Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132317 nr. 32

32 317 JBZ-Raad

Nr. 32 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 januari 2011

Onderstaand doe ik u de kabinetsreactie op de Mededeling EU-Interne Veiligheidsstrategie in actie (COM (2010) 673) van de Europese Commissie toekomen.

De mededeling bouwt voort op de bestaande afspraken tussen de lidstaten en de EU-instellingen en het Stockholm Programma. Het betreft voorstellen om de komende vier jaar doeltreffender samen te werken teneinde ernstige en georganiseerde criminaliteit, terrorisme en cybercriminaliteit te bestrijden en voorkomen, onze buitengrenzen beter te beherenen te zorgen voor meer veerkracht bij natuurrampen en bij door de mens veroorzaakte rampen.

Met de kabinetsreactie wordt tevens uitvoering gegeven aan de brief d.d. 16 december 2010 van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010Z18031/2010D52260) om uw Kamer te informeren over de wijze waarop de uitwerking van de EU-Interne Veiligheidsstrategie ter hand wordt genomen alsmede op welke wijze uw Kamer wordt geïnformeerd over de geboekte voortgang bij de uitwerking van de strategie.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven

De EU-Interne Veiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa

Aanleiding

Naar aanleiding van de Mededeling «De EU-Interne Veiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa» treft u hierbij een reactie van het kabinet aan op de mededeling, waarin wordt uiteengezet wat de inzet van Nederland zal zijn naar aanleiding van de voorstellen in de mededeling.

Veel van de huidige veiligheidsproblemen zijn van grens- en sectoroverschrijdende aard, waardoor de interne en externe veiligheidsdimensies steeds meer verstrengelt raken. Geen enkele lidstaat kan op eigen kracht het hoofd bieden aan deze bedreigingen. Burgers en bedrijven maken zich hier zorgen over. Vier op de vijf Europeanen wil, volgens de Eurobarometer1, dat de EU krachtiger optreedt tegen georganiseerde criminaliteit en terrorisme.

Nu het Verdrag van Lissabon van kracht is en in het Stockholm Programma en het bijbehorende actieplan de nodige richtsnoeren zijn vastgelegd, kan de EU tot verdere actie overgaan. In de EU-Interne Veiligheidsstrategie, die begin 2010 onder het Spaanse Voorzitterschap werd aangenomen, zijn de uitdagingen, beginselen en richtsnoeren in verband met de aanpak van deze vraagstukken binnen de EU vastgesteld en is de Commissie verzocht om maatregelen voor te stellen voor de tenuitvoerlegging van de strategie. Deze mededeling – de EU-Interne Veiligheidsstrategie in actie – bouwt voort op de bestaande afspraken tussen de lidstaten en de EU-instellingen en het Stockholm Programma. Het betreft voorstellen om de komende vier jaar doeltreffender samen te werken teneinde ernstige en georganiseerde criminaliteit, terrorisme en cybercriminaliteit te bestrijden en voorkomen, onze buitengrenzen beter te beherenen te zorgen voor meer veerkracht bij natuurrampen en bij door de mens veroorzaakte rampen.

Inhoud Mededeling

Met de op 22 november 2010 verschenen mededeling wil de Europese Commissie een discussie starten met de lidstaten, de JBZ-agentschappen en het Europees Parlement over de Interne Veiligheid van de EU. De mededeling beoogt:

  • strategische doelen voor de interne veiligheid vast te stellen;

  • specifieke acties te identificeren om deze doelen te bereiken en daarbij de betrokken actoren en tijdsplanning vast te stellen;

  • een duidelijk proces ter implementatie van de EU-Interne Veiligheidstrategie voor te stellen.

Deze mededeling omvat een inventarisatie van de meest urgente veiligheidsproblemen waarmee de EU de komende jaren te maken heeft. Er worden vijf strategische doelstellingen en specifieke acties voor 2011–2014 voorgesteld, die – naast de lopende inspanningen en initiatieven – zullen bijdragen aan een veiligere EU.

De Europese Commissie formuleert de volgende acties op de vijf strategische doelen:

  • 1) verstoren van internationale criminele netwerken

    Voor het verstoren van internationale criminele netwerken is het noodzakelijk de wederrechtelijk verkregen winsten op te sporen en te confisceren om hiermee de prikkels voor de criminele activiteiten te ontnemen.

    Voorgestelde acties:

    • 1. Identificeren en ontmantelen van criminele netwerken:

      • Het opzetten van een EU-Passenger Name Record Systeem (EU-PNR), waartoe in 2011 een voorstel door de Commissie wordt ingediend.

      • Revisie EU-wetgeving tegen witwassen in 2013.

      • Richtsnoeren voor het gebruik van bankrekeningregisters ten behoeve van het traceren van criminele geldstromen.

      • De Commissie zal een strategie opstellen in 2012 inzake het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie over criminele financiële transacties.

      • meer gezamenlijke acties en Joint Investigation Teams.

    • 2. Beschermen van de economie tegen criminele infiltratie

      • In 2011 komt de Commissie met een voorstel om lidstaten te helpen bij de monitoring van corruptiebestrijding.

      • Inzetten van de bestuurlijke aanpak. Volgend jaar moet er een netwerk met nationale contactpunten hiervoor zijn opgericht. Voorts geeft de Commissie subsidie aan projecten m.b.t. de bestuurlijke aanpak.

