Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132317 nr. 68

32 317 JBZ-Raad

Nr. 68 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 juli 2011

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Veiligheid en Justitie naar aanleiding van de brief van 11 juli 2011 inzake de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad d.d. 18 en 19 juli 2011 (Kamerstuk 32 317, nr. 65).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 15 juli 2011.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

De Roon

Adjunct-griffier van de commissie,

Hessing-Puts

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

1. Gemeenschappelijk Europees asielstelsel

De leden van de VVD-fractie vragen wat de stand van zaken is ten aanzien van de diverse onderhandelingen aangaande het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (hierna: GEAS) en de Dublinverordening, de Eurodac-verordening, de Kwalificatierichtlijn en de Opvangrichtlijn. Kan een overzicht worden gegeven van het Europees krachtenveld?

Deze leden delen de mening dat een geharmoniseerd asielstelsel uiteindelijk moet leiden tot een situatie waarin asielaanvragen in de Europese Unie (hierna: EU) op gelijke wijze worden beoordeeld en dat iedere lidstaat tot eenzelfde uitkomst van het beschermingsverzoek en het niveau van bescherming komt. Wel zijn deze leden van mening dat er sprake moet zijn van harmonisering in de gehele keten, van het moment van de eerste beoordeling tot een eventuele terugkeer. De reden hiervoor is dat als harmonisering in de gehele keten uitblijft het zogeheten asielshoppen uitgelokt kan worden.

Ten aanzien van het EU-hervestigingsprogramma, merken voornoemde leden op dat vooral van belang is dat de regional protection programs worden uitgebreid.

De leden van de VVD-fractie onderstrepen het standpunt dat er een sterkere rol moet zijn voor het Europees Asiel Ondersteuningsbureau (EASO). Deze groei moet dan echter wel worden bekostigd binnen de EU-begroting en het ontwikkelingssamenwerkingsbudget van de EU.

Voor wat betreft de harmonisatie van de bepalingen betreffende de toegang tot de arbeidsmarkt onderstrepen voornoemde leden dat er zeer veel aan gelegen is dat op nationaal niveau de zeggenschap voor toegang tot de arbeidsmarkt ligt.

Deze leden roepen de recente schriftelijke vragen en antwoorden in herinnering ten aanzien van de proactieve informatie en communicatiestrategie van de EU op het terrein van arbeidsmigratie (vragen gesteld op 14 juni, beantwoording ontvangen op 5 juli; kenmerk 2011Z12558). Graag zien deze leden dat de regering in de aankomende JBZ-raad wijst op de onwenselijkheid van een proactieve informatie- en communicatiestrategie door de Europese commissie met de inzet van Europees geld.

Eveneens stond in het verslag van de vorige JBZ-raad vermeld dat enkele lidstaten wezen op het belang van een verdeling van de verantwoordelijkheden en de lasten voor de opvang van vluchtelingen in de EU. Voornoemde leden merken hierbij op dat de aandachtspunten van enkele andere lidstaten in het verslag zijn neergelegd, maar niet die van Nederland. Wat is de reden hiervan en kan alsnog het standpunt van Nederland worden neergelegd?

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd dat tijdens de aankomende JBZ-Raad in Sopot wordt gesproken over de verdere totstandkoming van het GEAS. Deze leden willen benadrukken dat naar hun mening dit GEAS de sleutel is om problemen van asiel en migratie het meest efficiënt aan te pakken.

Deelt de minister de mening dat ook gewaarborgd moet zijn en blijven dat in alle Europese lidstaten er fatsoenlijke opvang voor asielzoekers bestaat en dat asielzoekers in alle Europese lidstaten een fatsoenlijke asielprocedure kunnen doorlopen? Is de minister van mening dat dit in alle lidstaten al voldoende gewaarborgd is, zowel wat betreft het deelnemen aan richtlijnen als de uitvoering in de praktijk? Geldt dit ook voor de (Noord- en Zuid-)Oost Europese lidstaten? Zo nee, is hij bereid deze landen daarop aan te spreken en zijn invloed aan te wenden dat ook die landen hun procedures, opvang en beschermingsmogelijkheden volledig op orde brengen?

Deelt de minister de mening dat de discussie over solidariteit ten onrechte een discussie is tussen de Noord en Zuid Europese lidstaten, omdat beide groepen landen al een hoge migratiedruk hebben? Zouden niet juist andere lidstaten, zoals de genoemde Oost Europese lidstaten, een groter deel van de Europese solidariteit voor hun rekening moeten nemen? Kan de minister deze landen verzoeken om bij het ontstaan van urgente problemen, zoals een plotselinge grote instroom van immigranten, een extra bijdrage te leveren?

Hoe schat de minister de sterkte van de positie van Nederland in bij de onderhandelingen over het GEAS? Deelt hij de mening dat Nederland zijn positie heeft verzwakt door in het gedoogakkoord en in het position paper een groot aantal voorstellen te doen om allerlei bestaande richtlijnen en verdragen te wijzigen? Kan hij dit antwoord toelichten? Is het streven naar het GEAS niet strijdig met het neerleggen van een geheel nieuwe, eigen, afwijkende wensenlijst door Nederland?

Worden bij de onderhandelingen over het GEAS tevens de voorstellen betrokken die Nederland in het gedoogakkoord heeft opgenomen? Is de minister bereid, zo nodig, vanuit de gememoreerde bereidheid om compromissen te sluiten, een aantal van die voorstellen in te slikken om tot overeenstemming over het GEAS te komen? Zo ja, welke? Zo ja, is hij bereid de Kamer over de uitkomsten te informeren?

De leden van de PvdA-fractie geven de minister in overweging om het voorstel om de bewijslast voor asielzoekers aan te scherpen bij de onderhandelingen als eerste in te leveren, aangezien dat voorstel de meest kwetsbare groep vluchtelingen ernstig in hun belangen raakt en dit geen onderdeel van het GEAS zou moeten zijn.

Is de minister bereid bij de onderhandelingen over het GEAS van het streven naar een solide Europees hervestigingsprogramma, waaraan alle lidstaten deelnemen, een zeer hard onderhandelingspunt te maken?

Kan de minister nader aangeven waarom hij tegenstander is van een 72-uurs toets in bewaringzaken? Deelt hij de mening dat zo’n toets de rechtmatigheid van de bewaring ten goede kan komen en dat dit vanwege de ingrijpendheid van de bewaringsmaatregel zeer te verdedigen valt? Kan dit systeem niet in Nederland ingebouwd worden zonder dat de rechtspraak extra wordt belast?

Is de minister bereid toe te zeggen dat hij enkel akkoord gaat met een GEAS pakket als dat inhoudt en garandeert dat alle lidstaten gelijke solidariteit betrachten, opvang, procedures en bescherming in alle lidstaten voldoende gewaarborgd is en er een werkbare oplossing komt voor de verdeling van de migratiedruk over de Europese lidstaten?

De leden van de SP-fractie constateren dat er gesproken zal worden over het GEAS in het algemeen. Deze leden delen de mening dat het verstandig is om naast de onderhandelingen over de individuele voorstellen ook het pakket in zijn geheel te bespreken. Graag vernemen zij wat de inbreng van de Nederlandse regering op dit punt zal zijn. Streeft Nederland nu op ten aanzien van alle maatregelen op het gebied van asiel naar harmonisatie of niet? Dat blijkt niet erg duidelijk uit de geannoteerde agenda.

In een recent fiche aan de Tweede Kamer over de Procedurerichtlijn (22 112, nr. 983) wordt afstand genomen van het principe van minimumnormen en wordt gesproken over gemeenschappelijke procedures. De Nederlandse regering schrijft voorstander te zijn van harmonisering van de Europese asielsystemen om nog voor 2012 te komen tot een Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel. Nog los van het feit dat dit qua planning onrealistisch en onhaalbaar is, is dit bovendien onwenselijk.

In de eerste plaats vragen deze leden wat er eigenlijk mis is met het principe van minimumnormen. Waarom wordt niet langer het uitgangspunt gesteund dat in alle lidstaten een bepaalde bodem aan rechten en waarborgen voor asielzoekers en hun procedures moet komen te gelden, zonder over te gaan tot volledige harmonisatie, waarbij de Commissie de lidstaten tot in detail gaat voorschrijven hoe de procedures er uit moeten zien? Graag ontvangen deze leden daarop een reactie.

In de tweede plaats zijn de leden van de SP-fractie van mening dat de minister zou moeten benadrukken dat alle Europese lidstaten hun energie moeten steken in het handhaven van hetgeen reeds is afgesproken, voordat er weer nieuwe regels en maatregelen worden voorgesteld. De naleving van de reeds afgesproken normen schiet nog steeds schromelijk tekort in veel lidstaten. Zou daar niet eerst op ingezet moeten worden? Graag ontvangen deze leden een reactie hierop.

Tenslotte vinden de leden van de SP-fractie dat de minister een dubbel signaal afgeeft, door enerzijds kritiek te leveren op de harmonisatie omdat dan het Nederlandse éénstatusstelsel op de tocht komt te staan, maar niet ten principale de harmonisatie afwijst. Waarom stelt Nederland de vraag of het überhaupt wenselijk is over te gaan tot harmonisatie in plaats van minimumnormen niet ter discussie?

