Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832317 nr. 492

32 317 JBZ-Raad

Nr. 492 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2017

De EU-Dublinverordening biedt de ruimte aan een lidstaat om op basis van humanitaire en/of soevereiniteitsoverwegingen zelf een asielverzoek te behandelen, ook wanneer een lidstaat op grond van de in de verordening neergelegde objectieve criteria niet voor de behandeling verantwoordelijk is. Tijdens het algemeen overleg van 4 december 2013 over de JBZ-raad van 5 en 6 december 2013 (Kamerstuk 32 317, nrs. 211 en 212) is uw Kamer medegedeeld dat er, mede op basis van eerdere UNHCR-rapporten over de asielsituatie in Bulgarije, tijdelijk een coulant beleid werd gevoerd en gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid om asielverzoeken zelf te behandelen. Omdat vervolgens uit een rapport van 15 april 2014 van de UNHCR bleek dat de asielsituatie in Bulgarije verbeterd was, heeft mijn voorganger uw Kamer per brief van 15 mei 2014 geïnformeerd over de omstandigheid dat ruimhartige toepassing van de soevereiniteitsclausule niet langer uitgangspunt is bij Dublinoverdrachten aan Bulgarije, maar dat er wel extra bijzondere aandacht bleef voor kwetsbare groepen in Bulgaarse Dublinzaken.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in een tweetal zaken2 uitspraak gedaan betreffende de overdracht van (kwetsbare) asielzoekers in het kader van de Dublinverordening aan Bulgarije. Bij de behandeling van de betreffende zaken is benadrukt dat uit verschillende rapporten blijkt dat er sprake is van een verdere verbetering van de opvangvoorzieningen en asielprocedure in Bulgarije. Zo zijn er weer medische voorzieningen voorhanden in alle Bulgaarse opvangcentra, worden bij asielzoekers gezondheidsonderzoeken uitgevoerd en wordt er van een instrument gebruik gemaakt om in een vroeg stadium kwetsbare asielzoekers te kunnen identificeren. De Afdeling heeft in deze zaken geoordeeld dat er ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden, ook bij kwetsbare groepen.

Naar aanleiding van de verbeterde opvangvoorzieningen in Bulgarije, en de uitspraken van de Afdeling, is de in Kamerbrief van 15 mei 2014 (Kamerstuk 32 317, nr. 234) neergelegde extra bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen in Bulgaarse Dublinzaken niet langer nodig. Voorkomende gevallen worden met de gebruikelijke zorg behandeld.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 32 317, nr. 234.

X Noot
2

Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2017 (201606446/1/V3 en 201604481/1/V3).