      • Effectievere handhaving van de intellectuele eigendomsrechten, via het toekomstige actieplan van de Commissie tegen namaak en piraterij en eventuele aanpassing van wetgeving. Ook zullen Commissie en lidstaten binnen nationale douanediensten contactpunten opzetten en de beste praktijken uitwisselen.

    • 3. Ontneming crimineel verdiend vermogen

      • In 2011 komt de Commissie met een voorstel voor een richtlijn op het gebied van confiscatie.

      • Lidstaten moeten voor 2014 zogenoemde «Asset Recovery Offices» opzetten en er worden gemeenschappelijke indicatoren voor de beoordeling van de prestaties van dergelijke bureaus ontwikkeld.

  • 2) voorkomen van terrorisme en het adresseren van radicalisering en rekrutering

    De Commissie zet in op preventie en doet beroep op lidstaten bij de uitvoering van de acties. De focus ligt hierbij niet alleen op de georganiseerde terroristen, maar ook op de zogenoemde «lone wolves».

    Voorgestelde acties:

    • 1. Versterken lokale overheden met het oog op preventie van radicalisering en rekrutering

      • Opzetten in 2011 van een «EU Radicalisation Awareness Network».

      • De Commissie organiseert in 2012 een ministeriele conferentie over preventie van radicalisering en rekrutering.

      • De Commissie ontwikkelt een handboek met acties en ervaringen om lidstaten te ondersteunen.

    • 2. Afsnijden van tegoeden en materialen en het volgen van transacties van terroristen

      • In 2011 presenteert de Commissie een voorstel om de tegoeden van terroristen te kunnen bevriezen.

      • De Commissie en lidstaten dragen zorg voor de implementatie van het CBRN Actieplan (Chemische, Biologische, Radiologische en Nucleair) en het Europees Actieplan voor de beveiliging van explosieven.

      • In aansluiting op het Terrorist Financing Tracking Programme (TFTP) van de Verenigde Staten wil de Commissie in 2011 EU-beleid ontwikkelen voor het ontsluiten en analyseren van financial messaging data.

    • 3. Beveiliging transport

      • In 2011 verschijnt een Mededeling met betrekking tot Transportveiligheidsbeleid.

  • 3) verhogen van het niveau van veiligheid voor burgers en bedrijfsleven in cyberspace

    De Commissie stelt een brede EU-benadering voor op het gebied van cybersecurity met als acties: het vergroten van bewustzijn van de dreiging onder EU-burgers en de acties die zij zelf kunnen ondernemen, een nauwere samenwerking met de private sector en het vergroten van de EU-capaciteit om cyberaanvallen beter te kunnen pareren.

    Voorgestelde acties:

    • 1. Het creëren van meer capaciteit bij handhaving en de rechtelijke macht

      • In 2013 komt de Commissie met een voorstel om binnen de bestaande structuren een EU Cybercrime Centre op te richten.

      • De lidstaten worden verzocht in samenwerking met het European Police College (CEPOL), Europol en Eurojust capaciteiten te ontwikkelen voor onderzoek en vervolging van cybercrime.

    • 2. Samenwerking met de private sector ten behoeve van de bescherming van burgers

      • In samenwerking met de Commissie, Europol, European Network and Information Security Agency (ENISA) en de private sector dienen lidstaten zorg te dragen voor goede informatievoorziening aan burgers over voorzorgsmaatregelen op het terrein van cybersecurity en cybercrime en dienen burgers incidenten makkelijk te kunnen melden.

      • De Commissie zal in 2011 richtlijnen presenteren voor de samenwerking op het terrein van de aanpak van illegale content online.

    • 3. Vergroten capaciteit om cyberaanvallen te kunnen pareren

      • Alle lidstaten en EU-instanties dienen in 2012 een goed functionerend Computer Emergency Response Team (CERT) en noodplannen te hebben en regelmatig nationaal en internationaal te oefenen.

      • De Commissie is voornemens in samenwerking met de lidstaten en ENISA een Europees informatievoorziening en alertering systeem (EISAS) te ontwikkelen ten behoeve van burgers.

  • 4) vergroten van veiligheid door grensbeheer

    De Commissie doet praktische voorstellen om meer en nauwere samenwerking te bewerkstelligen tussen Frontex, Europol en Douaneautoriteiten.

    Voorgestelde acties:

    • 1. Het toekomstig Europees Grensbewakingssysteem (EUROSUR) optimaal benutten en het versterken van operationele samenwerking van verschillende diensten aan de zeegrenzen met het oog op de bestrijding van mensen- en drugssmokkel.

      • De Commissie zal in 2011 een wetgevingsvoorstel presenteren betreffende de oprichting van Eurosur.

      • In het kader van de ontwikkeling van geïntegreerde en operationele actie aan de zeegrens, zal in 2011 een proefproject starten aan de zuidelijke of zuidwestelijke EU-grenzen.

    • 2. Frontex versterken aan de buitengrenzen

      • Vanaf 2011 zal de Commissie jaarlijks een verslag uitbrengen, met een gezamenlijke bijdrage van Frontex en Europol, over specifieke grensoverschrijdende vormen van criminaliteit, zoals mensenhandel en smokkel van illegale goederen.

    • 3. Gemeenschappelijk, hoogwaardig en uniform risicobeheer voor goederenverkeer over de buitengrenzen.

