Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-XVIII nr. 29

32 123 XVIII
Vaststelling van de begrotingsstaten van de begroting Wonen, Wijken en Integratie (XVIII) voor het jaar 2010

nr. 29
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN, WIJKEN EN INTEGRATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 november 2009

Bij de begrotingsbehandeling WWI op 4 december 2008 is door uw Kamer de door het lid Van Toorenburg ingediende motie Heroverweging Remigratiewet aangenomen (Kamerstukken II, 2008/09, 31 700 XVIII nr. 20). In de motie wordt verzocht de Remigratiewet te heroverwegen. Dit betreft de leeftijdsvoorwaarde van 45 jaar voor de voorziening met een maandelijkse uitkering en andere onderdelen van de wet, zoals de landen en de termijnen.

Deze brief bespreekt eerst de achtergrond en de faciliteiten van de Remigratiewet. Vervolgens komt de verhouding tussen inburgering en remigratie aan de orde. Daarna volgt ter beantwoording van de motie een aantal voorstellen tot aanpassing van de Remigratiewet. Tevens wordt ingegaan op enkele andere onderwerpen op dit terrein. Tot slot zijn in de bijlage1 cijfers over het gebruik van de Remigratiewet vermeld.

1 – Ontstaan remigratiebeleid en faciliteiten van de Remigratiewet

De kern en aanleiding van de Remigratiewet is het bieden van een uitweg aan degenen die ooit naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben, doordat zij in een uitzichtloze situatie van afhankelijkheid verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. In die zin is de Remigratiewet een spijtoptantenwet. Het betreft niet meer dan 2% van de in Nederland aanwezige allochtonen van niet-Westerse komaf die hebben gebruikgemaakt van de Remigratiewet.

Bij het ontstaan van het remigratiebeleid in 1985 heerste onder de eertijds geworven arbeidsmigranten veel werkloosheid. Zij bleken moeilijk bemiddelbaar en waren hierdoor jarenlang aangewezen op een werkloosheids- of bijstandsuitkering en daarna op een AOW-uitkering. Om deze uitkeringsafhankelijke situatie in Nederland tegen te gaan zijn in 1985 remigratieregelingen in het leven geroepen. Het doel was en is personen, die niet zelf hun remigratie kunnen bekostigen, daartoe faciliteiten te bieden. Het gebruik van de remigratiefaciliteiten is steeds gebaseerd op een persoonlijke en vrijwillige keuze. Hiervoor is een onafhankelijke en objectieve remigratievoorlichting beschikbaar gesteld.

In het jaar 2000 zijn de voornoemde uitgangspunten en faciliteiten met aanvullingen in de Remigratiewet vastgelegd. Doelgroepen zijn personen afkomstig uit: Griekenland, Italië, Portugal, Spanje, (deel)staten van het voormalig Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Molukkers geregistreerd onder de zgn. Rietkerkregeling, Suriname, Tunesië, Turkije, vluchtelingen en asielgerechtigden. In 2008 is de doelgroep Chinezen toegevoegd.

De faciliteiten omvatten basisvoorzieningen (voor reiskosten en transport van huisraad met een tegemoetkoming voor de eerste twee maanden) en een remigratievoorziening met een maandelijkse uitkering. De laatstgenoemde remigratievoorziening is beschikbaar voor personen vanaf 45 jaar die langdurig werkloos (6 maanden), arbeidsongeschikt of bijstandsgerechtigd zijn. De basisvoorzieningen zijn beschikbaar voor meerderjarige werkenden en niet-werkenden. Voor de ouderen is een ziektekostenvoorziening aan de maandelijkse uitkering toegevoegd. Omdat aanvragers van de voorzieningen van de Remigratiewet zich blijvend elders willen vestigen geldt de voorwaarde dat zij bereid moeten zijn afstand te doen van het Nederlanderschap.

Overigens maakt het overgrote deel van de personen die behoren tot de voornoemde doelgroepen geen gebruik van de remigratiefaciliteiten en kiest het voor een permanent verblijf in Nederland. De opgebouwde banden met Nederland, mede als gevolg van inburgering en integratie, wegen zwaar bij een eventueel voornemen tot remigratie. Op basis van ruwe cijfers kan het volgende beeld worden gegeven over de omvang van de remigratie in relatie tot de doelgroep:

In de periode 1985 t/m 2008 maakten circa 30 000 personen gebruik van de remigratiefaciliteiten; dit is inclusief de personen die alleen met de basisvoorzieningen remigreerden.

Hiertegenover waren in 2008 in Nederland circa 1,6 miljoen niet-westerse nieuwe Nederlanders; dit cijfer betreft Marokkanen, Turken, Surinamers, vluchtelingen/asielgerechtigden en overige nationaliteiten. Daarvan behoort circa 40% tot de tweede en derde generatie.De eerste generatie omvat dus circa 960 000 personen. In de bijlage zijn cijfers over het gebruik van de wet vermeld.

Er zijn circa 10 500 gerechtigden van de Remigratiewet in het buitenland.

In 2008 zijn ruim 1000 remigranten met gebruik van de wet vertrokken, waarvan 672 met een maandelijkse uitkering. De gemiddelde leeftijd, bij vertrek, van de remigranten met een maandelijkse uitkering is bijna 55 jaar.

2 – Visie op remigratie in het licht van inburgering en integratie

De maatschappelijke situatie is erg veranderd sinds het ontstaan van het remigratiebeleid. Het belang van maatschappelijke participatie is veel centraler komen staan. Het past dan ook de remigratiefaciliteiten te toetsen aan de huidige maatschappelijke behoefte zonder afbreuk te doen aan het humanitaire karakter van de wet. Er worden door het kabinet inspanningen gedaan om het in Nederland beschikbare arbeidspotentieel zoveel mogelijk te behouden. Tevens kan terecht worden gevraagd of de inzet van het kabinet voor inburgering en integratie zich verdraagt met het aanbieden van remigratiefaciliteiten voor werkloos of uitkeringsgerechtigd geworden medeburgers van buitenlandse origine.

De actuele situatie vraagt om een aangepaste benadering van remigratie. Bij inburgering en integratie gaat het om het bereiken van een zinvolle maatschappelijke participatie. Bij remigratie gaat het om het bieden van een uitweg in een uitzichtloze situatie ook al kan daaraan voorafgaand een volwaardige participatie hebben plaatsgevonden. Deze visie wordt hierna toegelicht.

Het beleid van doelbewuste inburgering dateert van ver na 1985. Het meest recente uitvloeisel van dit doelbewuste inburgeringsbeleid is sinds 2007 de Wet inburgering (Wi). Met deze wet is een algemene plicht tot inburgering ingevoerd voor vreemdelingen (behoudens onder meer voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie), die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven. Overige personen met een inburgeringsbehoefte kunnen op vrijwillige basis inburgeren. Het kabinet geeft aldus prioriteit aan de inburgering. Het accent is zwaarder komen te liggen op maatschappelijke participatie en bijdragen aan de samenleving.

Het bestaan van remigratiefaciliteiten is nochtans te rechtvaardigen voor migranten die geen acceptabele toekomst meer in Nederland hebben en die niet zelf hun remigratie kunnen bekostigen. Het betreft personen die ondanks hun inburgering en andere inspanningen hier geen bestaan kunnen opbouwen of die oud zijn en geen zicht meer hebben op een zinvolle participatie in de Nederlandse samenleving. In deze optiek gaat het om spijtoptanten uit een grote groep van burgers, die wel volop meedoen en mee kunnen doen.

