Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132291 nr. 51

32 291 Het geven aan gemeenten van de verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening)

Nr. 51 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2011

Ingevolge mijn toezegging tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening stuur ik u hierbij mijn reactie op de motie van de leden Ortega-Martijn en Spekman over de verlenging van de looptijd van de projecten die zijn gericht op de bevordering van de inzet van vrijwilligers in de schuldhulpverlening (kamerstukken II, 2010/11, 32 291, nr. 40) en de motie van het lid Ortega-Martijn over schuldhulpverlening tegen vergoeding (kamerstukken II, 2010/11, 32 291, nr. 42). Ook geef ik een reactie op het gewijzigd amendement van de leden Koşer Kaya en Sterk over een basisbankrekening (kamerstukken II, 2010/11, 32 291, nr. 43) en het gewijzigd amendement van de leden Ulenbelt en Karabulut over een breed wettelijk moratorium (kamerstukken II, 2010/11, 32 291, nr. 45).

Motie 40 over de verlenging van de looptijd van de vrijwilligers projecten

In deze motie van leden Ortega-Martijn en Spekman wordt de regering gevraagd het verzoek vanuit de betrokken vrijwilligersorganisaties om de projectduur te verlengen te honoreren. Ik heb begrip voor de aangevoerde argumenten, en hecht daarbij ook aan een zorgvuldige afronding van de projecten, mede met het oog op de geplande evaluatie ervan. Daarom ben ik bereid de duur van de projecten te verlengen met drie maanden, tot en met 31 oktober 2011 en zal ik de betrokken organisaties daarover informeren.

Motie 42 over schuldhulpverlening tegen vergoeding

In deze motie van het lid Ortega-Martijn wordt de regering gevraagd binnen 4 maanden voorstellen aan de Kamer te zenden om de wettelijke belemmeringen voor het aanbieden van schuldhulpverlening tegen een vergoeding weg te nemen en door middel van een algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere voorwaarden te stellen aan de certificering en de hoogte van de vergoeding.

Momenteel is het private schuldhulpverleners op grond van de artikelen 47 en 48 van de Wet op het Consumentenkrediet niet toegestaan schuldbemiddeling aan te bieden tegen betaling. In lijn met de motie van het lid Ortega-Martijn heeft de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een AMvB in voorbereiding om private partijen onder voorwaarden toe te staan schuldbemiddeling tegen betaling aan te bieden. Daarbij zal onder meer aandacht worden besteed aan de kwaliteit van schuldbemiddeling en de hoogte van de vergoeding. De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zal uw Kamer in het najaar nader informeren over de inhoud van de AMvB.

Amendement 43 over een wettelijk recht op een basisbankrekening

De leden Koşer Kaya en Sterk hebben een gewijzigd amendement ingediend over het recht op een basisbankrekening. Volgens het amendement is op deze bankrekening roodstand en verrekening door de bank op het positief saldo niet mogelijk.

Ik heb het amendement in het debat van 21 juni jl. ontraden. Gezien het late tijdstip van indienen van het amendement en het feit dat het om een belangrijke principiële discussie gaat, hecht ik eraan mijn standpunt nogmaals toe te lichten.

Amendement 43 lijkt weliswaar sterk op het Convenant inzake pakket primaire betaaldiensten dat al van kracht is, maar is niet geheel identiek. Het wettelijk verankeren zal daarom leiden tot administratieve lasten bij banken omdat zij hun systemen moeten aanpassen. Meer principieel is het in het amendement opgenomen voorstel om voor banken de mogelijkheid tot verrekening gedurende de periode van schuldhulpverlening te beperken. De aantasting van het in het Burgerlijk Wetboek opgenomen recht tot verrekening van schuldeisers (artikelen 6:127 en 140 van het BW) past naar mijn mening niet in het minnelijke traject. Ook in de Wet schuldsanering natuurlijke personen is een beperking van de bevoegdheid om te verrekenen mogelijk; daar is deze echter begrensd in tijd en gekoppeld aan rechterlijk toezicht, hetgeen uiteindelijk de belangen van schuldeisers ten goede komt. Met het voorstel wordt een negatieve uitzonderingspositie voor banken gecreëerd ten opzichte van andere partijen, die vorderingen over en weer immers wel mogen verrekenen.

Gelet op het vorenstaande en wetende dat op Europees niveau wordt nagedacht over het verstrekken van een aanwijzing aan lidstaten dan wel het opstellen van een richtlijn over het onderwerp basisbankrekeningen naar aanleiding waarvan mogelijk ook wijziging van wet- en/of regelgeving zal moeten plaatsvinden, ontraad ik u het amendement.

Uit het amendement lijkt overigens voort te vloeien dat na beëindiging van de schuldhulpverlening de basisbankrekening niet eindigt. Dit betekent dat de beperking van het recht op verrekening op een basisbankrekening in tijd onbegrensd is. Dat is uiteraard zeer onwenselijk omdat dan niet alleen voor de duur van het minnelijke traject, maar ook in iedere andere omstandigheid verrekening door banken wordt uitgesloten. Hiermee wordt een zeer vergaande inbreuk op de beginselen uit het BW gemaakt.

Amendement 45 over een breed wettelijk moratorium

Ter vervanging van amendement 11 van het lid Ulenbelt, is door de leden Ulenbelt en Karabulut op 22 juni jl. een gewijzigd amendement ingediend. In tegenstelling tot het aanvankelijke amendement kan de verzoeker geen moratoriumverzoek indienen maar kan dit uitsluitend gebeuren door het college.

De aanpassing leidt tot een lager aantal verwachte moratoriumverzoeken. Op grond van dit gewijzigde amendement is het echter niet mogelijk om voorwaarden te stellen die ervoor zorgen dat een moratorium het karakter zou kunnen krijgen van een ultimum remedium. Ook is het amendement niet voorzien van een adequate kostendekking. Ik ontraad dan ook dit amendement.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom