Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032127 nr. 2

32 127
Regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten (Crisis- en herstelwet)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen voor een versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis alsmede met dat doel diverse wettelijke bepalingen te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PROJECTEN

AFDELING 1 TOEPASSINGSBEREIK VAN DIT HOOFDSTUK

Artikel 1.1

1. Afdeling 2 is van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

2. Afdeling 3 is van toepassing op de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Artikel 1.2

Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze wet, kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage II bij deze wet en kunnen wettelijke voorschriften worden toegevoegd aan bijlage III bij deze wet.

AFDELING 2 PROCEDURES

§ 2.1 Voorbereiding besluiten

Artikel 1.3

Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd.

§ 2.2 Beperking beroepsrecht

Artikel 1.4

In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

§ 2.3 Passeren gebreken

Artikel 1.5

1. Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.

§ 2.4 Beroep en hoger beroep

Artikel 1.6

1. De administratieve rechter behandelt het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

3. Indien de administratieve rechter het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de Stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.

4. De administratieve rechter doet uitspraak binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn.

Artikel 1.7

1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel artikel 36, zesde lid, of artikel 39, zesde lid, van de Wet op de Raad van State of artikel 19, zesde lid, of artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt toegepast.

2. In dat geval doet de administratieve rechter:

a. binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn een tussenuitspraak, en

b. binnen zes maanden na de verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.

Artikel 1.8

1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien de administratieve rechter met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap prejudiciële vragen stelt.

2. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn bij tussenuitspraak gesteld.

3. In de tussenuitspraak beslist de rechter zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.

4. Tegen een tussenuitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Artikel 1.9

De administratieve rechter laat toetsing van het bestreden besluit aan een geschreven of ongeschreven rechtsregel achterwege, indien de rechtsregel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich beroept op schending van die rechtsregel.

§ 2.5 Na vernietiging

Artikel 1.10

1. Indien een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit door de administratieve rechter een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een nieuw besluit wordt genomen ter uitvoering van een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht.

AFDELING 3 MILIEUEFFECTRAPPORT

Artikel 1.11

Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld, is:

a. artikel 7.10 van die wet voor zover dat regels stelt over alternatieven voor de voorgenomen activiteit, niet van toepassing;

b. artikel 7.26 van die wet niet van toepassing.

AFDELING 4 LEX SILENCIO POSITIVO

Artikel 1.12

1. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, genoemd in bijlage III bij deze wet, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2. Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een besluit omtrent verlening van een vergunning, is op de aanvraag ervan paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE VOORZIENINGEN

AFDELING 1 ONTWIKKELINGSGEBIEDEN

Artikel 2.1

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. milieugebruiksruimte: binnen een ontwikkelingsgebied aanwezige marge tussen de bestaande milieukwaliteit en de voor dat gebied geldende milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelastende activiteiten;

b. milieukwaliteitsnorm: bij wettelijk voorschrift gestelde norm ten aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu.

Artikel 2.2

1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan bij wijze van experiment een gebied voor de duur van ten hoogste tien jaar worden aangewezen als ontwikkelingsgebied, indien dat met het oog op het versterken van de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied bijzonder aangewezen is.

2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 2.3

1. Voor een ontwikkelingsgebied stelt de gemeenteraad een gebiedsontwikkelingsplan vast. Het plan is gericht op een optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het totstandbrengen van een goede milieukwaliteit.

2. Indien het bestemmingsplan of de beheersverordening, bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, niet in overeenstemming is met het plan, wordt in het plan voor de desbetreffende onderdelen aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het bestemmingsplan of de beheersverordening hiermee in overeenstemming wordt gebracht.

3. Een gebiedsontwikkelingsplan bevat:

a. de vanwege het optimaliseren van de milieugebruiksruimte door de gemeenteraad voorgenomen ruimtelijke plannen en projecten in het ontwikkelingsgebied;

b. de voorgenomen maatregelen en werken in het gebied ten behoeve van een goede milieukwaliteit;

c. de in het gebied noodzakelijke maatregelen en werken ter compensatie van het beslag op milieugebruiksruimte door de in het plan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen;

d. zo nodig een fasering en koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in de onderdelen a, b en c bedoelde plannen, projecten, maatregelen en werken;

e. een raming van de kosten van uitvoering van het plan, een beschrijving van de wijze waarop daarin zal worden voorzien, en een beschrijving van de wijze waarop het bereiken van de met het plan beoogde resultaten zal worden nagestreefd.

4. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

5. Tegen een gebiedsontwikkelingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien het plan gelijktijdig wordt vastgesteld met een bestemmingsplan, worden beide plannen voor de behandeling en uitspraak op het beroep aangemerkt als één besluit.

6. Indien voor de uitvoering van maatregelen als bedoeld in het derde lid, onderdelen b en c, enig besluit is vereist, kan het bevoegd gezag, met inachtneming van desbetreffende bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, dat besluit nemen, voor zover nodig in afwijking van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bepalingen bij of krachtens:

a. de Flora- en faunawet;

b. de Natuurbeschermingswet 1998;

c. de Ontgrondingenwet;

d. de Wet ammoniak en veehouderij

e. de Wet bodembescherming;

f. de Wet geluidhinder;

g. de Wet geurhinder en veehouderij;

h. de Wet inzake de luchtverontreiniging;

i. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2,

met dien verstande dat uiterlijk tien jaar na vaststelling van het plan alsnog wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. Indien er na deze periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm geeft het bevoegd gezag aan op welke wijze alsnog aan die norm zal worden voldaan.

7. De gemeente draagt zorg voor het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b en c, binnen een in het plan te noemen termijn.

8. Werken opgenomen in het gebiedsontwikkelingsplan worden aangemerkt als openbare werken van algemeen nut in de zin van de Belemmeringenwet Privaatrecht.

9. Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het achtste lid toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van die wet dat:

a. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

b. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, en

c. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de beroepstermijn is verstreken.

10. Voor zover een besluit als bedoeld in het zesde lid zijn grondslag vindt in een gebiedsontwikkelingsplan, kunnen de gronden in beroep daarop geen betrekking hebben.

AFDELING 2 INNOVATIE

Artikel 2.4

1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:

a. de Wet ammoniak en veehouderij;

b. de Wet bodembescherming;

c. de Wet geluidhinder;

d. de Wet geurhinder en veehouderij;

e. de Wet inzake de luchtverontreiniging;

f. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2;

g. de Wet ruimtelijke ordening, of

h. de Woningwet.

2. Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid.

3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:

a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan;

b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en

c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.

4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

AFDELING 3 RADARZONERING

Artikel 2.5

In deze afdeling wordt:

a. verstaan onder bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a of b, van die wet, een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van die wet, een inpassingplan als bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.28 van die wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet en een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van die wet, en

b. onder toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan de onderbouwing bij een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet.

Artikel 2.6

1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen in een radarverstoringsgebied voor een radarstation bevat geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de radar op het radarstation.

2. Bij besluit van Onze Minister van Defensie, genomen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden:

a. de begrenzingen van het radarverstoringsgebied voor een radarstation aangewezen;

b. de maximale hoogte van bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.

3. Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, waarbij wordt overwogen bestemmingen aan te wijzen of regels te geven omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden, wordt een beoordeling gemaakt van gevolgen van die bouwwerken voor het zenden of ontvangen van radiogolven door het radarstation. Onze Minister van Defensie kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gevolgen, bedoeld in het eerste lid, bij die beoordeling worden bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede betreffen de wijze van de totstandkoming van de beoordeling.

4. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat de uitkomsten van de beoordeling bedoeld in het derde lid, alsmede het oordeel van Onze Minister van Defensie over de toereikendheid van de beoordeling en over de aanvaardbaarheid van de in de beoordeling beschreven gevolgen.

5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening ter zake van het oprichten van bouwwerken die de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden.

6. Op een besluit als bedoeld in het tweede lid is het krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bepaalde omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van bestemmingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, zijn de krachtens artikel 4.3, eerste lid, in samenhang met artikel 4.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gestelde regels van overeenkomstige toepassing.

7. De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing op bouwwerken:

a. die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds in het radarverstoringsgebied, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, aanwezig waren;

b. waarvoor de bouwvergunning vóór dat tijdstip is verleend, of

c. waarvan de bouw in het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan is toegestaan.

AFDELING 4 ENERGIEBESPARINGSINVESTERINGEN IN HUURWONINGEN

Artikel 2.7

1. In afwijking van artikel 220, derde lid, eerste volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt een voorstel tot renovatie van tien of meer woningen die een bouwkundige eenheid vormen vermoed redelijk te zijn voor zover:

a. een energie-investeringsaftrek is toegekend op grond van de krachtens artikel 3.42, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vastgestelde ministeriële regeling;

b. de voorgestelde huurverhoging lager is dan de gemiddelde geraamde besparing op de energielasten, en

c. de werkzaamheden aan of in de individuele woning ten hoogste drie weken zullen duren.

2. In afwijking van artikel 220, derde lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek kan de huurder die niet met het voorstel instemt, binnen acht weken na de schriftelijke kennisgeving van de verhuurder een beslissing van de rechter vorderen omtrent de redelijkheid van het voorstel.

AFDELING 5 TIJDELIJKE VERHUUR TE KOOP STAANDE WONINGEN

Artikel 2.8

In afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Leegstandwet is artikel 247 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op vergunningen voor huur en verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Leegstandwet. Artikel 16, negende lid, van de Leegstandwet is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef, van die wet inzake zodanige woonruimte.

AFDELING 6 VERSNELDE UITVOERING VAN WONINGBOUWPROJECTEN

Artikel 2.9

1. Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van projecten ten behoeve van de bouw, in een aaneengesloten gebied, van ten minste 20 nieuwe woningen, en ten hoogste:

a. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2 000 nieuwe woningen, dan wel

b. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen.

2. Projecten als bedoeld in het eerste lid die in elkaars nabijheid liggen of zullen zijn gelegen, vallen uitsluitend onder het toepassingsbereik van deze afdeling, indien de aantallen woningen in die projecten gezamenlijk onder het toepasselijke maximum aantal woningen als bedoeld in het eerste lid blijven.

3. Deze afdeling is niet van toepassing indien voor de uitvoering van een project als bedoeld in het eerste lid een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist.

Artikel 2.10

1. Op verzoek of ambtshalve kan de gemeenteraad ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van toepassing is.

2. Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet.

3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften.

4. Uit het projectuitvoeringsbesluit en de daarbij behorende toelichting blijkt welke gevolgen aan de uitvoering zijn verbonden en op welke wijze rekening is gehouden met de daarbij betrokken belangen, waaronder in elk geval de belangen ter bescherming waarvan de wettelijke voorschriften strekken die ingevolge het het tweede lid niet van toepassing zijn en, voor zover van toepassing, hoofdstuk V, paragraaf 1, van de Monumentenwet 1988.

5. Bij een projectuitvoeringsbesluit worden de bij of krachtens wet of verordening vastgestelde toetsingskaders toegepast en normen in acht genomen. Voor zover de wet of verordening afwijking van die toetsingskaders of normen toestaat, kan het projectuitvoeringsbesluit daarin voorzien.

6. Aan het projectuitvoeringsbesluit kunnen ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

Artikel 2.11

Op de voorbereiding van de beslissing tot vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

Artikel 2.12

Voor zover het projectuitvoeringsbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het projectuitvoeringsbesluit als projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2.13

1. Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2. In afwijking van artikel 1.6, vierde lid, beslist de Afdeling bestuursrechtspraak binnen vier maanden na afloop van de beroepstermijn.

3. De artikelen 1.7 en 1.8 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in die artikelen genoemde termijnen worden bepaald op vier maanden.

Artikel 2.14

Een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Indien gedurende die termijn beroep wordt ingesteld, wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep heeft beslist.

Artikel 2.15

Van de Wet ruimtelijke ordening zijn van overeenkomstige toepassing:

a. afdeling 6.1;

b. afdeling 6.4, met dien verstande dat voor aanvang van de bouw van bouwplannen als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van die wet een melding aan burgemeester en wethouders wordt gedaan en dat burgemeester en wethouders een beschikking met de inhoud van artikel 6.17 van die wet geven bij de start van de bouw, gericht aan een eigenaar van gronden waarop gebouwd wordt.

Artikel 2.16

Het is verboden in strijd te handelen met een projectuitvoeringsbesluit of een daaraan verbonden voorschrift.

Artikel 2.17

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

2. De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

HOOFDSTUK 3 WIJZIGING VAN DIVERSE WETTEN

Artikel 3.1

In onderdeel J, onder 2, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt «9b, derde lid» vervangen door «9b, vierde lid» en wordt na «9d, tweede en derde lid,» ingevoegd: 9e, vierde lid, 9f, zesde lid,.

Artikel 3.2

De Elektriciteitswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 9b wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op de aanleg en uitbreiding van:.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening is eveneens van toepassing op de uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, indien door die uitbreiding de capaciteit van die productie-installatie wordt vergroot tot ten minste 500 MW.

3. In het derde lid (nieuw), aanhef, wordt «eerste lid» vervangen door: eerste of tweede lid.

4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

4. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een installatie als bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste of tweede lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van die installatie. Onze Minister hoort de producent en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

B

In de artikelen 9d, eerste, tweede en derde lid, en 20c, eerste, tweede en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.

C

Na artikel 9d worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9e

1. Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 10 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. De gemeenteraad is voor de duur van tien jaren na de vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een bestemmingsplan vast te stellen.

2. Provinciale staten geven in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld. Voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens kunnen provinciale staten een formulier vaststellen.

3. Artikel 3.26, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.

4. Ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 3.3, in samenhang met § 3.4.1 en § 3.4.2, of in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, dan wel in Hoofdstuk IV, afdeling 1, van de Woningwet, met uitzondering van artikel 57 van die wet, treden gedeputeerde staten in de plaats van burgemeester en wethouders. Artikel 3.26, vierde lid, tweede tot en met vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

5. Onze Minister kan op verzoek van provinciale staten bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in dat lid, indien:

a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, of

b. provinciale staten anders dan ter uitvoering van het eerste lid reeds voldoende bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het Rijk met betrekking tot de opwekking op land van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie.

Artikel 9f

1. Gedeputeerde staten coördineren de voorbereiding en bekendmaking van de besluiten, aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid.

2. Gedeputeerde staten nemen de in het eerste lid bedoelde besluiten met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, tenzij dit een bestuursorgaan van het Rijk is.

3. Gedeputeerde staten geven ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, gezamenlijk toepassing aan artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voegen de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, samen in een kennisgeving die door hen wordt gedaan.

4. Voor zover de aanleg of de uitbreiding, bedoeld in het eerste lid, onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die – al dan niet krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een gemeente of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen of uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

5. Artikel 3.33, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing.

6. Onze Minister kan op verzoek van gedeputeerde staten bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien:

a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, of

b. gedeputeerde staten anders dan ter uitvoering van het eerste lid reeds voldoende bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het Rijk met betrekking tot de opwekking op land van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie.

Artikel 9g

De aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut. Artikel 3.36a, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing.

D

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komt artikel 9e, vierde lid, als volgt te luiden:

4. Gedeputeerde staten oefenen de bevoegdheden en voeren de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht uit en beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g, van die wet. Gedeputeerde staten zenden terstond een afschrift aan burgemeester en wethouders van beschikkingen die zijn gegeven met toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de eerste volzin.

E

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (31 953) tot wet is of wordt verheven en artikel 9.13, onderdeel R, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 9f, vijfde lid, «vierde tot en met zevende lid» vervangen door: vierde tot en met zesde lid.

F

Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De procedure bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op een uitbreiding van het landelijke hoogspanningsnet, voor zover het betreft de van dat net deel uitmakende netten bestemd voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden bedreven, en de van dat net deel uitmakende landsgrensoverschrijdende netten op een spanningsniveau van 500 V of hoger, met inbegrip van de aansluitingen op die netten.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een net als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van dat net benodigde besluiten, redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de uitbreiding van dat net. Onze Minister hoort de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 3.3

De Gaswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 39b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:

a. een uitbreiding van het landelijk gastransportnet, voor zover het betreft de van dat net deel uitmakende leidingen met een druk van ten minste 40 bar en een diameter van ten minste 45,7 centimeter, met inbegrip van de aansluitingen op die leidingen;

b. de aanleg of uitbreiding van een landsgrensoverschrijdend gastransportnet als bedoeld in artikel 18h, met inbegrip van de aansluitingen op zo’n net;

c. de aanleg of uitbreiding van een LNG-installatie met een capaciteit van ten minste 4 miljard m3, met inbegrip van de aansluiting van de installatie op een net.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een net of een deel daarvan of een installatie als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van dat net of die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of uitbreiding van dat net of die installatie. Onze Minister hoort de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

B

In artikel 39d, eerste en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.4

De Interimwet stad-en-milieubenadering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen b en c worden geletterd c en d.

b. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of krachtens artikel 5.2b of titel 5.2 van de Wet milieubeheer;.

2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door: , en.

b. Onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel b door een punt vervalt onderdeel c.

B

In artikel 10, tweede lid, aanhef wordt «12, derde lid, onderdelen a tot en met d, 13, eerste en tweede lid, 14, 15 en 17, eerste tot en met derde lid,» vervangen door: 14 en 15.

C

Artikel 12, tweede en derde lid, wordt vervangen door een lid, luidende:

2. Op de voorbereiding, het nemen en de terinzagelegging van het besluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of 9, zijn artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en de krachtens die wet gestelde voorschriften omtrent totstandkoming en inhoud van het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

a. burgemeester en wethouders gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de gemeente als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;

b. gedeputeerde staten gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de provincie als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;

c. het bevoegd gezag bij de voorbereiding van zijn advies de bestuursorganen betrekt die ingevolge wettelijk voorschrift zijn aangewezen om hem terzake van advies te dienen;

d. naar voren gebrachte zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, zo spoedig mogelijk doch in elk geval daags na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden gestuurd.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. Een besluit als bedoeld in artikel 9 behoeft de goedkeuring van Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2. Het derde tot en met zesde lid worden vervangen door een lid, luidende:

3. Op een besluit van provinciale staten tot wijziging of intrekking van een besluit als bedoeld in artikel 9 zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

E

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «12, 13» vervangen door: 12, eerste en tweede lid, onderdelen a, c en d.

2. In het tweede lid wordt «12, 13» vervangen door: 12, eerste en tweede lid, onderdelen a, c en d.

F

Paragraaf 6 vervalt.

G

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

H

Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:

Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 3.5

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) (31 953) tot wet is of wordt verheven:

1. vervallen de artikelen 1.1, onderdeel J, en 9.10, onderdeel KKK, van die wet,

2. wordt artikel 6.2, onderdeel D, van die wet, als volgt gewijzigd:

a. in artikel 46b, derde lid, tweede volzin, wordt «tweede en derde lid» vervangen door: tweede lid,

b. in artikel 47b, derde lid, wordt na «19g» ingevoegd «, 19ia en 19ib,» en wordt na «en 19k, eerste en derde lid» ingevoegd: en het bepaalde krachtens artikel 19kb, en

3. wordt artikel 9.13, van die wet als volgt gewijzigd:

a. onderdeel S wordt als volgt gewijzigd:

1°. in onderdeel 1, wordt «het eerste lid, onderdeel b» vervangen door: het eerste lid, onderdeel c,

2°. de onderdelen 3, 4 en 5 vervallen, en

b. onderdeel U vervalt.

Artikel 3.6

Aan artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.7

De Mijnbouwwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 141a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:

a. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder een gebied dat is aangewezen op grond van de artikelen 10 of 10a van de Natuurbeschermingswet 1998;

b. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opslag van stoffen;

c. pijpleidingen die uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd voor het vervoer van delfstoffen respectievelijk het vervoer van stoffen in verband met het opsporen of winnen van delfstoffen respectievelijk het opslaan van stoffen met behulp van een mijnbouwwerk als bedoeld in onderdeel a respectievelijk onderdeel b.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een mijnbouwwerk of een pijpleiding als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:

a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,

b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,

c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of

d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding. Onze Minister hoort de mijnbouwondernemer en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.

B

In artikel 141c, eerste, tweede en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.8

De Natuurbeschermingswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt.

2. In het vijfde lid wordt «beheersplan» vervangen door: beheerplan.

B

Artikel 19a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

b. De tweede volzin komt te luiden: Het beheerplan beschrijft welke bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën projecten en andere handelingen van nationaal belang in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen.

c. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het beheerplan kan zulks ook doen ten aanzien van andere handelingen en ontwikkelingen in en buiten het gebied.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

9. Gedeputeerde staten kunnen in het beheerplan beschrijvingen als bedoeld in het eerste lid opnemen die betrekking hebben op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

10. Projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, worden alleen in een beheerplan opgenomen indien gedeputeerde staten alvorens het beheerplan wordt vastgesteld een passende beoordeling hebben gemaakt van de gevolgen van die projecten voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, en is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

C

In artikel 19b, vierde lid, wordt «tweede» vervangen door «eerste lid, tweede en derde volzin, tweede» en wordt «en zevende lid» vervangen door: , zevende, negende en tiende lid.

D

Artikel 19c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «In de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden draagt Onze Minister» vervangen door: Het bevoegd gezag draagt.

2. In het tweede lid wordt «Onze Minister» telkens vervangen door «het bevoegd gezag» en vervalt: in de periode totdat het eerste beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden,.

3. In het derde lid wordt «Onze Minister» vervangen door: Het bevoegd gezag.

4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

5. Onder «bevoegd gezag» als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt verstaan:

a. Onze Minister, indien:

1°. voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen onherroepelijk geworden beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b is vastgesteld, of

2°. het gebruik een krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen project of andere handeling is, of het gebruik plaatsvindt in of gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die krachtens dat lid zijn aangewezen;

b. gedeputeerde staten, in andere gevallen dan die, bedoeld in onderdeel a.

6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op bestaand gebruik dat overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b wordt uitgeoefend.

E

Artikel 19d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

2. In het derde lid vervalt: gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid.

F

In de artikelen 19e, onderdeel a, en 19f, eerste lid, wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

G

Na artikel 19i worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 19ia

1. Bij besluiten over het toepassen van artikel 19c en het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag niet de gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied in de volgende gevallen:

a. de handeling is gebruik dat op de referentiedatum, bedoeld in het zesde lid, werd verricht en is sedertdien niet of niet in betekenende mate gewijzigd, en heeft sedertdien per saldo geen toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied veroorzaakt;

b. de handeling is een activiteit die na de referentiedatum is begonnen, of een gebruik dat na de referentiedatum in betekenende mate is gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor die activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als gevolg van die activiteit of dat gebruik per saldo niet is toegenomen of zal toenemen.

2. Met betrekking tot de bepaling van de door handelingen en maatregelen als bedoeld in het eerste lid veroorzaakte of te veroorzaken stikstofdepositie kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld. Daarbij kan onder meer worden geregeld dat hiervoor bij of krachtens andere wetten bijgehouden of aan een bevoegd gezag overgelegde gegevens kunnen worden gebruikt.

3. Het bevoegd gezag kan, om verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten te voorkomen, of met het oog op de verwezenlijking van de in het beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied beschreven resultaten, bedoeld in artikel 19a, derde lid, onderdeel a, aan degene wiens handelen stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstofgevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten de verplichting opleggen om binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn:

a. de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen, met inachtneming van door het bevoegd gezag gegeven instructies;

b. de handeling te staken of te beperken, of

c. informatie over de handeling te verstrekken.

4. Het bevoegd gezag stelt belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in het derde lid, tenzij de verslechtering het opleggen van een verplichting terstond noodzakelijk maakt.

5. Het is verboden in strijd te handelen met een verplichting als bedoeld in het derde lid.

6. Onder «referentiedatum» als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan:

a. 7 december 2004, of

b. de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG dan wel, ingeval dit eerder is, de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG, voor zover die aanwijzing, onderscheidenlijk verklaring plaatsvindt na 7 december 2004.

7. Onder «bevoegd gezag» als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt verstaan:

a. Onze Minister, indien de handeling een krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen project of andere handeling is, of de handeling plaatsvindt in of gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die krachtens dat lid zijn aangewezen;

b. gedeputeerde staten, in andere gevallen dan die, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 19ib

1. Ingeval de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied mede betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, is artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Natura 2000-gebied anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, of voor dieren en planten in dat gebied, of die het gebied ontsieren, met dien verstande dat:

a. in het vierde lid in plaats van «het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10» wordt gelezen: het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 10a;

b. in het vijfde lid in plaats van «een beheerplan als bedoeld in artikel 17» wordt gelezen: de beschrijvingen in het desbetreffende beheerplan, bedoeld in artikel 19a, negende lid;

c. de krachtens het zesde lid aangewezen handelingen de krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen handelingen zijn.

2. Ingeval het eerste lid van toepassing is, geldt een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, tevens als een aanvraag van een vergunning als bedoeld in het artikel 16, eerste lid, in samenhang met het eerste lid.

3. Ingeval een handeling als bedoeld in het eerste lid bestaand gebruik is waarop artikel 19d, derde lid, van toepassing is, is in plaats van het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, artikel 19c van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de maatregelen, bedoeld in artikel 19c, eerste en tweede lid, tot doel hebben te voorkomen dat bestaand gebruik mogelijk nadelige gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied, gelet op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

H

Artikel 19j wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

b. In onderdeel b wordt na «beheerplan» ingevoegd: voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

2. In het tweede lid wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.

I

Na artikel 19ka worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 19kb

1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of projecten, andere handelingen of plannen een verslechterend of significant verstorend effect kunnen hebben als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of artikel 19j, eerste lid, alsmede over de wijze waarop wordt bepaald of projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, of artikel 19j, tweede lid.

2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee effecten of gevolgen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden bepaald.

Artikel 19kc

1. Bij ministeriële regeling kan aan degenen die bepaalde handelingen met, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, mogelijk nadelige gevolgen voor een bij die regeling aangewezen Natura 2000-gebied of onderdeel daarvan, verrichten, laten verrichten, of daartoe het voornemen hebben, een verplichting worden opgelegd tot het melden van die handeling.

2. In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt geregeld aan welk bestuursorgaan de melding wordt gericht, en kunnen verder regels worden gesteld over onder meer:

a. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;

b. de gegevens die bij de melding worden verstrekt;

c. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelingen waarop artikel 19d, eerste of tweede lid, van toepassing is, en op handelingen met betrekking tot wegen, vaarwegen, spoorwegen, waterkeringen, havens, luchthavens en luchtvaart, inclusief het gebruik daarvan.

4. Het is verboden in strijd te handelen met een verplichting als het bedoeld in het eerste lid.

J

Aan artikel 39 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 19a heeft uitsluitend betrekking op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen.

K

In artikel 45, eerste lid, wordt «16 en 19d» telkens vervangen door: 6, 19d, en 19ib in samenhang met 16,» en wordt na «19a» ingevoegd: een passende maatregel als bedoeld in de artikelen 19c, eerste lid, en 19ib in samenhang met 19c, een oplegging van een verplichting of het geven van instructies als bedoeld in artikel 19ia, derde lid.

L

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «16 en 19d» vervangen door «16, 19d, en 19ib in samenhang met 16» en wordt «artikel 19c» vervangen door: de artikelen 19c, 19ia en 19ib in samenhang met 19c.

2. In het vierde lid wordt «16 en 19d» vervangen door «16, 19d, en 19ib in samenhang met 16» en wordt na «verlenen» ingevoegd: , en waarvoor zij ingevolge de artikelen 19c, 19ia en 19ib in samenhang met 19c, bevoegd zijn verplichtingen op te leggen en instructies te geven.

