Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432201 nr. 66

32 201 Herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid

Nr. 66 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 november 2013

Met de kwartaalrapportage houd ik u, naast de geannoteerde agenda voor en het verslag van de Landbouw- en Visserijraad (de Raad), periodiek op de hoogte van de ontwikkelingen in EU-verband in de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB).

Hervorming GVB

Stand van zaken Basisverordening en Gemeenschappelijke Markt Ordening

Eind mei hebben het Voorzitterschap namens de Raad en het Europees Parlement een akkoord bereikt over de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). U bent hierover geïnformeerd in de brief van 31 mei 2013. Dit politiek akkoord is in overeenstemming met het onderhandelingsmandaat, zoals in de Raad was vastgesteld en dat ook mijn steun had. De Visserijcommissie in het Europees Parlement heeft 18 juni jl. ingestemd met het onderhandelingsresultaat. De Raad van 16 oktober jl. heeft de juridische teksten van zowel de Basisverordening als de Gemeenschappelijke Markt Ordening unaniem goedgekeurd en daarmee de eerste lezing van het wetgevingproces afgerond. Het Europees Parlement zal naar verwachting in haar plenaire zitting van december stemmen over de eerste lezing uitkomst van de Raad. Gelet op de vele trilogen en de instemming van de EP Visserijcommissie ligt het in de lijn der verwachtingen dat het Europees Parlement af zal zien van een tweede lezing. In dat geval is de GVB hervorming een feit en zal deze van kracht worden op 1 januari 2014.

In de bijlage bij deze brief treft u aan een overzicht van de belangrijkste punten van deze twee onderdelen uit het GVB hervormingspakket.

Stand van zaken Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij

Het Europees Parlement heeft in de plenaire zitting van oktober jl. een eerste lezing over het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) vastgesteld.

De Raad bereikte in juli 2013 reeds een akkoord in een algemene oriëntatie (een niet bindende afspraak die het Europees Parlement een indicatie moet geven over de positie van de Raad).

Het Parlement stemt in met de meer reguliere steunmaatregelen die de Europese Commissie voorstelde en ook bij de Raad op instemming kunnen rekenen, zoals steun voor de verdere verduurzaming van de visserij, met daarbij een groot accent op de invoering van de aanlandplicht, het stimuleren van innovatie en het tot stand brengen van partnerschappen tussen wetenschappers en vissers.

Vergelijkbaar met de algemene oriëntatie van de Raad kiest ook het Europees Parlement, anders dan de Europese Commissie voorstelde, voor het opnemen van de mogelijkheid dat uit het EFMZV steun kan worden verleend voor de tijdelijke stillegging van de vloot, het saneren van vaartuigen en het vervangen/vernieuwen van motoren. Het Europees Parlement en de Raad zijn nog in overleg over het maximum niveau binnen het Fonds van steun die naar deze maatregelen kan gaan en onder welke voorwaarden deze maatregelen ingezet kunnen worden. Het Europees Parlement heeft in de plenaire stemming niet het controversiële voorstel van de eigen visserijcommissie overgenomen om publieke steun voor de nieuwbouw van schepen mogelijk te maken. Financiële steun voor constructie van vaartuigen is in de EU vanaf 2002 reeds verboden.

Het Europees Parlement pleit eveneens voor de mogelijkheid van steun aan jonge vissers in het kader van de eerste ingebruikname van een vaartuig. Ook de Raad nam hiertoe een artikel op. Het Europees Parlement stelt voor de steun te beperken tot de kleinschalige vloot (kleiner dan 12 meter), de Raad voor vaartuigen kleiner dan 24 meter. In dit geval en meer ten algemene legt het Europees Parlement, vergelijkbaar met een meerderheid van de Raad, veel nadruk op bevoordeling van de kleinschalige vloot. Mijn inzet blijft onveranderd om in het EFMZV geen onderscheid te maken tussen de kleinschalige en de meer grootschalige vloot.

Het EP steunt het idee om diversificatie van het ondernemerschap te bevorderen, waarbij het steun betreft voor het ontwikkelen van aanvullende inkomstenbronnen en de ondernemer visser blijft. Geen steun wordt voorzien voor diversificatie geheel buiten de visserij, dus waarbij een visser stopt en volledig buiten de visserij actief wordt. De Raad houdt beide opties open.

Door het Europees Parlement zijn geen amendementen ingediend over de pulsvisserij. De Raad stemde in de algemene oriëntatie in met de opname van nieuw artikel in het EFMZV om de pulsvisserij op te hogen naar 10% van de vloot. Ik acht het van groot belang voor de Nederlandse vloot dat de beoogde verhoging tot 10% ook door het Europees Parlement wordt gesteund.

Het Europees Parlement geeft steun aan het principe om bij overtreding/niet-naleving van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid begunstigden niet ontvankelijk te verklaren voor EFMZV-steun. Ook ingeval lidstaten niet naleven wordt EFMZV-steun geschrapt of ingetrokken.

Het Europees Parlement stelt tenslotte voor de budgetten binnen het EFMZV voor controle en vooral voor datacollectie te verhogen. Het exact beschikbare budget voor het EFMZV, en de verschillende categorieën erbinnen, is afhankelijk van de formele afronding van de besluitvorming over het Meerjarig Financieel Kader (2014–2020). Die is voorzien eind november, begin december. Dan is duidelijk hoeveel middelen de komende jaren op de begroting voor visserij worden uitgetrokken.

De triloog tussen Parlement en Raad is eind oktober gestart. Zowel de EP-rapporteur als het Litouwse Voorzitterschap heeft de wens geuit om voor eind 2013 een politiek akkoord over de verordening te bereiken. Ingeval dit slaagt, zou het formele akkoord over het EFMZV door Raad en Europees Parlement begin 2014 kunnen worden bekrachtigd.

Stand van zaken uitvoeringsagenda aanlandplicht

Tijdens het AO van 18 september jl. heb ik u toegezegd te zullen informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoeringsagenda rond de aanlandplicht. Op dit moment zijn de contouren van de agenda duidelijk, maar wordt met de sector nog verder gesproken over de invulling. Hierbij zijn naast de sectorvertegenwoordigers ook IMARES en de Blue Ports betrokken vanuit de gedachte dat alle innovatieve denkkracht gemobiliseerd moet worden om tot een werkbare en uitvoerbare aanlandplicht te komen met behoud en herstel van economisch perspectief voor vissers. De sectorvertegenwoordigers hebben inmiddels aangegeven de streefdatum van 1 december te krap te vinden en graag meer tijd te willen om één en ander goed in te vullen in overleg met hun achterban. Die tijd is er en wil ik dus ook nemen.

Uiteraard wordt ondertussen in overleg met de sector wel verder gewerkt aan de verschillende onderdelen van de uitvoeringsagenda zoals ik deze heb benoemd in mijn brief van 17 september jl. (Kamerstuk 32 201, nr. 65). Ik geef u een kort overzicht van de stand van zaken. Verder kan ik u melden dat momenteel met de betrokken lidstaten in regionaal kader de voorbereiding van de discardsplannen voor de pelagische sector is begonnen.

Verhoging selectiviteit

De huidige technische maatregelen staan een vermindering van de selectiviteit onbedoeld op aantal punten in de weg. Ik heb IMARES gevraagd samen met vissers een inventarisatie te maken van technische maatregelen die moeten worden aangepast of zelfs kunnen worden geschrapt. Dit onderzoek loopt en ik verwacht eind dit jaar een eerste inventarisatie. Technische maatregelen moeten ook tijdelijk kunnen wijken om vissers de mogelijkheid te geven pilots uit te voeren. Ik wil vissers alle ruimte geven om te experimenteren met de aanlandplicht. Tot 2 december kunnen nog projecten worden ingediend die zijn gericht op het verbeteren van de selectiviteit van de visserij, maar ook op de verwerking en de logistiek aan boord, alsmede de vermarkting van de ongewenste bijvangst. Begin maart volgend jaar hoop ik u meer te kunnen melden over de aard van de toegewezen projecten.

De Nederlandse pelagische sector is reeds gestart met een pilot waarbij alle vis wordt aangeland. Voor hen komt de ingangsdatum, 1 januari 2015, al dichtbij. De pelagische sector staat dus voor een forse opgave. Ik ervaar de insteek van de betrokken bedrijven als positief. De bedrijven zetten in op zowel het verbeteren van de selectiviteit als het zo economisch mogelijk verwerken van de ongewenste bijvangst die toch aan boord komt. Daarmee vervullen ze in Europa op dit moment een pioniersfunctie. Hoewel de problematiek voor de kottersector en de pelagische sector zeer verschillend is, verwacht ik toch dat de pelagische pilot bruikbare handvaten kan opleveren voor experimenten in de kottersector. Bijvoorbeeld waar het gaat om het verwerken en de afzet van de ongewenste bijvangst.

Verhoging quota en choke species

Zoals ik u heb gemeld werk ik samen met verschillende Noordzeelanden aan een zogenaamde Discardatlas. Eind november spreken de verschillende Noordzeelanden en de betrokken RACs over de aanlandplicht. Dan staat ook het ontwikkelen van de discardatlas op de agenda. De discardatlas zelf wordt eind dit jaar opgeleverd.

Met de gegevens uit de discardatlas kunnen we scenario’s uitwerken hóe de quota opgehoogd zouden kunnen worden. Dan wordt duidelijk waar mogelijk knelpunten zitten. Bij de invoering van de aanlandplicht ontstaat in de gemengde visserij het risico dat quota voor bijvangstsoorten beperkend kunnen zijn ten opzichte van doelsoort(en). Dit wordt aangeduid als choke species. De scenariostudie voor verhoging van de quota moet inzichtelijk maken waar de problematiek van choke species ontstaat en hoe dit kan worden voorkomen. Ik streef ernaar deze scenariostudie begin 2014 met de sector te bespreken. Zoals eerder aangegeven streef ik ernaar dat de sector de quota volledig moet kunnen benutten.

Gelet op de ingangsdatum van de aanlandplicht voor de pelagische visserij (1 januari 2015), moeten de vangstadviezen van ICES vóór hun reguliere adviezen (oktober 2014) rekening houden met de ongewenste bijvangsten. Ik vind het van belang dat ICES hier tijdig mee aan de slag gaat en zal hier ook op toezien.

Overleving

Soorten met een significante kans op overleving kunnen in aanmerking komen voor een uitzondering op de aanlandplicht. De lidstaten kunnen hiervoor een wetenschappelijk onderbouwd verzoek indienen. Op dit moment is niet duidelijk wanneer sprake is van een hoge overlevingskans. Zoals aangegeven heb ik IMARES gevraagd richtsnoeren op te stellen. Vervolgens zal hierover in EU-verband overeenstemming moeten worden bereikt.

Ik ga ervan uit dat door gebruik te maken van innovatieve technieken de overlevingskans van verschillende soorten nog fors kan worden verbeterd. De sector krijgt ruimte om hier mee te experimenteren. Ik wil hier samen met de sector ook nadrukkelijk kijken naar wat internationaal de best practices zijn.

Tot slot

Ik heb eerder aangegeven dat ik bij de implementatie van het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid en in het bijzonder de aanlandplicht de rek en ruimte wil zoeken die de Nederlandse vloot nodig heeft. Echter hiervoor is de inzet van de sector cruciaal. Alleen door te laten zien dat we ons maximaal hebben ingezet om ongewenste bijvangst te verminderen en de overlevingskans van soorten te optimaliseren creëren we onderhandelingsruimte om knelpunten op te lossen. Ik blijf me inzetten om die boodschap bij de vissers over te brengen, maar ik reken hierbij ook op de sectororganisaties om aan hun achterban duidelijk te maken dat een gezamenlijke inzet, met actieve inbreng vanuit de sector nodig is.

