Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032127 nr. 5

32 127
Regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten (Crisis- en herstelwet)

nr. 5
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 5 oktober 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 komt te luiden:

Artikel 1.1

1. Afdeling 2 is van toepassing op:

a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;

b. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en

c. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.

2. Afdeling 3 is van toepassing op de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten.

B

Aan artikel 1.12 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. In afwijking van artikel 4:20b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is artikel 3.16, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing indien een aanlegvergunning van rechtswege is verleend.

C

In artikel 2.2 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan op verzoek van de betrokken gemeente de met toepassing van het eerste lid totstandgekomen aanwijzing van een gebied eenmalig verlengen voor de duur van ten hoogste vijf jaar.

D

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zesde lid wordt na «maatregelen» ingevoegd «of werken», wordt «kan het bevoegd gezag» vervangen door «kunnen burgemeester en wethouders», wordt «uiterlijk tien jaar na vaststelling van het plan» vervangen door «na vaststelling van het plan uiterlijk na tien jaar, dan wel uiterlijk na vijftien jaar bij toepassing van artikel 2.2, tweede lid,» en wordt «geeft het bevoegd gezag» vervangen door: geven burgemeester en wethouders.

2. Onder vernummering van het zevende tot en met tiende lid tot elfde tot en met veertiende lid worden vier leden ingevoegd:

7. Burgemeester en wethouders nemen in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van gevallen geen besluit als bedoeld in het zesde lid dan nadat het bestuursorgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd zou zijn te beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

8. De verklaring, bedoeld in het zevende lid, kan slechts worden geweigerd met het oog op het belang dat de betrokken wet beoogt te beschermen.

9. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp van de verklaring binnen acht weken aan burgemeester en wethouders. In een geval als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen burgemeester en wethouders deze termijn met een bij hun besluit te bepalen redelijke termijn verlengen.

10. De artikelen 2.27, tweede, vierde en vijfde lid, en 3.11, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor «omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een besluit als bedoeld in het zesde lid» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in het zevende lid.

3. In het elfde lid (nieuw) wordt na «maatregelen» ingevoegd: of werken.

4. In het dertiende lid (nieuw) wordt «achtste lid» vervangen door: elfde lid.

E

Aan artikel 2.5 worden onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel a door een puntkomma en van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma twee onderdelen toegevoegd, luidende:

c. wordt verstaan onder radarstation: voor de beveiliging van het nationaal luchtruim en de veilige afhandeling van het militair en burgerluchtverkeer essentieel radarstation, en

d. wordt verstaan onder radarverstoringsgebied voor een radarstation: gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation.

F

Artikel 2.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden:

a. de radarstations aangewezen;

b. de begrenzingen van het radarverstoringsgebied voor een radarstation aangewezen;

c. de maximale hoogte van bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.

2. In het derde lid, tweede volzin, wordt na «Onze Minister kan» ingevoegd: bij ministeriële regeling.

3. In het vierde lid wordt «de beoordeling bedoeld in» vervangen door: de beoordeling, bedoeld in.

G

In het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 6, wordt «woningbouwprojecten» vervangen door: bouwprojecten.

H

Artikel 2.9 komt te luiden:

Artikel 2.9

1. Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van:

a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 20 en ten hoogste:

1°. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2 000 nieuwe woningen, dan wel

2°. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede

b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis.

2. Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die in elkaars nabijheid liggen of zullen zijn gelegen, vallen uitsluitend onder het toepassingsbereik van deze afdeling, indien de aantallen woningen in die projecten gezamenlijk onder het toepasselijke maximum aantal woningen als bedoeld in dat onderdeel blijven.

3. Deze afdeling is niet van toepassing:

a. indien voor de uitvoering van een project als bedoeld in het eerste lid een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist;

b. op projecten als bedoeld in het eerste lid, die zijn aangewezen krachtens artikel 2.18;

c. indien het project ziet op de bouw van woningen op minder dan 100 meter van een hoofdweg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Tracéwet, gemeten vanaf de as van die weg, of van een weg die overeenkomstig een daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model is aangeduid als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen dat niet is toegestaan door de krachtens artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen tunnels, gemeten vanaf de as van die weg;

d. indien het project ziet op de bouw van woningen binnen 30 meter van een krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofdspoorweg, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor;

e. indien het project ziet op de bouw van woningen in of op rijkswateren of regionale wateren waaraan krachtens de artikelen 4.1 of 4.4 van de Waterwet de functie vaarweg is toegekend en die geschikt zijn voor gebruik door schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton.

I

Artikel 2.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «Flora- en faunawet» ingevoegd: , hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.

2. In het vierde lid, wordt «het het tweede lid» vervangen door: het tweede lid.

3. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

7. Indien een projectuitvoeringsbesluit er toe strekt een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 te vervangen:

a. legt de gemeenteraad, indien het een archeologisch monument betreft als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Monumentenwet 1988 en in de gevallen, bedoeld in artikel 16 van die wet, het voornemen tot een projectuitvoeringsbesluit voor advies voor aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht, advies uitbrengt, en

b. zendt de gemeenteraad aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het monument gelegen is buiten de bebouwde kom, aan gedeputeerde staten:

1°. het ontwerpbesluit, en

2°. onmiddellijk na de vaststelling een afschrift van het projectuitvoeringsbesluit.

8. Indien een projectuitvoeringsbesluit betrekking heeft op een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Monumentenwet 1988 zendt de gemeenteraad onmiddellijk na de vaststelling hiervan een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

9. Het tweede lid en het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op de wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, de Luchtvaartwet en de Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) omtrent ruimtelijke beperkingen in de omgeving van luchthavens in verband met geluidbelasting, externe veiligheid en vliegveiligheid. Voor de toepassing van de Wet luchtvaart wordt het projectuitvoeringsbesluit gelijkgesteld aan een projectbesluit, als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

J

Na artikel 2.10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.10a

Provinciale staten kunnen ten behoeve van de verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, of van een onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 2.17.

K

Artikel 2.12 komt te luiden:

Artikel 2.12

Voor zover het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of een beheersverordening, geldt het projectuitvoeringsbesluit als een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet.

L

Artikel 2.13, tweede en derde lid, wordt vervangen door drie leden, luidende:

2. In afwijking van artikel 1.6, vierde lid, doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak.

3. In afwijking van artikel 1.7, tweede lid, doet de administratieve rechter binnen vier maanden na afloop van de beroepstermijn een tussenuitspraak en binnen vier maanden na verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.

4. In afwijking van artikel 1.8, tweede lid, worden de vragen, bedoeld in dat artikel, binnen vier maanden na afloop van de beroepstermijn bij tussenuitspraak gesteld.

M

Aan het slot van hoofdstuk 2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 7 VERSNELDE UITVOERING VAN LOKALE PROJECTEN MET NATIONALE BETEKENIS

Artikel 2.18

Deze afdeling is van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen lokale projecten met nationale betekenis.

Artikel 2.19

1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project stelt de gemeenteraad een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast.

2. De structuurvisie, bedoeld in het eerste lid, bevat onverminderd het elders omtrent de inhoud van een structuurvisie bepaalde, tevens:

a. een concretisering van de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het betrokken gebied;

b. een beschrijving van de voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit in ieder geval de volgende onderdelen:

1°. een voorlopig overzicht van de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten, alsmede het daarbij voorgenomen tijdpad;

2°. een financiële onderbouwing en een voorlopige opzet van de grondexploitatie;

3°. een analyse van de risico’s ten aanzien van verplichtingen tot het toekennen van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

4°. eventuele voornemens inzake verwerving van gronden;

5°. de vermelding dat ten aanzien van de voor de verwezenlijking van het project noodzakelijke besluiten ingevolge artikel 2.21 toepassing zal worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

c. een samenvatting van de uitkomsten van het overeenkomstig artikel 2.20, eerste lid, gevoerde bestuurlijk overleg.

Artikel 2.20

1. Bij de voorbereiding van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, plegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in de structuurvisie in het geding zijn.

2. In afwijking van hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening, worden, voor zover het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot vaststelling van een structuurvisie waarmee de bestuursorganen van de betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en Rijk instemmen, aan die structuurvisie verklaringen gehecht houdende instemming van die bestuursorganen met de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling.

3. Ter uitvoering van de in de structuurvisie voorgestelde wijze van verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling wordt ten behoeve van een goede begeleiding en tijdige afronding van het project een projectcommissie ingesteld. In de commissie zijn de betrokken bestuursorganen, bedoeld in het tweede lid, vertegenwoordigd. De commissie staat onder voorzitterschap van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke gemeente.

Artikel 2.21

In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project, toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2.22

Voor zover de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die, al dan niet krachtens de wet, bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in artikel 2.21, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

Artikel 2.23

1. Indien voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt genomen, kan de gemeenteraad met het oog op de invordering van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met dat projectbesluit aan dat projectbesluit voorschriften verbinden, die de verplichting inhouden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het nakomen van de ingevolge dat besluit verschuldigde rechten.

2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in ieder geval het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in stand moet worden gehouden.

3. Bij het besluit kunnen voorschriften worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.

N

In artikel 3.1 wordt «9e, vierde lid» vervangen door: 9e, vijfde lid.

O

In artikel 3.2, onderdeel D, vierde lid, wordt na «Wet algemene bepalingen omgevingsrecht» een komma ingevoegd.

P

In artikel 3.4, onderdeel c, tweede lid, onderdeel c, wordt na «betrekt» een komma ingevoegd.

Q

Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 1 komt te luiden:

1. vervallen de artikelen 1.1, onderdelen J en AA, 9.10, onderdeel KKK, en 9.14, onderdeel E, onder 1, van die wet,.

2. Onderdeel 3 komt te luiden:

3. wordt artikel 9.13 van die wet als volgt gewijzigd:

a. de onderdelen E, onder 2, F tot en met I, N en P vervallen,

b. onderdeel S wordt als volgt gewijzigd:

1°. in onderdeel 1 wordt «het eerste lid, onderdeel b» vervangen door: het eerste lid, onderdeel c,

2°. de onderdelen 3, 4 en 5 vervallen, en

c. de onderdelen U, Y en Z vervallen.

R

Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel B, onder 2, komt het tiende lid te luiden:

10. Voor zover er in een beheerplan projecten worden opgenomen die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, wordt het beheerplan eerst vastgesteld nadat gedeputeerde staten een passende beoordeling hebben gemaakt van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, en is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

2. In onderdeel K wordt «in samenhang met 16,» vervangen door: in samenhang met 16.

S

Artikel 3.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel H wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

3. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komt artikel 62, tweede lid, onderdeel b, te luiden:

b. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of het inpassingsplan is afgeweken.

2. In onderdeel L, onder 2, onderdeel b, vervalt de komma na «omgevingsrecht» en wordt «wordt afgeweken» vervangen door: is afgeweken.

T

Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor onderdeel A worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

aA

Artikel 2.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt.

2. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt in onderdeel c «tweede lid» vervangen door: eerste lid.

bA

Na artikel 2.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.9a

1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten geheven.

2. De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, onder 3°, van een bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop dat besluit of de mededeling, bedoeld in artikel 3.12, langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. De bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.

2. Onderdeel A, onder 1, onder b, komt te luiden:

b. Onderdeel c wordt als volgt gewijzigd:

1°. In de aanhef wordt «het» vervangen door: het bevoegd gezag.

2°. De onderdelen 3° en 4° komen te luiden:

3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

4°. onderdeel 2°, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, is niet van toepassing, indien blijkens de aanvraag de geluidsbelasting van het gehele industrieterrein niet toeneemt;.

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C

Artikel 3.12, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b wordt geletterd c.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld, voor zover en op de wijze waarop dat bij algemene maatregel van bestuur is voorgeschreven;.

U

In artikel 3.17, onderdeel D, onder 2, wordt «bij provinciale verordening» vervangen door: bij of krachtens provinciale verordening.

V

In artikel 3.19, onderdeel F, aanhef, vervalt: zevende.

W

Artikel 3.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel A wordt «3.12» vervangen door: 5.12, twaalfde lid,.

2. In onderdeel F, onder 1, vijfde lid, wordt «wordt verlaagd» vervangen door: niet toeneemt.

X

Artikel 3.22, onderdeel 1, komt te luiden:

1. In artikel 1a, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Crisis- en herstelwet, artikel 2.16;.

Y

Artikel 3.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor onderdeel A worden vijf onderdelen ingevoegd, luidende:

aA

1. Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het vijfde lid, tweede volzin, vervalt.

b. Het zesde lid komt te luiden:

6. Een voorbereidingsbesluit vervalt tevens op het moment waarop het bestemmingsplan ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen, in werking treedt.

bA

Artikel 3.13 komt te luiden:

Artikel 3.13

De bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het projectbesluit, wordt opgeschort tot het tijdstip waarop dat besluit langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Deze bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.

cA

Artikel 3.14 komt te luiden:

Artikel 3.14

Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan of de uitwerking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, zijn grondslag vindt in het projectbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

dA

Artikel 3.15 vervalt.

eA

In artikel 3.27, tweede lid, vervalt: en voor «gemeentebestuur» «provinciaal bestuur»,.

2. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 3.29, tweede lid, vervalt: en voor gemeentebestuur «Onze Minister»,.

3. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel d wordt «3.30, vierde lid,» vervangen door: 3.30, vierde lid.

b. Onderdeel 2 komt te luiden:

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) (31 755) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel X, van die wet in werking treedt, komt artikel 3.35, zevende lid, van de Wet ruimtelijke ordening te luiden:

7. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, en het inpassingsplan, bedoeld in artikel 3.28 is aangewezen als plan bij de voorbereiding waarvan krachtens de artikelen 7.2 of 7.2a van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en één van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, is aangewezen als besluit bij de voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt de raadpleging op grond van artikel 7.25 of artikel 7.27, tweede lid, van de Wet milieubeheer gelijktijdig plaats met de raadpleging op grond van artikel 7.8 van die wet respectievelijk vindt de kennisgeving op grond van artikel 7.27, derde lid, van de Wet milieubeheer gelijktijdig plaats met de kennisgeving op grond van artikel 7.9, eerste lid, van die wet. In afwijking van artikel 7.26 of artikel 7.27, zevende lid, van de Wet milieubeheer kan de termijn, bedoeld in dat artikel of dat artikellid, tweemaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.

4. Na onderdeel D worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Da

Artikel 3.40, tweede en derde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

Db

Artikel 3.41, tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervalt.

Dc

In artikel 3.42 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

Z

Na artikel 3.24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.24a

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt de Wet ruimtelijke ordening als volgt gewijzigd:

A

Afdeling 3.3 komt te luiden:

AFDELING 3.3 VASTSTELLING BESTEMMINGSPLAN OF UITWERKING DAARVAN NAAR AANLEIDING VAN EEN OMGEVINGSVERGUNNING

Artikel 3.10

Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan of de uitwerking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, zijn grondslag vindt in een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

B

In de artikelen 3.26, tweede lid, en 3.28, tweede lid, wordt «De afdelingen 3.1 en 3.2» vervangen door: De afdelingen 3.1, 3.2 en 3.3.

C

De artikelen 3.27, 3.29, 3.40, 3.41 en 3.42 vervallen.

D

Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt «, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen,» en wordt na «wordt vastgesteld» ingevoegd: of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het inpassingsplan wordt afgeweken.

2. Het vijfde lid vervalt.

3. Het zesde tot en met tiende lid worden vernummerd tot vijfde tot en met negende lid.

4. In het zevende lid (nieuw) wordt in de eerste volzin «Artikel 3.30, vierde lid,» vervangen door «Artikel 3.30, derde lid» en komt de tweede volzin te luiden: Voor zover een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, geldt die eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van een inpassingsplan of een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder c, in het gebied dat in dat plan is begrepen.

AA

Na artikel 3.25 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.26

Artikel 9, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten vervalt.

BB

Na artikel 4.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.2

In bijlage 1, onderdeel a, bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt «artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet» vervangen door: de artikelen 8.2, derde en vierde lid, en 8.2a, eerste lid, van de wet.

CC

Artikel 5.1, tweede lid, komt te luiden:

2. Het bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalde is slechts van toepassing op:

a. de projecten en categorieën van projecten, genoemd in de bijlagen I en II bij deze wet;

b. de projecten waar deze wet bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.2 op van toepassing is verklaard;

c. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en

d. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.

DD

In artikel 5.2 wordt na «artikel 2.2» ingevoegd: , een verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zevende lid, of een aanwijzing van een project op grond van artikel 2.18.

EE

In artikel 5.3 wordt «1.6 tot en met 1.8» vervangen door: 1.4 en 1.6 tot en met 1.9.

FF

Na artikel 5.5 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 5.5a

Artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid, van de Spoedwet wegverbreding is niet van toepassing op een wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 5.5b

Artikel 15, tiende, elfde en twaalfde lid, van de Tracéwet is niet van toepassing op een wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.

GG

In artikel 5.6, onderdeel b, wordt «7.32, vijfde lid» vervangen door: 7.32, vijfde lid,.

HH

Artikel 5.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1, onder b, onderdeel d, wordt voor «Wet algemene bepalingen omgevingsrecht» ingevoegd «de» en wordt na «onder e» ingevoegd: , van die wet.

2. In onderdeel 2, onder a en b, vervalt de komma na «omgevingsrecht» en wordt «wordt afgeweken» vervangen door: is afgeweken.

3. In onderdeel 3 wordt na «het bestemmingsplan» ingevoegd:, het inpassingsplan of de beheersverordening.

4. Onderdeel 4 wordt vervangen door drie onderdelen, luidende:

4. wordt artikel 2.10 als volgt gewijzigd:

a. in het zevende lid wordt:

1°. in de aanhef na «Monumentenwet 1988» ingevoegd: of artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

2°. in onderdeel a «, bedoeld in artikel 16 van die wet» vervangen door: waarin Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht adviseert;

b. in het negende lid, tweede volzin, wordt «een projectbesluit, als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening» vervangen door: een omgevingsvergunning waarbij met toepasssing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

5. wordt in artikel 2.12 «projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet» vervangen door: omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

6. wordt artikel 2.23 als volgt gewijzigd:

a. in het eerste lid wordt «projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt genomen» vervangen door «omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt verleend», wordt «dat projectbesluit» telkens vervangen door «die omgevingsvergunning» en wordt «dat besluit» vervangen door: die vergunning;

b. in het tweede lid wordt «het besluit» vervangen door: de vergunning.

II

Artikel 5.10, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «, en» vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door «, en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. de uitvoering van krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten, indien ten aanzien van die projecten voor 1 januari 2014 aan de structuurvisie, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, de in artikel 2.20, tweede lid, bedoelde verklaringen zijn gehecht.

JJ

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan categorie 2 wordt toegevoegd: 2.3 projecten aangewezen krachtens artikel 2.18.

2. In het opschrift van categorie 9 vervalt: en havens.

KK

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «tweede lid» telkens vervangen door: eerste en tweede lid.

2. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

a. In nummer 22, kolom 6, vervalt: ter voorkomen.

b. Toegevoegd wordt:

26Westflank HaarlemmermeerStrook ten oosten van Heemstede, Hillegom en LisseP 147P 20 en 21Integrale gebiedsontwikkeling; woningbouwopgave, piekwaterberging, recreatieve groenontwikkeling, versterking Groene Hart

Toelichting

Deze nota van wijziging voorziet op een aantal punten in aanvulling van de voorgestelde Crisis- en herstelwet. Daarnaast zijn enkele wetstechnische en redactionele verbeteringen aangebracht.

In de toelichting op de onderdelen van deze nota van wijziging wordt nader op de verschillende wijzigingen ingegaan.

ONDERDEEL A

De nieuwe tekst van artikel 1.1 van de voorgestelde Crisisen herstelwet wordt duidelijk gemaakt dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van die wet van toepassing is op gebiedsontwikkelingsplannen, projectuitvoeringsbesluiten en projecten van nationaal belang. De redactie van het wetsvoorstel was op dit punt onvoldoende duidelijk.

Ten aanzien van gebiedsontwikkelingsplannen geldt dat ze onder de werking van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet vallen als gevolg van het (nieuwe) artikel 1.1, eerste lid, onderdeel b. Datzelfde geldt voor alle besluiten die vereist zijn voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsontwikkelingsplannen betrekking hebben. Ook de besluiten die vereist zijn voor de uitvoering van de gebiedsontwikkelingsplannen vereiste maatregelen vallen op grond hiervan onder het bereik van hoofdstuk 1, afdeling 2.

Projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet vallen onder de werking van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet als gevolg van artikel 1.1, eerste lid, onderdeel c.

De besluiten die vereist zijn voor woningbouwprojecten als bedoeld in artikel 2.9 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet vallen onder de werking van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet omdat die projecten op bijlage I bij de voorgestelde Crisis- en herstelwet zijn genoemd (punt 3.2).

De projecten die worden aangewezen op grond van artikel 2.18 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet vallen onder de werking van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet omdat die projecten worden genoemd op bijlage I bij het wetsvoorstel (zie onderdeel BB van deze nota van wijziging). De in hoofdstuk 2, afdeling 7, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet genoemde structuurvisies alsmede de andere (uitvoerings)besluiten voor de in die afdeling bedoelde projecten vallen onder de werking van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet omdat ze onder de reikwijdte van«alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist» vallen.

ONDERDEEL B

Op grond van artikel 1.12 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet is de lex silencio positivo van toepassing op de aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.16 van de Wet ruimtelijke ordening. Met betrekking tot het tijdstip van inwerkingtreding van de aanlegvergunning liet het wetsvoorstel nog enige ruimte voor onduidelijkheid. Weliswaar staat in artikel 3.16, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening dat een aanlegvergunning in werking treedt met ingang van de zevende week na de dag waarop zij is bekendgemaakt, maar artikel 4:20b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gaat uit van een ander tijdstip. Het voorgestelde artikel 1.12, derde lid, maakt duidelijk dat de regeling in de Wet ruimtelijke ordening in dit geval prevaleert. Het gebruik van de aanlegvergunning kan leiden tot onomkeerbare gevolgen voor landschappelijke waarden. Met de opschortende termijn wordt de inspecteur, de betrokken rijksdienst (zie artikel 3.16, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) en (andere) belanghebbenden de kans gegeven om bezwaar te maken zonder dat er sprake kan zijn van een fait accompli.

ONDERDEEL C

Het nieuwe tweede lid van artikel 2.2 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet beoogt ruimte te creëren aan het einde van de planperiode. Artikel 2.3, zesde lid, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet geeft aan dat aan het einde van de planperiode van maximaal tien jaar in het ontwikkelingsgebied moet worden voldaan aan de geldende milieukwaliteitseisen. Indien er na die periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm, dient het bevoegd gezag op grond van artikel 2.3, zesde lid, laatste volzin aan te geven, op welke wijze alsnog aan die norm zal worden voldaan.

De situatie kan zich voordoen dat de dynamiek en de ontwikkeling van het gebied van dien aard zijn dat een afsluiting van de planperiode nog niet aan de orde is. Indien de gemeente vaststelt dat zij voor het gebied nog een aantal jaren langer nodig heeft om de gestelde doelen te behalen, kan zij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verzoeken om de planperiode met maximaal vijf jaar te verlengen.

Het is overigens geenszins uitgesloten dat projecten die op basis van andere afdelingen van de voorgestelde Crisis- en herstelwet tot stand worden gebracht – met name wordt gedacht aan de afdelingen 6 en 7 van hoofdstuk 2 – op enig moment baat blijken te kunnen hebben bij de experimenteerruimte die hoofdstuk 2, afdeling 1, van die wet biedt. De voorgestelde Crisis- en herstelwet staat er niet aan in de weg dat voor dergelijke projecten gebruik gemaakt wordt van de regeling met betrekking tot de ontwikkelingsgebieden. Het gebruik van de procedure van hoofdstuk 2, afdeling 1, zal aansluiten bij de behoefte uit de praktijk. Dit betekent dat de toepassing van de procedure voor ontwikkelingsgebieden groot kan zijn, omdat deze afdeling ook ingezet kan worden in combinatie met afdeling 6 en 7.

ONDERDEEL D

Onder 1

Artikel 2.3, zesde lid, van het wetsvoorstel is zodanig gewijzigd dat burgemeester en wethouders in het kader van de regeling met betrekking tot de ontwikkelingsgebieden bevoegd gezag zijn. Tevens is bij het bepalen van de periode waarbinnen moet zijn voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen (aanvankelijk ten hoogste tien jaar) rekening gehouden met de verlengingsmogelijkheid van ten hoogste vijf jaar (artikel 2.2, tweede lid (nieuw) van het wetsvoorstel).

Onder 2

Artikel 2.3, zevende tot en met tiende lid (nieuw), voorziet in de situatie dat er besluiten nodig zijn waarvoor op grond van de toepasselijke regelgeving andere bestuursorganen dan burgemeester en wethouders bevoegd zijn. Van het aanvankelijk bevoegde gezag wordt dan een zogenoemde verklaring van geen bedenkingen gevraagd, althans voor zover het categorieën van gevallen betreft die bij algemene maatregel van bestuur als zodanig zijn aangewezen. Hierbij zou onder meer kunnen worden gedacht aan vergunningen voor bepaalde zogenoemde ippc-inrichtingen.

Ingevolge het voorgestelde achtste lid kan de gevraagde verklaring van geen bezwaar slechts worden geweigerd met het oog op het belang dat de wet waarop de verklaring betrekking heeft, beoogt te beschermen.

Voor de verdere uitwerking van de regeling zijn de relevante bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing verklaard (het voorgestelde tiende lid). Zo bepaalt het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, dat aan het besluit van burgemeester en wethouders de daarbij aangegeven voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang van de betrokken wet worden verbonden (artikel 2.27, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Onder 3

Dit betreft een redactionele verbetering.

Onder 4

Dit betreft een aanpassing van een verwijzing.

ONDERDEEL E

Aan artikel 2.5 zijn een tweetal definities toegevoegd die wenselijk bleken voor de toepasbaarheid van de bewuste afdeling.

ONDERDEEL F

Onder 1 en 2

Het is de bedoeling dat de regels met betrekking tot radarverstoring worden gesteld bij ministeriële regeling van de Minister van Defensie in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De formulering van artikel 2.6, tweede lid, van het wetsvoorstel was daar niet helemaal mee in overeenstemming.

Onder 3

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL G

Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 6, is verbreed als gevolg van de nieuwe tekst van artikel 2.9 van het wetsvoorstel (zie onderdeel F van deze nota van wijziging).

ONDERDEEL H

In artikel 2.9, eerste lid, is duidelijker tot uitdrukking gebracht dat het realiseren van bijkomende voorzieningen in een woningbouwproject niet afdoet aan de kwalificatie van dat project als woningbouwproject in de zin van hoofdstuk 2, afdeling 6, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet.

Die bijkomende voorzieningen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit scholen, zorginstellingen en winkels. Wel geldt de beperking dat het project hoofdzakelijk een woningbouwkarakter moet hebben, dat wil zeggen dat de bouw van woningen het belangrijkste onderdeel van het project moet zijn.

Wanneer er in voorkomende gevallen behoefte aan bestaat ook categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis volgens de versnelde procedure van hoofdstuk 2, afdeling 6, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet uit te voeren, biedt artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b van die wet daarvoor een mogelijkheid. Op grond van dat onderdeel kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis worden aangewezen. Te denken valt aan projecten waarin maatschappelijk vastgoed zoals zorginstellingen, ziekenhuizen en dergelijke de hoofdmoot vormt, al dan niet vergezeld van (een beperkte mate van) woningbouw. Bij het aanwijzen van dergelijke categorieën andere projecten wordt erop gelet dat de toepasselijke drempels inzake luchtkwaliteit en milieueffectrapportage niet worden overschreden.

Deze mogelijkheid is een andere dan de in artikel 1.2 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet opgenomen mogelijkheid om projecten toe te voegen aan de bijlagen I en II bij die wet. Die bijlagen hebben betrekking op de toepasbaarheid van hoofdstuk 1, afdeling 2, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet. De in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, opgenomen mogelijkheid heeft betrekking op de toepasbaarheid van hoofdstuk 2, afdeling 6, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet.

Omdat «projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid» op bijlage I bij de voorgestelde Crisis- en herstelwet zijn genoemd, betekent aanwijzing op grond van artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, van die wet ook dat hoofdstuk 1, afdeling 2 van die wet van toepassing is op die projecten. De aanwijzingsmogelijkheid op grond van artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, is dus een ruimere dan die van artikel 1.2 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet, omdat die aanwijzing leidt tot toepasbaarheid van hoofdstuk 1, afdeling 2, en hoofdstuk 2, afdeling 6.

In artikel 2.9, tweede lid, is een verwijzing aangepast.

Aan artikel 2.9, derde lid, is een aantal uitzonderingen toegevoegd.

De nieuwe afdeling 7 van hoofdstuk 2 (zie onderdeel M van deze nota van wijziging) werkt aanvullend ten opzichte van hoofdstuk 2, afdeling 6, van het wetsvoorstel. Hoofdstuk 2, afdeling 6, bevat een regeling voor de versnelde uitvoering van woningbouwprojecten tussen de 20 en 1 500 dan wel 2 000 nieuwbouwwoningen. Hoofdstuk 2, afdeling 6, werkt generiek voor heel Nederland en is qua reikwijdte beperkt tot bedoelde, onder de mer-grens vallende, woningbouwprojecten. Hoofdstuk 2, afdeling 7, daarentegen ziet alleen op concrete, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen projecten die gezien hun omvang in de regel boven de grens van de plan-mer vallen.

Het toegevoegde artikel 2.9, derde lid, onderdeel b, voorziet in een afstemming van het toepassingsbereik van beide afdelingen. Geregeld wordt dat hoofdstuk 2, afdeling 6, niet van toepassing is op woningbouwprojecten (van tussen de 20 en 1 500 dan wel 2 000 nieuwbouwwoningen) die krachtens artikel 2.18 van het wetsvoorstel zijn aangewezen als projecten waarop hoofdstuk 2, afdeling 7, van toepassing is.

Het toegevoegde artikel 2.9, derde lid, onderdelen c, d en e, houdt verband met het beleidsvoornemen om te komen tot een duurzaam evenwicht tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen over infrastructuur en de ruimtelijke ordening langs die infrastructuur in relatie tot veiligheid: het Basisnet. Het streven is dat de wettelijke verankering van dit beleid medio 2011 gereed is, waarna bij de ruimtelijke besluitvorming bepaalde afstanden in acht moeten worden genomen tot infrastructuur die van belang wordt geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Teneinde doorkruising van dit beleid te voorkomen, is de in dit wetsvoorstel opgenomen tijdelijke versnelde procedure niet van toepassing op de bouw van woningen binnen een bepaalde afstand tot de infrastructuur. Het gebied waar deze regeling betrekking op heeft is mogelijk ruimer dan wat in het kader van Basisnet zal worden verankerd. Bedacht moet evenwel worden dat de afstanden genoemd in het voorliggende wetsvoorstel – anders dan die in het kader van Basisnet zullen worden vastgelegd – niet gelden als grenswaarde voor bouwmogelijkheden. Deze afstanden bepalen enkel de reikwijdte van de bevoegdheid om van de met dit voorstel gecreëerde tijdelijke versnelde procedure gebruik te maken. In gevallen waarin een gemeente voornemens is om woningen binnen de genoemde afstanden of gebieden te bouwen, dient de reguliere procedure te worden gevolgd. Waarbij de eis van een goede ruimtelijke ordening geldt en aandacht moet worden besteed aan de externe veiligheid. Ten behoeve van de beoordeling van die externe veiligheid, verwijzen wij naar de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, waarin is opgenomen hoe met dit aspect dient te worden omgegaan.

ONDERDEEL I

Onder 1 en 3

De wijzigingen van artikel 2.10 van het wetsvoorstel dienen het belang van een goede omgang met rijksmonumenten en de archeologische monumentenzorg. Zij houden verband met verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen, in casu het Verdrag van Granada (gebouwde rijksmonumenten) en het Verdrag van Valletta (archeologische monumentenzorg) en in verband met de verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) voor het bestand aan rijksmonumenten. Deze verantwoordelijkheid vloeit direct voort uit de hem in de Monumentenwet 1988 toegekende bevoegdheid om rijksmonumenten aan te wijzen. Daarom dient de Minister van OCW op de hoogte gesteld te worden als een project betrekking heeft op een rijksmonument. Indien het een ingrijpende ingreep betreft die raakt aan het voortbestaan van het monument of de reden van bescherming, dient hij daarnaast in de gelegenheid te worden gesteld hierover te adviseren.

De cultuurhistorische belangen zijn zoveel mogelijk verwerkt zonder de voorbereidingsprocedure van een projectuitvoeringsbesluit te vertragen. Een en ander zal in beginsel geen stop op bouwprojecten betekenen, omdat de gemeenteraad uiteindelijk beslist, nieuwbouwprojecten vermoedelijk niet op grote schaal gevolgen zullen hebben voor rijksmonumenten, en de adviestermijn is teruggebracht naar vier weken. Wel blijft hiermee, daar waar voornoemde belangen daadwerkelijk in het geding zijn, een zorgvuldige omgang met rijksmonumenten geborgd.

In onderdeel 1 wordt de verplichting van een door de Minister van OCW afgegeven opgravingsvergunning, geregeld in hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988, uitgezonderd van het projectuitvoeringsbesluit. Reden hiervooris dat archeologische opgravingen alleen door daartoe bekwame archeologische organisaties kunnen worden uitgevoerd en de Minister van OCW de bekwaamheid bij uitstek kan beoordelen. Omdat de opgravingsvergunningen reeds verleend zijn, zal dit niet leiden tot vertraging van een projectuitvoeringsbesluit. Bovendien ziet deze vergunningprocedure op het verkrijgen van algemene toestemming om te mogen opgraven en niet op het uitvoeren van een concreet project.

Voor rijksmonumenten biedt het voorgestelde artikel 2.10, vijfde lid, geen uitkomst omdat de Monumentenwet 1988 zelf geen uitgewerkte normen of toetsingskaders biedt die de gemeenteraad kan toepassen bij het projectuitvoeringsbesluit. Wel blijkt uit vaste jurisprudentie dat steeds een algehele belangenafweging moet worden gemaakt tussen enerzijds de aanwezige monumentale waarden en anderzijds de belangen van de gebruiker van het monument. Om de monumentale belangen voldoende mee te laten wegen is in het voorgestelde artikel 2.10, zevende lid, onder a, in bepaalde gevallen advisering van de Minister van OCW voorgesteld. De advisering bij een projectuitvoeringsbesluit heeft betrekking op rijksmonumenten die door de Minister van OCW zijn aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988 en is alleen in de volgende gevallen van toepassing.

Het betreft ten eerste de archeologische rijksmonumenten. Bij een verstoring van deze rijksmonumenten is steeds een ministerieel advies vereist, omdat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bij uitstek de kennis en ervaring heeft om een verantwoorde omgang met deze monumenten te waarborgen en omdat de beslissingsbevoegdheid thans om die reden nog uitsluitend is voorbehouden aan de Minister van OCW op grond van artikel 14 van de Monumentenwet 1988. In beginsel dient de gemeenteraad een ministerieel advies met betrekking tot archeologische rijksmonumenten dan ook te volgen.

Ten tweede gaat het om de volgende ingrepen aan gebouwde rijksmonumenten: (gedeeltelijke) afbraak of een wijziging die vergelijkbare gevolgen heeft, herbestemming (functiewijziging) of reconstructie. Onder gedeeltelijke afbraak van ingrijpende aard wordt verstaan het slopen van een groot of belangrijk deel van het monument, waarbij sprake is van een substantiële aantasting c.q. wijziging van het monument. Ook bij reconstructie moet het gaan om een substantiële aantasting dan wel wijziging van het monument waardoor de staat van het monument wezenlijk wijzigt. Bij het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument gaat het om wijzigingen van het monument en de mogelijke aantasting van monumentale waarden ten gevolge van veranderend gebruik. Toelichtende voorbeelden van voornoemde ingrepen zijn genoemd in de toelichting bij de op artikel 16 van de Monumentenwet 1988 gebaseerde Regeling ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning.

Het staat de gemeenteraad overigens vrij om tevens advies te vragen aan de gemeentelijke monumentencommissie en gedeputeerde staten om tot een goed afgewogen projectuitvoeringsbesluit te komen.

De in het zevende lid, onderdeel b, geregelde toezendingen waarborgen dat de Minister van OCW en gedeputeerde staten op de hoogte zijn van de besluitvorming over rijksmonumenten. Zo kan de Minister van OCW eventuele zienswijzen over het ontwerpbesluit ten aanzien van het rijksmonument indienen en het door hem aangehouden monumentenregister actueel houden.

In het voorgestelde artikel 2.10, achtste lid, wordt geregeld dat de Minister van OCW op de hoogte blijft van ontwikkelingen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Met het wetsvoorstel wordt aan gemeenteraden immers de bevoegdheid gegeven om een projectuitvoeringsbesluit vast te stellen waarbij kan worden afgeweken van hetgeen bepaald is in het vigerende bestemmingsplan dan wel de beheersverordening dat strekt tot bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarbij kunnen dus bouwplannen mogelijk gemaakt worden die zich moeizaam of niet verdragen met de beschermde historische ruimtelijke of cultuurhistorische waarden van het desbetreffende gezicht. Bovendien wordt artikel 37 van de Monumentenwet 1988, waarin is bepaald dat voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht een vergunning nodig is, buiten toepassing verklaard.

Omdat de Minister van OCW, overigens samen met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verantwoordelijk is voor het bestand van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten, ligt het voor de hand dat hij – door toezending van een afschrift – ten minste kennis kan nemen van projectuitvoeringsbesluiten welke betrekking hebben op sloop-, bouw- of aanlegwerkzaamheden in beschermde gezichten. Zo blijft hij enerzijds op de hoogte van ruimtelijke ontwikkelingen die zich in de beschermde gezichten voordoen en kan hij anderzijds in zwaarwegende gevallen desgewenst in overleg treden met het desbetreffende gemeentebestuur.

Met de toevoeging van artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet wordt voorkomen dat gebouwd wordt op plaatsen waar dit vanuit waterstaatkundig oogpunt zeer onwenselijk is. Een toets of het bouwen bedreigend is voor de instandhouding van het waterkerend of waterafvoerend vermogen van het waterstaatswerk blijft dan ook noodzakelijk.

Het voorgestelde artikel 2.10, negende lid, heeft betrekking op de zogenoemde beperkingengebieden uit de Wet luchtvaart.

Op grond van de Wet luchtvaart worden rond luchthavens beperkingengebieden vastgesteld waar diverse ruimtelijke bestemmingen niet mogelijk zijn. Zo worden in verband met de geluidbelasting en het externe veiligheidsrisico van de luchthaven beperkingen gesteld aan de aanwezigheid van woningen. Deze beperkingen kunnen ertoe leiden dat woningen dienen te worden gesloopt of dat nieuwbouw van woningen niet is toegestaan. In verband met vliegveiligheid worden in het beperkingengebied ook eisen gesteld aan de maximale hoogte van objecten. Deze vloeien voort uit verplichtingen van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

De Wet luchtvaart biedt de mogelijkheid om middels een verklaring van geen bezwaar van het bevoegd gezag een ruimtelijke ontwikkeling die in strijd is met de regels in een beperkingengebied toch mogelijk te maken.

Teneinde de bescherming van burgers tegen geluidbelasting en het externe veiligheidsrisico van de luchthaven en de vliegveiligheid van het luchthavenluchtverkeer te kunnen blijven waarborgen, is een artikel 2.10, tiende lid, toegevoegd, Daarin wordt bepaald dat regels omtrent de ruimtelijke beperkingen rondom luchthavens in verband met de geluidbelasting en het externe veiligheidsrisico van de luchthaven en in verband met de vliegveiligheid van kracht blijven op een projectuitvoeringsbesluit. Daarmee wordt voorkomen, dat gemeenten met het vaststellen van een projectuitvoeringsbesluit, zelf voorzien in een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, van de Wet luchtvaart of in een ontheffing voor het oprichten of plaatsen van objecten waarvoor geen bouwvergunning of aanlegvergunning nodig, als bedoeld in artikel 8.12, derde lid van de Wet luchtvaart. Deze laatste ontheffing is bijvoorbeeld nodig voor het oprichten van bouwkraan in de omgeving van een luchthaven. Een dergelijk object kan een probleem zijn voor de vliegveiligheid. Voor het beoordelen van deze en soortgelijke veiligheidssituaties is specialistische kennis vereist.

Omdat nog niet alle luchthavens de beschikking hebben over een beperkingengebied dat is vastgesteld op grond van de Wet luchtvaart zijn ook de regels op grond van de Luchtvaartwet en de wet tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (Stb. 561) onder de uitzonderingen gebracht.

Onder 2

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL J

Hoofdstuk 2, afdeling 6, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet, die voorziet in een procedure voor versnelde uitvoering van bouwprojecten, zal in de regel worden gebruikt door de gemeentelijke overheid. De situatie kan zich echter voordoen dat een provincie een bouwproject wil verwezenlijken en daarbij gebruik wil maken van die afdeling. Daarom maakt het voorgestelde artikel 2.10a het mogelijk dat niet alleen de gemeenteraad, maar ook provinciale staten toepassing geven aan de procedure voor versnelde uitvoering van bouwprojecten. Hiertoe is bepaald dat provinciale staten een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van dit wetsvoorstel kunnen vaststellen. Hoofdstuk 2, afdeling 6, is in dat geval van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders belast zijn met het toezicht op de naleving.

ONDERDEEL K

In artikel 2.12 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet is een voorziening opgenomen voor het geval het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Omdat het ook mogelijk is dat een projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met de beheersverordening, is de reikwijdte van genoemde voorziening uitgebreid.

ONDERDEEL L

Dit betreft een wetstechnische verbetering van de regeling met betrekking tot de termijnen voor de administratieve rechter voor wat betreft een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet.

ONDERDEEL M

Op verzoek van en in overleg met de VNG is een regeling ontworpen gericht op het bevorderen van de uitvoering van lokale projecten met nationale betekenis. Deze regeling vormt een aanvulling op de reeds voorziene regeling met betrekking tot woningbouwprojecten die is opgenomen in hoofdstuk 2, afdeling 6, van het wetsvoorstel.

Hoofdstuk 2, afdeling 7, van de Crisis- en herstelwet

Zoals in paragraaf 1.1.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 2, blz. 1) al is aangegeven, vallen als gevolg van de economische crisis met name in de bouwnijverheid harde klappen. Grote woningbouwprojecten, grootschalige stedelijke herinrichtingsgebieden en andere grote lokale projecten hebben een significant effect op de werkgelegenheid. Het wetsvoorstel bevat reeds een aantal generieke maatregelen om de uitvoering van projecten in juridisch opzicht te versnellen. Gezocht is naar mogelijkheden om de bouwnijverheid als economisch vitale sector nog een extra stimulans te geven. Deze nota van wijziging voorziet daarin door aan hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel een afdeling toe te voegen die versnelde uitvoering van zogenoemde lokale projecten met nationale betekenis mogelijk maakt. Deze nieuwe afdeling 7 bouwt voort op het voorstel dat de VNG onder de noemer «Versnelling van gemeentelijke projectprocedures. Tempo maken, nieuw samenspel tussen overheden» op 10 september 2009 aan de Minister-President heeft aangeboden.

De regering zal in verband hiermee bepaalde grote gemeentelijke projecten selecteren. Gedacht kan worden aan grootschalige stadsvernieuwing, de herontwikkeling van stationsgebieden, grote woningbouwprojecten en renovatie van bedrijventerreinen. De selectie van projecten vindt plaats in overleg met de betrokken gemeenten, de VNG en het IPO. Uit de aanwijzing blijkt dat de geselecteerde projecten ook in de visie van de regering nationale betekenis hebben en dat zij zich door middel van de nieuwe afdeling 7 van hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel samen met de andere betrokken overheden inzet voor de realisering ervan. Beoogd wordt de algemene maatregel van bestuur waarbij de aanwijzing van projecten zal plaatsvinden, zo spoedig mogelijk tot stand te brengen.

De besluitvorming over grote ruimtevergende projecten kan worden onderverdeeld in een aantal fasen: de initiatieffase, de uitvoeringsfase en de rechtsbeschermingsfase. De initiatieffase begint met de uitwerking van een bepaald idee en leidt uiteindelijk tot een strategisch besluit op basis waarvan het project zal plaatsvinden. In de uitvoeringsfase vindt vervolgens de vereiste planologische besluitvorming plaats, meestal in de vorm van een wijziging van het bestemmingsplan dan wel door een projectbesluit, en worden de noodzakelijke vergunningen verleend. Tot slot kunnen in de fase van de rechtsbescherming de besluiten uit de uitvoeringsfase ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.

De reden voor het opnemen van een speciale regeling voor lokale projecten met nationale betekenis is dat in de huidige praktijk in de initiatieffase soms bij de ruimtelijke belangenafweging niet alle sectorale belangen worden meegewogen. Soms ontbreekt het aan een goed afgebakende integrale verkenning van alle ruimtelijke, sectorale en financiële belangen die bij het project in het geding zijn. Soms bestaat bij burgers, belangenorganisaties en andere overheden onvoldoende zicht op eventuele alternatieven. Een ander probleem is dat de initiatieffase niet altijd wordt afgesloten met een weloverwogen politiek gedragen principebesluit. Hierdoor ontstaat de kans op discussies over nut en noodzaak van het project in latere fasen van het besluitvormingsproces.

Afdeling 7 van hoofdstuk 2 (zie onderdeel J van deze nota van wijziging) voorziet erin dat de initiatieffase van een project culmineert in een politiek breed gedragen principebesluit, een gemeentelijke structuurvisie, waaraan de overheden die bij het project betrokken zijn, zich expliciet moeten committeren. Ten aanzien van de uitvoeringsfase zorgt de afdeling 7 van hoofdstuk 2 voor stroomlijning van de besluitvormingsprocedure in de vorm van verplichte toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening. Door (de rol van) de structuurvisie te verzwaren, kunnen de vervolgstappen in de uitvoeringsfase sneller worden doorlopen. De gemeentelijke structuurvisie en de gemeentelijke coördinatieregeling zijn instrumenten die onder de huidige wetgeving reeds bestaan. Kenmerkend voor afdeling 7 van hoofdstuk 2 is echter dat beide elementen bij aangewezen lokale projecten met nationale betekenis verplicht worden gesteld.

Voor de provincies is een voorziening als opgenomen in de voorgestelde afdeling 7 niet nodig geoordeeld omdat de provincies op grond van de Wet ruimtelijke ordening over voldoende instrumenten beschikken om medewerking van gemeenten en waterschappen af te dwingen bij het realiseren van projecten van provinciaal belang.

De Wet ruimtelijke ordening bevat daartoe in paragraaf 3.6.2. twee artikelen over de provinciale coördinatieregeling. Artikel 3.33, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening luidt als volgt: «Gedeputeerde staten kunnen van andere bestuursorganen, tenzij dit een bestuursorgaan van het Rijk is, de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuurslagen verlenen de van hen gevorderde medewerking.»

Artikel 3.33, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat provinciale staten kunnen bepalen dat gedeputeerde staten, met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, de benodigde besluiten op aanvraag of ambtshalve nemen.

Aan een aparte voorziening als de voorgestelde afdeling 7, is op provinciaal niveau derhalve geen behoefte.

Hieronder worden de hoofdlijnen van de voorgestelde regeling beschreven.

Indien een project bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2.18 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet is aangewezen, is de gemeenteraad verplicht een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen (het voorgestelde artikel 2.19, eerste lid). Het vaststellen van een structuurvisie is verplicht gesteld gelet op de omvang en ingrijpendheid van onderhavige categorie projecten. De structuurvisie moet worden beschouwd als een integraal, richtinggevend principebesluit.

Structuurvisies zijn in hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening vrij licht geregeld. De nieuwe afdeling 7 van hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel bevat daarom enkele aanvullende voorzieningen over de inhoud en de totstandkomingsprocedure van structuurvisies voor aangewezen lokale projecten met nationale betekenis.

Tegen het besluit tot vaststelling van een structuurvisie staat conform de reguliere systematiek geen beroep op de bestuursrechter open (zie artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met de bijlage bij die wet). Het besluit tot vaststelling (of wijziging) van het bestemmingsplan en de overige besluiten die met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling zijn genomen, worden voor wat betreft de rechtsbescherming als één besluit aangemerkt (artikel 8.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening). Voor belanghebbenden staat ten aanzien van besluiten die met die regeling zijn voorbereid, beroep in eerste en enige aanleg open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat onderdeel komt te luiden ingevolge artikel 3.24, onderdeel E, onder 1, van het wetsvoorstel). Voor de Afdeling bestuursrechtspraak geldt ingevolge artikel 1.6, vierde lid, van dit wetsvoorstel een korte beslistermijn van zes maanden. In verband hiermee zijn aangewezen lokale projecten met nationale betekenis opgenomen in bijlage I bij het wetsvoorstel (zie onderdeel S van deze nota van wijziging).

De voorgestelde projectmatige besluitvorming rond lokale projecten met nationale betekenis zal worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal worden betrokken bij de reguliere evaluatie van de Wet ruimtelijke ordening zoals voorgeschreven door artikel 10.10 van die wet.

Artikel 2.19

Over de inhoud van de structuurvisie bepaalt het voorgestelde artikel 2.19, tweede lid, aanvullend het volgende. De structuurvisie moet niet alleen de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het betrokken gebied bevatten (ingevolge artikel 2.1, eerste lid, tweede volzin, van de Wet ruimtelijke ordening) maar ook een concretisering daarvan (het voorgestelde artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a). Bij het concretiseren van de hoofdlijnen valt te denken aan het formuleren van randvoorwaarden en bandbreedten met het oog op de nadere uitwerking van het project in uitvoeringsbesluiten. Een belangrijk onderdeel van een structuurvisie voor aangewezen lokale projecten met nationale betekenis is de uitvoeringsparagraaf (onderdeel b). Deze paragraaf moet in elk geval bevatten een voorlopig overzicht van de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten en het daarbij voorgenomen tijdpad (onderdeel 1°). Andere verplichte onderdelen van de uitvoeringsparagraaf zijn een financiële onderbouwing en een voorlopige opzet van de grondexploitatie alsmede een analyse van de planschaderisico’s (onderdelen 2° en 3°). Bij eventuele voornemens inzake verwerving van gronden (onderdeel 4°) valt te denken aan toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten en de onteigeningswet. Een ander verplicht onderdeel van de uitvoeringsparagraaf is de vermelding dat ten aanzien van de voor de verwezenlijking van het project noodzakelijke besluiten toepassing zal worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling (onderdeel 5°). Deze toepassing is verplicht gesteld in het voorgestelde artikel 2.21. In de structuurvisie moet verder ook een samenvatting van de uitkomsten van het overeenkomstig het voorgestelde artikel 2.20, eerste lid, gevoerde bestuurlijk overleg worden opgenomen (onderdeel c).

In het kader van de structuurvisie moet een belangenafweging worden uitgevoerd. Daarbij zullen in elk geval betrokken moeten worden aspecten van milieu, landschap en cultuurhistorie.

Artikel 2.20

Het voorgestelde artikel 2.20 bevat enkele aanvullende bepalingen over de totstandkoming van structuurvisies voor aangewezen lokale projecten met nationale betekenis. Om te beginnen is een overlegplicht opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn verplicht overleg te plegen met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in de structuurvisie in het geding zijn (het voorgestelde artikel 2.20, eerste lid). Indien dit overleg leidt tot overeenstemming tussen de betrokken overheden, worden aan de structuurvisie verklaringen gehecht waaruit deze instemming blijkt (het voorgestelde artikel 2.20, tweede lid). De betrokken bestuursorganen committeren zich via hun instemming aan de inhoud van de structuurvisie en de daarin opgenomen uitvoeringsparagraaf. De VNG stelt in samenwerking met het Rijk een stappenplan op voor de totstandkoming van een structuurvisie als hier bedoeld.

Ter uitvoering van de structuurvisie wordt een projectcommissie ingesteld. Deze breed samengestelde commissie ziet toe op een goede begeleiding en tijdige afronding van het project. De commissie staat onder voorzitterschap van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke gemeente (het voorgestelde artikel 2.20, derde lid). Dit is dezelfde gemeente als de gemeente die de gemeentelijke coördinatieregeling toepast.

Ten aanzien van een structuurvisie voor lokale projecten met nationale betekenis zal in de meeste gevallen een mer moeten worden opgesteld omdat dit plan het kader vormt voor mer-plichtige besluiten. De procedure van totstandkoming van een structuurvisie voorziet er niet in dat het ontwerp van dat plan ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over dat ontwerp naar voren te brengen (artikel 2.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt namelijk alleen dat bij een structuurvisie wordt aangegeven in hoeverre burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding daarvan zijn betrokken). Wordt echter een plan-mer opgesteld dan moeten ingevolge artikel 7.26a, eerste lid, van de Wet milieubeheer het plan en de plan-mer aan inspraak worden onderworpen. Verplichte onderdelen van een plan-mer zijn onder meer een beschrijving van de voorgenomen activiteit alsmede van de onderzochte alternatieven en een beschrijving van de gevolgen voor het milieu (artikel 7.10, eerste lid, aanhef en onderdelen b, onder 1°, en e, van de Wet milieubeheer).

Artikel 2.21

Nadat overeenkomstig de voorgestelde artikelen 2.19 en 2.20 een structuurvisie is vastgesteld, volgt de uitvoeringsfase. De belangrijkste voorziening met betrekking tot die fase is de verplichte toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeentelijke coördinatieregeling is bedoeld voor gevallen waarin naast een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan ook andere besluiten moeten worden genomen of procedures moeten worden doorlopen om tot de verwezenlijking van bestemmingsplanonderdelen te komen. Voorbeelden van andere besluiten zijn bouw-, kap-, sloop-, monumenten- en milieuvergunningen. De gemeentelijke coördinatieregeling voorziet in een samenvoeging van de benodigde kennisgevingen, toezendingen en andere procedurele elementen die nodig zijn voor een gestroomlijnde procedure. Indien voor de verwezenlijking van het project een bestemmingsplan moet worden vastgesteld, gewijzigd of uitgewerkt, wordt de voorbereiding en bekendmaking van dat bestemmingsplan dan wel die wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten zoals genoemde vergunningen. Dit laatste volgt al uit artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ligt in de bedoeling dat de VNG in samenwerking met het Rijk een model-coördinatiebesluit opstelt.

Artikel 2.22

Voor zover de verwezenlijking van een aangewezen lokaal project met nationale betekenis onevenredig wordt belemmerd door bepalingen van een gemeentelijke verordening, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de vereiste uitvoeringsbesluiten om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten. De formulering van het voorgestelde artikel 2.22 van het wetsvoorstel is ontleend aan artikel 3.33, achtste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2.23

Voor de rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met een projectbesluit moeten burgemeester en wethouders zekerheidstelling kunnen verlangen. Hiertoe strekt het voorgestelde artikel 2.23.

ONDERDEEL N

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL O

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL P

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL Q

De wijzigingen van artikel 3.5 van het wetsvoorstel vloeien voort uit de wijziging van artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening (zie onderdeel Y van deze nota van wijziging).

ONDERDEEL R

Dit betreft redactionele verbeteringen.

ONDERDEEL S

Onder 1

Met het voorgestelde artikel 3.9, onderdeel H, onder 3, is voorzien in aanpassing van artikel 62, tweede lid, onderdeel b, aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Onder 2

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL T

De wijzigingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn uitgebreid in verband met de wijziging van artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening (zie onderdeel Y van deze nota van wijziging).

Onder 1

Deze wijziging voorziet in overheveling van de nieuwe regeling in artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het moment dat die wet in werking treedt. Op dat moment zal het projectbesluit opgaan in de omgevingsvergunning. Het ligt dan ook voor de hand dat de regeling van de legessanctie in artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt opgenomen. De legessanctie wordt opgenomen in het nieuwe artikel 2.9a, tweede lid, van die wet. In het eerste lid van dat artikel is het eerste lid van het huidige artikel 2.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen. Inhoudelijk is daaraan niets gewijzigd. Dit leidt ertoe dat in artikel 2.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de grondslagen voor het stellen van regels omtrent leges zijn opgenomen en in het nieuwe artikel 2.9a regels omtrent de mogelijkheid tot inning van leges.

Onder 2

Per abuis was niet het volledige artikel 1.1, onderdeel J, onder 2, van de voorgestelde Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Kamerstukken I 2008/09, 31 953, A) overgenomen in het wetsvoorstel.

Onder 3

In dit onderdeel wordt zeker gesteld dat niet alleen regels kunnen worden gesteld omtrent het elektronisch verzenden maar ook over het elektronisch beschikbaar stellen van de mededeling, bedoeld in artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht. Het gaat daarbij om mededelingen die betrekking hebben op omgevingsvergunningen besluiten waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken (huidige projectbesluiten). Het is de bedoeling dat die mededeling in RO-online kenbaar is bij de bestemmingsplannen waarvan wordt afgeweken.

ONDERDEEL U

De aanwijzing van gebieden, bedoeld in het voorgestelde artikel 18, tweede lid, van de Wet bodembescherming kan een zeer gedetailleerde regeling betreffen van 3-dimensionaal aanwijzen van gebieden. Het gaat dan niet alleen om horizontale gebiedsaanwijzing maar ook om verticale gebiedsaanwijzing, dus van bepaalde bodemlagen, en dat dan ook nog voor gesloten en open systemen en voor kleine en grote systemen verschillend. Het is niet wenselijk dat alles in een door provinciale staten vast te stellen verordening te regelen. Daarom is het voorgestelde artikel 18, tweede lid, van de Wet bodembescherming aangepast zodat provinciale staten bij verordening de kaders kunnen stellen en het daadwerkelijk aanwijzen van gebieden kunnen overlaten aan gedeputeerde staten.

ONDERDEEL V

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL W

Dit betreft redactionele verbeteringen.

ONDERDEEL X

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL Y

Onder 1

Onderdelen aA en cA tot en met fA

Dit betreft wijzigingen als gevolg van de wijziging van artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening.

Onderdeel bA

De Wet ruimtelijke ordening kent de mogelijkheid om een ruimtelijk initiatief dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan, mogelijk te maken door middel van een projectbesluit. Aan dat besluit verbindt artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening twee voorwaarden:

in beginsel moet het bestemmingsplan binnen één jaar aan dat besluit worden aangepast (in enkele gevallen mag dat langer duren);

de leges, die de gemeente vraagt voor zo’n projectbesluit, mag pas worden geïnd nádat het bestemmingsplan is aangepast.

De kernreden voor de wetgever om hiervoor destijds te kiezen was dat het bestemmingsplan het centrale besluit moet zijn, waaruit burgers en overheden de rechten en verplichtingen kunnen halen. In de praktijk heeft de strakke koppeling in de tijd tussen projectbesluit en bestemmingsplan geleid tot grote terughoudendheid bij gemeenten om het projectbesluit te gebruiken, hetgeen belemmerd kan werken voor een snelle besluitvorming bij veel bouwprojecten.

Nadere analyse heeft aangegeven dat de koppeling van het projectbesluit en het bestemmingsplan ook op een andere manier kan worden bewerkstelligd.

De Wet ruimtelijke ordening bevat de verplichting om eenmaal per tien jaar het bestemmingsplan te herzien. Ten minste om de tien jaar worden daardoor automatisch alle projectbesluiten in het bestemmingsplan geïntegreerd. Vaak zal het echter een kortere termijn betreffen. Zo zal, als een projectbesluit wordt genomen drie jaar voordat het bestemmingsplan moet worden geactualiseerd, de opname van dat besluit in dat plan veel eerder plaats vinden. De Wet ruimtelijke ordening bevat voldoende waarborgen dat gemeenten die actualiseringsplicht zullen nakomen. Daarom is besloten de genoemde aan het projectbesluit gestelde beperkingen te laten vervallen.

Gedurende de voorbije jaren zijn vele miljoenen euro’s door Rijk, provincies en gemeenten geïnvesteerd in de digitalisering van bestemmingsplannen om raadpleegbaarheid daarvan te effectueren. Om te bewerkstelligen dat de betrouwbaarheid van de raadpleging van de gedigitaliseerde bestemmingsplannen even groot blijft, wordt de digitale raadpleegbaarheid van de planologische besluitvorming in stand gehouden. De materiële inhoud van het project-besluit zal daarom op zodanige wijze elektronisch beschikbaar moeten worden gesteld dat deze door een ieder kan worden geraadpleegd als hij het elektronisch bestemmingsplan raadpleegt. Om dat zeker te stellen wordt in het nieuwe artikel 3.13 geregeld dat leges, die verschuldigd zijn terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het projectbesluit, pas kunnen worden geïnd vanaf het tijdstip waarop dat besluit langs elektronische weg beschikbaar is gesteld. Deze bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.

Onder 2

Deze wijziging vloeit voort uit de wijziging van artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening.

Onder 3

onder a

Dit betreft een redactionele verbetering.

onder b

Met het nieuwe artikel 3.24, onderdeel B, onder 2, van het wetsvoorstel wordt voorzien in aanpassing van het voorgestelde artikel 3.35, zevende lid, van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.24, onderdeel B, onder 1, van het wetsvoorstel) aan de wijzigingen van de Wet milieubeheer die zijn opgenomen in het wetsvoorstel, houdende wijzigingen van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) (Kamerstukken I 2008/09, 31 755, A).

Onder 4

De voorgestelde onderdelen Da tot en met Dc betreffen de wijzigingen van Wro ter zake van de herziening van beheersverordening na een vastgesteld projectafwijkingsbesluit, zoals bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet. De voorgestelde wijzigingen bewerkstelligen materieel hetzelfde als hierboven in de toelichting op onderdeel bA, uiteen is gezet over de aanpassing van het bestemmingsplan na een vaststellen van projectbesluit.

Onder 2

onder a

Dit betreft een redactionele verbetering.

onder b

Met de toevoeging van onderdeel 3 aan artikel 3.24, onderdeel B, van het wetsvoorstel wordt voorzien in aanpassing van het voorgestelde artikel 3.35, zevende lid, van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.24, onderdeel B, onder 1, van het wetsvoorstel) aan de wijzigingen van de Wet milieubeheer die zijn opgenomen in het wetsvoorstel, houdende wijzigingen van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) (Kamerstukken I 2008/09, 31 755, A).

ONDERDEEL Z

Artikel 3.24a van het wetsvoorstel

Onderdelen A tot en met C

In het nieuwe artikel 3.24a wordt de Wet ruimtelijke ordening aangepast op het moment dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. Dan zullen de toestemmingen op grond van de Wet ruimtelijke ordening opgaan in de omgevingsvergunning. Dan zal ook het projectbesluit onderdeel worden van de omgevingsvergunning en als zodanig uit de Wet ruimtelijke ordening verdwijnen. Dit heeft tevens gevolgen voor de nieuwe regeling van de legessanctie in 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening. De legessanctie zal daarom eveneens worden overgeheveld naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit wordt geregeld in artikel 3.15 van het wetsvoorstel. Als gevolg van de integratie van het projectbesluit in de omgevingsvergunning en de overheveling van artikel 3.13 kan afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening vervallen. Dat geldt eveneens voor de artikelen 3.27 en 3.29 van die wet over het projectbesluit op provinciaal, respectievelijk rijksniveau. Alleen artikel 3.14 van de Wet ruimtelijke ordening keert terug als artikel 3.10 van die wet. In verband daarmee worden voorts de artikelen 3.26, tweede lid, en 3.28, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wetstechnisch aangepast.

Het bovenstaande geldt eveneens voor de projectafwijkingsbesluiten van een beheersverordening als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening. Ook die afwijkingsbesluiten gaan op in de omgevingsvergunning. Genoemde artikelen kunnen dan ook uit de Wet ruimtelijke ordening worden geschrapt.

Onderdeel D

Dit onderdeel is gelijk aan artikel 3.24, onderdeel B, onder 2, van het wetsvoorstel zoals dat luidde voor deze nota van wijziging. Om redactionele redenen is dit onderdeel opgenomen in artikel 3.24a van het wetsvoorstel.

ONDERDEEL AA

Artikel 3.26 vloeit voort uit het wijzigen van artikel 3.13 van de Wet ruimtelijke ordening (zie onderdeel Y van deze nota van wijziging).

Bij deze wijziging van artikel 9 van de Wet voorkeursrecht gemeenten is afgezien van vernummering in verband met de verwijzingen naar dat artikel in het in de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening geregelde overgangsrecht.

ONDERDEEL BB

Artikel 4.2 van de Crisis- en herstelwet

Artikel 3.21, onderdeel D, van het wetsvoorstel voorziet in wijziging van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer. Door die wijziging van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer vallen inrichtingen waar mijnbouwactiviteiten plaatsvinden niet meer onder bijlage 1, onderdeel a, bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, als de inrichting in hoofdzaak geen mijnbouwwerk is. Indien op een dergelijke inrichting ook geen ander onderdeel uit die bijlage van toepassing is en evenmin sprake is van een inrichting waartoe een gpbv-installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer behoort, zou voor deze inrichting niet langer een vergunningplicht op basis van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gelden. Dat is ongewenst, mede omdat dit zou betekenen dat de Minister van Economische Zaken voor deze inrichtingen niet bevoegd is om een verklaring van geen bedenkingen af te geven op grond van het voorgestelde artikel 8.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Door het opnemen van artikel 8.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer in bijlage 1, onderdeel a, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer blijven alle inrichtingen waar mijnbouwactiviteiten plaatsvinden vergunningplichtig op basis van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

ONDERDEEL CC

De reikwijdte van artikel 5.1 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet is gelijk aan die van artikel 1.2 van die wet. Artikel 1.2 is gewijzigd als gevolg van deze nota van wijziging en artikel 5.1 is daarmee in overeenstemming gebracht.

ONDERDEEL DD

Om een dubbele beroepsgang te vermijden is afzonderlijk beroep tegen een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.3, zevende lid, uitgesloten. Er kan immers al beroep worden ingesteld tegen het besluit van het bevoegd gezag waarop de verklaring van geen bedenkingen betrekking heeft. Aan dat besluit worden mede verbonden de voorschriften die het bevoegd gezag dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, noodzakelijk acht. Dat gebeurt door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de relevante onderdelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 2.3, tiende lid.

Ook tegen de aanwijzing van projecten, waarop hoofdstuk 2, afdeling 7, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet van toepassing is, kan geen beroep worden ingesteld.

ONDERDEEL EE

De overgangsbepaling van artikel 5.3 van het wetsvoorstel is uitgebreid. Ook de artikelen 1.4 van de voorgestelde Crisis- en herstelwet over het vervallen van het beroepsrecht voor decentrale overheden en 1.9 van die wet over het relativiteitsvereiste zullen niet van toepassing zijn op zaken die aanhangig zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorgestelde Crisis- en herstelwet. In het wetsvoorstel was hier reeds in voorzien voor de artikelen 1.6 tot en met 1.8.

ONDERDEEL FF

De artikelen 5.5a en 5.5b van de voorgestelde Crisis- en herstelwet bevatten overgangsrecht met betrekking tot de voorgestelde integratie van de natuurtoets in het tracébesluit en het wegaanpassingsbesluit. In het geval dat tracébesluiten en wegaanpassingsbesluiten die zijn vastgesteld voor het moment van inwerkingtreding van de voorgestelde Crisis- en herstelwet zal er voor zover van toepassing een natuurtoets plaatsvinden via het reguliere regime van de Natuurbeschermingswet 1998 (artikel 16 of artikel 19d en verder), zoals dat zal gelden op basis van de in de artikelen 3.8 en 4.1 van het wetsvoorstel voorziene wijzigingen van die wet en het daarop gebaseerde Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.

ONDERDEEL GG

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL HH

Onder 1 tot en met 3

Dit betreft redactionele verbeteringen.

Onder 4

Het voorgestelde onderdeel 4 betreft een samenloopbepaling die er voor zorgt dat de in onderdeel E, onder 1 en 3, van deze nota van wijziging voorgestelde wijzigingen van artikel 2.10 van het wetsvoorstel ook na de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht inhoudelijk gewaarborgd worden. Het vergunningenstelsel voor gebouwde rijksmonumenten (alle niet-archeologische rijksmonumenten) wordt dan niet langer in de Monumentenwet 1988 maar op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geregeld.

ONDERDEEL II

Hoofdstuk 2, afdeling 7, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet blijft na 1 januari 2014 van toepassing ten aanzien van op grond van die afdeling aangewezen projecten indien aan de op die projecten betrekking hebbende structuurvisies voor die datum verklaringen als bedoeld in het voorgestelde artikel 2.20, tweede lid, zijn gehecht.

ONDERDEEL JJ

Onder 1

De rechtsbeschermingsfase bij projecten als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 7, van de voorgestelde Crisis- en herstelwet kenmerkt zich door concentratie van de rechtsbescherming en een korte beslistermijn voor de bestuursrechter. Deze rechtsbeschermingsvoorzieningen volgen reeds uit de in hoofdstuk 1, afdeling 2, van het wetsvoorstel opgenomen bepalingen op het gebied van het bestuursprocesrecht. Om die reden worden de projecten waarop afdeling 7 van hoofdstuk 2 van toepassing is, toegevoegd aan bijlage I bij het wetsvoorstel.

Onder 2

Dit betreft een redactionele verbetering.

ONDERDEEL KK

Onder 1

Dit betreft een redactionele verbetering.

Onder 2

Dit project was per abuis niet opgenomen op bijlage II.

Bij het opstellen van deze nota van wijziging is overwogen om ten aanzien van het voorgestelde artikel 9b, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 te bepalen dat de toepassing van de rijkscoördinatieregeling van de Wet ruimtelijke ordening als voorzien in dat artikellid geen gevolgen heeft voor de bevoegdheidsverdeling voor vergunningen met betrekking tot kernenergie. Omdat de regering met de Raad van State in zijn voorlichting (bijgevoegd)1 van mening is dat een dergelijke bepaling niet nodig is – de toepassing van de rijkscoördinatieregeling als voorzien in het voorgestelde artikel 9b, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 heeft geen gevolgen voor de bevoegdheidsverdeling voor vergunningen op grond van de Kernenergiewet – is daarvan afgezien.