Artikel 3.9

De onteigeningswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 23 worden de onderdelen 2° en 3° vervangen door een onderdeel, luidende:

2°. een door de burgemeester van de gemeente, waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen, afgegeven bewijs dat de uitgewerkte plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen binnen de betrokken gemeente ter inzage gelegen hebben.

B

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

De rechtbank wijst aan de onteigenende partij haar eis niet toe indien:

a. het in artikel 23, onder 1°, bedoelde exemplaar van de Staatscourant niet is overgelegd;

b. de in artikel 23, onder 2°, bedoelde terinzagelegging niet heeft plaatsgevonden.

C

In artikel 42a, vijfde lid, vervalt: dan wel de terinzagelegging, bedoeld in artikel 91,.

D

Artikel 54a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 80, eerste lid, dan wel artikel 87, tweede lid» vervangen door: dan wel artikel 78, tweede lid.

2. Het tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. het bewijs, bedoeld in artikel 23, onder 2°;

E

Artikel 54g wordt als volgt gewijzigd:

1. «80, derde lid, en 87, achtste lid» wordt vervangen door: 78, achtste lid, en 79.

2. «86, derde lid, dan wel 87, zevende lid» wordt vervangen door: dan wel 78, zevende lid.

F

In artikel 54h wordt «nederlegging ter secretarie» vervangen door: terinzagelegging.

G

Artikel 61 komt te luiden:

Artikel 61

1. Indien tengevolge van oorzaken die de onteigenende partij in staat was uit de weg te ruimen, met het werk waartoe werd onteigend niet binnen drie jaar nadat het vonnis van onteigening kracht van gewijsde heeft gekregen, een aanvang is gemaakt, of de arbeid meer dan drie jaren mocht zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te tonen dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebracht, biedt de onteigenende partij aan de onteigende partij de mogelijkheid om het onteigende teruggeleverd te krijgen in de toestand waarin het zich alsdan bevindt, onder gehoudenheid om in evenredigheid tot de terugontvangen waarde de schadeloosstelling terug te geven.

2. Indien de onteigende te kennen geeft geen gebruik te maken van de ingevolge het eerste lid aangeboden mogelijkheid, kan hij een vordering indienen tot uitkering van een door de rechter naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds ontvangen schadeloosstelling.

3. Indien de onteigenende partij niet binnen drie maanden na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn een aanbod tot teruglevering heeft gedaan, kan de onteigende partij, naar haar keuze, hetzij bij de rechter het afgestane terugvorderen in de toestand waarin het zich alsdan bevindt, onder gehoudenheid om in evenredigheid tot de terugontvangen waarde de schadeloosstelling terug te geven, hetzij een vordering indienen tot uitkering van een door de rechter naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds ontvangen schadeloosstelling.

4. Onder werk waartoe werd onteigend als bedoeld in het eerste lid worden mede verstaan: niet ingrijpende aanpassingen of aanpassingen van geringe omvang van het werk ten behoeve waarvan onteigend wordt dan wel aanpassingen van het werk die passen binnen het kader ter uitvoering waarvan tot onteigening wordt overgegaan.

H

Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Onder de onteigening van onroerende zaken of rechten ten behoeve van waterkeringen, bedoeld in het eerste lid, wordt mede begrepen de onteigening voor de aanleg en verbetering van de in dat lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van:

a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening;

c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.

I

In artikel 63, tweede lid, wordt «ter secretarie van» vervangen door: binnen.

J

In artikel 64a, derde lid, wordt «op de secretarie van» vervangen door: binnen.

K

Artikel 64b, eerste lid, komt te luiden:

1. De artikelen 2, 3, 4, 17 tot en met 20, en 22 tot en met 61 zijn van toepassing.

L

1. Artikel 72a wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Onder de onteigening, bedoeld in het eerste lid, wordt mede begrepen de onteigening voor de aanleg en verbetering van de in dat lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van:

a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening;

c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.

b. In het vierde lid (nieuw), onder 5°, wordt «op de secretarieën der» vervangen door: binnen de.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komt artikel 72a, tweede lid, onderdeel b, te luiden:

b. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of het inpassingsplan wordt afgeweken.

M

Titel IV komt te luiden:

TITEL IV. ONTEIGENING IN HET BELANG VAN DE RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, VAN DE VOLKSHUISVESTING, VAN DE OPENBARE ORDE EN VAN DE HANDHAVING VAN DE OPIUMWET

Artikel 77

1. Onteigening, bedoeld in deze titel kan plaatsvinden:

1°. ten behoeve van de uitvoering van of ter handhaving van de feitelijke toestand overeenkomstig een bestemmingsplan of een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening;

2°. ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan, dan wel een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, of een plan van werkzaamheden voor het opheffen van ernstig achterstallig onderhoud in het belang van de volkshuisvesting, mits een hierop betrekking hebbend besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of 13 van de Woningwet onherroepelijk is geworden;

3°. ten behoeve van de uitvoering van een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening;

4°. ten behoeve van de ontruiming van oppervlakten in het belang van de volkshuisvesting;

5°. ten behoeve van de verwijdering van een of meer ontruimde, onbewoonbaar verklaarde woningen of van een of meer niet meer in gebruik zijnde andere gebouwen, indien deze woningen of gebouwen dermate in verval zijn geraakt of verminkt, dat zij de omgeving in ernstige mate ontsieren;

6°. ten behoeve van de uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 3.30, 3.33 of 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening, alsmede met voorzieningen die met de uitvoering van zodanig besluit rechtstreeks verband houden;

7°. van een gebouw als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet ten behoeve van de handhaving van de openbare orde rond dat gebouw of van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in zodanig gebouw, indien de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op een duurzaam herstel van de openbare orde rond dat gebouw welke is verstoord door gedragingen in het gebouw, onderscheidenlijk het duurzaam achterwege blijven van een overtreding van artikel 2 of 3 van de Opiumwet in dat gebouw;

8°. van een gebouw, een open erf of een terrein als bedoeld in artikel 97 van de Woningwet ten behoeve van het opheffen van een overtreding als bedoeld in dat artikel, indien de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een zodanige overtreding.

2. In dit artikel wordt verstaan onder:

1°. bouwplan: een project tot het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen alsmede het vergroten van een of meer bouwwerken;

2°. plan van werken, geen bouwwerken zijnde: een project tot het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen alsmede het vergroten van een of meer werken, geen bouwwerken zijnde;

3°. plan van werkzaamheden: een project tot het verrichten van een of meer werkzaamheden.

3. Een bouwplan kan mede een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, of een plan van werkzaamheden omvatten. Een plan van werken, geen bouwwerken zijnde, kan mede een plan van werkzaamheden omvatten.

4. In de in het eerste lid genoemde gevallen geschiedt de onteigening overeenkomstig de volgende artikelen.

Artikel 78

1. Onteigening ten name van ten name van een publiekrechtelijk lichaam of van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, toegelaten ingevolge artikel 70 of 70j van de Woningwet, heeft op verzoek van het algemeen bestuur van dat lichaam, Onze Minister wie het aangaat of die rechtspersoon, plaats uit kracht van een koninklijk besluit. Alvorens omtrent het verzoek tot onteigening wordt beslist, wordt de Raad van State gehoord. Bij de indiening van het verzoek legt de verzoeker de stukken en gegevens, bedoeld in artikel 79, over aan Onze Minister wie het aangaat.

2. Op de voorbereiding van het besluit tot onteigening is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde kennisgeving wordt gedaan door de burgemeester van de gemeente waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen. Terinzagelegging geschiedt tevens binnen de gemeente waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen. In ieder geval worden ter inzage gelegd de in artikel 79 bedoelde stukken en gegevens.

3. Mondelinge zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht bij Onze Minister wie het aangaat.

4. Alvorens op het verzoek tot onteigening wordt beslist, stelt Onze Minister wie het aangaat degenen die tijdig ingevolge artikel 3:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht een zienswijze naar voren hebben gebracht, in de gelegenheid gehoord te worden. Zo nodig kan Onze Minister ook andere belanghebbenden daartoe in de gelegenheid stellen.

5. Bij een koninklijk besluit tot onteigening worden de te onteigenen onroerende zaken en rechten aangewezen door aanhaling van de in artikel 79 bedoelde grondtekeningen en vermelding van:

1°. de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken met vermelding van de grootte volgens de basisregistratie kadaster van elk van de desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte;

2°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, de kadastrale aanduiding van de onroerende zaken waarop de te onteigenen rechten rusten;

3°. de namen volgens de basisregistratie kadaster van de eigenaren van de te onteigenen onroerende zaken en, bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de rechthebbenden op de te onteigenen rechten.

6. Het koninklijk besluit wordt genomen binnen zes maanden na afloop van de termijn gedurende welke het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken ingevolge artikel 3:11, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage heeft gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt aan de verzoeker en aan de in het vijfde lid, onder 3°, bedoelde eigenaren en andere rechthebbenden.

7. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Terinzagelegging ingevolge artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht vindt tevens plaats binnen de gemeente, bedoeld in het tweede lid. De burgemeester geeft tevens kennis van de zakelijke inhoud van het besluit in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen die in de gemeente verspreid worden, onder vermelding van datum en nummer van het koninklijk besluit en van de Staatscourant waarin het besluit is geplaatst. Een en ander geschiedt op kosten van hen ten name van wie het werk wordt uitgevoerd.

8. Het koninklijk besluit tot onteigening vervalt, indien de onteigenende partij niet binnen twee jaar na dagtekening van het koninklijk besluit de eigendom bij minnelijke overeenkomst heeft verkregen overeenkomstig artikel 17, of de in het onteigeningsbesluit aangewezen eigenaren voor de rechtbank in het arrondissement waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen, heeft doen dagvaarden overeenkomstig artikel 18.

Artikel 79

Het besluit tot indiening van een verzoek tot onteigening vervalt indien het niet uiterlijk drie maanden na het nemen van dat besluit aan Ons is voorgedragen, vergezeld van:

1°. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en met grondtekeningen waarop de te onteigenen onroerende zaken, en bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, de onroerende zaken waarop de te onteigenen rechten rusten, met vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;

2°. een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid met hun kadastrale aanduiding met vermelding van:

a. de grootte volgens de basisregistratie kadaster van elk van de desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte;

b. de namen van de eigenaren van deze zaken, volgens de basisregistratie kadaster;

c. de kadastrale uittreksels ten tijde van het verzoek;

3°. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de basisregistratie kadaster;

4°. een zakelijke beschrijving ter onderbouwing van het verzoek;

5°. een overzicht van het gevoerde minnelijk overleg met bewijsstukken;

6°. een lijst van de belanghebbenden;

7°. de kaart of de kaarten behorend bij het bestemmingsplan, het inpassingsplan, of de wijziging of uitwerking daarvan, dan wel van het projectbesluit ter uitvoering waarvan onteigend wordt, met daarop geprojecteerd de grondplantekening;

8°. andere documenten waaruit kan blijken welke wijze van uitvoering de verzoeker voor ogen staat.

Artikel 80

De artikelen 2, 3, 4, 17 tot en met 20, 22 tot en met 61, en 64b, tweede en derde lid, zijn op onteigeningen als bedoeld in deze titel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. wanneer de onteigening geschiedt ten name van een publiekrechtelijk lichaam of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 78, eerste lid, dat lichaam of die rechtspersoon als eisende partij optreedt;

b. het verzoek, bedoeld in artikel 54a, kan worden gedaan, zodra de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaats gehad en bij het verzoekschrift, in plaats van de in artikel 54a, tweede lid, onder a tot en met d, genoemde stukken en gegevens een afschrift van het koninklijk besluit moet worden overgelegd.

Artikel 81

1. Indien het te onteigenen gebouw onbewoonbaar is verklaard, wordt de waarde vergoed van de grond en van de bouwmaterialen, ingeval het gebouw voor geen enkel doeleinde kan worden gebruikt. Indien het gebouw voor een ander doeleinde dan bewoning kan worden gebruikt, wordt de waarde vergoed van de grond en van de bouwmaterialen, vermeerderd met zodanig bedrag als billijk kan worden geacht in verband met het voordeel dat de eigenaar uit dat andere gebruik zou kunnen trekken.

2. Indien slechts een gedeelte van het te onteigenen gebouw onbewoonbaar is verklaard, wordt daarmee rekening gehouden bij de bepaling van de waarde van het geheel. Daarbij wordt gelet op de geschiktheid of ongeschiktheid van het onbewoonbaar verklaarde deel voor andere doeleinden dan bewoning.

Artikel 82

1. Indien aan een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet, strekkende tot het treffen van bepaalde voorzieningen aan een gebouw of een daartoe strekkend besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom wegens niet-naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b of 13 van de Woningwet geen gevolg wordt gegeven, wordt vergoed de waarde die het gebouw zou hebben in het geval zodanige voorzieningen waren getroffen, met aftrek van de kosten van het treffen van die voorzieningen.

2. Indien het gebouw door een groter aantal personen wordt bewoond dan volgens plaatselijke verordening geoorloofd is, wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde geen rekening gehouden met de vermeerdering van huurprijs die uit die overschrijding voortvloeit.

N

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in artikel 79, onderdeel 7°, «het projectbesluit» vervangen door: de omgevingsvergunning.

O

Artikel 85 vervalt.

Artikel 3.10

De Spoedwet wegverbreding wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7, vierde lid, vervalt.

B

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende:

Indien krachtens het vierde lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid wordt het wegaanpassingsbesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

2. Na het derde lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

4. De artikelen 19d en 19kc van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft.

Indien die handelingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in die wet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, zijn de artikelen 19ia en 19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, van die wet, en het krachtens artikel 19kb, eerste lid, van die wet bepaalde, van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een wegaanpassingsbesluit.

5. Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft. Indien die handelingen plaatsvinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, of daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de besluitvorming over stelt het wegaanpassingsbesluit het belang van bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.

6. Artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op de vaststelling van het wegaanpassingsbesluit indien de handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft, zijn opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 19a of 19b van die wet en die handelingen overeenkomstig dat plan worden uitgevoerd.

C

Artikel 11, zevende lid, komt te luiden:

7. Indien ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.

D

Artikel 16, tweede tot en met vierde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

Artikel 3.11

De Telecommunicatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5.14 komt te luiden:

Artikel 5.14

1. Indien een gemeente openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten aanbiedt, of een belang of zeggenschap heeft in een onderneming die dit doet, zijn de personen die besluiten voorbereiden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder b, daarbij niet betrokken.

2. Het voornemen om direct of indirect betrokken te zijn bij het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten wordt bekend gemaakt. Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Bij de bekendmaking van het voornemen wordt de redengeving ervan vermeld. Tevens wordt bekendgemaakt waar en wanneer nadere informatie over het voornemen van de te nemen beslissing kan worden verkregen.

3. Bij de toepassing van artikel 5.4, tweede lid, bevoordelen burgemeester en wethouders geen ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken aanbieden waarin de gemeente direct of indirect bij betrokken is.

4. Een gemeente die direct of indirect betrokken is bij het aanbieden van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bevordert open en non-discriminatoire toegang tot dit netwerk.

B

Artikel 20.12 vervalt.

Artikel 3.12

De Tracéwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 12, derde lid, derde volzin, vervalt.

B

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden na de eerste volzin twee volzinnen ingevoegd, luidende:

Indien krachtens het tiende lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan het elfde lid wordt het tracébesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken

2. Aan het zevende lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Indien ter uitvoering van het tracébesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.

3. Na het negende lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

10. De artikelen 19d en 19kc van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft. Indien die handelingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in die wet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, zijn de artikelen 19ia en 19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, van die wet en het krachtens artikel 19kb, eerste lid, van die wet bepaalde, van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een tracébesluit.

11. Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft. Indien die handelingen in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet plaatsvinden, of daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de besluitvorming over het tracébesluit het belang van bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.

12. Artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op de vaststelling van het tracébesluit indien de handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft, zijn opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 19a of 19b van die wet en die handelingen overeenkomstig dat plan worden uitgevoerd.

C

De artikelen 20b en 20c vervallen.

Artikel 3.13

In artikel 13, eerste lid, van de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken wordt «bedoeld in artikel 80 van de onteigeningswet alsmede de terinzagelegging van het besluit van de gemeenteraad bedoeld in artikel 85, mede in verband met artikel 84 van de onteigeningswet» vervangen door: ingevolge artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet.

Artikel 3.14

Artikel 5.14, eerste lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid, van de Waterwet vervalt.

Artikel 3.15

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b, aanhef, wordt «het» vervangen door: het bevoegd gezag.

b. Onderdeel c, onderdelen 3° en 4°, komt te luiden:

3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

4°. onderdeel 2°, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, is niet van toepassing, indien blijkens de aanvraag de geluidsbelasting van het gehele industrieterrein niet toeneemt;.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

3. Aan het vierde lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.

4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.

B

Na artikel 3.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.3a

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, kan het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aanhouden, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, behorende tot een krachtens artikel 1 van de Wet geluidhinder aangewezen categorie, die is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in dat artikel, maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een voorbereidingsbesluit in werking is getreden.

2. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen.

Artikel 3.16

Artikel 2, derde lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken komt te luiden:

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van waterstaatswerken door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in het kader van de aanleg, wijziging, verbetering of het beheer van die waterstaatswerken of de regeling van het verkeer over die waterstaatswerken.

Artikel 3.17

De Wet bodembescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt »het uitvoeren van werken» vervangen door: het uitvoeren of gebruik maken van werken.

2. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. werken ten behoeve van een bodemenergiesysteem.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Ten aanzien van werken als bedoeld in het tweede lid, onder h, kunnen de in het eerste lid bedoelde regels ook worden gesteld in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

B

Artikel 15, eerste lid, onderdeel d, wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:

d. een verbod een zodanige werkzaamheid te verrichten zonder dat daarvan een melding is gedaan op een bij of krachtens die maatregel aan te geven wijze aan een daarbij aan te geven bestuursorgaan onder vermelding van bij of krachtens die maatregel aan te geven gegevens;

e. de verplichting te voldoen aan een bevel van een bij de maatregel aangewezen bestuursorgaan om het gebruik van een bodemenergiesysteem binnen een bij dat besluit aangegeven termijn te staken of te beperken in het belang van het doelmatig gebruik van bodemenergie.

C

In artikel 17 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, derde lid, en het invloedsgebied van een dergelijk systeem buiten het perceel waar het is geïnstalleerd.

D

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd:

2. Bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens de artikelen 6 tot en met 12, kan worden bepaald dat bij die maatregel gestelde regels slechts gelden in gebieden die daartoe bij provinciale verordening zijn aangewezen.

E

Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het vijfde lid wordt ingevoegd: , tenzij bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 anders is bepaald.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Indien de ontheffing betrekking heeft op een bodemenergiesysteem, is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het derde lid wordt ingevoegd: , tenzij bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 anders is bepaald.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Indien de ontheffing betrekking heeft op een bodemenergiesysteem, is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.18

De Wet geluidhinder wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de begripsbepaling voor «industrieterrein» te luiden:

industrieterrein: terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken;.

B

Aan artikel 41 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Onverminderd het eerste lid kan de gemeenteraad bij besluit de begrenzing van een industrieterrein, waarop de vastgestelde zone is gebaseerd, vastleggen.

C

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het tweede lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

3. In het derde lid wordt «vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

D

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het tweede lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

3. In het derde lid wordt «vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

E

Na artikel 66 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 67

1. Indien de geluidbelasting buiten een bestaande zone vanwege een industrieterrein de waarde van 50 dB(A) overschrijdt of op een of meer plaatsen binnen de zone of op de zonegrens de geluidsbelasting hoger is dan de ten hoogste toegestane geluidsbelasting, stellen burgemeester en wethouders voor het betreffende industrieterrein een geluidreductieplan vast.

2. Een geluidreductieplan bevat ten minste een beschrijving van:

a. het te voeren beleid om de geluidbelasting binnen en buiten de bestaande zone te beperken;

b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen om de geluidbelasting binnen die periode voor het hele industrieterrein te verminderen tot beneden de bedoelde grenswaarden.

3. Artikel 123 is van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het tweede en derde lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

G

Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vaststelling van een bestemmingsplan» vervangen door: de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In het derde lid wordt «vaststelling van het bestemmingsplan» vervangen door: vaststelling van het bestemmingsplan of van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

Artikel 3.19

De Wet luchtvaart wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 8.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenindelingsbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenindelingsbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

B

Aan artikel 8.17 wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. Bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenverkeersbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenverkeersbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

C

Aan artikel 8.44 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

D

Aan artikel 8.70 worden twee leden toegevoegd, luidende:

5. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

6. Ten aanzien van de burgerluchthaven Twente wordt het luchthavenbesluit of een wijziging daarvan, in afwijking van het eerste lid, vastgesteld bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 8.71 is van overeenkomstige toepassing.

E

Na artikel 8a.50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a.50a

1. Indien ten aanzien van de burgerluchthaven Twente een vrijstelling, als bedoeld in artikel 8a.50, tweede lid, van het verbod in artikel 8.1a, derde lid, wordt verleend, is op de voorbereiding van die vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2. Tegen een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

F

Aan artikel 10.17 wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

7. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het luchthavenbesluit ouder zijn dan twee jaar, het luchthavenbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

G

In artikel 12.1 wordt «artikel 8.70, eerste lid» vervangen door: artikel 8.70, eerste en zesde lid.

Artikel 3.20

De wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (Stb. 561) wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel XVIA wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit of een wijziging daarvan wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-besluit, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit of een wijziging daarvan ouder zijn dan twee jaar, het besluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

B

Aan artikel XVII wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Bij de vaststelling van een beslissing op bezwaar kan, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

a. de gegevens met betrekking tot het verkeer over wegen en daarop gebaseerde onderzoeken,

b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en daarop gebaseerde onderzoeken, en

c. de inventarisatie van en de gevolgen voor de aanwezige flora en fauna en daarop gebaseerde onderzoeken,

die ten grondslag hebben gelegen aan een ontwerp-aanwijzingsbesluit of wijziging daarvan of een eerdere beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien de rapporten, waarin de gegevens, onderzoeken, inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van de beslissing op bezwaar ouder zijn dan twee jaar, het besluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

Artikel 3.21

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt voor «vervangen» ingevoegd: wijzigen of.

2. In onderdeel b wordt de zinsnede die begint met «indien bij de betreffende melding» op een nieuwe regel geplaatst.

B

1. Na artikel 5.12a wordt een artikel ingevoegd:

Artikel 5.12b

1. Indien krachtens enig wettelijk voorschrift een besluit is vereist voor de door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het hoofdwegennet, en anders dan met toepassing van artikel 3a, derde lid, van de Spoedwet wegverbreding, of artikel 15a, derde lid, van de Tracéwet, uit te voeren maatregelen als bedoeld in artikel 5.12, negende lid, zijn deze wettelijke voorschriften op die uitvoering niet van toepassing.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vereist zijn van een besluit voortvloeit uit Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke verplichtingen.

3. Voor zover het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde maatregelen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of de beheerverordening, geldt het op die maatregelen betrekking hebbende onderdeel van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, als een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet.

4. In de gevallen waarin het derde lid van toepassing is, leggen in afwijking van de artikelen 3.29, tweede lid, en 3.42, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, burgemeester en wethouders binnen een jaar na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet een overeenkomstig de in het derde lid bedoelde onderdelen van het programma door de gemeenteraad vast te stellen ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt artikel 5.12b van de Wm als volgt gewijzigd:

a. het derde lid, als volgt gewijzigd:

1°. In de eerste volzin wordt «projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet» vervangen door: omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

2°. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Bij de toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden onder bestemmingsplan of beheersverordening mede de betrokken onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, begrepen.

b. In het vierde lid wordt «de artikelen 3.29, tweede lid, en 3.42, tweede lid,» vervangen door: artikel 3.29.

C

1. Aan artikel 5.16, tweede lid, worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma twee onderdelen toegevoegd:

f. artikel 2 van de Interimwet stad-en-milieubenadering;

g. artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet.

2. Met ingang van 1 januari 2014 vervalt artikel 5.16, tweede lid, onderdelen f en g, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel e van dat artikel, door een punt.

D

In artikel 8.2, derde lid, wordt na «een inrichting die» ingevoegd: in hoofdzaak.

E

Na artikel 8.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.2a

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een inrichting die tevens een mijnbouwwerk is, maar geen aanvraag is als bedoeld in artikel 8.2, derde lid, wordt de vergunning niet verleend dan nadat Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen, voor zover het de mijnbouwactiviteiten betreft, geen bedenkingen heeft.

2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.

3. De artikelen 2.27, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 2.29, eerste lid, 2.31, eerste lid, onderdeel a, 2.33, eerste lid, onderdeel c, 3.11 en 5.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor«omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer» en voor «verklaring» telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in artikel 8.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

F

Artikel 8.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde tot zesde lid, wordt een tweetal leden ingevoegd, luidende:

4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag voor een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht.

5. Het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, en het vierde lid zijn niet van toepassing, indien blijkens de aanvraag de geluidsbelasting van het gehele industrieterrein wordt verlaagd.

2. Aan het zesde lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Indien toepassing wordt gegeven aan het vierde of vijfde lid, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.

G

Artikel 11.2, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel g wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door «, of» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. werkzaamheden met betrekking tot een bodemenergiesysteem.

H

Na artikel 13.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 13.7a

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, behorende tot een krachtens artikel 1 van de Wet geluidhinder aangewezen categorie, die is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in dat artikel, kan het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aanhouden, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een voorbereidingsbesluit in werking is getreden.

2. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen.

I

1. Artikel 20.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen b tot en met j worden geletterd c tot en met k.

2°. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. houdende een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 8.2a;.

b. In het derde lid wordt «een beschikking als bedoeld in dat lid, onder a, c, d of f,» vervangen door: een beschikking als bedoeld in dat lid onder a, b, d, e of g.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt artikel 20.2 als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid:

1°. vervallen de onderdelen b tot en met e en h tot en met k, en

2°. worden de onderdelen f en g en l en m geletterd b tot en met e.

b. In het derde lid wordt «onder a, b, d, e of g» vervangen door: onder a of c.

Artikel 3.22

Artikel 1a, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de zinsnede met betrekking tot de Boswet wordt een zinsnede ingevoegd, luidende:

de Crisis- en herstelwet, artikel 2.16;

2. In de zinsnede met betrekking tot de Natuurbeschermingswet 1998 wordt «19d, eerste lid» vervangen door: 19d, eerste lid, 19ia, vijfde lid, 19ib, eerste lid, in samenhang met 16, 19ib, derde lid, in samenhang met 19c, vierde lid, en 19kc, eerste lid.

Artikel 3.23

Artikel 7k van de Wet op de waterkering vervalt.

Artikel 3.24

De Wet ruimtelijke ordening wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3.28, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Het horen van de gemeenteraad en provinciale staten kan worden gecombineerd met het overleg, bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

B

1. Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen a en b worden geletterd b en c.

2°. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

a. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen, wordt vastgesteld;.

