Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-201132317 nr. AI

32 317 JBZ-Raad

AI VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 april 2011

De vaste commissie voor de JBZ-Raad1 heeft in haar vergadering van 15 maart 2011 gesproken over het verslag van de informele JBZ-Raad van 20 en 21 januari 2011.

De commissie heeft naar aanleiding hiervan de minister van Veiligheid en Justitie op 18 maart 2011 een brief gestuurd.

De minister heeft op 7 april 2011 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor de JBZ-Raad,

Kim van Dooren

BRIEF AAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Den Haag, 18 maart 2011

De vaste commissie voor de JBZ-Raad heeft in haar vergadering van 15 maart 2011 gesproken over het verslag van de informele JBZ-Raad van 20 en 21 januari 2011. U hebt dit verslag bij brief van 16 februari 2011 aan de Eerste Kamer aangeboden. De commissie legt u naar aanleiding van de agendapunten «Interne veiligheid» en «Erfrecht» graag enige vragen voor.

Interne veiligheid

Onder dit agendapunt is gesproken over de aanpak van georganiseerde misdaad in het algemeen en de aanpak van nieuwe dreigingen – zoals cybercrime – in het bijzonder. De commissie onderkent het grote belang van een EU-brede aanpak van deze vormen van criminaliteit. Zij verzoekt u een uiteenzetting te geven van de overwegingen bij en mogelijk concrete uitwerking van deze EU-aanpak en grensoverschrijdende samenwerking. Kunt u daarbij aangeven welke specifieke mogelijkheden de Nederlandse regering ziet?

Erfrecht

Naar de commissie aanneemt, gaat het bij dit agendapunt om het in 2009 ingediende voorstel voor een verordening betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.2 In het verslag valt te lezen dat de meeste lidstaten aandrongen op helderheid en duidelijkheid in de verordening. In dat licht verneemt de commissie graag van u wanneer precies sprake is van een «grensoverschrijdende erfenis». Verder vraagt de commissie zich af of een eenvormige verordening, die voor alle 27 lidstaten gaat gelden, wel adequate oplossingen kan bieden voor bilaterale problemen die zeer divers van aard zullen zijn vanwege de zeer uiteenlopende erfrechtstelsels. De commissie ontvangt graag van u een nadere toelichting.

Voorzitter van de vaste commissie voor de JBZ-Raad,

M. J. M. Kox

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 april 2011

In antwoord op uw brief d.d. 18 maart 2011 met vragen naar aanleiding van het verslag van de informele JBZ-Raad van 20 en 21 januari deel ik u het volgende mede.

U verzocht in uw brief om een uiteenzetting over de concrete uitwerking van een EU-aanpak en grensoverschrijdende samenwerking bij de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Ik zal hieronder enerzijds schetsen welke acties door de Commissie zijn aangekondigd en anderzijds welke concrete acties de regering zelf zal ondernemen.

In de Mededeling van de Europese Commissie «De EU Interne Veiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa» worden vijf strategische doelen geïdentificeerd met maar liefst 44 daarbij horende acties. U bent via een kabinetsreactie op de hoogte gesteld van de Nederlandse appreciatie van de in de mededeling voorgestelde acties (Kamerstukken II, 2011/11, 32 317 nr. 32). In 2011 zullen de onderstaande acties nog worden genomen ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit. De Commissie heeft reeds een voorstel gepresenteerd voor het gebruiken van EU-passagiersgegevens voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van zware criminaliteit en terroristische misdrijven; de Commissie zal een voorstel presenteren inzake het toezicht op en ondersteuning van anticorruptie-inspanningen van de lidstaten; de Commissie zal samen met lidstaten een netwerk opzetten van nationale contactpunten op het terrein van de bestuurlijke aanpak van criminaliteit en de Commissie zal een voorstel doen inzake confiscatie van crimineel vermogen (gericht op confiscatie bij derden, ruimere confiscatiemogelijkheden en confiscatiebevelen zonder veroordeling). Nederland steunt deze voorstellen in grote lijnen. Met name bij de totstandkoming van het netwerk van contactpunten op het terrein van de bestuurlijke aanpak speelt Nederland een rol als voortrekker.

In EU-verband heeft Nederland zich ingezet – en zal dit blijven doen – voor een optimale uitvoering en benutting van bestaande maatregelen en instrumenten, met een focus op het stimuleren en versterken van de operationele samenwerking met rechtshandhavingdiensten van andere lidstaten en met de relevante Europese organisaties die daarbij een rol hebben te vervullen, zoals Europol en Eurojust. Daarbij heeft Nederland zich hard gemaakt voor het meer operationeel maken van de prioriteiten op het gebied van zware en georganiseerde criminaliteit die op EU-niveau worden gesteld. Inmiddels is door de JBZ-Raad een EU-beleidscyclus voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit afgesproken. Bij de totstandkoming van deze cyclus is vooral naar de behoeften vanuit de operationele praktijk gekeken. Dit heeft geleid tot een grotere rol vanuit deze praktijk bij de totstandkoming van de toekomstige prioriteitstelling op het gebied van bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Naast deze communautaire acties heb ik nog enkele projecten en/of acties aangedragen tijdens de informele bijeenkomst van de Raad van JBZ-ministers afgelopen januari die opvolging verdienen in EU-verband. Het ging hier om projecten waarbij Nederland goede ervaringen heeft en die wellicht nog effectiever zouden kunnen zijn als deze uitgebreid zouden worden naar andere EU-lidstaten. De eerste «best practice» is onze ervaring met de hierboven vermelde bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit. Er is in 2010 samen met de Europese Commissie (DG JLS) en het toenmalige EU voorzitterschap een EU expertmeeting georganiseerd over dit onderwerp. Ik zou – naast het uitwisselen van onze goede ervaringen met deze aanpak met andere lidstaten – graag zien dat in EU-verband wordt onderzocht of en hoe het mogelijk is om grensoverschrijdend (operationeel) samen te werken door bestuurlijke, politiële en justitiële informatie uit te wisselen. Nederland zal zich de komende tijd voor dit punt blijven inzetten in Brussel.

Ook heb ik in EU-verband gemeld dat ik veel mogelijkheden zie voor publiek-private samenwerking. Dergelijke samenwerking werkt mijns inziens, omdat probleemeigenaren zelf kunnen bijdragen aan de oplossing van hun probleem en daarmee hun eigen veiligheid, met hulp van de overheid, kunnen vergroten. Dergelijke samenwerking is denkbaar bij zeer uiteenlopende vormen van criminaliteitsbestrijding. Zo kan, zoals in Nederland al gebeurt, worden samengewerkt met transportorganisaties om ladingdiefstallen te bestrijden en met banken en internetproviders om cybercrime aan te pakken.

Ik wil mij de komende tijd verder inzetten om meer grensoverschrijdend samen te werken met andere EU lidstaten en dan vooral ook met onze buurlanden. Zo heb ik 5 april jl. gezamenlijk met mijn Belgische en Luxemburgse collega’s een conferentie georganiseerd over cyber security, waarbij beleidsmakers, wetenschappers, het bedrijfsleven en opsporingsinstanties samen zijn gebracht om de samenwerking binnen de Benelux-landen op dit terrein te verbeteren en «best practices» op het gebied van publiek-private samenwerking op dit terrein uit te wisselen. Het is de bedoeling dat een dergelijke bijeenkomst jaarlijks wordt georganiseerd en zal leiden tot betere samenwerking bij onze inzet voor een betere cyberveiligheid.

U stelde daarnaast de vraag wanneer er sprake zal zijn van een grensoverschrijdende erfenis. Dit is het geval wanneer bij het vaststellen van de omvang of de verdeling van de nalatenschap of bij het aanwijzen van de begunstigden van de nalatenschap een grensoverschrijdend aspect aanwezig is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien goederen van de nalatenschap zich niet enkel in één lidstaat van de EU bevinden of als erfgenamen of andere begunstigden van de nalatenschap in een ander land dan de staat van de gewone verblijfplaats van de erflater verblijven. Ook kan al sprake zijn van een grensoverschrijdende nalatenschap indien de erflater meerdere nationaliteiten bezat. In al deze situaties zal de vraag rijzen welk recht van toepassing is op de nalatenschap en wie de bevoegde rechtbank of autoriteit is die een beslissing kan geven over de verdeling van de nalatenschap.

Naar aanleiding van uw vraag of de verordening een adequate oplossing kan bieden voor bilaterale problemen door uiteenlopende erfrechtstelsels bericht ik u ten slotte het volgende. Nu geldt inderdaad dat de diverse lidstaten van de EU verschillende erfrechtstelsels hebben en ook verschillende regels van internationaal privaatrecht hanteren waarmee zij het recht aanwijzen dat van toepassing is op een grensoverschrijdende nalatenschap. Dit levert veel problemen op. De verordening lost deze problemen op doordat het de erfopvolging en de afwikkeling van de nalatenschap onderwerpt aan één enkel rechtsstelsel en het één rechtbank of autoriteit aanwijst die bevoegd is.

Daarnaast maakt de verordening de afwikkeling van een grensoverschrijdende erfenis eenvoudiger voor burgers. Zo zal bijvoorbeeld een erfgenaam die in een andere lidstaat woont dan waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had, de mogelijkheid hebben om de nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen volgens de regels van zijn nationale recht (artikel 20 Verordening). De regeling in de verordening inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten en het nieuwe instrument van de verklaring van erfrecht zullen bovendien voorkomen dat burgers onnodige procedures hoeven te doorlopen om hun rechten op de nalatenschap geldend te doen maken.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Dölle (CDA), Van de Beeten (CDA), Broekers-Knol (VVD), Eigeman (PvdA), Kox (SP), voorzitter, Staal (D66), Franken (CDA), vicevoorzitter, Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Van Kappen (VVD), Haubrich-Gooskens (PvdA), Meurs (PvdA), K.G. de Vries (PvdA), Peters (SP), (PvdA), Reuten (SP), Vliegenthart (SP), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Böhler (GL), Strik (GL), Koffeman (PvdD), Yildirim (Fractie-Yildirim), Tiesinga (CDA) en Knip (VVD).

X Noot
2

COM(2009)154. Zie tevens dossier E090205 op www.europapoort.nl