Tweede wijziging verordening toegestane vangstmogelijkheden 2013

De Raad heeft op 19 november jl. ingestemd met de tweede wijziging van de verordening ter vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2013. Een dergelijke aanpassing is gebruikelijk, bijvoorbeeld voor de implementatie van tussentijdse afspraken met derde landen of vanwege aanpassingen in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten. In deze wijziging is onder meer de toegestane vangsthoeveelheid voor noordelijke heek verhoogd in overeenstemming met het wetenschappelijk advies van ICES dat de ontwikkelingen van het bestand zeer positief beoordeeld. De tweede wijziging betreft de introductie van tussenjaarlijkse flexibiliteit («interannual flexibility»), wat inhoudt de mogelijkheid om voor specifieke gevallen 10% van de onbenutte quota over te hevelen naar volgend jaar, of juist te lenen van volgend jaar. Hiermee wordt een afspraak van de kuststaten (coastal states) en Noorwegen geïmplementeerd. Deze wijziging is voor Nederland belangrijk vanwege de mogelijkheid om 10% van de onbenutte quota van bijvoorbeeld blauwe wijting, atlanto scando haring en makreel mee te kunnen nemen naar volgend jaar. De Europese Commissie kon niet instemmen met het verzoek van België en Nederland om dezelfde flexibiliteit unilateraal in te voeren voor de Noordzee schol. Hierover moet eerst met Noorwegen een akkoord worden bereikt, aangezien het bestand gezamenlijk beheerd wordt. Tot slot is de lijst van diepzeehaaien aangepast naar aanleiding van wetenschappelijk advies en wordt de witpunthaai in de Indische Oceaan beter beschermd.

Nederland heeft een verhoging met 10% van de toegestane vangsthoeveelheid voor tarbot en griet in de Noordzee bepleit bij de Europese Commissie. De flexibiliteit verordening uit 1996 biedt deze mogelijkheid wanneer voldaan wordt aan een aantal voorwaarden, zoals meer dan 75% uitputting op 31 oktober van de EU toegestane vangsthoeveelheid. Hoewel Nederland een hoge uitputting van het tarbot en griet quotum heeft, is op 31 oktober 74% van de EU toegestane vangsthoeveelheid benut en daarmee niet voldaan aan de eis van 75% uit de verordening. Daarnaast heeft het Wetenschappelijk, Technisch en Economische Advies Comité (STECF) van de Commissie het Nederlands verzoek beoordeeld en geconcludeerd dat een 10% verhoging niet duurzaam is. Een tussentijdse verhoging op dit moment zou betekenen dat de vangstmogelijkheden voor 2014 naar beneden moeten met oog op het bereiken van de MSY doelstelling in 2015. Nederland heeft daarop besloten haar verzoek in te trekken. Om mogelijk voortijdige sluiting te voorkomen heeft de sector de mogelijkheid om quota bij te ruilen van andere lidstaten, aangezien die waarschijnlijk nog over zullen houden.

Protocol Visserij Partnerschap Overeenkomst Comoren

De Europese Commissie heeft een nieuw protocol voorgelegd in het kader van de visserijpartnerschapsovereenkomst met de Comoren. Met het protocol is jaarlijks € 600.000 gemoeid. De helft hiervan is bestemd voor de ondersteuning van het visserijbeleid in de Comoren. Het protocol heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Het huidige protocol loopt in januari 2014 af.

In mijn brief van 11 maart 2013 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 698) heb ik u geïnformeerd over mijn positie met betrekking tot het onderhandelingsmandaat. De EU-vaartuigen richten zich in de wateren van de Comoren met name op een aantal tonijnsoorten (skipjack-, geelvin- en grootoogtonijn). Volgens wetenschappelijke informatie van de regionale beheerorganisatie worden deze soorten op dit moment op een duurzaam niveau bevist. Aandachtspunt is evenwel de bijvangst van haaien en roggen. Ik heb daarom aangegeven dat ik zal instemmen met het mandaat, maar het uiteindelijke onderhandelingsresultaat wel zal beoordelen op de aandacht voor de bijvangst van haaien en roggen.

De EU zet zich binnen de regionale beheerorganisatie, de Indian Ocean Tuna Commission (IOTC), in voor beschermingsmaatregelen en het ontwikkelen van beheerplannen voor haaien. Dat proces verloopt echter moeizaam, omdat niet alle IOTC-leden maatregelen wenselijk vinden. Inmiddels geldt in het IOTC-gebied een vangstverbod voor drie soorten haaien, de walvishaai, de witpunthaai en voshaaien. Gezien de trage besluitvorming in het IOTC vind ik het wenselijk dat de EU ook met partnerlanden waar mogelijk afspraken maakt. In het protocol is vastgelegd dat naast de al genoemde haaiensoorten ook hamerhaaien, de reuzenhaai, de witte haai en de zijdehaai niet tot de vangstmogelijkheden behoren. Dat betekent dat deze soorten niet aan boord mogen worden gehouden en zo mogelijk levend moeten worden terug gezet. Dit geldt ook voor roggen en schildpadden. Verder werkt de Europese Commissie aan het vergroten van bewustzijn bij vissers. Bijgevangen haaien, roggen en schildpadden hebben een redelijke overlevingskans, mits ze aan boord op de juiste wijze worden behandeld. Aan boord van Franse vissersvaartuigen is gewerkt aan het verbeteren van de overlevingskans van haaien en roggen. Dit heeft in 2012 onder meer geresulteerd in de totstandkoming van een brochure met adviezen over de wijze waarop de haaien en roggen op een veilige manier behandeld kunnen worden. In het nieuwe protocol zijn ook afspraken gemaakt over de bijdrage van EU-vaartuigen bij het tegen gaan van Illegale, Ongerapporteerde en Ongereguleerde Visserij. EU-vaartuigen zijn verplicht melding te maken van de aanwezigheid van vaartuigen die mogelijk illegale visserij beoefenen.

Ik ben voornemens in te stemmen met het protocol. Mijn verwachting is dat het protocol in de Landbouw en Visserijraad op steun kan rekenen. Het protocol kan dan voorlopig in werking treden. Een besluit over de definitieve toepassing wordt pas genomen als het standpunt van het Europees Parlement bekend is.

Protocol Visserij Partnerschap Overeenkomst Seychellen

De Europese Commissie heeft een nieuw protocol voorgelegd in het kader van de visserijpartnerschapsovereenkomst met de Seychellen. Ik heb u geïnformeerd over het mandaat in mijn brief van 8 februari 2013 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 686). Ook het protocol met de Seychellen loopt in januari 2014 af. De overeenkomst met de Seychellen is het belangrijkste tonijnakkoord in de Indische Oceaan.

Het protocol heeft een geldigheidsduur van zes jaar. De EU betaalt de eerste twee jaar € 5,3 miljoen voor het protocol uit het EU-budget, waarvan € 2,5 miljoen is bestemd voor ondersteuning van het visserijbeleid en de ontwikkeling van de visserijsector in de Seychellen. De overige vier jaar gaat de bijdrage van de sector omhoog en betaalt de EU jaarlijks € 5 miljoen, waarvan de helft is bestemd voor sectorale ondersteuning. Het protocol met de Seychellen zal na drie jaar tussentijds worden geëvalueerd.

In het protocol met de Seychellen zijn geen speciale voorzieningen getroffen voor haaien, zoals bij de Comoren is gebeurd. Ik steun de inzet van de Europese Commissie in de Indian Ocean Tuna Commission (het IOTC) voor de bescherming van haaien, maar ben van mening dat het ook wenselijk is met partnerlanden afspraken te maken over de bescherming van haaien. De EU en de Seychellen kunnen in het Gemengde Comité werken aan beschermende maatregelen. Ik ben voornemens mij te onthouden van stemming en zal de Europese Commissie oproepen om in het gemengde comité met de Seychellen alsnog aanvullende maatregelen gericht op bescherming van haaien uit te werken.

Protocol Visserij Partnerschap Overeenkomst Marokko

In mijn brief van 15 oktober heb ik u geïnformeerd over mijn inzet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 753. In de Raad is nu overeenstemming bereikt over het Protocol. Denemarken heeft aangegeven tegen te stemmen. Evenals het Verenigd Koninkrijk en Zweden heb ik aangegeven mij te onthouden van stemming. Een definitief besluit over het protocol wordt pas genomen als het Europees Parlement haar standpunt heeft bepaald. Naar verwachting zal dat op 9 december tijdens de plenaire zitting het geval zijn.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

BIJLAGE De basisverordening

Maximum Sustainable Yield (MSY)

In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt de voorzorgsbenadering toegepast op het visserijbeheer en wordt ernaar gestreefd dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

Teneinde het doel van een geleidelijk herstel en behoud van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, te bereiken, wordt het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst indien mogelijk tegen 2015, en geleidelijke toenemend voor alle bestanden uiterlijk in 2020 verwezenlijkt.

In de overwegingen bij de verordening is opgenomen dat uitstel tot 2020 alleen gerechtvaardigd is, als aangetoond kan worden dat het bereiken van de MSY doelstelling sociaal en economisch zeer grote gevolgen heeft.

Ecosysteembenadering

In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt op het visserijbeheer de ecosysteemgerichte benadering toegepast, om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt en wordt ernaar gestreefd aantasting van het mariene milieu door aquacultuur- en visserijactiviteiten te voorkomen.

Meerjarenplannen

Meerjarenplannen worden bij voorrang vastgesteld op basis van wetenschappelijke, technische en economische adviezen, en bevatten instandhoudingmaatregelen om de visbestanden boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, te brengen en te behouden.

Aanlandplicht

  • De ingangsdatum van de aanlandplicht voor de pelagische visserij is 1 januari 2015.

  • De ingangsdatum van de aanlandplicht voor visserij op tong en schol, en op kabeljauw en andere witvis is 1 januari 2016 voor de doelsoorten en uiterlijk 1 januari 2019 voor de bijvangstsoorten.

  • Uitgezonderd van de aanlandplicht zijn:

    • De visserij op ongequoteerde soorten als garnalen, poon en mul;

    • Soorten welke verboden zijn om aan boord te hebben (zoals de haringhaai en de reuzenhaai),

    In de meerjarenplannen zullen voorts de volgende uitzonderingen worden vastgelegd:

    • Soorten met een hoge overlevingskans.

    • Vangsten die vallen onder de 5% de de minimis uitzondering; deze uitzondering maakt het mogelijk om een klein deel van de bijvangst niet aan te landen en niet van de quota af te trekken. Toepassing van de regeling kan bovendien alleen als uit wetenschappelijk advies blijkt dat verhoging van selectiviteit zeer moeilijk te bereiken is of om disproportionele kosten van verwerken van ongewenste vangsten te voorkomen voor bepaald vistuig waarbij de ongewenste bijvangsten slechts een klein percentage uitmaken van de totale vangst. Een en ander dient opgenomen te worden in meerjarenplannen en geldt alleen als de betreffende vangsten volledig worden geregistreerd.

  • Gelijktijdige introductie van de aanlandplicht en de de minimis uitzondering is geborgd. Bij ontbreken van een meerjarenplan zal een tijdelijk discardplan voor drie jaar een vacuüm moeten voorkomen

  • Indien quota voor bijvangsten ontoereikend zijn, mogen de bijvangsten tot 9% van het quotum van de doelsoort worden afgeboekt, mits de bestanden binnen biologisch veilige grenzen zijn.

  • Lidstaten moeten de vangsten accuraat documenteren. Zij kunnen daar zelf de instrumenten voor kiezen, waaronder camera’s aan boord.

Instandhoudingmaatregelen in verband met EU milieuverplichtingen

De werkingssfeer van de beschermende maatregelen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn is beperkt tot beschermde gebieden (Natura 2000). Lidstaten kunnen, indien andere lidstaten betrokken zijn bij de visserij in die gebieden, in regionaal kader en op basis van de overeengekomen procedures voor regionalisering aanbevelingen opstellen over de noodzakelijke beschermingsmaatregelen. De Europese Commissie kan deze aanbevelingen op basis van een gedelegeerde handeling vaststellen. Bij afwezigheid van een regionale aanbeveling kan de Europese Commissie aan de Raad en het EP een voorstel voorleggen. In geval van urgentie kan de Europese Commissie noodmaatregelen met een looptijd van één jaar vaststellen met een verlengingsmogelijkheid van maximaal één jaar

Regionalisering

Indien de Europese Commissie bevoegd is in een gedelegeerde of uitvoeringshandeling instandhoudingmaatregelen te treffen kunnen lidstaten in een regio gezamenlijke aanbevelingen aan de Europese Commissie doen om de doelstelling van die instandhoudingmaatregel te verwezenlijken. De regionale aanbevelingen moeten onder meer zijn gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke adviezen en in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het GVB. Indien op regionaal niveau geen overeenstemming wordt bereikt over een gezamenlijke aanbeveling of de aanbeveling niet in overeenstemming is met de doelstellingen van het meerjarenplan, dan kan de Europese Commissie een voorstel met maatregelen aan Raad en EP voorleggen.

Introductie van herstelgebieden voor visbestanden

Ter bescherming van biologisch gevoelige gebieden zal de Unie blijven streven naar additionele bescherming. Met het oog hierop, kunnen lidstaten gebieden identificeren die onderdeel vormen van een coherent netwerk en in regionaal kader de Europese Commissie aanbevelen om een voorstel aan Raad en EP voor te leggen. Dergelijke gebieden kunnen dan worden opgenomen in meerjarenplannen.

Allocatie visserijmogelijkheden

Het voorstel van de Europese Commissie om het nationaal quotumbeheer te baseren op individueel overdraagbare quota is door Raad en EP niet overgenomen. De lidstaten blijven daarmee vrij in de wijze waarop zij de nationale quota beheren, maar moeten bij de toedeling van quota aan de vissers, transparante en objectieve criteria toepassen, zoals milieu,sociale en economische criteria, de mate van naleving van de GVB regels, de bijdrage aan de locale economie en de historische vangsten. Achterliggende gedachte is ook om via deze weg vissers te stimuleren meer selectief en met minder milieu-impact te opereren. Bij visserijen die niet onder een systeem van individueel overdraagbare quota vallen, moeten deze criteria worden toegepast.

Vlootcapaciteit

De lidstaten moeten jaarlijks de omvang van de vlootcapaciteit in relatie tot de vangstmogelijkheden rapporteren. De Europese Commissie zal richtsnoeren opstellen voor de jaarlijkse rapportageverplichting. Indien er sprake is van structurele overcapaciteit moet een plan van actie met doelen, maatregelen en deadlines overlegd worden om dit in te perken. De Europese Commissie zal jaarlijks aan EP en Raad rapporteren over de balans tussen vangstmogelijkheden en vlootcapaciteit. Het niet nakomen van rapportageverplichtingen of implementatie van een plan van actie kan tot schorsing leiden van de financiële bijdrage aan vlootinvesteringen in overeenstemming met het EFMZV. Tenslotte worden de bestaande capaciteitsplafonds gehandhaafd en zal het entry/exit systeem dat uitbreiding van capaciteit moet voorkomen, worden gecontinueerd.

Wetenschappelijke basis voor het visserijbeheer

Lidstaten moeten biologische, milieu, technische en sociaaleconomische gegevens verzamelen, die nodig zijn voor het visstandbeheer en desgewenst beschikbaar maken voor geïnteresseerde partijen. Jaarlijks moeten lidstaten een rapport aan de Europese Commissie voorleggen over hun datacollectie programma. De huidige praktijk, zoals opgenomen in de bestaande datacollectie verordening, wordt zo voortgezet.

Extern beleid

Het hoofdstuk over het EU extern beleid is gestoeld op de Raadsconclusies uit 2012 en komt overeen met de Nederlandse inzet. In de basisverordening is expliciet vastgelegd dat de visserijactiviteiten buiten de Unie op dezelfde principes en standaarden zijn gebaseerd als de EU wetgeving in het kader van het GVB. De Unie zal een actieve rol blijven spelen in internationale visserijorganisaties en zich richten op versterking van de Regionale Visserijbeheer Organisaties. De doelstellingen en principes van de Visserij Partnerschapovereenkomsten, zoals opgenomen in de basisverordening, komen overeen met de Nederlandse inzet. Het gaat hier onder meer om respectering van mensenrechten, ontwikkeling locale duurzame visserij, bevissing van het surplus, de exclusiviteitclausule, regels ten aanzien van omvlaggen, beschikbaarheid ex post en ex ante evaluaties, ontkoppeling sectorale steun aan betalingen voor toegang en een adequate redersbijdrage.

