Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202032317 nr. 620

32 317 JBZ-Raad

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 620 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 mei 2020

Op 14 april jl. verzocht de Vaste Kamercommissie Europese Zaken de Minister van Buitenlandse Zaken om een kabinetsreactie te geven inzake de maatregelen voor insluiting van het Coronavirus in Hongarije, waar de commissie tevens een brief over heeft ontvangen van de Voorzitter van het Hongaars parlement. Door middel van deze brief voldoe ik graag aan dit verzoek.

Het kabinet vindt de door de Hongaarse regering en parlement gezette stappen verontrustend. De Hongaarse autorisatiewetgeving roept vanuit het oogpunt van de beginselen van rechtsstaat, democratie en grondrechten vragen op. Buitengewone maatregelen in het kader van de bestrijding van COVID-19 zijn geoorloofd en wenselijk vanuit het oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid, maar dienen wel te voldoen aan vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en tijdelijkheid, en dienen tevens de waarden van de Unie en internationale verdragsverplichtingen te respecteren.

Op 11 maart jl. heeft de Hongaarse regering de «staat van gevaar» uitgeroepen die alleen door de regering kan worden opgeheven. Vervolgens heeft het Hongaarse parlement op 30 maart jl. een autorisatiewet aangenomen waarmee het de tijdsbeperking van uitgevaardigde decreten opheft. De uitgevaardigde decreten hadden voordat de autorisatiewet werd aangenomen een geldigheid van 15 dagen. Het Hongaarse parlement kan in principe met een gewone meerderheid de geldigheidsduur van een decreet beperken. Daarnaast kan het Hongaarse parlement bij twee derde meerderheid, indien het erin slaagt bijeen te komen, de autorisatiewetgeving herroepen. Daarmee komen de specifieke volmachten die de Hongaarse regering momenteel bezit tot een einde. De regeringspartij heeft sinds 2010 een constitutionele meerderheid in het parlement. De wetgeving bevat tevens bepalingen die de verspreiding van fake news aan banden moeten leggen.

Het kabinet heeft zich er in Europees verband samen met gelijkgezinde lidstaten voor ingespannen om een verklaring tot stand te brengen waarin lidstaten worden opgeroepen om bij het nemen van uitzonderlijke noodmaatregelen de beginselen van rechtsstaat, democratie en grondrechten te respecteren. Deze verklaring is op 1 april jl. gepubliceerd. In de verklaring wordt verder het voornemen van de Europese Commissie om de (toepassing van) noodwetgeving in lidstaten te monitoren verwelkomd en de Raad Algemene Zaken opgeroepen dit onderwerp op een gepast moment nader te bespreken. Op de videoconferentie van de leden van de Raad Algemene Zaken van 22 april is het onderwerp ook aan de orde gekomen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2158). Een grote meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, benadrukte het belang van het respecteren van de beginselen van de rechtsstaat en sprak steun uit voor de monitoring door de Commissie. Nederland riep de Commissie daarbij op indien noodzakelijk nadere actie te ondernemen. Commissaris Jourová heeft recentelijk verder verklaard dat er ten aanzien van de Hongaarse noodwetgeving vooralsnog geen juridische grond is om een inbreukzaak te starten. Ze voegde er echter wel aan toe dat deze wetgeving vooral in de huidige Hongaarse context zorgelijk is, en dat zij zal volgen hoe de Hongaarse regering haar ruime discretionaire bevoegdheden precies zal aanwenden.

Verder heb ik telefonisch contact gehad met mijn Hongaarse ambtsgenoot om de bestaande zorgen over de Hongaarse autorisatiewetgeving te bespreken. De Minister voor Rechtsbescherming heeft tijdens de informele JBZ-Raad van 6 april jl. (Kamerstuk 32 317, nr. 613) eveneens het Nederlandse standpunt uitgedragen en gewezen op de bijzondere verantwoordelijkheid die JBZ-Ministers hebben. Daarbij heeft de Minister voor Rechtsbescherming onderstreept dat de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid niet beperkt mogen worden.

Het kabinet verwelkomt tenslotte het rapport van het EU-Grondrechtenagentschap van 8 april jl. over COVID-19 en de implicaties voor grondrechten, en de handreiking van de Raad van Europa die op 7 april jl. met alle 47 lidstaten is gedeeld. Ook zij dragen bij aan de internationale druk die Hongarije hopelijk zal bewegen de autorisatiewetgeving te heroverwegen.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok