duidelijkheid hoeveel personen een inreisvisum wordt geweigerd en op grond waarvan. De EU CTC ontvangt de voor de EU relevante (veiligheids-)informatie die met relevante instanties en/of landen wordt gedeeld.

  • 9. Op pagina zeven wordt gesteld dat «uitwisseling van strategische informatie en regelmatig overleg met belangrijke partners (...) van essentieel belang» zijn. Welke partners worden hiermee bedoeld? Gaat het om Pakistan? Om Centraal-Aziatische landen? Welke rol hebben de Golfstaten hierin?

Antwoord 9

Deze partners zijn niet verder gespecificeerd. Onderdeel van het bredere mandaat van EU CTC is de communicatie tussen de EU en derde landen op het gebied van terrorismebestrijding. In dit kader voert de EU CTC frequente contraterrorisme-dialogen, waaronder dialogen met Centraal-Aziatische landen en de Golfstaten. EU CTC informeert de lidstaten en de desbetreffende raadswerkgroepen en waar nodig de JBZ-Raad over zijn contacten met derde landen en de voor de lidstaten relevante informatie.

  • 10. Aanbeveling acht stelt dat het EU Intcen moet zorgen voor intensievere rapportage om de aanwezigheid van terroristische groeperingen in Afghanistan te beoordelen. Waar of bij wie komen die rapportages terecht? En wie houdt hier toezicht op?

Antwoord 10

Het EU Intelligence Analysis Centre (EU INTCEN) is onderdeel van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en valt onder verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie. INTCEN stelt, op basis van de bijdragen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Europese lidstaten, strategische analyses op ten behoeve van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, ook op het gebied van terrorismebestrijding. Deze inlichtingenanalyses worden opgesteld ten behoeve van relevante EU-beleidsmakers. Het veiligheidsdirectoraat van EDEO houdt toezicht op de informatiebeveiliging en omgang met deze gerubriceerde rapportages.

  • 11. In aanbeveling veertien wordt gesproken over tegendiscours. Kan de regering deze term nader duiden, wat deze term precies inhoudt in de context van dit actieplan? Wordt hiermee propaganda bedoeld? Welke tegendiscours kan effectief ingezet worden als na twintig jaar de westerse landen onder leiding van de VS Afghanistan in de handen van Taliban hebben achtergelaten, en alle Afghanen die inderdaad in afgelopen 20 jaar met geloof in democratie en mensenrechten aan het opbouw van een nieuw Afghanistan hebben gewerkt in steek hebben gelaten? Welk geloofwaardig narratief wordt in die context nagestreefd? Welke ideeën heeft de regering hierover?

Antwoord 11

Strategische communicatie, waaronder de inzet van een tegendiscours, kan dienen als een instrument om terroristische propaganda, rekrutering en haatzaaien tegen te gaan, weerbaarheid te vergroten en te voorkomen dat (kwetsbare) personen (verder) radicaliseren. Vanuit ervaring in andere landen en binnen de anti-ISIS-coalitie zijn lessen te trekken en kan het instrument van strategische communicatie verder worden ontwikkeld. Het Radicalisation Awareness Network (RAN) en de afdeling strategische communicatie van de EU (inclusief de EDEO) zijn het meest aangewezen om vanuit hun rol, op basis van deze informatie, te bezien of dit instrument moet worden ontwikkeld en ingezet voor Afghanistan.

In de weerbarstige context van Afghanistan is het de internationale gemeenschap niet gelukt om Afghanistan te helpen een stabiele democratische staat op te bouwen. Dankzij de inspanningen van de internationale gemeenschap is wel een generatie Afghanen opgegroeid in een vrijer en opener Afghanistan. Het kabinet blijft zich inzetten om de Afghaanse bevolking te ondersteunen en om de resultaten die zijn geboekt vast te houden.

  • 12. In aanbeveling vijftien wordt gesteld dat de voortdurende samenwerking van de EU met Saudi-Arabië bij het terugdringen van islamitische extremistische bekeringspogingen kan dienen als voorbeeld voor dialogen met andere landen over terrorismebestrijding. Kan de regering nader duiden wat hiermee wordt bedoeld? Saudi-Arabië is een centrale speler in de export van islamitisch extremistisch gedachtegoed, speelt ook een grote rol in de financiering hiervan, en hanteert zelf een extreme interpretatie van de islam. Hoe kan, met die achtergrond, deze samenwerking op het gebied van het terugdringen van islamitisch extremisme en terrorisme bestaan? Wat houdt deze samenwerking met Saudi-Arabië in? Valt hier ook gegevensuitwisseling onder, en zo ja, hoe is dit vormgegeven? En hoe kan deze samenwerking, gezien de bovengenoemde achtergrond van Saudi-Arabië, gezien worden als een voorbeeld voor andere dialogen over terrorismebestrijding?

Antwoord 12

Het kabinet werkt aan het verbeteren van de transparantie van financiële stromen vanuit het buitenland en heeft mondelinge afspraken gemaakt met verschillende Golflanden, waaronder Saoedi-Arabië, over het delen van informatie over financieringsstromen naar Nederlandse maatschappelijke en religieuze organisaties. Daarnaast vindt er tussen de EU en Saoedi-Arabië een dialoog plaats over het verspreiden van extremistisch materiaal afkomstig uit Saoedi-Arabië. Het kabinet ziet meerwaarde in het gezamenlijk optrekken in EU-verband en moedigt de EU aan hierover de dialoog aan te gaan met landen. Hoewel er inderdaad zorgen zijn over financiering en beïnvloeding vanuit Saoedi-Arabië, vindt er wel een dialoog plaats waarbij Nederland en de EU gelegenheid hebben zorgpunten over te brengen. Dit heeft ook resultaat, zo heeft Saoedi-Arabië in 2020 na gesprekken met Nederland de salarisbetaling aan drie imams in Nederland stopgezet.

  • 13. Kan de regering, met inachtneming van de voorgaande vragen, een nadere reflectie geven op de effectiviteit en rechtmatigheid van de maatregelen in dit actieplan?

Antwoord 13

Zoals gesteld in vraag 1 en 2, acht het kabinet het plan effectief, vooral daar waar het andere lidstaten kan stimuleren hun inzet verder te optimaliseren. Het CT-actieplan neemt de wettelijke kaders zoals deze nationaal en internationaal zijn vastgesteld in acht, en laat de verantwoordelijkheid voor de nationale veiligheid bij de lidstaten.

Bij de evaluatie over zes maanden zal het kabinet opnieuw de effectiviteit en rechtmatigheid van de maatregelen in beschouwing nemen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie n.a.v. het verslag van de formele JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021

De leden van de fractie van de PVV wijzen erop dat in het verslag van de JBZ-Raad van 7–8 oktober 2021 over het EOM het volgende wordt gesteld:

«Daarnaast uitte de Commissie haar zorgen over het feit dat nog niet alle lidstaten wetgeving hebben aangenomen om hun nationale justitiële systemen aan te passen voor de implementatie van de EOM-verordening. Tevens zijn er zorgen over het uitblijven van het aandragen van gedelegeerd Europese aanklagers door een lidstaat.»19

Kan de regering aangeven welke specifieke lidstaten dit betreft en welke eventuele consequenties hieraan verbonden zijn voor betreffende lidstaten ten aanzien van verdere deelname aan het EOM? Kan de regering tevens aangeven in hoeverre het voortduren van deze «zorgen» consequenties kan hebben voor de verdere Nederlandse deelname aan het EOM?

Antwoord

De Commissie heeft voor de JBZ-Raad een vertrouwelijk non-paper opgesteld over de stand van zaken rondom het EOM.20 Daaruit blijkt dat een lidstaat op dit moment nog geen implementatiewetgeving heeft aangenomen. Het is primair aan de Commissie deze lidstaat zo nodig te stimuleren dat alsnog te doen. Het College van het EOM heeft inmiddels op 24 november jl. de twee gedelegeerde Europese aanklagers die nog moesten worden voorgedragen, benoemd. Een en ander is niet van invloed op de verdere deelname van Nederland. Nederland beschouwt het EOM als een belangrijk orgaan om het EU-budget te beschermen tegen corruptie en fraude.

Verder wordt in het verslag over de gedragscode Hate Speech Online het volgende gesteld:

«De Commissie heeft verklaard dat het verspreiden van haatdragende teksten niet kan worden gerekend tot free speech en zodoende tegengegaan moet worden.» En: «Tot slot verklaarde de Commissie dat haatspeech mogelijk tot een Eurocrime dient te worden gerekend.»21

Kan de regering aangeven wat hier concreet de criteria zijn voor «haatdragende teksten», aan welk wettelijk en jurisprudentieel kader dit begrip getoetst wordt en hoe u deze stellingname van de Eu ropese Commissie ziet in het kader van de vrijheid van meningsuiting? Kan de regering tevens aangeven hoe wordt aangekeken tegen het voornemen van de Europese Commissie dit als een «Eurocrime» te beschouwen, wat hiervoor de criteria zijn en wat dit betekent voor de positie aan de autonome nationale rechtsmacht in dit kader?

Antwoord

De Commissie heeft op 8 december jl. een onderbouwd voorstel gedaan, inhoudende dat zij de JBZ-Raad en het Europees Parlement voorlegt te besluiten om haatzaaien en haatmisdrijven toe te voegen aan artikel 83 VWEU (Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie). Uw Kamer ontvangt de kabinetsappreciatie op dit voorstel in het gebruikelijke BNC-fiche. In dat fiche zal het kabinet ingaan op de bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit van het Commissievoorstel.

Een reden voor de samenwerking tussen lidstaten in de strijd tegen haatmisdrijven en haatzaaien is het gedeeltelijke grensoverschrijdend karakter van deze verschijnselen, met name vanwege het online karakter ervan.

In hoeverre kan er sprake zijn van vervolging door het EOM indien dit tot een «Eurocrime» wordt gerekend en acht u dit een wenselijke ontwikkeling? Kan de rege ring tevens nader duiden hoe dit voornemen zich verhoudt tot de Digital Service Act22?

Antwoord

Het mandaat van het EOM is op dit moment beperkt tot het bestrijden van EU-fraude en is rechtstreeks gekoppeld aan de zogenaamde PIF-richtlijn uit 2017.23 Deze richtlijn ziet op maatregelen voor de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de EU schaadt, en bouwt voort op het PIF-verdrag uit 1995. Bestrijding van haatzaaien en haatmisdrijven valt zodoende niet onder het huidige mandaat van het EOM. Het mandaat van het EOM zou in theorie kunnen worden aangepast wanneer hierover unanimiteit wordt bereikt in de Europese Raad. Op dit moment is een uitbreiding van het mandaat voor een dergelijk doel wat het kabinet betreft echter niet aan de orde. De Digital Services Act (DSA) stelt regels over de rol, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van tussenpersonen, die bijdragen aan de bestrijding van illegale inhoud online en systemische risico’s van grote online platforms. Illegale inhoud is daarbij breed gedefinieerd en omvat inhoud die in strijd is met Europese of nationale regelgeving.

Verder geven de leden van de fractie van de PVV aan dat het verslag spreekt over de actieplannen migratie en dat in dit kader het volgende wordt gesteld:

«samenwerking met enkele prioritaire landen te versterken (in Noord-Afrika, Sub-Sahara Afrika, het Midden-Oosten en de Westelijke Balkan).»6

Kan de regering aangeven welke specifieke landen dit betreft en wat deze samenwerking concreet inhoudt: in hoeverre betreft dit bijvoorbeeld afspraken over «gereguleerde» migratie? Kan de regering tevens aangeven in hoeverre er in dit kader een samenhang is met de uitvoering van het VN-Migratiepact en wat hiervan de concrete effecten zijn?

Antwoord

Om invulling te geven aan de externe dimensie van het EU-migratiebeleid, stelt de Commissie actieplannen op voor prioritaire migratielanden in Noord-Afrika, Sub-Sahara Afrika, de Westelijke Balkan en het Midden-Oosten. De Europese Raad van juni jl. had de Commissie hiertoe ook nadrukkelijk opgeroepen. De actieplannen moeten geïntensiveerde dialoog combineren met concrete acties en tastbare steun. Deze plannen worden de komende tijd verder geoperationaliseerd in samenwerking met zowel lidstaten als met de partnerlanden. Gezien het gevoelige karakter van de actieplannen, met name richting de derde landen zelf, zijn deze van vertrouwelijke aard. Ook het lijstje prioritaire landen waarvoor actieplannen zijn opgesteld is vooralsnog geen openbare informatie. Nederland benadrukt richting de Commissie het belang van open communicatie en transparantie wanneer het gaat om de actieplannen en de manier waarop de brede partnerschappen met derde landen worden vormgegeven.

Inhoudelijk verschillen de plannen per land, afhankelijk van de belangrijkste prioriteiten van de EU in de samenwerking. In algemene zin kan worden gesteld dat wordt gezocht naar samenwerking over de volle breedte van de migratieagenda. Dit betreft de aanpak van grondoorzaken, bescherming en opvang in de regio, legale migratie (met eerbiediging van nationale bevoegdheden), terugkeersamenwerking, migratiemanagement, en de aanpak van mensenhandel- en smokkel. In de actieplannen wordt geen link gelegd naar het Global Compact on Migration (GCM). Versterkte migratiesamenwerking met derde landen in zijn algemeenheid sluit wel aan bij de overkoepelende doelstelling van het GCM om internationale samenwerking te bevorderen om migratie op een veilige, ordentelijke en reguliere manier te laten verlopen, met volledig respect voor nationale soevereiniteit.

Over de migratiesituatie op de verschillende routes wordt in het verslag het volgende gesteld:

«Ook benoemde de Commissie de problematiek van secundaire migratie waarbij de Commissie expliciet Nederland noemde als een van de lidstaten die daar het meest mee worden geconfronteerd.»7

Kan de regering de omvang van deze problematiek kwantificeren en aangeven wat de meest betrokken herkomstlanden zijn? Kan de regering tevens aangeven wat de actuele stand van zaken is ten aanzien van het uitzetten van Dublin-claimanten?

Antwoord

Gelet op de geografische ligging van Nederland, is het gros van de vreemdelingen dat hier een asielverzoek indient, voor hun binnenkomst in Nederland door een of meerdere EU-lidstaten gereisd. Een deel van hen is hierbij reeds door een andere EU-lidstaat in de Europese databank Eurodac geregistreerd. Registratie in Eurodac gebeurt wanneer een vreemdeling wordt aangehouden bij het onrechtmatig overschrijden van de EU-buitengrens, of bij het indienen van een asielverzoek in een EU-lidstaat. Indien er voldoende grond is om op basis van de Europese Dublinverordening een andere EU-lidstaat te verzoeken de asielzoeker terug- of over te nemen, dan richt de IND een verzoek hiertoe aan de desbetreffende lidstaat. Een reden om een dergelijk verzoek niet uit te brengen, is onder andere als er jurisprudentie ligt dat een overdracht aan die lidstaat in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Daarnaast hebben de aanhoudende inreisvoorwaarden die landen hebben ingesteld om verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, een grote negatieve impact op de uitvoering van Dublinoverdrachten. Veel Dublinclaimanten weigeren medewerking te verlenen aan de afname van een covidtest en/of weigeren hun eventuele vaccinatiegegevens te delen, waardoor overdracht aan de voor hun asielverzoek verantwoordelijke lidstaat niet kan plaatsvinden. In 2021 is, tot 1 december, in 440 Dublinzaken de uiterste overdrachtsdatum verlopen als gevolg van een testweigering. Hierdoor is Nederland verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Het kabinet zet zich in om met andere EU-lidstaten op basis van wederkerigheid en in lijn met de «Tijdelijke regeling maatregelen COVID-19», bilaterale maatwerkafspraken te maken. Ook verkent het kabinet ter uitvoering van de motie van het lid Valstar (VVD)24 of, en zo ja op welke wijze, onrechtmatig verblijvende vreemdelingen alsnog effectief kunnen worden uitgezet. Hierbij onderzoekt het kabinet ook de praktische en juridische haalbaarheid van het creëren van een wettelijke mogelijkheid/grondslag om onvrijwillig een COVID-test af te nemen te bij (uitgeprocedeerde) vreemdelingen die een rechtsplicht hebben Nederland te verlaten. Dublin-claimanten vallen onder de reikwijdte van de verkenning. Volledigheidshalve verwijst het kabinet hierbij naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over deze motie.25