Zij kunnen na jaren tot de slotsom komen dat het voor hen beter is Nederland te verlaten. Dit geldt vooral in die situatie dat zij ondanks hun inspanningen langdurig werkloos raken en niet of zeer moeilijk bemiddelbaar op de arbeidsmarkt blijken te zijn. Hierdoor worden zij voor hun verdere leven aangewezen op een uitkering van het sociaal zekerheidsstelsel. De huidige economische recessie kan voornoemde situaties versterken. Een slechtere economische situatie hier kan vertrek bevorderen. De recessie slaat echter ook in de landen van bestemming toe en dit kan het vertrek weer afremmen. Het is niet te voorzien hoe deze ontwikkelingen zich zullen gaan voltrekken en welke effecten dit dan zal hebben.

Het is mogelijk dat migranten in die klemsituatie in hun herkomstland een beter perspectief zien, maar de kosten voor hun remigratie niet kunnen opbrengen. Voor migranten in de hiervoor beschreven situaties bieden remigratiefaciliteiten een uitweg zonder daarbij af te doen aan de prioriteit van inburgering.

Naast de categorie migranten, die is aangewezen op de voorzieningen van de Remigratiewet, zijn er echter ook migranten die voor hun remigratie geen beroep op de wet hoeven te doen, omdat zij zelf hun remigratie kunnen bekostigen.

In de bovenbeschreven visie kunnen autochtonen en niet-inburgeringsplichtigen (zoals EU-onderdanen met uitzondering van geworven arbeidsmigranten van de eerste generatie) geen aanspraak maken op remigratiefaciliteiten. Dit moet zo blijven.

Tegen de achtergrond van de gewijzigde maatschappelijke context en met de bovenvermelde visie op inburgering en remigratie wordt hierna een aantal voorstellen tot aanpassing op onderdelen van de Remigratiewet voorgelegd.

Daarbij past nog een aantekening. Aan toepassing van de Remigratiewet is een inverdieneffect verbonden. Dit komt doordat de wet met name van toepassing is voor uitkeringsgerechtigden. Bij hun vertrek vinden geen uitkeringen meer plaats voor werkloosheid en bijstand. Deze uitkeringen zijn hoger dan de remigratie-uitkeringen, omdat die zijn gebaseerd op de bestaanskosten in bestemmingslanden die over het algemeen lager zijn. (De remigratie-uitkeringen zijn nooit hoger dan de bijstandsuitkering.)

De aanpassingen die in deze brief worden voorgesteld hebben consequenties voor bovengenoemd inverdieneffect. Een voorbeeld hiervan is aan de ene kant de beperking van de toegang tot de wet tot de eerste generatie en de leeftijdsverhoging van 45 naar 55 jaar. Aan de andere kant staat de uitbreiding van de doelgroepen en het bezien van de uitkeringshoogten op eventuele aanpassing. Naar verwachting zullen de financiële gevolgen van deze aanpassingen tegen elkaar kunnen worden weggestreept, zodat er per saldo geen extra kosten zijn.

3 – Aanpassingsvoorstellen voor onderdelen van de Remigratiewet

3.1. – Aanpassing doelgroepen/landen

3.1.1. – Beperking van de doelgroepen tot de eerste generatie

Het is doorgaans de eerste generatie die heimwee heeft naar het herkomstland. Deze generatie kan ook meer moeite hebben met inburgering en integratie, omdat er vroeger minder inburgeringsfaciliteiten waren. Zodra personen uit de eerste generatie in een uitzichtloze uitkeringssituatie belanden kan het verlangen naar het herkomstland sterker worden. Deze eerste generatie is gediend met remigratiefaciliteiten zodra zij in een sociale klemsituatie raken door werkloosheid en voor hun bestaan aangewezen zijn op een uitkering. Over het algemeen geldt dit beeld ook voor de nieuwe migranten, die hier zijn gekomen na de geworven arbeidsmigranten uit de jaren zestig van de vorige eeuw.