De minister-president, minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkende

BIJLAGE

Den Haag, 7 september 2009

De Minister-President

De Minister van Algemene Zaken, de heer mr. dr. J.P. Balkenende

Bij Uw bovenvermelde brief hebt U een verzoek gedaan overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State.

Thans heeft afdeling I de beraadslagingen afgesloten en haar reactie op Uw verzoek vastgesteld. Mede namens de voorzitter van de afdeling doe ik U hierbij deze reactie toekomen.

Tegen de openbaarmaking daarvan bestaat bij de Raad geen bezwaar.

H. D. Tjeenk Willink

Bijlage bij de brief van de Vice-President van de Raad van State van 7 September 2009.

Voorlichting overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State inzake een verduidelijking van artikel 9b, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998.

Bij brief van 10 juli 2009 hebben de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State aan afdeling I van de Raad van State gevraagd hun van voorlichting te dienen ter zake van een voorgenomen verduidelijking van artikel 9b, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998.

In het verzoek om voorlichting is gesteld dat naar aanleiding van het wetsvoorstel voor een Crisis- en herstelwet een verduidelijking van artikel 9b, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de Ew 1998) nader wordt bestudeerd. Deze verduidelijking lijkt noodzakelijk omdat in de huidige tekst gelezen zou kunnen worden dat, wanneer een bestaande conventionele centrale met een vermogen van minder dan 500 MW uitbreidt, deze niet onder de rijkscoördinatieregeling zou vallen. Zoals ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Ew 1998, de Mijnbouwwet en de Gaswet in verband met de toepassing van de rijkscoördinatieregeling1 is aangegeven, was het de bedoeling de rijks-coördinatieregeling van toepassing te doen zijn op conventionele elektriciteitsproductie-installaties die in het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening2 (hierna: het SEV) zijn opgenomen. Onder het SEV vallen ook elektriciteitscentrales die als gevolg van uitbreiding in capaciteit boven de 500 MW uitkomen. Door de algemene opzet van artikel 9b en de formulering van de aanhef van het eerste lid van dat artikel was onvoldoende scherp afgebakend dat dit inderdaad het geval was, aldus het verzoek om voorlichting.

Bij het verzoek om voorlichting is een ontwerpbepaling gevoegd die ertoe strekt de hiervoor bedoelde onduidelijkheid weg te nemen. De afdeling begrijpt het verzoek om voorlichting aldus dat de genoemde ministers wensen te vernemen of deze ontwerpbepaling aan haar doel zal beantwoorden.

De afdeling zal eerst ingaan op de bestaande regeling inzake de gecoördineerde besluitvorming inzake elektriciteitsproductie-installaties. Vervolgens bespreekt de afdeling de voorgestelde bepaling en de consequenties van de wijziging voor de bevoegdheidstoedeling. Tot slot gaat zij in op de inpassing van die bepaling in de Ew 1998 en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

1. Rijkscoördinatieregeling voor elektriciteitsproductie-installaties

a. Bestaand wettelijk kader

Artikel 9b Ew 1998 omvat de rijkscoördinatieregeling voor de aanleg of uitbreiding van energieproductie-installaties. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling vailen onder deze regeling:

a. installaties met een capaciteit van ten minste 100 MW voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie;

b. installaties met een capaciteit van ten minste 50 MW voor de opwekking van duurzame elektriciteit anders dan met behulp van windenergie;

c. installaties met een capaciteit van ten minste 500 MW voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit.

De onder c. bedoelde categorie installaties betreft niet alleen de zogeheten conventionele energiecentrales waarop het verzoek om voorlichting betrekking heeft, maar ook kernenergiecentrales.

Artikel 9b, tweede lid, bepaalt dat de producent een voornemen tot aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister van Economische Zaken meldt. Bij ministeriele regeling kan voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens een formulier worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 9b, derde lid, kan de Minister van Economische Zaken, indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een installatie als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, bepalen dat:

a. geen van de procedures, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29 en 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

b. uitsluitend de procedure, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29,

c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a, of

d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op de aanleg of de uitbreiding van die installatie. Hij hoort de producent en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

b. Behoefte aan verduidelijking

De afdeling is van oordeel dat uit de formulering van artikel 9b, eerste lid, Ew 1998 zou kunnen worden afgeleid dat de rijkscoördinatieregeling niet van toepassing is op de situatie waarin een bestaande conventionele centrale met een vermogen van minder dan 500 MW uitbreidt en door die uitbreiding een capaciteit van 500 MW of meer verkrijgt. Voorts blijkt, anders dan in het verzoek om voorlichting is vermeld, niet zonneklaar uit de memorie van toelichting op de Ew 19981 dat indertijd is beoogd de rijkscoördinatieregeling mede van toepassing te doen zijn op conventionele elektriciteitsproductie-installaties die in het SEV, derhalve met inbegrip van elektriciteitscentrales die als gevolg van uitbreiding in capaciteit boven de 500 MW uitkomen. Anderzijds zou met een beroep op het systeem van artikel 9b, eerste lid, Ew 1998, mede gelet op de aanhef van die bepaling, kunnen worden betoogd dat de in het verzoek om voorlichting bedoelde capaciteitsuitbreiding kunnen worden begrepen onder de aanleg en uitbreiding van energieproductie-installaties. Nu echter het tegendeel eveneens kan worden betoogd, heeft de afdeling er begrip voor dat de verzoekers om voorlichting een verduidelijking van de rijkscoördinatieregeling in overweging hebben genomen.

2. Wijziging van de Ew 1998

a. Voorgestelde bepaling

De ontwerptekst voor wijziging van artikel 9b Ew 1998, die deel uit maakt van het verzoek om voorlichting, voorziet onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid in de invoeging van een nieuw tweede lid, luidende:

2. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening is eveneens van toepassing op de uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, indien door die uitbreiding de capaciteit van die productie-installatie wordt vergroot tot tenminste 500 MW.

b. Verduidelijking

De voorgestelde bepaling brengt mee dat de rijkscoördinatieregeling van toepassing wordt op de situatie waarin een bestaande conventionele centrale met een vermogen van minder dan 500 MW uitbreidt en door die uitbreiding een capaciteit van 500 MW of meer verkrijgt. Gelet hierop, komt de bepaling tegemoet aan de hiervoor omschreven behoefte aan verduidelijking van artikel 9b Ew 1998.

c. Bevoegdheidstoedeling

De voorgestelde wijziging maakt tevens duidelijk dat voor de hier bedoelde vorm van uitbreiding van elektriciteitsproductie-installaties de Minister van Economische Zaken eerstverantwoordelijk is voor de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van op aanvraag en ambtshalve te nemen besluiten alsmede voor de voorbereiding, vaststelling en bekendmaking van besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening die de planologische grondslag vormen. Dit is in overeenstemming met de systematiek van de rijkscoördinatie voor de aanleg en uitbreiding van elektriciteitsproductie-installaties zoals neergelegd in artikel 9b Ew 1998 en het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energieinfrastructuurprojecten. Volgens die regels is de Minister van Economische Zaken reeds eerstverantwoordelijk voor de rijkscoördinatie van de besluitvorming inzake de aanleg van niet-duurzame elektriciteitsproductie-installaties met een capaciteit van meer dan 500 MW en de uitbreiding van niet-duurzame elektriciteitsproductie-installaties die al een capaciteit van meer dan 500 MW hebben.

De voorgestelde bepaling wijzigt niet de geldende bevoegdheidstoedeling wat de vergunningverlening voor de elektriciteitsproductie-installaties betreft. Zo geldt bijvoorbeeld voor de situatie waarin een kernenergiecentrale met een vermogen van minder dan 500 MW door een uitbreiding een capaciteit van 500 MW of meer verkrijgt, dat de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingevolge artikel 15a van de Kernenergiewet tezamen bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning tot wijziging van een kerncentrale in de zin van artikel 15 van die wet. De besluitvorming geschiedt in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat indien het vervoer van splijtstoffen of ertsen, of lozing in oppervlaktewater betreft, met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit indien het lozing in oppervlaktewater of lozing in lucht betreft, en met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport indien het medische stralingstoepassingen betreft.

3. Inpassing in de Ew 1998 en overgangsrecht

a. Systematiek artikel 9b Ew 1998

De voorgestelde bepaling verduidelijkt het eerste lid van artikel 9b Ew 1998 alleen ten aanzien van onderdeel c. Na inwerkingtreding van de wijziging biedt de systematiek van artikel 9b aanknopingspunten voor deinterpretatie dat op de uitbreiding van productie-installaties voor duurzame energie die onder de onderdelen a. en b. van artikel 9 vallen en die door die uitbreiding de in die onderdelen genoemde productiecapaciteiten overschrijden, de rijkscoördinatieregeling niet van toepassing is. Onduidelijk is of de consequenties van deze mogelijke interpretatie onder ogen zijn gezien en of zij gewenst worden geacht. De afdeling adviseert hieraan aandacht te besteden.

b. Wetstechnische inpassing

De voorgestelde wijziging voorziet reeds in vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid. De afdeling wijst erop dat daarnaast het nieuwe derde en vierde lid dienen te worden aangevuld met een verwijzing naar het nieuwe tweede lid.

Verder is afstemming nodig met artikel 3.2, onderdeel A, onder 2, van het wetsvoorstel voor de Crisis- en herstelwet, waarin een wijziging van het geldende derde lid is opgenomen.

Ten slotte dient in onderdeel J, onder 2, van de bijlage bij de Awb «9b, derde lid,» te worden vervangen door: 9b, vierde lid,.

c. Overgangsrecht

Het verzoek om voorlichting en de toelichting bij de voorgestelde bepaling gaan niet in op de gevolgen van de wetswijziging voor eventuele lopende aanvragen voor uitbreiding van energieproductie-installaties. Ook voorziet de voorgestelde bepaling niet in overgangsrecht. De afdeling adviseert te bezien of de wetswijzigingen gevolgen heeft voor eventuele lopende procedures en zo nodig overgangsrecht op te nemen.


XNoot
1

Zie bijlage.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2007/08, 31 326, nr. 3.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2007/08, 31 410, nr. 1.

XNoot
1

Zie voetnoot 1, pag 35.