Aquacultuur

De Europese Commissie zal niet – bindende strategische richtsnoeren met betrekking tot gemeenschappelijke doelen en prioriteiten voor de ontwikkeling van duurzame aquacultuur opstellen. Daarin wordt onder meer gestreefd naar verbetering concurrentiepositie en ondersteuning innovatie, verlaging administratieve lasten en integratie van aquacultuuractiviteiten in ruimtelijke ordening. Lidstaten moeten meerjarige nationale strategische plannen voor de ontwikkeling van aquacultuur activiteiten opstellen.

Controle en handhaving

De doelstellingen voor controle en handhaving zijn vastgelegd en een speciale expertgroep bestaande uit vertegenwoordigers van lidstaten en Europese Commissie wordt opgericht om toe te zien op de implementatie en naleving van de verplichtingen in het GVB controlesysteem. Raad en EP worden regelmatig geïnformeerd over de activiteiten van deze groep.

Financiële instrumenten

Financiële bijstand aan lidstaten is gebonden aan de voorwaarde dat de regels van het GVB worden nageleefd. Niet naleving kan leiden tot schorsing of intrekking financiële steun. Ook ten aanzien van steun voor ondernemers wordt deze voorwaarde gesteld.

Adviesraden

De Adviesraden worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de visserijsectoren (60%) en uit de overige belanghebbenden (40%) zoals bijvoorbeeld milieuorganisaties en consumenten groeperingen. Nieuwe Adviesraden worden opgericht voor de Zwarte Zee,de aquacultuur, voor afzet en verwerking, en verafgelegen gebieden. In het kader van het regionaliseringproces zullen de Adviesraden worden geconsulteerd met betrekking tot de opstelling van gezamenlijke aanbevelingen. Indien adviezen van de Adviesraden niet worden opgevolgd zullen Europese Commissie en lidstaten dat moeten onderbouwen.

De Gemeenschappelijke Marktordening (GMO)

De mate van marktondersteuning wordt verlaagd: de vergoeding voor doordraai wordt bij inwerkingtreding stopgezet en die voor tijdelijke opslag wordt in 5 jaar gelijkmatig afgebouwd. De financiering van de opslagsteun wordt geregeld in het EFMZV. Er wordt nog gediscussieerd over het hiervoor beschikbare bedrag en de cofinancieringpercentages.

De rol van producentenorganisaties wordt versterkt via ruimere doelstellingen. Naast de op de markt gerichte doelstellingen, zoals verbetering van de voorwaarden waaronder producten op de markt gebracht worden, verbetering van winstgevendheid van ondernemers en stabilisering van de markten, kunnen de producentenorganisaties zich ook gaan richten op bevordering van duurzame visserijactiviteiten. In dat kader kunnen zij bovendien een rol gaan spelen bij de reductie en het gebruik van ongewenste bijvangsten. Ze moeten jaarlijks een productie- en afzetplan opstellen waarin beschreven wordt hoe ze hun doelen willen gaan bereiken en hoe ze hun leden aan die afspraken binden.

De procedures rond erkenning van de producentenorganisaties, het indienen en goedkeuren van de productie- en afzetplannen, de drempelwaarden voor vergoeding van tijdelijke opslag en de regels voor verbindend verklaren worden opgenomen in een uitvoeringsverordening die naar verwachting begin december wordt vastgesteld.

De GMO is afgestemd met de algemene voedselwetgeving. Voor consumenten komt op het etiket meer en gedetailleerdere informatie over herkomst en vangst- of productiewijze. Bij de productinformatie is vermelding van minimale houdbaarheiddatum verplicht en vermelding van vangstdatum facultatief. Verder is overeengekomen dat informatie over het gebruikte vistuig en een meer gedetailleerde indicatie van het vangstgebied verplicht wordt. En de Europese Commissie zal vóór 2015 een haalbaarheidsstudie uitvoeren naar opties voor Eco-labelling. Daarbij ook wordt ingegaan op het vaststellen van minimumeisen waaraan ecolabels moeten voldoen.