Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-201132156 nr. A

32 156 Monumentenzorg

30 844 Regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)

30 938 Aanpassing van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening alsmede regeling van overgangsrecht (Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening)

31 345 Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning

A1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 december 2010

De vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid2 en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu /Wonen, Wijken en Integratie3 hebben op 1 december 2009 in een gezamenlijke vergadering gesproken over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 november 2009 (30 844 enz., R), waarmee de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg ook aan de Eerste Kamer is aangeboden.

Naar aanleiding daarvan hebben zij de minister een brief gestuurd op 4 december 2009.

De toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 28 januari 2010 een tussentijdse reactie gegeven.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 20 december 2010 gereageerd.

De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid,

Warmolt de Boer

BRIEF AAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Den Haag, 4 december 2009

De vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu /Wonen, Wijken en Integratie hebben op 1 december 2009 in een gezamenlijke vergadering gesproken over uw brief van 5 november 2009 (30 844 enz., R), waarmee de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (32 156, 1) ook aan de Eerste Kamer is aangeboden. De leden van genoemde commissies hebben met belangstelling de beleidsbrief gelezen en steunen uw plannen om de cultuurhistorie een volwaardige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Ook delen deze leden de opvatting van de minister dat het goed is dat de cultuurhistorische waarden vooraf in een bestemmingsplan worden vastgelegd.

De leden van deze commissies vragen zich echter af hoe de minister de gemeenten die tot nu toe geen blijk hebben gegeven serieuze belangstelling voor het cultureel erfgoed te hebben (wat volgens de rapportages van de Erfgoedinspectie zeker bij nogal wat kleinere gemeenten het geval blijkt), zover te krijgen dat ze het nieuwe beleid ook met overtuiging gaan uitvoeren. Met name maken de leden zich zorgen over de vraag hoe de cultuurhistorie in de bestemmingsplannen zal worden opgenomen. Zij dringen er bij de minister op aan te stimuleren dat dit meer dan marginaal gebeurt.

Ziet de minister in dat verband mogelijkheden om te bevorderen dat gemeenten hun ontwerpbestemmingsplannen standaard ter advisering voorleggen aan de gemeentelijke monumentencommissies?

Ook vragen de leden van genoemde commissies hoe de minister de vele vrijwilligers op dit terrein, die tot nu toe meestal in actie kwamen bij dreigende sloop, denkt te gaan betrekken bij het voortraject en dus bij de totstandkoming van de bestemmingsplannen. Kortom: de leden van deze commissies zouden graag van de minister vernemen of en In hoeverre hij een plan heeft om het adequaat uitvoeren van het nieuwe beleid door alle gemeenten te borgen.

De leden van genoemde commissies zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid,

A. H. M. Dölle

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu / Wonen, Wijken en Integratie,

M. C. Meindertsma

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 januari 2010

Op 4 december jl. heb ik van uw Kamer de reactie op het beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg van de vaste commissies voor OCW en voor VROM/WWI in goede orde ontvangen.

Om een gedegen antwoord te formuleren op de suggesties van uw Kamer ten aanzien van de rol van gemeenten en vrijwilligers in de nieuwe beleidsplannen is het noodzakelijk in afstemming met verschillende partijen een weldoordacht plan te ontwikkelen.

Momenteel wordt er een brief aan de Tweede Kamer opgesteld waarin een plan uiteen wordt gezet om vrijwilligers nu en in de toekomst actief te betrekken bij de (gemoderniseerde) monumentenzorg. Daarnaast heb ik aan de Tweede Kamer toegezegd te zullen onderzoeken hoe gemeenten «MoMo-proof» kunnen worden. Voor de zomer van 2010 zal ik de Tweede Kamer en uw Kamer gelijktijdig informeren over de rol van vrijwilligers en gemeenten in MoMo.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 december 2010

Inleiding

Op 5 november 2009 is de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (hierna: MoMo) naar uw Kamer gestuurd. Naar aanleiding van een gezamenlijke vergadering van de vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu / Wonen, Wijken en Integratie heeft u mijn ambtsvoorganger gevraagd in hoeverre de gemeenten in staat zijn om de nieuwe taken en rollen, die de modernisering van de monumentenzorg met zich mee brengt, op een adequate wijze te vervullen. Mijn voorganger heeft u toegezegd dit te zullen onderzoeken: in hoeverre zijn de gemeenten nu «MoMo-proof»? In april is opdracht aan bureau AEF gegeven voor het uitvoeren van dit onderzoek en onlangs is het eindrapport afgerond. In bijlage 1 treft u dit eindrapport4 aan; in bijlage 2 geef ik een reactie op alle aanbevelingen4.

Ook heeft uw Kamer mijn ambtsvoorganger gevraagd om onderzoek uit te voeren naar vrijwilligers in de monumentenzorg en heeft de Tweede Kamer gevraagd om een onderzoek naar mobiel erfgoed. In de bijlagen 3 en 4 vindt u de resultaten van en mijn reactie op deze twee onderzoeken.

Tot slot kan ik u melden dat per 1 januari 2011 het Brim dusdanig is aangepast dat aan de motie Van Vroonhoven (32 156) wordt voldaan.

1. Vrijwilligers monumentenzorg

In het voorjaar van 2010 is een onderzoek uitgevoerd om te peilen in hoeverre vrijwilligers in de erfgoedsector zich gewaardeerd voelen en of zij behoefte hebben aan een waarderingsprijs die beschikbaar wordt gesteld door de overheid.

Uit het onderzoek blijkt dat de vrijwilligers zich gewaardeerd voelen, maar dat er nauwelijks behoefte is aan een waarderingsprijs. Ik blijf wel in gesprek met de erfgoedbranche om te bekijken hoe wij hen kunnen ondersteunen in hun vrijwilligersbeleid.

2. Mobiel erfgoed

Het onderzoek naar mobiel erfgoed is in het voorjaar van 2010 uitgevoerd. De conclusie is dat er op een aantal gebieden wet- en regelgeving bestaat die door het veld als belemmerend wordt ervaren. Met het veld is afgesproken dat het aan OCW zal melden wanneer het (de ontwikkeling van) wet- en regelgeving signaleert waarbij belemmeringen worden opgeworpen voor activiteiten van die sector. OCW zal daarop een afweging maken in samenspraak met het veld en andere relevante partijen, waarbij de melding zal worden afgewogen binnen de kaders van algemeen beleid. Indien nodig zal OCW het erfgoed belang inbrengen bij de voorbereiding van wetsvoorstellen van andere departementen. Dit moet wel leiden tot versimpelen van wet- en regelgeving: regeldruk verminderen en ontheffingen in plaats van extra regels en meer overheidsbemoeienis.

3. MoMo-proof

Wat is MoMo-proof precies en hoe kan een gemeente dat worden? Het gaat er daarbij in het kort om in hoeverre gemeenten in staat zijn cultuurhistorie te borgen in het bestemmingsplan, in hoeverre de vereenvoudigde regelgeving en kortere procedures kunnen worden geïmplementeerd en in hoeverre gemeenten in staat zijn proactief herbestemmingsbeleid te voeren. Ik vind het belangrijk om rijksbeleid op een aantrekkelijke manier voor burgers en andere overheden voor het voetlicht te brengen en concreet te maken. Daarom zal ik ervoor zorgen dat, in navolging van de website www.waboproofcheck.nl, er een web site www.MoMoproofcheck.nl wordt ingericht, die in de loop van 2011 in de lucht zal gaan. Gemeenten kunnen hierop een aantal vragen beantwoorden en krijgen vervolgens te zien in hoeverre zij MoMo-proof zijn en wat aanbevelingen zijn om dat (nog meer) te worden. De eerste tien gemeenten die volgens deze check MoMo-proof blijken te zijn zal ik persoonlijk feestelijk huldigen.

Hoofdconclusie onderzoek

AEF concludeert dat MoMo positief wordt ontvangen bij de onderzochte gemeentes en dat de uitgangspunten breed worden onderschreven.

In de beleidsbrief MoMo werd de verwachting uitgesproken dat er een overgangsperiode van 10 jaar nodig is voor de implementatie bij gemeenten. De hoofdconclusie van het rapport is dat er een groep voorlopers is, de grote gemeenten, die over ongeveer 3 jaar MoMo-proof zullen zijn. Middelgrote gemeenten hebben meer tijd nodig: gemiddeld 5 jaar. En voor kleine gemeenten wordt verwacht dat zij gemiddeld 7 jaar nodig hebben voor deze overgang.

De hoofdconclusie van het onderzoek vind ik bemoedigend. Als het mogelijk is dat gemeenten over 3 tot 7 jaar MoMo-proof worden, dan is dat een mooi toekomstbeeld, wat ook nog past binnen de overgangsperiode van 10 jaar.

Om te bereiken dat gemeenten binnen drie tot zeven jaar de MoMo adequaat hebben opgepakt, zijn volgens het onderzoeksbureau enkele maatregelen nodig, die in drie categorieën zijn onder te brengen:

1. Formele maatregelen: aanvullende wet- en regelgeving. AEF heeft een aantal aanbevelingen op dit gebied. Een groot deel daarvan komt erop neer dat gemeenten meer dwingend en meer in detail zou moeten worden voorgeschreven wat er van hen verwacht wordt.

Ik ben daar geen voorstander van, want dit leidt tot meer regels en bureaucratie en minder beleidsvrijheid en eigen verantwoordelijkheid voor gemeenten. Ik wil gemeenten graag helpen die verantwoordelijkheid in te vullen, maar ik wil deze niet overnemen. Beleidsvrijheid van gemeenten vind ik belangrijker dan in detail voorschrijven wat er van gemeenten verwacht wordt. Ik wil geen regelverdichting, ik reik liever inspirerende voorbeelden aan en dat zal ik ook zeker doen. Bovendien verwacht ik dat de stelselwijziging beter beklijft wanneer gemeenten hun eigen verantwoordelijkheid daarin nemen, dan wanneer het rijk alles dwingend voorschrijft. Daarbij neem ik voor lief dat de overgangsperiode dan wellicht een jaar langer duurt. In de bijlage ga ik hier meer in detail op in.

2. Beleid: maatregelen die door gemeenten zelf kunnen worden opgepakt. Het onderzoeksbureau doet organisatorische aanbevelingen, zoals: het bij elkaar voegen van de gemeentelijke afdelingen monumentenzorg en RO, en het samenvoegen van de gemeentelijke monumenten- en welstandscommissie. Op het gebied van het stimuleren van herbestemming beveelt AEF gemeenten aan om regels voor tijdelijk gebruik te versoepelen en maatregelen te nemen tegen leegstand. Natuurlijk is het aan gemeenten zelf om hier keuzes in te maken en actie op te ondernemen. Inhoudelijk onderschrijf ik een groot aantal van deze aanbevelingen en zal ik daarin een stimulerende rol gaan spelen, door voorbeelden aan te reiken en door het onderwerp van gesprek te maken in bestuurlijke overleggen.

3. Kennisoverdracht. Het onderzoeksbureau heeft een groot aantal aanbevelingen voor het opbouwen van kennis en doen plaatsvinden van kennisuitwisseling middels inhoudelijke handleidingen, voorbeeldprojecten, scholing en dergelijke. Ik acht het de taak van het rijk om te zorgen dat gemeenten ondersteund worden bij het maken van de omslag naar MoMo en kennisoverdracht is daarbij onontbeerlijk. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor het kennisinstituut de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, maar ook de provinciale steunpunten, de Federatie Grote monumentengemeenten, de VNG, het IPO, het NRF en diverse particuliere organisaties zullen daarbij betrokken worden.