De leden van de D66-fractie verwachten een actieve houding van de minister om tot een geharmoniseerd asielstelsel in Europa te komen. Op welke wijze zal de minister zich daarvoor inspannen? Op welke punten ziet hij ruimte voor compromissen en welke punten beschouwt de minister als niet-onderhandelbaar in het tot stand komen van het GEAS? Welke invulling ziet de minister voor een sterke rol van het EASO? Op welke punten wijkt het Nederlandse streven op dit moment af van andere lidstaten om invulling te geven aan een geharmoniseerd asielstelsel en aan de rol van het EASO?

2. Toekomst van het Schengen-gebied

De leden van de VVD-fractie vragen wat de huidige stand van zaken is ten aanzien van de onderhandelingen met betrekking tot de wijziging van het Schengenevaluatiemechanisme. Kan een overzicht worden gegeven van het Europees krachtenveld? Hoe verhoudt het Nederlandse standpunt met betrekking tot de binnengrenzen zich tot de recente ontwikkelingen dan wel ervaringen in andere lidstaten?

Deze leden vragen welke landen van mening verschillen over het urgentiemechanisme in de Dublinverordening en wat deze verschillen zijn.

Gemeld wordt dat Nederland bereid is om tot compromissen te komen onder vermelding van een aantal voorwaarden. De Nederlandse regering wil dat handhavingsautoriteiten toegang krijgen tot de database van Eurodac. Is het compromisvoorstel van Nederland voldoende om de impasse met betrekking tot de Eurodacverordening te doorbreken? In hoeverre kan sprake zijn van uitruil tussen deze op zichzelf staande verordeningen en tot welke compromis zijn andere lidstaten bereid? Wat is het krachtenveld ten aanzien van de toegang van handhavingsautoriteiten tot Eurodac? Zal Nederland er zorg voor dragen dat de privacyaspecten met betrekking tot Eurodac voldoende gewaarborgd worden?

De leden van de VVD-fractie vragen wat het krachtenveld is ten aanzien van de ruimere financiering en de ruimere bevoegdheden van Frontex. De Raad en het Europees Parlement hebben een «draft agreement» gesloten met betrekking tot Frontex. Zal deze overeenkomst worden besproken tijdens de JBZ-raad en bestaat de kans dat er hierover brede overeenstemming bestaat? Zo ja, dan brengen deze leden de motie Schouw/Ten Broeke (32 502, nr. 10) in herinnering die de regering verzocht om voordat ze instemt met het agenderen als A-punt van een onderwerp voor een Raad, altijd de afweging te maken of de Kamer hierover van tevoren geïnformeerd zou behoren te worden, en in dat geval schriftelijk te doen voordat de definitieve besluitvorming over het betreffende hamerstuk plaatsvindt in de Raad. Voornoemde leden benadrukken dat in hun ogen Frontex vooral een uitvoeringsorganisatie is en willen dan ook nog van gedachten wisselen met de regering over de bereikte «draft agreement».

De leden van de PvdA-fractie zijn positief over de inzet van de regering om het wederzijds vertrouwen onder de lidstaten van het Schengengebied te vergroten. Deze leden zijn wel kritisch over de wijze waarop geprobeerd wordt om dit vorm te geven. Kan de minister aangeven hoe het aanvullend mechanisme om het vertrouwen tussen de Schengenlanden te vergroten eruit gaat zien? Kan de minister aangeven bij welke buitengewone omstandigheden dit mechanisme in werking moet kunnen treden? Voornoemde leden achten het vrij verkeer van personen in Europa een fundamenteel en essentieel element van de Europese samenwerking en vinden dat daar niet aan getornd moet worden. De ontwikkeling waarbij de afzonderlijke lidstaten zich vanuit wantrouwen naar andere lidstaten meer gaan richten op nationale belangen en oplossingen vinden zij zeer ongewenst omdat dit nieuwe vormen van Europese samenwerking om migratieproblemen aan te pakken verder weg brengt. Europese burgers en migranten worden daarvan de dupe. Voornoemde leden roepen de minister dan ook op om bij de ontwikkeling van het aanvullend mechanisme de Europese solidariteit voorop te stellen en niet te kiezen voor maatregelen die de Nederlandse belastingbetaler alleen maar extra geld kosten. Deze leden geven in overweging om de ontwikkeling van het mechanisme te betrekken bij de gesprekken over het GEAS-pakket, om te waarborgen dat het mechanisme in dat pakket past en er een totaal pakket gerealiseerd kan worden dat tegelijkertijd de samenwerking en solidariteit op het terrein van asiel en migratie dichterbij brengt.

Voornoemde leden steunen de inzet om de focus te leggen op het versterken van de Europese buitengrenzen. Volgens hen zou hieromtrent ook aan de Oost Europese grenzen een slag moeten worden gemaakt.

Deelt de minister de mening dat in het kader van operationele en financiële steun een uitbreiding van het budget van de EASO in de rede ligt? Zou naast Frontex ook de EASO niet de aangewezen organisatie zijn om in het kader van operationele steun een prominente rol te spelen?

De leden van de SP-fractie onderschrijven de mening dat het invoeren van binnengrenscontroles niet de gewenste oplossing is voor het probleem waar we voor staan. Zij zijn van mening dat er nu serieus werk moet worden gemaakt van het monitoren van elkaars rechtstaat in de EU en in het elkaar helpen bij het versterken ervan. Bovendien hebben zij ernstige twijfels over de effectiviteit van het invoeren van binnengrenscontroles, al dan niet mobiel. Voornoemde leden vinden samenwerking tussen lidstaten bij het versterken van buitengrenzen prima zolang dat niet leidt tot een Fort Europa. Het recht op het aanvragen van asiel van vluchtelingen moet gegarandeerd blijven. Deze leden zijn van mening dat Frontex op dit moment niet goed is ingericht. De focus ligt teveel op het tegenhouden van vluchtelingen waarbij voorbij wordt gegaan aan de mensenrechten.

De leden van de D66-fractie vinden het buitengewoon onwenselijk dat individuele lidstaten overwegen grenscontroles aan de binnengrenzen in te voeren. Zij zijn verheugd dat de minister het belang van en haar vertrouwen in Schengen heeft uitgesproken. Niettemin constateren deze leden dat onlangs mobiel grenstoezicht is ingesteld dat zich niet alleen richt op criminele netwerken, maar juist ook op migratiestromen.

Hoe verhoudt volgens de minister het volledige behoud en zelfs versterken van Schengen zich tot het reguleren van migratiestromen binnen de EU door middel van grenstoezicht? Kan de minister toelichten hoe andere lidstaten deze verhouding zien?

Is de minister bereid om binnen zes maanden, na invoering van het grenstoezicht, de effecten van het toezicht op het grensverkeer aan de Kamer toe te lichten?

Wat zijn de kosten van het instellen van extra toezicht op het grensverkeer? Welke economische gevolgen brengt dit toezicht met zich mee?

Er wordt door de Europese Raad een uitzonderingsmechanisme op Schengen bepleit waarbij een rol zou zijn voorzien voor Frontex. Hoe beschouwt de minister een mogelijke rol van Frontex bij het bewaken van de binnengrenzen van lidstaten en ziet de minister hier noodzaak toe indien de buitengrenzen op termijn wel afdoende versterkt zijn?

3. Nieuwe uitdagingen in het drugsbeleid

De leden van de VVD-fractie zijn voorstander van het onlangs aangekondigde Europese pact ter bestrijding van handel in synthetische drugs zoals dat er ook al is inzake heroïne en cocaïne. Nederland werkt al veel samen met andere landen die met dezelfde problematiek van synthetische drugs te maken hebben. In de brief drugsbeleid van 27 mei 2011 (24 077, nr. 259) wordt echter niet gesproken over enige internationale samenwerking. Voornoemde leden vragen waaruit de inzet van Nederland inzake de totstandkoming van het Europese pact precies zal bestaan. Daarnaast verzoeken zij mee te delen wat de EU strategie van Nederland inzake drugs zal zijn.

Op maandag 3 oktober 2011 organiseert de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie een rondetafelgesprek inzake drugsbeleid waar ook bestaat voor internationale aspecten. Deze leden verzoeken de minister voor 3 oktober 2011 mee te delen welke Europese en internationale activiteiten van Nederland bijdragen aan de strijd tegen drugs in Europa.

Wordt er in Europees verband gesproken over een scheiding tussen de aanpak van hard- en softdrugs? Zo ja, wat is de lijn en wat zijn de standpunten van de individuele landen?

De leden van de SP-fractie vragen wat het Europees pact voor synthetische drugs, waar over gesproken zal worden, nu concreet aan Europese maatregelen bevat. Deze leden lezen dat het pact moet voorzien in een oplossing voor het probleem van nieuwe synthetische drugs en het harmoniseren van procedures in alle lidstaten. Wat houdt dat laatste nu precies in?

Deze leden vragen een visie op de Europese bevoegdheden op het gebied van het drugsbeleid. In hoeverre vindt de minister dat het drugsbeleid een nationale aangelegenheid is en zou moeten blijven? Vindt de minister dat de Europese Unie zich primair zou moeten richten op het bestrijden van grensoverschrijdende smokkel van illegale waar en grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied? Of vindt de minister dat de Europese Unie ook mag bepalen dat bepaalde drugs in Nederland verboden moeten worden?

Deze leden vragen naar de reacties van andere lidstaten op het Nederlandse plan een wietpas in te voeren. Signaleert de minister niet een tendens in andere lidstaten, zoals België en Spanje, die meer neigen naar het reguleren van softdrugs dan dat het beleid repressiever wordt (verbieden, opsporen en vervolgen)?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het Poolse voorzitterschap om vergelijkbaar met het bestaande Europese pact illegale drugshandel gericht op heroïne en cocaïne, ook een pact ter bestrijding van synthetische drugs op te stellen. Deze leden zijn benieuwd naar de Nederlandse inzet bij de totstandkoming van het pact en vragen de minister om een toelichting hierop.

Onlangs werd in een artikel in Revue van 6 juli 2011 bericht dat Nederland zelf weliswaar effectief optreedt tegen handel in cocaïne en heroïne, maar de invoer en handel zich nu heeft verplaatst van de Rotterdamse haven naar de Antwerpse haven waarbij Nederlandse criminele netwerken een hoofdrol spelen. Indien deze berichtgeving juist is, constateren deze leden een verplaatsing van de drugscriminaliteit tussen lidstaten in tegenstelling tot een Europese oplossing. Klopt de berichtgeving? Zo ja, hoe strookt dit met de afspraken in het Europese pact illegale drugshandel? Op welke wijze spant de minister zich in zodat de handel in cocaïne en heroïne binnen Europa op meer gelijkwaardige voet wordt bestreden?

De huidige «Europese Drugs Strategie» en het bijbehorende «Europese Drugs Actie Plan» lopen in 2012 af. De leden van de D66-fractie vinden het van groot belang dat een inhoudelijke discussie wordt gevoerd over het toekomstige drugsbeleid. Zij vragen de minister om de Kamer actief te betrekken en te informeren over haar inzet voor de Europese drugsstrategie.

In verband met het rondetafelgesprek van 3 oktober 2011 en een daaropvolgend debat in de Kamer, verzoeken voornoemde leden nadrukkelijk dat de Kamer vóór 26 september 2011 wordt geïnformeerd over de Europese en internationale activiteiten van Nederland die bijdragen aan de strijd tegen drugs in Europa zodat dit kan worden meegenomen bij de behandeling van de brief van de minister inzake drugsbeleid (24 077-259).

4. Europees contractenrecht

De leden van de VVD-fractie willen graag een bevestiging dat de kabinetsreactie op het Groenboek Europees Contractenrecht nog steeds het Nederlandse standpunt is. Waar neigt het Europees krachtenveld naar? Neigt het naar een verplichtend dan wel naar een optioneel Europees Contractenveld? Hoe haalbaar is het standpunt dat er een optionele verordening moet komen? Kan een overzicht worden gegeven van de standpunten van de diverse partijen? Voornoemde leden verzoeken de minister de Kamer na de JBZ-raad te informeren over de haalbaarheid van het Nederlandse standpunt met het oog op de posities van andere lidstaten en de voorziene Nederlandse inzet richting de formulering van de Raasconclusies in oktober.

Deze leden vragen welke landen het Nederlandse standpunt steunen inzake de ontwikkeling van een «gereedschapskist», zoals een gedegen impact assessment, voldoende rechtsgrondslag, de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en verduidelijking van de verhouding tot de regels van het Internationaal Privaatrecht.

De leden van de VVD-fractie zien graag dat bij elk nieuw onderwerp aangegeven wordt wat de verwachte effecten zijn op de Nederlandse wetgeving. Deelt de minister de zorg dat implementatie van een Europees Contractenrecht mogelijk op dit punt lastig is voor sommige rechtsstelsels binnen de EU?

Het standpunt van de leden van de SP-fractie dat er geen behoefte bestaat aan een Europees Burgerlijk Wetboek is genoegzaam bekend. Deze leden vragen een beschrijving van de stand van zaken op dit punt. Is de minister bereid zich te verzetten, indien dat nodig is, tegen voorstellen die gaan in de richting van een verplicht instrumentarium, verplichtingen om het Europees contractenrecht te gaan gebruiken?

De leden van de D66-fractie vragen de minister om de Kamer na de informele JBZ-Raad te informeren over de haalbaarheid van het Nederlandse standpunt in verhouding tot de posities die worden ingenomen door andere lidstaten. Welke Nederlandse inzet wordt daarnaast voorzien bij de formulering van de Raadsconclusies in oktober?

5. Bescherming van slachtoffers

De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan bescherming van slachtoffers en willen dat slachtoffers een zo goed mogelijke positie krijgen in het strafproces. Deze maatregelen dienen wel uitvoerbaar en financieel haalbaar te zijn. Uit het BNC-fiche inzake Verordening wederzijdse erkenning beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (22 112, nr. 1190) blijkt dat Nederland kritisch is over de wijze waarop de reikwijdte van het voorstel geformuleerd is omdat de bepaling de mogelijkheid creëert van kruislingse omzetting tussen civiel, straf- en bestuursrecht. Dit is in de praktijk zeer lastig uitvoerbaar. Voornoemde leden verzoeken aan te geven waarom kruislingse tenuitvoerlegging in praktijk lastig uitvoerbaar is. Zijn hier voorbeelden van?

De leden van de VVD-fractie kunnen zich vinden in de kritiekpunten van Nederland in het BNC-fiche inzake Richtlijn inzake minimumnormen voor rechten en bescherming van slachtoffers van misdrijven ten aanzien van het feit of (alle) lidstaten wel in staat zijn het onderhavig voorstel volledig te implementeren gezien de huidige financieel-economische situatie. Ditzelfde geldt voor de onbepaalde reikwijdte betreffende de bescherming van slachtoffers en familieleden. Deze leden vinden dat duidelijk moet zijn hoever en hoelang de zorgplicht van de overheid is. Verder zijn zij het eens dat eerst helder moet zijn wat voor systeem de Europese Commissie voor ogen heeft om slachtoffers te beoordelen of zij kwetsbaar zijn voor secundaire en herhaalde victimisatie of intimidatie voordat de politie ten aanzien van dit systeem extra taken krijgt toebedeeld.

De leden van de PvdA-fractie waarderen de inzet voor een betere bescherming van slachtoffers. Ook vinden zij het van belang dat er in de EU voldoende aandacht is voor de uitvoering van huidige richtlijnen voordat er gesproken wordt over nieuwe. Het is voor de geloofwaardigheid van de EU schadelijk als afspraken niet nagekomen worden. Zij delen dan ook de kritische kanttekeningen bij de uitvoering van het kaderbesluit uit 2001 en de vraag om uitleg waarom de implementatie van deze richtlijn beter zal verlopen.

Verder lezen deze leden dat de minister graag maatwerk aan slachtoffers aan wil bieden, maar een screening of er sprake is van een kwetsbaar slachtoffer van de hand wijst. Graag willen deze leden weten waarom deze screening de mogelijkheden om maatwerk te leveren verkleint. Is het door stelselmatig onderzoek juist niet beter mogelijk om de behoeften van het slachtoffer in kaart te brengen?

Tenslotte lezen deze leden dat vraagtekens worden gesteld bij de wenselijkheid van de uitbreiding van de rechten van slachtoffers in relatie tot de financieel-economische situatie. De leden van de PvdA-fractie vinden het zinvol dat de kosten van de richtlijn inzichtelijk worden gemaakt, maar zij zijn van mening dat een goede toegang voor iedereen tot het recht noodzakelijk is voor een goed functionerende rechtstaat net als een goede bescherming van de rechten van slachtoffers. Daarom zijn deze leden tegenstander van de plannen om de griffierechten sterk te verhogen en te bezuinigingen op de rechtsbijstand. Voordat financiële bezwaren worden opgeworpen tegen de voorgestelde uitbreiding van de rechten van slachtoffers hechten deze leden daarom aan een inhoudelijke weging van de wenselijkheid en de noodzaak van de voorgestelde uitbreidingen.

De leden van de SP-fractie benadrukken het belang dat slachtoffers van misdrijven, bedreigingen, huiselijk geweld of wat dan ook, altijd die bescherming vinden en krijgen die zij nodig hebben. Dat hier in Europees verband afspraken over worden gemaakt is positief. De leden vragen de minister hier wel om een bredere visie. In hoeverre is het wenselijk en noodzakelijk dat de Europese Unie de inhoud van het slachtofferbeleid van de lidstaten bepaalt? Hoe ver vindt de minister dat dit zou moeten gaan? Zouden de Europese voorstellen ook moeten gelden voor situaties die puur betrekking hebben op interne (nationale) situaties? Of gelden de Europese voorstellen slechts voor zaken van slachtoffers met een grensoverschrijdend aspect, zoals slachtoffers die zich in een andere lidstaat bevinden of die in een andere lidstaat bescherming nodig hebben? Graag ontvangend deze leden de visie van de minister hierop.

De leden van de SP-fractie vragen de minister toe te lichten wat de consequenties zijn voor het Nederlandse beleid, wetten en regels van de voorliggende Europese voorstellen. Noodzaken deze Europese voorstellen tot veranderingen in het Nederlandse stelsel voor wat betreft de civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aanpak? Welke gevolgen hebben deze voorstellen precies?

Verder steunen de leden van de SP-fractie de kritische houding van de minister dat eerdere afspraken op dit gebied nog niet geïmplementeerd zijn en dat de vraag zou moeten zijn of het opstellen van nieuwe regels dan wel de oplossing is. Graag zien deze leden op meerdere fronten deze houding in JBZ-verband.

Voornoemde leden constateren dat Nederland op onderdelen kritisch is, met name omdat de voorgestelde richtlijn financiële consequenties heeft, waar het geld niet voor is. Het lijkt er op dat de minister alleen de rechten van slachtoffers wil versterken zo lang dit gratis is, zodra het geld kost kan het niet? Graag ontvangen deze leden een reactie hierop.

Tenslotte ontvangen deze leden graag een toelichting op de zin dat het belangrijk is dat lidstaten worden ondersteund door middel van flankerende maatregelen. Wat wordt hiermee precies bedoeld?

De leden van de D66-fractie vinden dat de positie van slachtoffers verder kan en moet worden versterkt en juicht de inspanningen om dit Europees te bewerkstelligen toe. Deze leden zien daarbij een voortrekkersrol voor Nederland weggelegd.

Voornoemde leden vinden het zonder meer van belang dat de positie van de Kamer vroegtijdig wordt betrokken bij de onderhandelingen in Brussel en zal in een algemeen overleg nader op haar positie ingaan. In aanloop naar de JBZ-Raad en een nog te houden overleg met de Kamer, hebben deze leden vragen over de aansluiting van de Europese plannen op het Nederlandse rechtsstelsel.

Er wordt gesproken over een kruislingse tenuitvoerlegging wat in de Nederlandse praktijk niet uitvoerbaar lijkt. Kan de minister concrete voorbeelden noemen van situaties waarin dit voor Nederland niet uitvoerbaar zou zijn?

In het BNC-fiche wordt aangehaald dat de omzetting van maatregelen vragen oproept voor de uitvoerbaarheid en rechtszekerheid. Kan de minister nader toelichten welke vragen hij aan de orde acht?

Hoe schat de minister de kansen in dat het knelpunt van de kruislingse tenuitvoerlegging en van de onduidelijke samenhang met andere Europese civielrechtelijke maatregelen na onderhandeling in de Raad en het Europees Parlement wordt verholpen in eventuele herziene voorstellen?

In de BNC-fiche wordt gesteld dat in samenhang met een richtlijn inzake een Europees beschermingsbevel in strafzaken een aanpassing van regelgeving noodzakelijk lijkt voor een heldere uitvoeringspraktijk in Nederland. Kan de minister toelichten welke aanpassingen daarvoor concreet nodig zouden zijn?

In hoeverre mag verwacht worden dat lidstaten nader tot het Nederlandse standpunt komen over de formulering en beoordeling van kwetsbare groepen slachtoffers?

Hoe verhoudt het recente voorstel om daders een schadevergoeding te laten betalen aan de staatskas ten gunste van het slachtoffer en om meerdere personen spreekrecht te geven tijdens het strafproces, zich concreet tot de Europese richtlijn?

Kan de minister reeds een inschatting geven van de administratieve lasten die hij verwacht voor de Nederlandse overheid bij het afgeven van certificaten?

Welke financiële belemmeringen worden concreet voor Nederland voorzien bij toekomstige implementatie van de richtlijn ter bescherming van slachtoffers?

II. REACTIE VAN DE MINISTER

1. Gemeenschappelijk Europees asielstelsel

Stand van zaken onderhandelingen GEAS

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd wat de stand van zaken is ten aanzien van de diverse onderhandelingen aangaande het GEAS en over de richtlijnen en verordeningen binnen het GEAS. De onderhandelingen over de Dublin-verordening vorderen gestaag. Veel lidstaten staan uitgesproken kritisch tegenover een «opschortingsmechanisme» terwijl het Europees Parlement (EP) voorstander is van een dergelijk mechanisme. Door de lidstaten is gesproken over een compromisvoorstel (het zogenaamde «noodmechanisme»), waarin onder andere duidelijker is opgenomen dat een lidstaat enkel van het mechanisme kan profiteren als deze het asielacquis van de Europese Unie (EU) ten volle heeft geïmplementeerd en naleeft. Veel lidstaten, waaronder Nederland, hebben echter (ook) bezwaren bij dit compromisvoorstel. Echter, onder de voorwaarden dat het noodmechanisme alleen van toepassing zal zijn op de landen die voldoen aan het asielacquis, het mechanisme pas kan worden ingezet als andere solidariteitsinstrumenten (zoals praktische ondersteuning ter plekke via het Europees Asielondersteuningsbureau (EASO) onvoldoende soelaas bieden, en één en hetzelfde asielverzoek niet door meerdere lidstaten inhoudelijk moet worden beoordeeld, wil Nederland zich constructief opstellen in de discussie met het EP over een dergelijk mechanisme in de Dublin-verordening.

Voor wat betreft welke landen van mening verschillen over het urgentiemechanisme in de Dublinverordening en wat deze verschillen zijn, antwoord ik u dat het merendeel van de 27 lidstaten bedenkingen heeft bij het door de Commissie voorgestelde mechanisme om Dublin-overdrachten op te schorten naar lidstaten die te maken hebben met een hoge migratiedruk. Zo vrezen veel lidstaten dat van het mechanisme een aanzuigende werking kan uitgaan. Ook zijn enkele lidstaten van mening dat de Dublin-verordening geen solidariteitsinstrument is, maar slechts criteria moet bevatten die de voor een asielverzoek verantwoordelijke lidstaat aanwijzen.

Bij de onderhandelingen over de nieuwe Eurodac-verordening gaat het met name over de vraag of de Commissie wederom met een voorstel komt dat rechtshandhavingautoriteiten toegang verschaft tot de Eurodac. Het belangrijkste discussiepunt is nog altijd het ontbreken van bepalingen over toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden. Zoals toegelicht in het BNC-fiche van 19 oktober 2009 (TK 22 112, nr. 944) is Nederland er een voorstander van om toegang te geven aan deze autoriteiten onder strikte voorwaarden. De strikte voorwaarden hebben onder meer ten doel zorg te dragen voor de privacyrechten van de betrokken vreemdeling. Nederland staat hierin niet alleen en weet zich omringd door veel gelijkgezinde landen. Het EP is echter geen voorstander van een dergelijke verruiming. Nederland heeft op dit punt geen compromisvoorstel ingediend.

De Commissie heeft op 3 december 2008 een voorstel gedaan voor een herziening van de Opvangrichtlijn. Omdat er onvoldoende uitzicht was op een akkoord, heeft de Commissie op 1 juni 2011 een herzien voorstel gepresenteerd. Voor wat betreft de Opvangrichtlijn zijn veel lidstaten tegenstander van het verkorten van de termijn waarna een asielzoeker toegang tot de arbeidsmarkt krijgt van een jaar naar zes maanden. Veel lidstaten kunnen niet instemmen met het vaststellen van een referentiepunt voor de verstrekkingen van asielzoekers dat gebaseerd is op de hoogte van bijstandsvoorzieningen voor ingezetenen. Ook de detentiebepalingen leiden tot veel wijzigingsvoorstellen.

De onderhandelingen over de Kwalificatierichtlijn zitten in de eindfase. Het Hongaars en Pools Voorzitterschap hebben een compromis bereikt met de Commissie en het EP. Deze compromistekst moet nog ter besluitvorming aan de JBZ-Raad worden voorgelegd.

De Commissie heeft op 21 oktober 2009 een voorstel gedaan voor de wijziging van de Procedurerichtlijn. De onderhandelingen verliepen stroef en er was onvoldoende uitzicht op een akkoord. De Commissie heeft daarom besloten een nieuw voorstel op te stellen. Dit nieuwe voorstel is op 1 juni 2011 gepresenteerd.

Het is nog te vroeg om een overzicht te geven van het krachtenveld aangezien op dit moment nog niet het standpunt van alle lidstaten bekend is op de verschillende onderdelen van de voorstellen van de Commissie.

Communicatie van de EU over arbeidsmigratie

Het kabinet is geen voorstander van een informatie- en communicatiestrategie met als doel arbeidsmigratie uit derde landen te bevorderen. In de beantwoording van de Kamervragen waarnaar in de vraagstelling wordt verwezen wordt geeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan in zijn contacten met de Commissie te zullen wijzen op de onwenselijkheid van een proactieve informatie- en communicatiestrategie door de Commissie met de inzet van Europees geld. Daarbij wordt gedoeld op de bevordering van arbeidsmigratie.

Op het terrein van asiel is geen sprake van een proactieve informatie- en communicatiestrategie die erop gericht is (meer) asielzoekers naar Europa te laten komen. Het kabinet ziet dan ook geen reden om dit onderwerp ten aanzien van asiel tijdens de JBZ-Raad naar voren te brengen.

Verdeling lasten en opvang van vluchtelingen in de EU

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd het Nederlandse standpunt inzake de verdeling van de verantwoordelijkheden en de lasten voor de opvang van vluchtelingen in de EU. Zoals Nederland steeds heeft aangegeven is de Nederlandse positie dat in deze fase waarin een GEAS nog niet is voltooid er geen sprake kan zijn van verplichtende vormen van intra-EU relocatie. Eerst als het GEAS daadwerkelijk is verwezenlijkt wil Nederland over dergelijke verplichtende afspraken spreken. Deze positie van Nederland is in raadsverband genoegzaam bekend.

Waarborgen fatsoenlijke opvang en asielprocedure in EU-lidstaten

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd of de minister de mening deelt dat in alle Europese lidstaten er fatsoenlijke opvang voor asielzoekers bestaat en dat asielzoekers in alle Europese lidstaten een fatsoenlijke asielprocedure kunnen doorlopen. Deze mening wordt gedeeld door de minister.

Het is niet aan Nederland om vast te stellen of andere lidstaten de in de EU-regelgeving neergelegde normen op juiste wijze in de nationale stelsels hebben geïmplementeerd. Het is aan de Commissie om lidstaten aan te spreken die hun verplichtingen niet nakomen en zonodig een inbreukprocedure op te starten. Uiteraard wordt in de JBZ-Raad wel frequent gesproken over de problemen waarmee lidstaten ten gevolge van een hoge migratiedruk te maken hebben. Andere lidstaten, zoals Nederland, kunnen hierbij hun verantwoordelijkheid nemen door deze lidstaten praktisch te ondersteunen. De (recente) oprichting van het EASO is hierbij een bijzonder goede ontwikkeling omdat dit agentschap de samenwerking tussen de lidstaten verder stimuleert en coördineert.

Solidariteit tussen de EU-lidstaten

Uiteraard wordt de opvatting gedeeld dat alle lidstaten solidariteit met elkaar moeten betrachten. Onder de huidige situatie, waarin het GEAS nog niet is verwezenlijkt, vindt deelname aan solidariteitsprojecten plaats op vrijwillige basis. De Nederlandse inzet is er op gericht om op zo kort mogelijke termijn het GEAS te hebben verwezenlijkt, zodat daarna meer verplichtende afspraken over solidariteit (zoals intra-EU relocatie) kunnen worden besproken.

Nederlandse positie in onderhandelingen over het GEAS

De positie van Nederland op de verschillende onderdelen binnen het GEAS sluit op veel punten aan bij standpunten van andere lidstaten of leidt tot begrip voor de Nederlandse positie bij de Commissie. Er is geen grond voor de stelling dat het Nederlandse regeerakkoord de positie van Nederland heeft verzwakt. In het regeerakkoord zijn twee voor het GEAS relevante punten opgenomen. Dit betreffen de doeltreffende uitvoering van de Dublin-verordening en het streven om de Kwalificatierichtlijn te wijzigen in die zin dat de bewijslast richting de aanvrager wordt verschoven ten aanzien van het aantonen van (het ontbreken van) vluchtalternatieven. Op beide punten vindt het Nederlandse standpunt gehoor bij andere lidstaten.

De kabinetsstandpunten zoals opgenomen in het regeerakkoord zijn vanzelfsprekend medebepalend voor Nederlandse inbreng in de Europese onderhandelingen. Voor de genoemde twee in het regeerakkoord opgenomen punten die voor het GEAS relevant zijn, bestaat geen aanleiding om tot compromissen te komen. Het Nederlandse voorstel inzake vluchtalternatieven, zoals ook verwoord in het Nederlandse position paper, is door de Commissie overgenomen en maakt deel uit van het thans voorliggende voorstel van de Kwalificatierichtlijn. De in het regeerakkoord beschreven wens tot goede uitvoering van de Dublin-verordening is leidend bij de eerder beschreven Nederlandse inzet rond het urgentiemechanisme in de onderhandelingen over de Dublin-verordening en vindt ook bij andere lidstaten gehoor.

Nederland hecht zeer aan hervestiging en is voorstander van een solide Europees hervestigingsprogramma. Er liggen thans echter geen bindende instrumenten op tafel die lidstaten kunnen verplichten tot hervestiging over te gaan. Het ontbreken van een bindend instrument maakt dat met harde onderhandelingen op dit punt geen verplichting kan worden verzekerd. Het is daarom met name van belang om andere lidstaten te overtuigen van het belang van hervestiging en op die wijze te laten participeren. Daarop zal de Nederlandse inzet dan ook zijn gericht.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de PvdA-fractie of de minister bereid is toe te zeggen dat hij enkel akkoord gaat met een GEAS-pakket als dat inhoudt en garandeert dat alle lidstaten gelijke solidariteit betrachten, opvang, procedures en bescherming in alle lidstaten voldoende gewaarborgd is en er een werkbare oplossing komt voor de verdeling van de migratiedruk over de Europese lidstaten, antwoordt de minister als volgt. Zoals meerdermaal gezegd vormt het GEAS juist de basis om te komen tot meer bindende afspraken over solidariteit. Nederland zet zich in om het GEAS in 2012 te hebben gerealiseerd zoadat daarna over deze afspraken kan worden gesproken tussen de lidstaten, Commissie en het EP. Hierbij vermeldt zij dat besluitvorming over de instrumenten die het GEAS vormen plaatsvindt bij gekwalificeerde meerderheid in de Raad en met instemmingsrecht van het EP.

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd of Nederland streeft op harmonisatie ten aanzien van alle maatregelen op het gebied van asiel. Nederland is voorstander van een geharmoniseerd asielstelsel waarvan, zonder afbreuk te doen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, het belangrijkste doel is dat een vergelijkbaar asielverzoek in alle lidstaten kan rekenen op een zelfde uitkomst in een procedure die voldoende waarborgen biedt voor de asielzoeker. Dit vormt voor Nederland dan ook het leidende uitgangspunt bij de onderhandelingen. Daarbij moet er enige ruimte blijven voor verschillende nationale stelsels zolang deze ruimte niet afdoet aan genoemde hoofddoelstelling.

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd op welke wijze zal de minister zich zal inspannen voor een geharmoniseerd asielstelsel in Europa, en op welke punten de minister ruimte ziet voor compromissen en welke punten de minister beschouwt als niet-onderhandelbaar in het tot stand komen van het GEAS. Alle lidstaten streven hetzelfde doel na, namelijk het realiseren van een GEAS in 2012. Tijdens de JZB-Raad van 9–10 juni 2011 is dit streven nogmaals bevestigd in de Raadconclusies over Grenzen, Migratie en Asiel. Dit neemt niet weg dat lidstaten bij de onderhandelingen over de herziening van de verschillende richtlijnen en verordeningen andere accenten leggen.

Nederland realiseert zich dat het belangrijk is dat in de aankomende onderhandelingen alle landen, maar ook het EP, bereidheid tonen om compromissen te sluiten om het GEAS tot stand te kunnen laten komen. Nederland is – vanuit deze bereidheid om tot compromissen te komen – bereid een Dublin-urgentiemechanisme te bespreken, mits dit alleen kan worden ingeroepen voor lidstaten die volledig voldoen aan het asielacquis, enkel als laatste redmiddel, en niet geldt voor asielzoekers van wie het verzoek reeds door de betrokken lidstaat was behandeld. De in de vraag neergelegde term «niet onderhandelbaar» past slecht bij het stelsel van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid en co-decisie door het EP zoals dat geldt voor de in onderhandeling zijnde verordeningen en richtlijnen die het GEAS moeten vormen. Het is daarom dat de Nederlandse inzet is gericht op het overtuigen van andere lidstaten en Commissie om langs deze weg de Nederlandse ideeën over het GEAS te verwezenlijken.

72-uurstoets

De leden van de PvdA-fractie heeft vragen gesteld over de 72-uurstoets. Evenals veel andere lidstaten is Nederland tegenstander van een rechterlijke toets binnen 72 uur. Deze 72-uurstermijn is uit de voorstellen voor een Terugkeerrichtlijn geschrapt. Invoering van de 72-uurstoets zou in Nederland slechts kunnen plaatsvinden na majeure organisatorische aanpassingen die tot een zeer aanzienlijke toename van kosten zouden leiden.

Nederland vindt dat de rechtmatigheid van de bewaring zorgvuldig getoetst moet worden, hiertoe moet worden aangesloten bij de tekst zoals verwoord in artikel 15, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn. Die bepaling voorziet erin dat, indien de inbewaringstelling door een administratieve autoriteit plaatsvindt, voorzien wordt in een spoedige rechterlijke toets op de rechtmatigheid van de bewaring, zo spoedig mogelijk na de aanvang ervan of in een verplichting voor de Lidstaat om de vreemdeling het recht te geven voorziening te vragen bij het gerecht zodat de rechtmatigheid van de bewaring aan een spoedige rechterlijke toets wordt onderworpen.

Principe van minimumnormen

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd wat er eigenlijk mis is met het principe van mininumnormen. Het komen tot een stelsel waarin een vergelijkbaar asielverzoek in alle lidstaten kan rekenen op een zelfde uitkomst in een procedure die voldoende waarborgen biedt, heeft tot doel om oneigenlijke migratiestromen binnen de EU maximaal tegen te gaan. Wanneer op deze wijze harmonisatie heeft plaatsgevonden, zal er veel minder dan nu een prikkel zijn voor asielzoekers om te reizen naar het EU-land waar zij de meeste kans op bescherming verwachten. Dit streven tot harmonisatie doet daarbij niet af aan de door de leden beschreven bepaalde bodem aan rechten en waarborgen voor asielzoekers. Het geharmoniseerde stelsel moet deze waarborgen juist in zich dragen. Als gezegd moet er voorts ruimte blijven voor de lidstaten voor zover dit niet afdoet aan genoemde hoofddoelstelling.

Naleven van de reeds afgesproken normen en harmonisatie van asielbeleid

Nederland acht de goede implementatie en uitvoering van het bestaande acquis van groot belang. Dit wordt in de verschillende gremia ook met regelmaat door Nederland opgebracht waarbij ook steeds aandacht wordt gevraagd voor de rol die de Commissie en het EASO in dit verband hebben. Het belang van goede implementatie hoeft echter niet af te doen aan de wens om tot een gemeenschappelijk Europees asielstelsel te komen.

Zoals hiervoor reeds aangegeven betekent het streven naar een GEAS niet dat er in het geheel geen nationale ruimte meer moet zijn voor de afzonderlijke lidstaten. In het licht van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten lidstaten deze ruimte kunnen behouden zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstelling van het GEAS. Het Nederlandse éénstatusstelsel is daarvan een voorbeeld. Er is geen grond om te veronderstellen dat dit stelsel afbreuk doet aan de doelstelling van het GEAS en het kabinet acht het dan ook van belang dat Nederland de ruimte hiervoor behoudt.

EASO

De D66-fractie heeft gevraagd over welke invulling de minister ziet voor een sterke rol van het EASO. Het EASO verkeert nog in de opbouwfase. Naar mijn mening dient het EASO zich in deze fase met name bezig te houden met het ondersteunen van lidstaten die zich geconfronteerd zien met een onevenredige migratiedruk zoals Griekenland.

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd of de minister de mening deelt dat in het kader van operationele en financiële steun een uitbreiding van het budget van de EASO in de rede ligt, en of naast Frontex ook de EASO niet de aangewezen organisatie zou zijn om in het kader van operationele steun een prominente rol te spelen. Nederland is van mening dat er nog winst te boeken valt bij de praktische samenwerking, mede door een sterke rol voor het EASO dat sinds 19 juni 2011 operationeel is. Nederland zet voor de totale EU-begroting 2012 in op een nominale nulgroei; EASO kent echter een uitzonderingspositie, aangezien dit agentschap zich in de opstartfase bevindt. Om die reden, en om het belang dat het kabinet aan de oprichting van EASO hecht, pleit Nederland ervoor dat vast wordt gehouden aan het geplande financieringspad voor EASO, mits deze middelen middels herprioritering gevonden worden door ombuigingen elders in categorie 3A en de kabinetsinzet van een nominale nulgroei van de totale begroting niet in het geding komt. De operationele steun die het EASO aan de lidstaten biedt beperkt zich overigens tot het terrein van asiel.

2. Toekomst van het Schengen-gebied

Schengenevaluatiemechanisme

Op 16 november 2010 heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd voor een verordening inzake de controle van de toepassing van het Schengenacquis. Deze verordening zou het huidige Schengenevaluatiemechanisme aanpassen. U bent over het Nederlandse standpunt ingelicht via een BNC-fiche op 3 februari 2011. Het voorstel van de Commissie is meermaals op raadswerkgroepniveau besproken. Deze besprekingen richtten zich met name op de rechtsbasis van het voorstel zoals door de Commissie gekozen. Nederland was het niet eens met de keuze voor deze rechtsbasis, zoals ook in het BNC-fiche is aangegeven. Verschillende lidstaten en de Juridische Dienst van de Raad deelden de mening van Nederland. Vervolgens zijn de onderhandelingen in de Raad stil gevallen. Het is de verwachting dat de Commissie na de zomer een gewijzigd voorstel voor de verordening zal indienen. Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda wil Nederland de Schengenevaluaties verder verbeteren en verdiepen door middel van het betrekken van rechtsstatelijke aspecten bij het uitvoeren van deze evaluaties. Nederland vindt hierbij gelijkgestemde landen. Ik beschouw de inbreng van de leden van de SP op dit onderwerp als steun voor de inzet van het kabinet.

Versterking Schengensysteem

Nederland blijft bij het standpunt dat Schengen versterkt moet en kan worden door duidelijkere regels vast te stellen die gehanteerd kunnen worden indien door buitengewone omstandigheden het Schengensysteem onder druk komt te staan. Ik benadruk nogmaals dat voor Nederland geldt dat het principe van vrij personenverkeer daarbij onverlet moet worden gelaten. Buitengewone omstandigheden of noodsituaties kunnen per land verschillen. Een klein eiland zoals Malta is nu eenmaal niet te vergelijken met een groot land als Spanje. Het is daarom lastig om uniform vast te leggen wat buitengewone omstandigheden zijn. Ik zal daarom ervoor pleiten dat bij het vaststellen van wanneer nu sprake is van een crisis, een belangrijke rol voor Frontex is weggelegd. Frontex is in staat op korte termijn risicoanalyses te maken. Met de nieuwe Frontex-verordening kan Frontex bovendien analyses maken van de capaciteit die de lidstaten hebben. Bovendien kan gebruik gemaakt worden van planning op basis van verschillende scenario’s. Op basis hiervan kan relatief snel (en objectief) worden vastgesteld of er sprake is van exceptionele omstandigheden en of een lidstaat in staat is zelfstandig met deze omstandigheden om te gaan. Het is nuttig dat Frontex ook de analyses van o.a. Europol betrekt bij haar analyses.

Indien wordt vastgesteld dat er bij een lidstaat buitengewone omstandigheden zich voordoen, is het allereerst de bedoeling dat dit land zelf alle middelen aanwendt om aan zijn verplichtingen te voldoen onder het Schengenacquis. Ieder land is tenslotte zelf verantwoordelijk voor het bewaken van hun deel van de buitengrenzen. Via het Europees Grenzenfonds zijn bovendien middelen beschikbaar die kunnen worden aangewend om het grenstoezicht te verbeteren of opnieuw op het gewenste peil te brengen. Indien dit niet tot de gewenst gevolgen leidt, kan de betreffende lidstaat op Europees niveau geassisteerd worden. Als het gaat om grensbewaking van de buitengrenzen is hier een natuurlijk rol voor Frontex weggelegd. Ervaringen opgedaan aan de Turks-Griekse en Turks-Bulgaarse grenzen via de snelle grensinterventieteams laten zien dat deze erg effectief kunnen zijn.

Indien een land problemen heeft met zijn asielstelsel, kan er inderdaad ook een ondersteunende rol voor EASO zijn. In voorkomende gevallen gebeurt dit reeds.

Als alle bovengenoemde mogelijkheden zijn uitgeput zou – als laatste redmiddel – gekozen kunnen worden om plaatselijk en tijdelijk weer binnengrenscontroles in te voeren. Dit moet alleen mogelijk zijn indien aan strikte criteria wordt voldaan en deze beslissing zou alleen gezamenlijk genomen moeten worden. Overigens is het op basis van de huidige Schengengrenscode al mogelijk om binnengrenscontroles her in te voeren indien de openbare orde of binnenlandse veiligheid van een lidstaat in het geding is.

Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV)

Het Mobiel Toezicht Vreemdelingen in de grenszones met België en Duitsland door de Koninklijke Marechaussee (KMar) is een vorm van binnenlands toezicht. MTV is erop gericht illegaal verblijf, al dan niet in georganiseerd verband, in een zo vroeg mogelijk stadium tegen te gaan. Dit toezicht is tevens gericht op preventie en ontmoediging van toekomstig illegaal verblijf. MTV draagt ook bij aan de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. Het uitoefenen van toezicht door de KMar op illegaal verblijf is in het gebied direct achter de grens juist nodig omdat in dat gebied een significant grotere kans bestaat om illegalen aan te treffen dan in de rest van het land. Het MTV is dus een van de bestaande taken van de KMar en betekent geen extra grenstoezicht.

Mits de controles niet het effect hebben van grenscontroles is de uitvoering van dit MTV niet in tegenspraak tot de afschaffing van de grenscontroles aan de binnengrenzen en de versterking van de buitengrenscontroles in het kader van Schengen. De afschaffing van het grenstoezicht aan de binnengrenzen doet – ook in grensgebieden – geen afbreuk aan de uitoefening van de politiebevoegdheden door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voor zover de uitoefening van die bevoegdheid niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles. Ook hierin voorziet de Schengengrenscode.

Artikel 21, onderdeel a, van de Schengengrenscode bevat een aantal criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de uitoefening van politiebevoegdheden al dan niet hetzelfde effect heeft als grenscontrole. Deze criteria hebben als richtsnoer gediend bij de totstandkoming van de onlangs gerealiseerde wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en vormen de basis van de uitvoering van het MTV van de KMar.

Uit het verslag van de Commissie aan het EP en de Raad van 13 oktober 2010 betreffende de toepassing van Titel III van de Schengengrenscode (COM (2010) 554 definitief) blijkt dat in verschillende lidstaten van de EU niet systematische, als steekproef uitgevoerde politiecontroles worden verricht op basis van risico-inschattingen van de veiligheidssituatie (vooral het risico van illegale migratie, inbreuken op de strafwetgeving, veiligheidsvoorschriften of verkeersregels).

Frontex

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd over de «draft agreement» tussen de Raad en het EP met betrekking tot Frontex. Op 22 juni is een ontwerp-akkoord gesloten tussen Raad en EP over herziening van de Frontex verordening. Op 12 juli is in het EP door de LIBE-commissie gestemd over het ontwerp-akkoord, waarbij deze ook werd aangenomen. Het vervolg is dat er in september 2011 plenair zal worden gestemd door het EP. Pas daarna zal de Verordening worden geagendeerd op de agenda van de Raad. Tijdens de aankomende informele JBZ-Raad zal de verordening niet als A-punt worden geagendeerd.

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd hoe de minister een mogelijke rol van Frontex beschouwt bij het bewaken van de binnengrenzen van lidstaten. Indien Frontex een rol zou krijgen zou deze rol moeten passen binnen het mandaat van Frontex. Het mandaat van Frontex is beperkt tot coördinatie van samenwerking aan de buitengrenzen. Wel geeft het nieuwe mandaat van Frontex de ruimte aan het agentschap om in het kader van risico-analyses de capaciteit van de lidstaten beoordelen, met name van de lidstaten die een grote druk op de buitengrenzen kennen.

3. Nieuwe uitdagingen in het drugsbeleid

Zowel de leden van de VVD- als de D66-fractie vragen naar de inzet van Nederland inzake de totstandkoming van een Europees pact synthetische drugs. Deze zal zoveel mogelijk de bestaande Nederlandse aanpak betreffen, te weten een nadruk op het verstoren van de verwerving van precursoren. Zonder precursoren is immers geen productie van synthetische drugs mogelijk. Daarnaast zal de inzet van Nederland liggen op de opsporing en vervolging van criminele organisaties met gebruikmaking van financieel rechercheren, aanpak van witwassen en afnemen van crimineel geld. Overigens werkt Nederland al veel samen met andere landen die met dezelfde problematiek van synthetische drugs te maken hebben, zoals België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Litouwen, Polen, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Finland en Italië, en is in dat kader trekker van het COSPOL-project synthetische drugs gericht op het uitwisselen van best practices en nauwe operationele samenwerking bij de aanpak van criminele organisaties. Nederland is daarnaast zeer actief in het Europees Drugs Profiling Systeem om bevindingen van inbeslagnames in de EU met elkaar in verband te brengen. Daarnaast is Nederland initiatiefnemer geweest voor de oprichting van een Europees netwerk van Officieren van Justitie synthetische drugs.

De leden van de SP-fractie vragen wat het Europees pact voor synthetische drugs, waar over gesproken zal worden, nu concreet aan Europese maatregelen bevat. Het EU pact voor synthetische drugs, zo antwoord ik deze leden, zal waarschijnlijk gericht zijn op de bestrijding van de productie van en handel in synthetische drugs en de illegale smokkel van precursoren, het trainen van handhavingsdiensten als het gaat om het opsporen en ontmantelen van illegale productiefaciliteiten synthetische drugs en maatregelen tegen nieuwe psychoactieve stoffen. Met betrekking tot het laatste zal het recent verschenen evaluatierapport van de Europese Commissie naar de implementatie van het Raadsbesluit van 10 mei 2005 over informatie-uitwisseling, risicobeoordeling en controle van nieuwe synthetische drugs worden betrokken en bekeken zal worden hoe een effectief antwoord kan worden geboden op nieuwe psychoactieve substanties die geïntroduceerd zijn op de EU-markt met risico’s voor de volksgezondheid.

De overige vragen van de leden van de VVD-, SP- en D66-fracties zullen worden betrokken bij de gevraagde schriftelijke beantwoording voor 26 september 2011 voor het rondetafelgesprek van 3 oktober 2011.

4. Europees contractenrecht

De leden van de VVD-fractie kan ik bevestigen dat de kabinetsreactie op het Groenboek Europees Contractenrecht nog steeds het Nederlandse standpunt is. Voor zover dat thans bekend is, kan gezegd worden dat in het Europese krachtenveld geen steun bestaat voor een dwingend Europees contractenrecht. Over de steun voor een optioneel Europees contractenrecht zal uw Kamer in het verslag van de Informele JBZ-Raad nader worden geïnformeerd. In het verslag kan ook nader worden ingegaan op de steun aan 4.5. en de haalbaarheid van het Nederlandse standpunt en op de standpunten van de diverse betrokken partijen. De zorg dat implementatie van een Europees contractenrecht mogelijk lastig is voor sommige rechtsstelsels binnen de EU is mij bekend, zo antwoord ik deze leden. Bij sommige lidstaten leeft bijvoorbeeld zorg over de verschillen tussen civil law en common law stelsels. Daar bestaat de angst dat het invoeren van een Europees contractenrecht zorgt dat veel contracten worden gesloten in andere common law jurisdicties zoals New York en Singapore in plaats van Europese common law jurisdicties. Ook om dit soort redenen acht ik het van groot belang dat eerst een gedegen impact assessment wordt uitgevoerd waarin de gevolgen van het bestaan of ontbreken van een optioneel Europees contractenrecht voor handelaren en consumenten worden onderzocht. Daarna zal het ook beter mogelijk zijn de verwachte effecten op de Nederlandse wetgeving aan te geven, zo antwoord ik deze leden.

Het kabinet is, zo antwoord ik de leden van de SP-fractie, geen voorstander van een Europees Burgerlijk Wetboek. Dit is ook niet aan de orde, want het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie biedt geen rechtsgrondslag voor een Europees Burgerlijk Wetboek. Ik verwacht niet, zo antwoord ik deze leden, dat het nodig zal zijn mij te verzetten tegen voorstellen die gaan in de richting van een verplicht instrumentarium.

Over de voorziene Nederlandse inzet bij de formulering van de Raadsconclusies in oktober 2011 zal, zo beantwoord ik de overige vragen van de leden van de VVD-fractie en de vraag van de leden van de D66-fractie, uw Kamer worden geïnformeerd in de geannoteerde agenda van de betreffende Raad.

5. Bescherming van slachtoffers

De leden van de fractie van VVD en D66 verzoeken aan te geven waarom kruislingse tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen in de praktijk lastig uitvoerbaar is en welke vragen dit oproept voor de uitvoerbaarheid en rechtszekerheid. Ik antwoord deze leden dat strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of civiele procedures een ander karakter hebben en ook andere rechtswaarborgen kennen. Bij een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure staat de overheid tegenover een burger. In een civiele procedure staan twee partijen tegenover elkaar. Dit betekent met name andere rechtswaarborgen (bijvoorbeeld verdeling bewijslast, toevoeging advocaat, cautie etc.). Ook zijn de gevolgen bij niet-nakoming in het strafrecht anders dan bij civiele maatregelen. Voor Nederland is het van belang dat er een systeem komt dat goed werkt voor het slachtoffer en uitvoerbaar is in zowel het strafrecht als het civiele recht. Om deze reden moet de tekst van de verordening wederzijdse erkenning beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken goed afgestemd worden op het voorstel voor een richtlijn voor een Europees beschermingsbevel in strafzaken.

De leden van de PvdA-fractie willen weten waarom screening naar kwetsbaarheid de mogelijkheden om maatwerk te leveren verkleint, en vragen of het niet beter mogelijk is door stelselmatig onderzoek de behoeften van het slachtoffer in kaart te brengen. In antwoord hierop wijs ik erop dat de ontwerp-richtlijn uitgaat van een ruime definitie van slachtoffers en dat de rechten van slachtoffers al ontstaan zodra zij aangifte doen van een delict bij de politie. Het voorstel betekent dat ieder die aangifte doet van een delict individueel beoordeeld moet worden met als doel vast te stellen of er sprake is van een kwetsbaar slachtoffer. Kwetsbare slachtoffers hebben specifieke rechten in de loop van de strafprocedure. Hierbij maakt het voorstel geen onderscheid naar de ernst of aard van het delict. Dit zou betekenen dat een volwassene die aangifte doet van de diefstal van een mobiele telefoon, een individuele beoordeling moet krijgen. Het invoeren van een individuele beoordeling per slachtoffer, zoals beschreven in artikel 18 van de ontwerp-richtlijn leidt tot meer administratieve taken bij politie, Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland, zonder dat duidelijk is dat een dergelijk instrument, dat nog ontwikkeld zou moeten worden, beter in staat is kwetsbaarheid en bijzondere behoeften op te sporen dan in de huidige situatie het geval is. De functionarissen die de beoordeling moeten uitvoeren zullen hiervoor opgeleid moeten worden en tijd beschikbaar moeten maken. Dit terwijl er in veel gevallen geen aanleiding voor is om onderzoek te plegen naar de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Ik ben voorstander van maatwerk, dat wil in dit verband zeggen dat er gericht gekeken moet worden of slachtoffers kwetsbaar zijn. Dit kan het geval zijn als er aanleiding toe is op grond van informatie van het slachtoffer over de aard van het delict (bijv. intimidatie, afpersing, geweldpleging), of van persoonlijke kenmerken of de omstandigheden van het strafbare feit. Ik vind het belangrijk dat de beoordeling wordt uitgevoerd als daartoe aanleiding is, maar de beoordeling mag geen automatisme worden. Dit neemt uiteraard niet weg dat alle slachtoffers een beroep kunnen doen op ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland. Deze organisatie kan de behoeften van het slachtoffer in kaart brengen en gerichte hulp bieden.