3°. In onderdeel c (nieuw) wordt «als bedoeld onder a» vervangen door: als bedoeld onder b.

b. In het tweede lid wordt «strekkende tot vaststelling van een inpassingsplan» vervangen door: strekkende tot toepassing van dat lid, onder a of c,.

c. In het derde lid wordt «strekkende tot gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten» vervangen door: strekkende tot toepassing van dat lid, onder b of c,.

d. In het vierde lid wordt «onder a of b» vervangen door: onder b of c.

e. In het vijfde lid wordt «onder a» vervangen door: onder b.

f. Onder vernummering van het zevende tot en met negende lid tot achtste tot en met tiende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

7. Indien het inpassingsplan, bedoeld in artikel 3.28 is aangewezen als plan bij de voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 of 7.2a van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en één van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, is aangewezen als besluit bij de voorbereiding waarvan krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vangen de termijnen voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van en voor het indienen van zienswijzen en het uitbrengen van advies over laatstgenoemd milieueffectrapport, zo nodig in afwijking van de artikelen 7.18, eerste lid, 7.20, derde lid, en 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet eerder aan dan nadat het milieueffectrapport dat betrekking heeft op het plan gereed is. Van een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit wordt in een geval als bedoeld in de vorige volzin, zo nodig in afwijking van de artikelen 7.29, 7.30, eerste lid, en 13.2 van de Wet milieubeheer, niet eerder openbaar kennisgeving gedaan dan nadat van het milieueffectrapport dat betrekking heeft op het plan openbaar kennis is gegeven.

g. Aan het achtste lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Voor zover een aanlegvergunning is vereist, geldt die eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van een inpassingplan, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, onder c, in het gebied dat in dat plan is begrepen.

h. In het negende lid (nieuw) vervalt: onder a of b,.

2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt artikel 3.35 als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt «, een daaraan voorafgaand projectbesluit daaronder begrepen,» en wordt na «wordt vastgesteld» ingevoegd: of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het inpassingsplan wordt afgeweken,.

b. Het vijfde lid vervalt.

c. Het zesde tot en met tiende lid worden vernummerd tot vijfde tot en met negende lid.

d. In het zevende lid (nieuw) wordt in de eerste volzin «Artikel 3.30, vierde lid,» vervangen door «Artikel 3.30, derde lid» en komt de tweede volzin te luiden:

Voor zover een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, geldt die eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van een inpassingsplan of een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder c, in het gebied dat in dat plan is begrepen.

C

In de artikelen 3.36, eerste lid en 3.36a, tweede en derde lid, wordt «artikel 3.35, eerste lid, onder a» vervangen door: artikel 3.35, eerste lid, onder b.

D

Artikel 3.36b vervalt.

E

Artikel 8.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

e. besluiten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a of b, 3.33, eerste lid, onder a of b, of 3.35, eerste lid;.

2. In het vierde lid wordt na «betreft» ingevoegd: ter uitvoering waarvan een verzoek tot onteigening is gedaan als bedoeld in artikel 78 van de onteigeningswet, dan wel een bestemmingsplan.

F

Artikel 8.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «3.35, eerste lid, onder a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onder b.

2. In onderdeel b wordt «3.35, eerste lid, onder b» vervangen door: 3.35, eerste lid, onder c.

Artikel 3.25

In artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de Wet stedelijke vernieuwing wordt na «Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur» ingevoegd: of, indien spoed vereist is, bij ministeriële regeling.

HOOFSTUK 4 WIJZIGING VAN LAGERE REGELGEVING

Artikel 4.1

Artikel 2, onderdeel p, van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 komt te luiden:

p. activiteiten ten aanzien van hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet die in beheer zijn bij het Rijk, het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.7 van de Waterwet, militaire luchthavens, de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart en zeehavens.

HOOFDSTUK 5 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1 ALGEMEEN

Artikel 5.1

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen regels worden gegeven gericht op:

a. een versnelling van de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, en

b. een goede uitvoering van deze wet.

2. Het bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalde is slechts van toepassing op de projecten en categorieën van projecten, genoemd in de bijlagen I en II bij deze wet, dan wel de projecten waar deze wet bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.2 op van toepassing is verklaard.

Artikel 5.2

Tegen toevoeging als bedoeld in artikel 1.2 van categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage I, van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage II of van wettelijke voorschriften aan bijlage III bij deze wet alsmede tegen de aanwijzing van een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 staat geen beroep open.

AFDELING 2 OVERGANGSRECHT

Artikel 5.3

De artikelen 1.6 tot en met 1.8 zijn niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 5.4

1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op een onteigeningsbesluit, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip.

2. Een koninklijk besluit tot goedkeuring van een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 79 van de onteigeningswet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een onteigeningsbesluit als bedoeld in artikel 78 van de onteigeningswet.

Artikel 5.5

De Interimwet stad-en-milieubenadering, zoals die laatstelijk luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op een voor die datum ingesteld beroep tegen een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van die wet.

AFDELING 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.6

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) (31 755) tot wet is of wordt verheven en:

a. artikel I, onderdeel KK, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 1.11, onderdeel a, «7.10» vervangen door: 7.23, en

b. artikel I, onderdeel NN, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 1.11, onderdeel b, «7.26» vervangen door: 7.32, vijfde lid.

Artikel 5.7

Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

1. wordt artikel 2.3, zesde lid, als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen d tot en met i worden geletterd e tot en met j.

b. Na onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het betreft een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;.

2. wordt artikel 2.5 als volgt gewijzigd:

a. in onderdeel a vervalt «een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van die wet,» en vervalt «een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet alsmede» en wordt na «artikel 10.3 van die wet» ingevoegd: alsmede een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken;

b. in onderdeel b wordt «een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet» vervangen door: een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken;

3. wordt in artikel 2.6, vijfde lid, «een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening» vervangen door: een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, 2°, of het tweede lid van dat artikel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

4. wordt in artikel 2.12 «projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening» vervangen door: omgevingsvergunning waarbij, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

Artikel 5.8

Afdeling 3 van hoofdstuk 2 vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van de krachtens artikel 4.3, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening gegeven bepalingen met betrekking tot radarstations als bedoeld in die afdeling.

Artikel 5.9

De ministeriële regelingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet berusten op artikel 20, eerste lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, berusten na dat tijdstip op artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing.

Artikel 5.10

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, met uitzondering van de artikelen 3.6 en 3.25, en vervalt met ingang van 1 januari 2014. De artikelen 3.6 en 3.25 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2008, respectievelijk tot en met 15 juni 2009.

2. Indien het eerste besluit ter uitvoering van een project waarop deze wet van toepassing was, is genomen voor 1 januari 2014 blijft deze wet na 31 december 2013 van toepassing op latere besluiten of handelingen ter uitvoering van datzelfde project.

3. Deze wet blijft na 31 december 2013 van toepassing op:

a. ontwikkelingsgebieden ten aanzien waarvan voor 1 januari 2014 een gebiedsontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2.3 is vastgesteld;

b. experimenten als bedoeld in artikel 2.4 die voor 1 januari 2014 zijn aangewezen overeenkomstig dat artikel, en

c. de uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, indien ten aanzien van dat project voor 1 januari 2014 een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, is genomen.

Artikel 5.11

Deze wet wordt aangehaald als: Crisis- en herstelwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

De Minister van Justitie,

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Bijlage bij artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet

BIJLAGE I CATEGORIEËN RUIMTELIJKE EN INFRASTRUCTURELE PROJECTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1.1, EERSTE LID

1. duurzame energie

1.1. aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998

1.2. ontwikkeling en verwezenlijking van bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel artikel 8, tweede lid, onder h, van de Wet bodembescherming

1.3. aanleg, wijziging of uitbreiding van installaties voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 in de glastuinbouw, en van energienetwerken bestemd voor levering van restenergie aan op het netwerk aangesloten glastuinbouwondernemingen, dan wel levering van restwarmte van die ondernemingen aan anderen

1.4. aanleg, wijziging of uitbreiding bij agrarische bedrijven van installaties voor co-vergisting van de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren en een of meer stoffen, genoemd in bijlage Aa, onder IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

1.5. ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het leveren van duurzame energie

2. gebiedsontwikkeling en werken van provinciaal of nationaal belang

2.1. ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening

2.2. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens

3. gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang

3.1. ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden

3.2. projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid

3.3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in deze bijlage bedoelde projecten ten aanzien van waterstaatswerken, spoorwegen, vaarwegen, wegen of luchthavens

4. greenports

4.1. project «Innovacomplex» en «Villa Flora» voor de Floriade 2012 in greenport Klavertje 4 te Venlo (uitvoering deel 4 Nota Ruimte)

5. hoofdwegen

5.1. aanleg of wijziging van hoofdwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet

5.2. wegaanpassingsprojecten als bedoeld in artikel 2 van de Spoedwet wegverbreding

5.3. uitvoering van onderhoud, herstel of verbetering van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken

6. luchthavens

6.1. ontwikkeling en verwezenlijking van luchthavens waarvoor krachtens de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit is vereist dan wel krachtens de Luchtvaartwet een aanwijzingsbesluit is vereist

7. natuur, water en waterstaatswerken

7.1. projecten ter uitvoering van de Nadere uitwerking rivierengebied (NURG)

7.2. werken als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de waterkering, of artikel 2.7, eerste lid, van de Waterwet (inclusief zandsuppleties)

7.3. aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de waterkering of artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet

7.4. projecten of andere handelingen waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998, handelingen waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998, handelingen waarop artikel 19ia of artikel 19ib van de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing is

8. spoorwegen

8.1. aanleg of wijziging van landelijke spoorwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet

9. vaarwegen en havens

9.1. aanleg of wijziging van hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet

Bijlage bij artikel 1.1, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet

BIJLAGE II RUIMTELIJKE EN INFRASTRUCTURELE PROJECTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID

A. NOTA RUIMTE

nrOmschrijving projectOmschrijving ligging of locatieVindplaats in MIRT projec- tenboek 2009Vindplaats in Nota Ruimte Uitvoeringsbudget 2007–2014Aard van het project
1Amsterdam Noordelijke IJoeversTegenover Amsterdam CS aan de noordkant van het IJP 149P 16 en 17Integrale gebiedsontwikkeling; focus op herstructurering bedrijventerrein
2Den Bosch SpoorzoneGelegen rondom stationP 221P 64 en 65Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering
3Apeldoorn KanaalzoneCentraal gelegen zone in de stadP 284P 62 en 63Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering
4Den Haag Internationale Stad (onderdeel Scheveningen Boulevard) Bij Boulevard van ScheveningenP 145P 26 en 27Integrale gebiedsontwikkeling + kustversterking
5Greenports (6 tuinbouwlocaties in Zuid-Holland en Deurne) Prov Zuid-Holland: Boomwatering ; 4B-water Waalblok; Overbuurtsepolder; Bollenstreek; Boskoop; Prov Limburg: DeurneBoskoop: P 190 Duin- en Bollen- streek: P 191 Westland – Oostland: P 192P 68 en 69 voor Boskoop, Duinen Bollen- streek, West- land – OostlandIntegrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw
6Greenport Aalsmeer/PrimaVieraBij AalsmeerP189 P 68 en 69Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw
7Klavertje 4 VenloBij VenloP 257P 46 en 47 (en 68, 69)Integrale gebiedsontwikkeling, focus op glastuinbouw
8Nijmegen WaalfrontCentrum Nijmegen aan de zuidkant van de WaalP 264P 54 en 55Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering
9Eindhoven A2 zuidelijke aansluiting (zie ook Eindhoven brainport)Rondom A2 bij EindhovenP 256P 44 en 45 (als A2/Brainport Eindhoven)Integrale gebiedsontwikkeling; aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen
10Nieuwe Hollandse WaterlinieRijnauwen – Vechten, Linieland, Lingekwartier – DiefdijkP 188P 40 en 41Integrale gebiedsontwikkeling; restauratie forten, natuurontwikkeling, verbetering infrastructuur, bouw van woningen
11WaterdunenIn de buurt van BreskensP 220P 52 en 53Integrale gebiedsontwikkeling; focus op natuurontwikkeling en recreatie, kustversterking
12Maastricht BelvedereGrenzend aan het centrum van MaastrichtP 214P 66 en 67Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering bedrijventerrein tot woon- en werkgebied
13Nieuw Reijerwaard/ Westelijke Dordtse OeverIndustriegebied tussen Ridderkerk en DordrechtP 187P 32 en 33 (als Hoeksche Waard of alternatieve locatie)Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering bedrijventerrein
14ZuidplaspolderDriehoek tussen Rotterdam Zoetermeer en GoudaP 140P 30 en 31Integrale gebiedsontwikkeling voor de functies wonen, werken, glas, groen, water en recreatie
15Groningen Centrale ZoneCentrum van GroningenP 290P 58 en 9Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering
16Oude RijnzoneStrook tussen Leiden en BodegravenP 138P 36 en 37Integrale gebiedsontwikkeling; focus op herstructurering bedrijventerrein
17Westelijke VeenweidenGroene Hart en Laag HollandP 148 P 193, als Westelijke Veenweiden fase 1P 38 en 39Integrale gebiedsontwikkeling; herstructurering van kwetsbare delen van de veenweidegebieden
18Hengelo Hart van ZuidRondom centraal station TwenteP 260P 60 en 61Integrale gebiedsontwikkeling; binnenstedelijke herstructurering
19IJsseldeltaBij KampenP 260P 50 en 51Integrale gebiedsontwikkeling; «blauwe bypass» met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en recreatie
20IJsselsprongBij ZutphenP 261P 50 en 51Integrale gebiedsontwikkeling met focus op woningbouw, bereikbaarheid en groene buffer
21Mooi en Vitaal DelflandGebied tussen den Haag, Rotterdam en ZoetermeerP 147P 28 en 29Integrale gebiedsontwikkeling met focus op herstructurering glas en groen
22Almere WeerwaterzoneGelegen naast het centrum van AlmereP 139 (als Schaalsprong Almere)P 18 en 19 (als Schaalsprong Almere)Verdiepte aanleg A6 om barrièrewerking te voorkomen ter voorkomen en integrale gebiedsontwikkeling te faciliteren
23Rotterdam StadshavensAan noord- en zuidzijde van de MaasP 139P 24 en 25Integrale gebiedsontwikkeling met focus op herstructurering van verouderde bedrijventerreinen
24Brainport EindhovenAanliggend aan de A2 ten westen van EindhovenP 218P 44 en 45 (als A2/Brainport Eindhoven)Integrale gebiedsontwikkeling; aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen
25Den Haag Internationale Stad (onderdeel Worldforum) Bij StatenkwartierP 145P 26 en 27Vestigingsplaats voor internationale bedrijven + bereikbaarheid

B BODEMBESCHERMING EN BODEMENERGIE

nr. Aanduiding projectOmschrijving ligging of locatieAard van het project
1Havengebied RotterdamDe haven van RotterdamPilotproject voor gebiedsgerichte aanpak van grootschalige grondwaterverontreiniging
2Utrecht biowasmachineUtrechts Stationsgebied e.o. Pilotproject, met combinatie van winning van bodemenergie en aanpak bodemverontreiniging

C WATERSTAATSWERKEN

nr. Omschrijving waterstaatswerkAard van het project
1Kustlijn en kustfundament NoordzeeZandsuppleties en werken ter voorkoming of tegengaan van een landwaartse verplaatsing van de kustlijn

D LUCHTHAVENS

nr. Omschrijving luchthavenOmschrijving project
1Luchthaven TwenteOntwikkeling burgerluchthaven
2Luchthaven LelystadVaststellen gebruiksmogelijkheden
3Luchthaven EindhovenVaststellen gebruiksmogelijkheden

E WEGENPROJECTEN

nr. WegnummerOmschrijving trajectAard van het project
1A1/A27Utrecht–Knooppunt Eemnes–Amersfoort (Draaischijf Nederland)Wijziging
2A1/A6/A9Schiphol–Amsterdam–AlmereWijziging
3A12Ede–GrijsoordVerbreding
4A2Passage MaastrichtAanleg/wijziging
5A4Delft–SchiedamAanleg
6A74Venlo–Duitse grensAanleg
7N61Hoek–SchoondijkeAanleg/wijziging

F BRUGGEN

nr. Omschrijving brugAard van het project
1Boogbrug BeekA2 knooppunt Kerensheide–afslag Maastricht AirportRenovatie
2Brienenoordbrug (westelijke boog)A16 Ridderkerk–TerbregsepleinRenovatie
3Brug bij EwijkA50 knooppunt Valburg–knooppunt EwijkRenovatie
4CalandbrugN15 bij RozenburgRenovatie
5GalecopperbrugA12 Oude Rijn–LunettenRenovatie
6GideonsbrugA7 Groningen–HoogezandRenovatie
7KetelbrugA6 Emmeloord–LelystadRenovatie
8KreekrakbrugA58 knooppunt Markiezaat–afslag RillandRenovatie
9KruiswaterbrugA7 Sneek–afslag BolswardRenovatie
10MuiderbrugA1 knooppunt Muiderberg–knooppunt DiemenRenovatie
11ScharbergbrugA76 Stein–Belgische grensRenovatie
12ScharsterrijnbrugA6 Lemmer–JoureRenovatie
13SuurhoffbrugN15 Emmeloord–OostvoorneRenovatie
14WantijbrugN3 Papendrecht–DordrechtRenovatie

G SPOORWEGEN

nr. Omschrijving spoorweg of emplacementOmschrijving traject of locatieAard van het project
1Emplacement Amersfoort westzijdeVrije kruising spoorlijnen Amersfoort–Utrecht en Amersfoort–Amsterdamongelijkvloerse kruising (tunnelbak)
2Vrije kruising bij Transformatorweg, AmsterdamVrije kruising spoorlijnen Amsterdam Centraal–Zaanlijn–Schiphollijn–Westelijk havengebied Amsterdamongelijkvloerse kruising (spoorviaduct)
3Zuidtak OV SAAL Riekerpolder–DuivendrechtKnooppunt Riekerpolder–knooppunt Duivendrecht (Zuidtak), incl. aansluitingenwijziging naar 4 en 6 sporen (incl. ongelijkvloerse dubbele vorkaansluitingen)

H VAARWEGEN, SLUIZEN, HAVENS

nr. Omschrijving vaarwegOmschrijving traject of locatieAard van het project
1LekkanaalLekkanaal bij de Prinses BeatrixsluizenVerbreding/verdieping/aanleg derde sluiskolk
2IJmondVoorhaven IJmuidenLichteren bulkcarriers/aanleg nieuwe insteekhaven
3Waal-RijnWeurt-LobithAanleg twee overnachtingshavens

Bijlage bij artikel 1.12 van de Crisis- en herstelwet

BIJLAGE III TOEPASSING LEX SILENCIO POSITIVO

Artikel 3.16 van de Wet ruimtelijke ordening