Capaciteit

Een punt van zorg is de beschikbare capaciteit bij gemeenten. AEF concludeert dat er bij grote gemeenten over het algemeen voldoende capaciteit aanwezig is. Bij middelgrote en bij kleine gemeenten is er echter vaak een tekort aan formatie.

Het onderzoeksbureau beveelt gemeenten aan om de capaciteit te versterken door samenwerkingsverbanden in te richten en door pools in te richten met deskundigen. Ik onderschrijf deze aanbevelingen. Samen met I&M, VNG en provinciale steunpunten wil ik bekijken of er binnen de bestaande formatieve en financiële kaders, tijdelijk voor extra capaciteit kan worden gezorgd voor de MoMo.

De constatering van AEF over een gebrek aan capaciteit heeft met name betrekking op gemeenteambtenaren erfgoed. De uitdaging is om de veel grotere groep gemeenteambtenaren RO en vastgoed te helpen het erfgoed meer tot uitgangspunt van hun beleid te nemen.

Trends gemeentelijke monumentenzorg

Het onderzoeksbureau is ook gevraagd de trends van de gemeentelijke monumentenzorg in kaart te brengen. Hoe hebben gemeenten de vorige stelselwijziging van de monumentenzorg in 1988 opgepakt en wat is de trend? Het blijkt dat vrijwel alle gemeenten nu een monumentenverordening hebben, vergunningen verlenen en een monumentencommissie hebben ingesteld. Zeventig procent van de gemeenten heeft een monumentenlijst (niet verplicht). In 1988 waren er 10 000 gemeentelijke monumenten aangewezen, in 2009 waren er 40 000 en de verwachting is dat er in 2020 60 000 gemeentelijke monumenten zullen zijn, ongeveer evenveel als dat er nu rijksmonumenten zijn. De aanwijzing van gemeentelijke monumenten was en is overigens niet verplicht, gemeenten hebben de vrijheid dat al dan niet te doen. Tot slot blijkt uit onderzoek van Haskoning (2008) dat een groot deel van de gemeentelijk bestemmingsplannen een cultuurhistorische paragraaf heeft en dat er ook op het gebied van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening sprake is van een positieve trend.

Ik concludeer daaruit dat gemeenten over het algemeen een grote betrokkenheid ten toon hebben gespreid ten aanzien van het belang en het behoud van erfgoed. Zij hebben de nieuwe taken uit 1988 grosso modo goed opgepakt, kennelijk ondanks het gebrek aan capaciteit. Dat is een compliment waard.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra


XNoot
1

De letter A heeft alleen betrekking op 32 156.

XNoot
2

Samenstelling: Schuurman (CU), Holdijk (SGP), Dölle (CDA), voorzitter, Dupuis (VVD), Linthorst (PvdA), Tan (PvdA), vicevoorzitter, Essers (CDA), Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Leijnse (PvdA), Staal (D66), Thissen (GL), Hamel (PvdA), Goyert (CDA), Leunissen (CDA), Asscher (VVD), Hermans (VVD), Ten Horn (SP), Slager (SP), Vliegenthart (SP), De Boer (CU), Duthler (VVD), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Laurier (GL), Koffeman (PvdD), Yildirim (Fractie-Yildirim) en Flierman (CDA).

XNoot
3

Samenstelling: Van den Berg (SGP), Vacature (VVD), Swenker (VVD), Meindertsma (PvdA), voorzitter, Eigeman (PvdA), Putters (PvdA), Meulenbelt (SP), Slagter-Roukema (SP), Leijnse (PvdA), Staal (D66), Thissen (GL), Goijert (CDA), Hendrikx (CDA), Janse de Jonge (CDA), Leunissen (CDA), De Vries-Leggedoor (CDA), vice-voorzitter, Willems (CDA), Asscher (VVD), Hofstra (VVD), Huijbregts-Schiedon (VVD), Meurs (PvdA), Slager (SP), Smaling (SP), De Boer (CU), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Böhler (GL), Laurier (GL), Koffeman (PvdD) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

XNoot
4

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke Ondersteuning onder griffie nr. 147724.