      • De Commissie zal initiatieven ontplooien om de capaciteit op het terrein van risicoanalyse en -oriëntatie te vergroten.

      • De Commissie zal voor de aanpak van gemeenschappelijke risico’s een analyse van de douane-informatie op EU-niveau ontwikkelen.

      • De Commissie zal in 2011 onderzoeken hoe de capaciteit op het gebied van risicoanalyse en -oriëntatie op EU-niveau kan worden opgevoerd en eventueel met voorstellen komen.

    • 4. Verbeteren van de samenwerking op nationaal niveau

      • De lidstaten moeten vanaf 2011 nationale gezamenlijke risicoanalyses ontwikkelen, waarbij alle relevante veiligheidsautoriteiten worden betrokken, zoals politie, grenswacht en douane.

      • In 2012 komt de Commissie met suggesties voor betere coördinatie van de grenscontroles door de verschillende nationale autoriteiten.

      • Uiterlijk in 2014 zal de Commissie, in samenwerking met Frontex, Europol en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), minimumnormen en beste praktijken ontwikkelen voor samenwerking tussen verschillende instanties.

  • 5) Europa’s weerbaarheid vergroten bij rampen en crises

    De Commissie komt met een coherente benadering van crisispreventie en -management voor alle soorten van rampen en crises. Ook wordt een voorstel gedaan voor uitvoering van de solidariteitsclausule.

    Voorgestelde acties:

    • 1. Volledige gebruikmaking van de solidariteitsclausule

      • Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid komen in 2011 met een voorstel m.b.t. de solidariteitsclausule

    • 2. Een «all hazard approach» voor dreigingen- en risicoanalyse

      Risicoanalyse:

      • De Commissie heeft aan het einde van 2010 richtlijnen voor risicoanalyse voor rampenrespons gebaseerd op een multi-hazard en multi-risk benadering en rekening houdend met alle soorten rampen gepresenteerd.

      • In 2011 en 2012 dienen de lidstaten nationale risicoanalyses en risicomanagement strategieën te hebben ontwikkeld.

      • in 2012 presenteert de Commissie op basis van deze nationale risicoanalyses en strategieën een crosssectoraal overzicht van toekomstige dreigingen (natuurlijke en door mensen veroorzaakt).

      • In 2011 komt de Commissie met voorstellen op het terrein van risico’s voor de volksgezondheid.

      • vanaf 2013 zal de Commissie, in samenwerking met de EU Counter Terrorisme Coördinator en lidstaten, reguliere overzichten van actuele dreigingen verstrekken. Hiertoe worden lidstaten in 2012 uitgenodigd hun eigen dreigingsanalyse te maken en het wederzijds begrip van verschillende definities dreigingsniveau te bevorderen.

    • 3. Versterken van de samenwerking tussen de diverse situation awareness centres

      • In 2011 komt de Commissie met een voorstel om vertrouwelijke informatie te beschermen in het kader van een effectieve coördinatie tussen EU-instellingen.

      • In 2012 wil de Commissie de samenwerking tussen de verschillende situation awareness centres hebben versterkt, o.a. op gebied volksgezondheid, civiele bescherming, nucleair risico monitoring en terrorisme.

    • 4. Ontwikkelen van een Europese Respons Capaciteit t.b.v. rampenbestrijding

      • In lijn met de Mededeling «Naar een krachtigere Europese respons bij rampen: de rol van civiele bescherming en humanitaire hulp» (COM (2010) 600) zal een Europese responscapaciteit worden opgezet. Wetgevingsvoorstellen worden in 2011 verwacht ten behoeve van de implementatie.

Inzet van het kabinet

Het kabinet verwelkomt in algemene zin de mededeling van de Commissie. Het aanpakken van veiligheidsproblemen en het vergroten van het veiligheidsgevoel bij de burger is een speerpunt van dit kabinet. In dit verband realiseert het kabinet zich goed dat veel veiligheidsproblemen niet bij onze landsgrenzen beginnen of eindigen en dat effectieve internationale samenwerking bij het aanpakken van deze (grensoverschrijdende) problemen van groot belang is.

Het kabinet is van mening dat veel van de voorgestelde strategische doelen en voorgestelde acties goed aansluiten en versterkend kunnen werken bij de prioriteiten die op nationaal niveau zijn geformuleerd. Het kabinet is derhalve voornemens om bij veel van de voorgestelde acties een actieve bijdrage te leveren. De uitwerking van de strategie kan eerst worden beoordeeld nadat de Commissie concrete voorstellen heeft gedaan. Het kabinet zal bij de beoordeling van de toekomstige voorstellen verschillende aspecten meewegen, waaronder het resultaat voor de burgers, de toegevoegde waarde ten opzichte van bestaande Europese en nationale instrumenten, de praktische uitvoerbaarheid door de organisaties die een rol hebben in de rechtshandhaving en algemene principes zoals subsidiariteit en evenredigheid. De implementatie van Europese regelgeving op het terrein van het strafrecht laat in de praktijk te wensen over. De omzetting in de nationale regelgeving van lidstaten en de uitvoering in de praktijk vergen veel tijd en organisatorische aanpassingen. De implementatietermijnen die in de Europese wetgeving zijn opgenomen, worden vaak niet gehaald. Het kabinet heeft hierop in Europees verband gewezen bij de voorbereiding van het Stockholm Programma. Ook bij de vaststelling en uitwerking van de EU-interne veiligheidsstrategie verdient dit aspect aandacht. De voorstellen moeten vergezeld gaan van goede impactanalyses en de effecten voor de implementatie moeten tijdig bekeken worden. De maatregelen moeten realistisch zijn.

Hoewel het kabinet deze mededeling in grote lijnen kan ondersteunen, zijn er ook noties die niet in de mededeling zijn opgenomen, maar waar dit kabinet wel waarde aan hecht. Zo legt de Commissie de verantwoordelijkheid voor de monitoring van de implementatie van de voorgestelde acties voornamelijk bij zichzelf. Het kabinet is van mening dat hier ook een rol voor de lidstaten zelf is weggelegd en ziet derhalve een belangrijke rol voor het Comité voor de Interne Veiligheid van de EU (COSI) waar alle EU-lidstaten en de EU-agentschappen, zoals Europol, Eurojust en Frontex, vertegenwoordigd zijn. Het kabinet heeft dit al eerder aangegeven in EU-verband en zal zich ook in de toekomst hardmaken voor een rol van de lidstaten, via COSI, bij de monitoring van de implementatie van de mededeling.

Ook ziet het kabinet een belangrijke relatie tussen de strategische doelen uit de mededeling en de onlangs tot stand gekomen EU-beleidscyclus voor georganiseerde en ernstige criminaliteit. Deze beleidscyclus beoogt het proces van prioriteitstelling op het terrein van georganiseerde en ernstige criminaliteit op basis van dreigingsanalyses (o.a. OCTA) verder te stroomlijnen en nog beter aan te laten sluiten op de behoeften uit de operationele praktijk. Hoewel deze cyclus zich beperkt tot georganiseerde en ernstige criminaliteit, is het voornemen uitgesproken de mogelijkheden te onderzoeken om dergelijk cycli op andere veiligheidsterreinen tot stand te brengen op vergelijkbare wijze als deze beleidscyclus. De Commissie vermeldt de beleidscyclus wel in de mededeling, maar het kabinet had graag gezien dat de beleidscyclus integraal was opgenomen in de mededeling. Het kabinet zal in EU-verband het belang benadrukken van de samenhang tussen deze beleidscyclus en de strategische doelen en voorgestelde acties in de mededeling.

Een meer geïntegreerde en multidisciplinaire benadering van veiligheid vraagt om een geïntegreerde benadering van de financiering van die aanpak. Thans zijn verschillende fondsen aan te spreken voor operaties op verschillende terreinen. In de praktijk blijkt echter een behoefte aan een fonds dat middelen kan verstrekken aan sectoroverstijgende operaties.

Strategisch doel 1: verstoren van internationale criminele netwerken

Het kabinet kan de voorstellen die gedaan worden met betrekking tot het eerste strategische doel, het verstoren van internationale netwerken in grote lijnen, ondersteunen. Het kabinet is met name verheugd met de aandacht voor de multidisciplinaire en geïntegreerde aanpak van criminaliteit. Nederland heeft veel goede ervaringen met de bestuurlijke aanpak van criminaliteit en wil deze ervaringen graag delen met andere lidstaten. Het opzetten van een netwerk van nationale contactpunten op dit gebied en de financiering vanuit de Commissie van proefprojecten die betrekking hebben op praktische aspecten van de bestuurlijke aanpak kan hier goed aan bijdragen. Het kabinet zal, in overleg met de Commissie en het EU-voorzitterschap, een actieve rol willen spelen bij (het organiseren van) bijeenkomsten van bovengenoemde netwerken.

Het voorstel voor een EU-PNR-systeem ziet het kabinet graag op korte termijn tegemoet. Het kabinet hecht aan een goed evenwicht tussen het belang van PNR voor de rechtshandhaving (incl. terreurbestrijding) enerzijds en een zorgvuldig stelsel van gegevensbescherming anderzijds.

Versterking van de operationele samenwerking, bijvoorbeeld in gemeenschappelijke operaties of gemeenschappelijke onderzoeksteams (Joint Investigation Teams, JIT’s), is van groot belang. Het Nederlandse Openbaar Ministerie kan, indien opsporingsonderzoeken daar aanleiding toe geven, andere lidstaten benaderen voor het opzetten van specifieke JIT’s. Hierbij moet aangesloten worden bij de behoeften van de praktijk. Ook COSI kan bij het opzetten van gezamenlijke operaties en onderzoeksteams een aanjagende rol spelen.

