Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632317 nr. 362

32 317 JBZ-Raad

Nr. 362 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 november 2015

Met deze brief informeer ik u over de recente en komende stappen omtrent het besluitvormingsproces rond de PNR-richtlijn (Passenger Name Record). De voortgang van de triloog tussen het Europees Parlement (EP) en de Raad met de Europese Commissie (EC) staat als informatiepunt op de agenda van de JBZ Raad van 3 en 4 december aanstaande.

In mijn brief van 24 augustus jl. berichtte ik u over de start van de triloog.1 Daarin constateerde ik dat het EP op verschillende elementen van de richtlijn wijzigingen voorstelde. Alle voorstellen van het Europees Parlement zijn onderwerp van gesprek in de triloog. Doel van de gesprekken is het bereiken van een compromis tussen het EP en de Raad. Een aantal trilogen en technische bijeenkomsten heeft inmiddels plaatsgevonden. De terugkoppeling daarvan wordt gedaan in het college van permanente vertegenwoordigers (Coreper). Ook in de JBZ Raden staat de voortgang op de agenda. In de JBZ Raden worden echter geen compromissen besproken, deze worden voorgelegd aan Coreper. Daar wordt de reactie van de lidstaten gevraagd op de mogelijke compromissen. Het meest recente stand van zaken document van het Luxemburgse voorzitterschap over de triloog onderhandelingen dat aan Coreper is aangeboden heeft het documentnummer 14024/15 (18 november 2015) en is beschikbaar via EU-extranet.

Gelet op het streven om de richtlijn voor het eind van het jaar af te ronden, zijn in de trilogen de meest urgente elementen eerst besproken. Dit zijn de volgende elementen 1) de lijst van misdrijven waarvoor de richtlijn van toepassing is en een inperking van de reikwijdte tot zware transnationale criminaliteit, 2) het al dan niet verzamelen van PNR-gegevens van vluchten binnen de Europese Unie, zogenaamde intra-EU verkeer, en 3) de initiële bewaartermijn, 4) de gegevensbescherming, en 5) het uitbreiden van de werkingssfeer van de verstrekking van PNR-gegevens door uitsluitend luchtvaartmaatschappijen naar eveneens reisbureaus en reisorganisatoren. Ten aanzien van de lijst van misdrijven en de inperking tot zware transnationale criminaliteit geeft de voorzitter aan compromisruimte te zien mogelijk door de lijst van strafbare feiten te beperken en het «transnationale» element te schrappen. Voor wat betreft de initiële bewaartermijn lijkt een balans tussen de uiterste voorstellen van het EP en de Raad gevonden te kunnen worden in een termijn van twaalf maanden.

De lidstaten stellen zich constructief op ten einde de compromissen tussen EP en Raad vast kunnen stellen.

Naar aanleiding van de aanslagen in Parijs werd op 20 november jl. een buitengewone JBZ Raad gehouden. De PNR-richtlijn stond ook daar op de agenda. U ontving hiervan eerder het verslag.2 De Raad concludeerde dat de PNR-richtlijn voor eind 2015 tot stand moet komen, met opname van intra-EU vluchten, een voldoende lange initiële bewaartermijn en dat de misdrijven waarop de richtlijn van toepassing is niet beperkt mogen zijn tot «transnationale» misdrijven. Het voorzitterschap heeft voor 2 en 15 december vooralsnog trilogen met het Europees Parlement en de Commissie voorzien. Nederland benadrukt in de verschillende JBZ-gremia en richting het Luxemburgse voorzitterschap, zoals toegezegd aan uw Kamer, steeds de noodzaak van sterke waarborgen van het recht op gegevensbescherming.3

Tijdens het algemeen overleg zal ik uw Kamer nader toelichten waar in het proces wij nu staan. Zoals toegezegd zal ik uw Kamer blijven informeren over volgende stappen in het besluitvormingsproces.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstuk 32 317, 319.

X Noot
2

Verslag JBZ Raad 20 november 2015, Kamerstuk 32 317, nr. 360.

X Noot
3

Verslag AO JBZ Raad 7 oktober 2015, Kamerstuk 32 317, nrs. 356 en 357, Kamerstuk 22 112, nr. 1149 (BNC-fiche); Kamerstuk 32 317, BR pagina 4–5; Kamerstuk 32 317.