Verder wordt in het verslag nog het volgende gesteld, zo merken de leden van de fractie van de PVV op:

«Daarbij onderstreepte Nederland het belang om te blijven werken aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in Libië, verbeterde behandeling van vluchtelingen en migranten, inclusief de situatie in de detentiecentra, en het belang van de hervatting van de humanitaire evacuatievluchten.»8

Kan de regering aangeven in hoeverre dergelijke «humanitaire evacuatievluchten» richting Nederland zijn vertrokken en hoeveel personen hiermee uiteindelijk in het Nederlandse asielsysteem zijn beland? Kan de regering tevens aangeven wat de specifieke criteria zijn om plaats te krijgen in zo’n vlucht en hoe en door wie dit ter plaatse in Libië wordt getoetst en beoordeeld?

Antwoord

Er vertrekken geen humanitaire evacuatievluchten vanuit Libië naar Nederland. Bestemmingen zijn onder andere Canada, Italië, Noorwegen en de Emergency Transfer Mechanisms (ETM’s) in Niger en Rwanda. De VN-vluchtelingenorganisatie (UNHCR) doet de selectie voor deze humanitaire vluchten. Het voornaamste criterium waarop geregistreerde vluchtelingen worden geselecteerd voor evacuatie, is kwetsbaarheid. Vanuit genoemde ETM’s worden betrokkenen verder doorgeleid naar duurzame oplossingen zoals terugkeer naar het herkomstland en hervestiging. Nederland heeft het afgelopen jaar op voordracht van de UNHCR ongeveer 25 vluchtelingen vanuit het ETM Niger hervestigd. Dit betrof hervestiging binnen het reguliere jaarlijkse hervestigingsquotum van 500.

Tot slot wijzen de leden van de fractie van de PVV op de volgende passage uit het verslag:

«Europol gaf aan hoe belangrijk het is om de juiste bevoegdheden te hebben om materiaal te kunnen verzamelen en veilig te kunnen stellen ook al is dit van encryptie voorzien.»9

Kan de regering aangeven hoe de (privacy)positie van goedwillende gebruikers van encryptie kan worden geborgd gelet op deze voornemens?

Antwoord

Het kabinet moedigt de beschikbaarheid, het gebruik en de ontwikkeling van sterke encryptie blijvend aan. Dit is belangrijk voor de systeem- en informatiebeveiliging van de maatschappij, bedrijven en de overheid. Sterke encryptie is cruciaal voor de steeds verder dataficerende samenleving26 en beschermt onze maatschappij dan ook tegen kwaadwillende derden, zoals cybercriminelen. Daarnaast versterkt encryptie de internationale concurrentiepositie van Nederland en draagt het bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

Vertrouwen in veilige communicatie en opslag van data is essentieel voor de groeipotentie van de economie, die vooral zit in de digitale economie. Het kabinet zal dit dan ook blijven uitdragen. Eveneens is encryptie belangrijk voor de bescherming van fundamentele rechten, zoals het recht op de persoonlijke levenssfeer en het communicatiegeheim. Desalniettemin kan het nadelige effect van versleuteling op de uitvoering van de wettelijke taak van opsporings- en inlichtingen en veiligheidsdiensten niet worden genegeerd.

Rechtmatige toegang tot digitale gegevens in zijn algemeenheid is steeds belangrijker voor bevoegde autoriteiten om strafbare feiten op te sporen en de nationale veiligheid te beschermen. Encryptie vormt, waar het wordt toegepast door kwaadwillenden, een belemmering voor de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij de toegang tot die gegevens. Zij ervaren deze belemmeringen bijvoorbeeld wanneer zij onderzoek doen naar de verspreiding en opslag van kinderporno, bij de ondersteuning van militaire missies in het buitenland, het tegengaan van cyberaanvallen of wanneer zij zicht willen krijgen en houden op het voorbereiden van aanslagen door terroristen. Criminelen, terroristen en tegenstanders in gewapende conflicten zijn zich er vaak van bewust dat zij op enig moment de aandacht van de diensten kunnen trekken en hebben tegenwoordig eveneens beschikking over geavanceerde encryptiemethoden die lastig zijn te omzeilen of te doorbreken. Het gebruik van dergelijke methoden vereist weinig technische kennis, aangezien encryptie vaak integraal deel uitmaakt van de internetdiensten waarvan ook zij gebruik kunnen maken. Dat bemoeilijkt, vertraagt, of maakt het onmogelijk om (tijdig) inzicht te verkrijgen in de communicatie ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid en de opsporing van strafbare feiten. Tevens kan het onderzoek ter zitting en de bewijsvoering voor een veroordeling ernstig worden gehinderd.

Om deze reden wordt op dit moment een inventarisatie uitgevoerd naar de mogelijkheden om rechtmatige toegang tot versleuteld bewijs te verkrijgen en de voor- en nadelen daarvan. Deze discussie vindt op dit moment ook op Europees niveau plaats.27 Daarbij moet worden gezegd dat het inherent is aan een inventarisatie dat de conclusie mogelijk blijft dat op er op dit moment nog steeds geen zicht is op mogelijkheden om in algemene zin rechtmatige toegang tot inhoud van communicatie van subjecten en verdachten via over-the-top (OTT)-communicatiediensten te krijgen zonder daarmee de veiligheid van digitale systemen die van encryptie gebruik maken te compromitteren.28

We streven naar een oplossing die de bovengenoemde belangen tegelijkertijd waarborgt alsook in evenwicht brengt. Zoals gemeld in eerdere Kamervragen van het lid Verhoeven (D66) streeft het kabinet naar oplossingen binnen de kaders van het kabinetsstandpunt op encryptie die recht doen aan de belangen van de opsporing en de nationale veiligheid29. Dit demissionaire kabinet zet geen onomkeerbare stappen.30


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV) (voorzitter), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Stienen (D66) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van den Berg (VVD), De Blécourt-Wouterse (VVD), Doornhof (CDA), Karimi (GL), Veldhoen (GL), Vos (PvdA), De Vries (Fractie-Otten), Keunen (VVD), Dittrich (D66), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU) en Hiddema (FVD).

X Noot
2

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO.

X Noot
3

Samenstelling:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Van den Berg (VVD), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga). Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU) en Hiddema (FVD).

X Noot
4

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO.

X Noot
6

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 6.

X Noot
7

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 7.

X Noot
8

COM(2020)825.

X Noot
9

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 8.

X Noot
10

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 9.

X Noot
11

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 9.

X Noot
12

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 10.

X Noot
13

Kenmerk 169931.03U.

X Noot
14

Kenmerk 3784230.

X Noot
15

Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, kenmerk 2021Z23942, d.d. 17 december 2021.

X Noot
17

De kleine vreemdelingenketen bestaat uit de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de Dienst Terugkeer en Vertrek.

X Noot
18

Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, Kamerstuk 19 637, nr. 2397 d.d. 14 juni 2018.

X Noot
19

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 6.

X Noot
20

Doc. 14220/21.

X Noot
21

Kamerstukken I, 2021–2022, 32 317, MO, p. 7.

X Noot
22

COM(2020)825.

X Noot
23

COM(2017)1371. PIF komt van het Franse protection des intérêts financiers, bescherming van financiële belangen.

X Noot
24

Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, Kamerstuk 35 925 VI, nr. 58, d.d. 25 november 2021.

X Noot
25

Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, Kenmerk 2021Z23919, d.d. 17 december 2021.

X Noot
26

Een samenleving waarin steeds meer wordt uitgedrukt in data en die digitaal in verbinding staat.

X Noot
27

Kamerstukken II, vergaderjaar 2020–2021, Kamerstuk 26 643, nr. 729, d.d. 14 december 2020.

X Noot
28

OTT-informatiediensten sturen informatie direct naar de eindgebruiker en kennen op dit moment geen aftapverplichting, waardoor ze niet aftapbaar zijn voor opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

X Noot
29

Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nrs. 758 en 1095.

X Noot
30

Kamerstukken II, vergaderjaar 2020–2021, Kamerstuk 26 643, nr. 748, d.d. 12 maart 2021.

Naar boven