De leden van de SP-fractie vragen om een bredere visie op het slachtofferbeleid van de EU. Zij vragen onder meer of de Europese voorstellen slechts gelden voor zaken van slachtoffers met een grensoverschrijdend aspect, zoals slachtoffers die zich in een andere lidstaat bevinden of die in een andere lidstaat bescherming nodig hebben. De voorgestelde richtlijn is gebaseerd op artikel 82, tweede lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zo antwoord ik deze leden. Deze bepaling voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten toepasselijk zijn ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en de rechtsstelsels van de lidstaten. Deze minimumvoorschriften kunnen betrekking hebben op de rechten van slachtoffers van misdrijven (punt c, van art. 82, tweede lid). Dit betekent dat de Commissie bevoegd is een voorstel te doen voor minimumvoorschriften op dit terrein. Het betekent echter niet dat de Europese Unie de gehele inhoud van het slachtofferbeleid van de lidstaten bepaalt. De minimumnormen zullen, na aanvaarding door de Raad van de EU en door het Europees Parlement, moeten worden omgezet in nationale wetgeving. De lidstaten kunnen op hun eigen wijze invulling geven aan de minimumvoorschriften. Dit betekent bijvoorbeeld dat hulp aan slachtoffers in Nederland verleend wordt door Slachtofferhulp, terwijl dit in een aantal andere lidstaten door de overheid zelf plaatsvindt.

Europese voorstellen zullen binnen de kaders van het genoemde Verdrag moeten blijven. Ik vind het wenselijk dat op Europees niveau minimumnormen gesteld worden ten aanzien van de positie van slachtoffer, mede vanwege de sterk toegenomen mobiliteit van burgers. Dit betekent dat een inwoner van een lidstaat een beroep kan doen op een aantal basisrechten, ongeacht waar hij het slachtoffer wordt van een strafbaar feit. Een voorbeeld: als een Nederlandse vrachtwagenchauffeur in een andere lidstaat wordt bestolen, dan krijgt hij het recht op informatie over hulpdiensten, soorten hulp, de procedures en de rol die hij als slachtoffer in die procedures speelt, de mogelijkheden om schadevergoeding te vorderen enz. Deze Europese voorstellen gelden niet alleen voor zaken met een grensoverschrijdend aspect. Het is ongewenst dat slachtoffers die in een andere lidstaat, dan waarin zij wonen, slachtoffer worden meer rechten krijgen dan mensen die in eigen land slachtoffer worden.

De leden van de SP-fractie vragen naar de gevolgen van de voorstellen, en de leden van de D66-fractie vragen welke financiële belemmeringen er concreet voor Nederland worden voorzien bij toekomstige implementatie van de voorgestelde richtlijn. Deze leden antwoord ik, dat de Europese voorstellen op een aantal punten verder gaan dan momenteel voorzien is in de Nederlandse wetgeving. In de loop van de onderhandelingen tussen de lidstaten en met het Europees Parlement zullen de voorstellen nog gewijzigd worden. Als ik uitga van het huidige voorstel van de Commissie, zal het Nederlandse strafprocesrecht moeten worden aangepast. Dit betreft bijvoorbeeld een uitbreiding van het recht op vertolking en op vertaling van documenten, een recht op bescherming voor slachtoffers en familieleden, een uitbreiding van het begrip familieleden van overleden slachtoffers, een algemene plicht om slachtoffers individueel te beoordelen om vast te stellen of zij kwetsbaar zijn voor secundaire en herhaalde victimisatie of intimidatie, uitbreiding van de groepen die die op grond van de wet recht hebben op specifieke maatregelen. Afgezien van aanpassingen in het strafprocesrecht worden lidstaten ertoe verplicht om beroepsbeoefenaren op te leiden, onderling samen te werken en diensten te coördineren.

Voor het voldoen aan de verplichtingen zullen organisatorische, personele en financiële voorzieningen moeten worden getroffen. De omvang van de hiermee gemoeide kosten en eventuele financiële belemmeringen is in dit stadium nog niet precies aan te geven. Overigens ben ik het niet eens met de opmerking van de leden van de SP-fractie dat de minister alleen de rechten van slachtoffers wil versterken zo lang dit gratis is. Het kabinet investeert ook financieel in het slachtofferbeleid, maar in deze tijden van ingrijpende bezuinigingen ligt het voor de hand dat er gezocht wordt naar oplossingen met zo min mogelijk financiële gevolgen.

Voorts vragen de leden van de SP-fractie een toelichting op het belang dat lidstaten worden ondersteund door flankerende maatregelen. Flankerende maatregelen zijn nodig, zo antwoord ik deze leden, om de uitvoering van de richtlijn te ondersteunen. De implementatie van het Kaderbesluit uit 2001 laat te wensen over. De stand van zaken op dit terrein loopt tussen de lidstaten uiteen. Het enkel vaststellen van Europese regelgeving zal niet voldoende zijn om te zorgen dat de situatie verbetert. Het is belangrijk dat de lidstaten worden ondersteund bij het verbeteren van de positie van slachtoffers. Een voorbeeld van een maatregel kan zijn het beschikbaar stellen van een handboek voor praktijkmensen of delen van ervaring tussen organisaties die een rol hebben bij de ondersteuning en advisering van slachtoffers.

Op de vraag van de D66-fractie naar de onduidelijke samenhang van de ontwerp-verordening wederzijdse erkenning beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken met andere Europese civielrechtelijke maatregelen, antwoord ik dat er meer duidelijkheid moet komen over het toepassingsgebied van de verordening en de definitie van beschermingsmaatregel. Als die duidelijkheid er is, kunnen de consequenties voor de praktijk (waaronder de administratieve lasten bij het afgeven van certificaten) beter inzichtelijk worden gemaakt. Ook is een duidelijke afstemming en afbakening nodig ten opzichte van de bestaande verordeningen Brussel I (nr. 44/2001) en Brussel II bis (nr. 2201/2003). Tot slot moet de tekst afgestemd worden op het voorstel voor een richtlijn voor een Europees beschermingsbevel in strafzaken. Het gaat immers om een goed werkend systeem voor het slachtoffer, zowel in het strafrecht als het civiele recht.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre verwacht mag worden dat lidstaten nader tot het Nederlandse standpunt komen over de formulering en beoordeling van kwetsbare groepen slachtoffers. Op dit moment, zo antwoord ik deze leden, heb ik hierover nog geen concrete informatie, aangezien dit punt nog niet besproken is op Europees niveau. Uit de eerste algemene reacties van lidstaten blijkt wel dat zij voorstander zijn van een betere balans tussen de specifieke belangen van slachtoffers en de maatregelen die de overheid moet treffen. De ontwerp-richtlijn biedt geen regeling voor de schadevergoeding aan slachtoffers. De Europese Commissie zal over dit onderwerp in 2012 een voorstel doen. De relatie tussen de ontwerp-richtlijn en het conceptwetsvoorstel om meerdere personen spreekrecht te geven tijdens het strafproces zal ik nog zorgvuldig analyseren.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Arib, K. (PvdA), Çörüz, C. (CDA), Koopmans, G.P.J. (CDA), Roon, R. de (PVV), voorzitter, Brinkman, H. (PVV), Vermeij, R.A. (PvdA), ondervoorzitter, Raak, A.A.G.M. van (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Dibi, T. (GL), Toorenburg, M.M. van (CDA), Peters, M. (GL), Berndsen, M.A. (D66), Nieuwenhuizen-Wijbenga, C. van (VVD), Schouw, A.G. (D66), Marcouch, A. (PvdA), Steur, G.A. van der (VVD), Recourt, J. (PvdA), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Helder, L.M.J.S. (PVV), Taverne, J. (VVD) en Schouten, C.J. (CU).

Plv. leden: Dijkgraaf, E. (SGP), Bouwmeester, L.T. (PvdA), Bochove, B.J. van (CDA), Sterk, W.R.C. (CDA), Dille, W.R. (PVV), Elissen, A. (PVV), Smeets, P.E. (PvdA), Kooiman, C.J.E. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Karabulut, S. (SP), Sap, J.C.M. (GL), Smilde, M.C.A. (CDA), Voortman, L.G.J. (GL), Pechtold, A. (D66), Burg, B.I. van der (VVD), Dijkstra, P.A. (D66), Kuiken, A.H. (PvdA), Liefde, B.C. de (VVD), Spekman, J.L. (PvdA), Azmani, M. (VVD), Bontes, L. (PVV), Dijkhoff, K.H.D.M. (VVD) en Slob, A. (CU).