Het kabinet vindt dat misdaad niet mag lonen en ziet derhalve de voorstellen op het gebied van financieel-economische criminaliteit en ontneming met belangstelling tegemoet. Opgemerkt zij dat Nederland reeds bestaande kaderbesluiten op het gebied van inbeslagneming (Kaderbesluit 2003/577/JBZ) en confiscatie (Kaderbesluiten 2005/212/JBZ en 2006/783/JBZ) telkens tijdig en volledig heeft geïmplementeerd en de uitvoering daarvan reeds ter hand heeft genomen. Ook kent Nederland reeds een bureau dat als taak heeft om er voor te zorgen dat criminele tegoeden worden afgenomen: het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie. Daarmee voldoet Nederland nu reeds aan de eis uiterlijk in 2014 een dergelijk bureau op te richten. Het kabinet is overigens bereid – en doet dat ook al – om lidstaten die hun ontnemingsbureaus nog moeten opzetten, hierbij zo nodig te assisteren. Bij onderhandelingen over een nieuwe richtlijn zal de inzet van het kabinet dan ook zijn om bij de uitvoering van de reeds tot stand gekomen kaderbesluiten gebleken knelpunten zoveel mogelijk op te lossen. Ook zal bij deze onderhandelingen de inhoudelijke samenhang met de onderhandelingen over een Europees onderzoeksbevel moeten worden bewaakt. Voor het kabinet zijn voorts van belang de door de Commissie voorgestane uitbreidingen van de mogelijkheden om confiscatie bij derden mogelijk te maken en te stimuleren dat ook in andere lidstaten vermogensbestanddelen kunnen worden geconfisceerd die niet tot de directe opbrengsten van een strafbaar feit behoren. Ten slotte ondersteunt het kabinet het streven om de onderlinge erkenning van bevelen tot confiscatie zonder veroordeling tussen de lidstaten te vereenvoudigen. Bij de onderhandelingen over een richtlijn over confiscatie tenslotte zal de inhoudelijke samenhang met het Europees onderzoeksbevel moeten worden bewaakt.

Met betrekking tot het nieuw op te richten monitoringsmechanisme op het gebied van corruptie, is de meerwaarde ten opzichte van de bestaande mechanismen (VN, GRECO, OESO) vooralsnog onduidelijk. Het is van belang dat overlap met de bestaande mechanismen wordt voorkomen. Het kabinet zal bij de totstandkoming van het voorstel de Commissie hier op wijzen.

De Commissie plaatst ook een effectievere handhaving van de intellectuele eigendomsrechten in kader van de interne veiligheidsstrategie, onder de noemer van de bescherming van de economie tegen criminele infiltratie. In haar werkprogramma voor 2011 heeft de Commissie een voorstel aangekondigd voor een Richtlijn inzake strafrechtelijke handhaving van intellectuele eigendomsrechten. In het Stockholm Programma is onderkend dat namaak een ernstige bedreiging is voor consumenten en voor economieën. Aangekondigd is dat de Unie dit verschijnsel beter moet onderzoeken. Het kabinet ziet de studies en voorstellen met belangstelling tegemoet.

Strategisch doel 2: voorkomen van terrorisme en het adresseren van radicalisering en rekrutering

Terrorisme zal de aankomende jaren in Nederland en elders in de wereld een reële bedreiging blijven vormen. Alhoewel er de afgelopen jaren vooral in Europees kader veel tot stand is gekomen, blijft het noodzakelijk om te blijven werken aan het tegengaan van dreigingen die voortvloeien uit terrorisme, zowel op het terrein van wet- en regelgeving, als operationeel en beleidsmatig. Het kabinet zal zich daarvoor nationaal, Europees en internationaal blijven inzetten. In de Interne Veiligheidsstrategie worden op het terrein van Counter Terrorisme belangrijke voorstellen gedaan die veelal aansluiten bij de Europese Counter Terrorisme strategie, waarmee het kabinet in grote lijnen kan instemmen, zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche over deze strategie (Kamerstukken 22 112, nr. 1062). Nederland kan op informele én strikt vertrouwelijke basis de andere partners informeren over wijzigingen in dreigingen en dreigingsniveaus als het gaat om dreigingsniveaus en -analyses, waarbij het niet zal gaan om operationele informatie. Indien andere lidstaten daar ook aan meewerken zal er meer begrip ontstaan over het gebruik van de dreigingsniveaus in de lidstaten. Nadere Commissie-maatregelen, of het opstellen van een dreigingsoverzicht zijn daarvoor niet nodig. Het kabinet verwelkomt de initiatieven ten aanzien van het adresseren van radicalisering en rekrutering. De voorgestelde aanpak sluit aan bij het Nationale Actieplan Polarisatie en Radicalisering. Het kabinet zal zich inzetten voor de samenhang met voorstellen onder de andere strategische doelen en het externe veiligheidsbeleid van de EU.

Het kabinet is met de Commissie van mening dat het tegengaan van financiering van terrorisme prioritair is. Onder het EU-externe beleid beschikt de EU reeds over een uitgebreid en beproefd systeem om tegoeden te bevriezen van terroristen en terroristische groeperingen (de EU-bevriezingslijst). Eventuele voorstellen van de Commissie t.a.v. bevriezing van tegoeden zullen dan ook mede beoordeeld worden op hun toegevoegde waarde ten opzichte van het bestaande instrumentarium. Een eventueel voorstel dient eveneens te voorzien in adequate procedurele waarborgen rondom «listing» en «de-listing» van natuurlijke en rechtspersonen.

Het kabinet staat positief tegenover de mogelijke ontwikkeling van een eigen EU Terrorist Financing Tracking Programme (TFTP) en zal een actieve en constructieve rol spelen in het kader van de haalbaarheidsstudie daarnaar die de Europese Commissie voor 1 augustus 2011 moet afronden, dat laatste ingevolge het goedkeuringsbesluit van de 1 augustus jl. in werking getreden TFTP-overeenkomst tussen de EU en de VS.

Het kabinet meent dat bevordering van de beveiliging van goederenvervoer door de lucht prioriteit behoeft. De pakketten die onlangs vanuit Jemen richting VS werden verstuurd laten zien dat internationale samenwerking met betrekking tot versterking van luchtvaartveiligheid, ook waar het gaat om luchtvracht, essentieel is. Het is daarbij wel van belang om tot een samenhangend pakket aan maatregelen te komen om te voorkomen dat maatregelen elkaar overlappen en daardoor onnodige economische schade toebrengen aan de luchtvaartindustrie. Vanzelfsprekend dient de Douane, waar deze maatregelen zien op het (commercieel) goederenvervoer, een prominente rol te vervullen. De mededeling van de Commissie besteedt aan bovenstaande relatief weinig aandacht. Bovendien dient gestreefd te worden naar meer congruentie met (de maatregelen uit) het Europees Actieplan voor de beveiliging van explosieven. Nederland ziet met belangstelling uit naar de aangekondigde mededeling over vervoersveiligheid. Gegeven de grote verschillen tussen landgebonden vervoerssystemen in de lidstaten is er een gedegen onderbouwing nodig voor een eventueel permanent comité voor veiligheid van vervoer over land.

Strategisch doel 3: verhogen van het niveau van veiligheid voor burgers en bedrijfsleven in cyberspace

Het kabinet hecht veel belang aan het verhogen van het niveau van veiligheid voor burgers en het bedrijfsleven in cyberspace. Het kabinet is dan ook content met de aandacht voor dit terrein en kan instemmen met de voorgestelde activiteiten op het gebied van cyberspace. De voorstellen sluiten aan bij reeds eerder genomen maatregelen en nieuwe initiatieven die uitgewerkt worden in de Nederlandse Cyber Security Strategie (NCSS) en het bijbehorende actieplan, dat in maart 2011 aan de Staten-Generaal wordt aangeboden. Deze strategie wordt in samenwerking met relevante partners uit het bedrijfsleven opgesteld.

Nederland beschikt reeds over een aantal in de EU-veiligheidsstrategie genoemde instituten, zoals een meldpunt cybercrime en een team hightech crime, dat samenwerkt met Europol. Ook binnen Nederland is het streven om meer capaciteit bij de handhaving en rechtelijke macht te creëren. Zo streeft het kabinet ernaar om de komende jaren het aantal cybercrimezaken dat wordt aangepakt substantieel te verhogen. Het kabinet zal erop aandringen dat uitbreiding van de capaciteit ook in Europees verband zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin zal gebeuren. Verder zorgt Nederland reeds enkele jaren via ondermeer voorlichtingscampagnes voor informatie over veilig internetgebruik. Voor de Rijksoverheid beschikt Nederland over een goed functionerend CERT (GOVCERT.NL) en ook het bedrijfsleven beschikt over CERT-functies. Het doel van de CERTS is te komen tot een verhoging van het niveau van informatiebeveiliging door samenwerking, kennisdeling en de afhandeling van ICT-gerelateerde incidenten en grootschalige calamiteiten. Het kabinet kan de initiatieven om een Europees cybercrime centrum en een Europees informatievoorziening- en alerteringsysteem (EISAS) te ontwikkelen vanuit de bestaande structuren steunen, mits deze de samenwerking tussen de reeds bestaande organisaties versterkt zonder dat er onnodige administratieve lasten uit volgen.

Het kabinet mist in de mededeling nog een aantal aspecten en zal daar actief aandacht voor vragen. Zo wil het kabinet meer inzicht in de mogelijke synergie in de aanpak van de verschillende aspecten rond de veiligheid in cyberspace door de lidstaten. Tevens ontbreekt de link met doelstelling vijf van de interne veiligheidsstrategie waar het gaat om de bestrijding van rampen en crises die bijvoorbeeld door cyberaanvallen worden veroorzaakt. Verder vindt het kabinet het belangrijk dat, zoals ook in de Digitale Agenda wordt beoogd, een bredere afstemming en samenwerking zowel binnen als buiten Europa tussen de relevante partijen gaat plaatsvinden teneinde de veiligheid in cyberspace te vergroten. Het is in die samenwerking van belang dat de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden van zowel de lidstaten als de Commissie worden gerespecteerd. In het bijzonder geldt dat ook voor de EU en NAVO, gegeven de herziening van het NAVO cyberdefence-beleid.

Een ander aandachtspunt zijn de gevaren die voortvloeien vanuit terrorisme. Zowel als het gaat om misbruik van cyberspace (fondsen- en rekrutenwerving, radicalisering) als ontwrichting. Het kabinet meent dat dit perspectief nu nog niet voldoende is meegenomen en zal daar actief de aandacht voor vragen.

Strategisch doel 4: vergroten van veiligheid door grensbeheer

Het kabinet steunt de Commissie in het streven naar een intensiever gemeenschappelijke beheer van de buitengrenzen, waardoor smokkel, grensoverschrijdende illegale activiteiten, maar ook terrorisme op Europees niveau effectiever en efficiënter kunnen worden aangepakt. Efficiënte controle van de EU-buitengrenzen is ook van cruciaal belang voor de ruimte van vrij verkeer.

De voorstellen van de Commissie sluiten aan bij actuele thema’s van het kabinet: veiligheid, innovatie en mobiliteit. De concrete activiteiten die in de mededeling worden genoemd die hieraan bijdragen zijn in lijn met het kabinetsbeleid. Zo ondersteunt het kabinet het principe dat het verhogen van de veiligheid en het versnellen van het grenspassageproces kunnen worden bereikt door het in een vroeg stadium verkrijgen van passagiers- en goederengegevens die vervolgens door verschillende diensten in het grenspassageproces worden geanalyseerd. Hierdoor kunnen mogelijke hoge risico’s vroegtijdig worden onderkend waardoor de autoriteiten die werkzaam zijn in het grenstoezichtproces gerichter kunnen acteren.

Het kabinet acht het, net als de Commissie, van belang dat het grenstoezicht effectiever en efficiënter wordt ingezet ten behoeve van de bestrijding van illegale migratie en grensoverschrijdende criminaliteit. Het kabinet sluit zich bij de Commissie aan voor wat betreft de instrumenten die dit belang kunnen dienen: intensiever gebruik van technologie, de introductie van geautomatiseerde grenscontrolesystemen, het Visum Informatie Systeem (VIS) en het Schengen Informatie Systeem (SIS II). De voorbereidingen in Nederland met betrekking tot de implementatie van het VIS lopen op schema. Hoewel het kabinet in beginsel positief staat tegenover het idee van een in- en uitreissysteem dient te worden opgemerkt dat de ontwikkeling van een in- en uitreissysteem een enorme organisatorische stap is die veel tijd en kosten vergt. Ook met het oog hierop, dient de ontwikkeling van een in- en uitreissysteem te worden bezien in samenhang met lopende activiteiten zoals de implementatie van het VIS, SIS II, de richtlijn inzake API-gegevens en het EU PNR-initiatief.

Het kabinet onderschrijft het principe van het verhogen van de veiligheid en de mobiliteit door het gebruik van passagiersgegevens. Op die manier kunnen immers mogelijke risico’s vroegtijdig worden onderkend, waardoor de autoriteiten die werkzaam zijn in het grenstoezichtproces gerichter kunnen acteren. Het kabinet investeert de komende jaren in het programma vernieuwing grensmanagement (PVGM), waaronder het project PARDEX. Dit project is bedoeld om sneller, en beter passagiersgerelateerde informatie te verzamelen, te analyseren en te verspreiden. Dit moet leiden tot een verbetering van de informatiepositie van de betrokken organisaties in relatie tot de informatie over de identiteit van personen die Nederland in- en uitreizen, dan wel transfereren en hier al dan niet rechtmatig verblijf genieten. Hierdoor zullen Nederlandse handhavingsdiensten doeltreffender kunnen acteren. Het kabinet investeert – en zal dit blijven doen – in contacten met de EU-instellingen om de ervaringen en geleerde lessen die worden opgedaan met PVGM te delen. Deze ervaringen kunnen gebruikt worden bij Europese initiatieven op het terrein van grensmanagement.

Het kabinet onderschrijft tevens het standpunt dat de komende jaren in alle lidstaten een uniforme en hoogwaardige vorm van risicobeheer, met betrekking tot goederenverkeer over de buitengrenzen, gewaarborgd dient te worden. De basis daarvoor moet gevormd worden door het Gemeenschappelijk Kader voor Risicobeheer, zoals verankerd in het communautaire douanerecht.

Het kabinet is geïnteresseerd in de resultaten van het onderzoek dat door de Commissie ingesteld zal worden om te beoordelen hoe de capaciteit op het gebied van risicoanalyse en -oriëntatie op EU-niveau kan worden opgevoerd. Gezamenlijke risicoanalyses door de verschillende diensten op het terrein van grenscontroles wordt door Nederland gesteund.

Verder onderschrijft het kabinet het standpunt dat door het EUROSUR-systeem de informatiepositie aan de maritieme buitengrens wordt bevorderd. Het kabinet is voornemens om met de buurlanden aan een onderdeel van de pilot EUROSUR deel te nemen.

Ook acht het kabinet de versterking van Frontex van belang. Door de wijziging van de Frontex-verordening zal Frontex flexibeler worden en meer operationele slagkracht krijgen. Dit gebeurt onder andere door de inrichting van speciale Joint Support Teams, bestaande uit grenswachten uit verschillende deelnemende lidstaten. Verwerking van persoonsgegevens kan wat het kabinet betreft alleen als het gaat om taken die Frontex in de Verordening zijn toebedeeld.

De bestrijding van mensenhandel is een prioriteit van het kabinet. Het kabinet zal, net als de voorgaande jaren, de nodige maatregelen treffen om mensenhandel tegen te gaan. In dit verband ziet het kabinet dan ook het rapport van de Commissie over mensenhandel en -smokkel met belangstelling tegemoet. Daarnaast is het kabinet geïnteresseerd in het rapport en de voorstellen van de Commissie over het intensiveren van de samenwerking van de verschillende nationale diensten (politie, grenswacht en douane) op het terrein van de grenscontroles. Het verrichten van gezamenlijke operaties en controles past binnen de visie van het kabinet.

Strategisch doel 5: Europa’s weerbaarheid vergroten bij rampen en crises

De doelstelling van het kabinet op het terrein van rampen en crisisbeheersing is een efficiënte, effectieve en adequate (regionale) samenwerking wat betreft generieke en specifieke capaciteitsinzet op grond van gedeelde all-hazard risico’s en dreigingen. Het kabinet ziet veel van haar inbreng terug in de mededeling en is dan ook content dat het thema civiele bescherming de aandacht krijgt die het verdient. Het kabinet steunt het uitgangspunt van de Commissie om te komen tot een coherente benadering van crisispreventie en -management voor alle soorten van rampen, zoals overstromingen, terrorisme, schaarste en grieppandemie. Het kabinet hecht er belang aan om in het kader van de uitwerking van de Interne Veiligheidsstrategie voorrang te geven aan de uitvoering door lidstaten van de risicoanalyse en het daaropvolgende, door de Commissie opgestelde, sectoroverschrijdende overzicht. Deze zullen inzicht geven in de gezamenlijke dreigingen en risico’s in de EU en daarmee een impuls kunnen zijn voor effectieve en efficiënte samenwerking en een verstevigde koppeling tussen risico- en dreigingsanalyse en beleidsvorming. Door intensievere samenwerking tussen de verschillende beleidsdomeinen op basis van de uitkomsten van risico- en dreigingsanalyses kan een coherente afweging plaatsvinden over de noodzaak en wijze van inzet van fondsen, middelen en expertise. Om recht te doen aan de all-hazard aanpak acht het kabinet het van belang dat samenwerking plaats vindt tussen de belangrijke instituten van de EU. Daarnaast zou ook de samenwerking met de Verenigde Naties, het Rode Kruis, en de NAVO (civiel-militaire samenwerking) verder versterkt kunnen worden.

De solidariteitsclausule bepaalt dat lidstaten gezamenlijk optreden in het geval dat één lidstaat getroffen wordt door een natuurramp, door de mens veroorzaakte ramp of terroristische aanslag. De Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid komen in 2011 met een voorstel voor de uitwerking van de solidariteitsclausule. Het kabinet ziet deze uitwerking graag tegemoet. Het kabinet acht het van belang dat bij de uitwerking de juiste balans wordt gevonden tussen optreden in de geest van solidariteit tussen lidstaten en de nationale verantwoordelijkheid van de lidstaten om op een crisis voorbereid te zijn. Het is in de eerste plaats de nationale verantwoordelijkheid van de lidstaten om te voorzien in de noodzakelijke maatregelen op het terrein van preventie en respons tegen mogelijke dreigingen om haar burgers te beschermen.

Bij het ontwikkelen van Europese responscapaciteit ten behoeve van rampen- en crisisbestrijding zijn de uitgangspunten voor het kabinet dat nieuwe initiatieven gericht op versterking van de EU rampenrespons vraaggestuurd zijn, gebaseerd zijn op concrete lacunes in de hulpverlening en aansluiten op bestaande structuren. Tevens moet de responscapaciteit zo veel als mogelijk «generiek» zijn, dat wil zeggen gericht op inzet bij meerdere crisistypen. De voorstellen aangaande de Europese responscapaciteit dienen gericht te zijn op inzet binnen de Europese Unie. Bij inzet buiten de EU dient te worden uitgegaan van de coördinerende rol van de VN bij de internationale rampenrespons, die volgens de Commissie door versterkte EU-coördinatie kan worden ondersteund. Besluitvorming over de inzet van responscapaciteiten moet een nationale verantwoordelijkheid zijn, mede omdat de inzetkosten door de lidstaten worden gedragen. Ook militaire middelen vormen een mogelijk instrument bij rampenrespons en crisisbeheersing. De inzet van militaire middelen vergt wel een andere besluitvormingsprocedure. Het kabinet zal in EU-verband deze standpunten actief uitdragen.

Implementatie Strategie

Het kabinet onderschrijft het belang van een geïntegreerd Europees veiligheidsbeleid, waarin veiligheidsdreigingen coherent worden aangepakt. Het kabinet erkent de verwevenheid tussen de voorliggende interne veiligheidsstrategie, de Europese veiligheidsstrategie en het bredere buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB), inclusief het veiligheids- en defensiebeleid van de Unie. De Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid en zijn Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) zullen een belangrijke rol moeten spelen in het garanderen van een geïntegreerde benadering. In het licht van de samenhang tussen interne en externe veiligheid kan verdere samenwerking tussen JBZ- en GVDB-actoren daar eveneens aan bijdragen, mits samenwerking zich richt op concrete onderwerpen die vanuit de optiek van zowel externe veiligheid als interne veiligheid relevant zijn. Een voorbeeld van een situatie waarin dit de moeite waard zou kunnen zijn, is de situatie in de Sahel. Drugs- en mensenhandel (doorvoerroute naar Europa) en de terroristische dreiging (Al Qaeda in de Islamitische Maghreb) kunnen slechts effectief worden tegengaan als de veiligheid en de stabiliteit in deze fragiele regio worden verbeterd. Hiertoe dienen het EU-interne en het EU-externe beleid, inclusief ontwikkelingssamenwerking, nauw op elkaar aan te sluiten.

Rapportage over voortgang

Veel van de voorstellen in de Mededeling zijn tevens aangekondigd in, of volgen uit, het Stockholm Programma. Derhalve zal het kabinet uw Kamer jaarlijks rapporteren over de voortgang van de implementatie van de EU-Interne Veiligheidsstrategie als uitwerking van het Stockholm Programma, zoals toegezegd in het BNC-fiche inzake het Actieplan ter uitvoering van het Stockholm Programma (Kamerstukken 22 112, nr. 1027).


XNoot
1

Standaard-barometer 71.