Momenteel is de Remigratiewet ook van toepassing voor de tweede generatie migranten. Het voortzetten van deze faciliteiten voor de tweede generatie ligt echter minder voor de hand. Degenen die hier zijn opgegroeid en op school hebben gezeten, hebben veel minder binding met het herkomstland van hun ouders. Daarom zal de Regeling aanwijzing doelgroepen Remigratiewet worden aangepast en de reikwijdte van de Remigratiewet worden beperkt tot de eerste generatie migranten, dat wil zeggen: degenen die in het buitenland zijn geboren en die zich hier bij binnenkomst als meerderjarigen – boven 18 jaar – rechtmatig vestigden vóór de datum van inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen in de Remigratiewet.

3.1.2. – Beperking gebruik EU-onderdanen tot de voormalige arbeidsmigranten

Een beperking van het gebruik van de Remigratiewet tot de eerste generatie migranten, zoals voorgesteld onder punt 3.1.1., heeft ook een beperking van de doelgroep van de EU-onderdanen in de Remigratiewet tot gevolg.

De Europese Commissie (EC) heeft al eens aangegeven bepaalde aspecten van de Remigratiewet strijdig te vinden met het in het EU-Verdrag verankerde non-discriminatiebeginsel. Alleen bepaalde EU-onderdanen afkomstig uit Griekenland, Italië, Portugal, Spanje en Slovenië (als voormalig onderdeel van Joegoslavië) mogen nu op grond van de Remigratiewet een aanvraag indienen. Ook vindt de EC dat de Remigratiewet het vrij personenverkeer binnen de EU belemmert. Gebruikers moeten afstand doen van hun Nederlanderschap en kunnen niet met behoud van hun uitkering blijvend naar Nederland terugkeren.

Om aan de genoemde bezwaren tegemoet te komen, wordt in overleg met de EC aan een beleidslijn gewerkt die wel Europeesrechtelijk stand kan houden. Dit is in een brief van 14 februari 2008 door mijn ambtsvoorganger bij uw Kamer aangekondigd (Kamerstukken II, 2007/08, 30 546, nr. 2). De beleidslijn houdt vooralsnog in dat alleen de eerste generatie geworven arbeidsmigranten (inclusief hun partner en eventuele minderjarige kinderen), die zich in Nederland hebben gevestigd voordat hun land van herkomst als lidstaat tot de EEG dan wel de EU toetrad, nog een aanvraag kunnen indienen voor de Remigratiewet.

De beleidslijn is ambtelijk in bespreking met de EC. Naar verwachting komt vóór het einde van 2009 ter zake duidelijkheid. Invoering van de beperking krijgt dan in 2010 beslag na een redelijke termijn voor de voorlichting aan de doelgroepen.

3.1.3. – Stroomlijning doelgroepen overeenkomstig de doelgroepen van de Wet inburgering (Wi) en de Wet inburgering buitenland (Wib)

De motie verzoekt om heroverweging van de landen. Dit is aldus geïnterpreteerd dat de Kamer verzoekt de landen waarheen kan worden geremigreerd te evalueren en zonodig bij te stellen. De bestemmingslanden van het remigratiebeleid worden feitelijk bepaald door de herkomst van de migranten: het uitgangspunt van de Remigratiewet is dat men remigreert naar het land van herkomst. Aan toegelaten vluchtelingen is het echter toegestaan desgewenst te remigreren naar het herkomstland of een bestemmingsland naar keuze. Dit biedt betrokkene gelegenheid een veilig land te kiezen en daar een nieuw bestaan op te bouwen.

De doelgroepen van de Remigratiewet zijn gedateerd en zijn een afspiegeling van het eertijds minderhedenbeleid en daarna van het integratiebeleid. Thans zijn de Wi en de Wib van kracht. In lijn met het inburgeringsbeleid kan de reikwijdte van deze wetten als uitgangspunt gaan gelden voor de doelgroepen van de Remigratiewet en dus voor de reikwijdte van voornoemde wet. Dit uitgangspunt wordt ingevoerd met de hierna vermelde beperking.

De Remigratiewet is niet bedoeld voor westerse migranten en daarom is beperking van het gebruik van remigratiefaciliteiten nodig tot personen die afkomstig zijn uit landen waarvoor bij binnenkomst het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) geldt. De Regeling aanwijzing doelgroepen Remigratiewet wordt in de voornoemde zin gewijzigd. Dit brengt mee dat bepaalde groepen in de nieuwe situatie wel in aanmerking komen voor een remigratie-uitkering, maar die nu worden buitengesloten, zoals Ghanezen, Egyptenaren, etc.

3.2. Aanpassing leeftijdsgrens voor de remigratievoorziening met uitkering: verhogen van de leeftijdsgrens van 45 jaar naar 55 jaar

In de motie wordt verzocht de leeftijdsgrens van 45 jaar voor de remigratie-voorziening met een maandelijkse uitkering te heroverwegen. Door de huidige leeftijdsgrens worden mensen te vroeg voor de arbeidsmarkt «afgeschreven».

Bij de totstandkoming van de Remigratiewet is de leeftijdsgrens van 50 jaar door een amendement verlaagd naar 45 jaar. Intussen is de maatschappelijke situatie weer veranderd. Er is een kabinetsvoorstel om de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar te verhogen naar 67 jaar. Regelingen voor vervroegde uittreding op de arbeidsmarkt zoals de VUT zijn vervallen. Als iemand om gezondheidsredenen niet op de arbeidsmarkt participeert kunnen herkeuringen volgen voor de WAO.

Zoals gezegd zet het kabinet ten volle in op het behoud van capaciteit voor de arbeidsmarkt. Bij zo’n inzet past een beleid om definitief uittreden op de arbeidsmarkt niet te stimuleren. De instrumenten ter bevordering van reïntegratie in de WIA en in de WW blijken effectief te zijn. Hierbij vindt maatwerk plaats op individueel niveau. Het UWV kent jobcoaches en er zijn reïntegratieplannen met individueel maatwerk. De toenemende vergrijzing noodzaakt ook tot behoud van arbeidsparticipatie. Mensen blijven langer fit en worden ouder.

Ervan uitgaande dat een leeftijd van 45 jaar te jong is om definitief vast te stellen dat er in Nederland geen perspectief meer is voor iemand uit de doelgroep, is het zaak een redelijke leeftijdsgrens te bepalen voor remigratie tegen de achtergrond van de huidige maatschappelijke context (behoud arbeidscapaciteit, verhoging pensioenleeftijd en prioriteit inburgering). Bij een leeftijdsgrens van 65 jaar komt de AOW in beeld, omdat deze uitkering exporteerbaar is. Een grens van 60 jaar biedt ook geen goede oplossing, omdat de wachttijd tot de normale pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar vrij kort is. Bovendien blijkt in de praktijk de reïntegratie voor werklozen van allochtone origine vaak erg moeilijk te worden vanaf 55 jaar. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid van een uitzichtloze uitkeringssituatie. Thans is de gemiddelde leeftijd bij vertrek van remigranten met een maandelijkse uitkering tegen de 55 jaar. Het financieel effect van de verhoging van de leeftijdsgrens zal dan ook miniem zijn. Daarom is, tegen de achtergrond van de verhoging van de arbeidsparticipatie, een verhoging van de leeftijdsgrens van 45 jaar naar 55 jaar voor de remigratievoorziening met een maandelijkse uitkering een aansprekend alternatief voor wijziging van de Remigratiewet. Hiervoor wordt de regelgeving van de Remigratiewet in die zin aangepast.

3.3. – Aanpassing termijnen voor een aanvraag

3.3.1. – Voorwaarden/termijnen verblijfsduur voor remigratie-aanvraag aanpassen

Net als uw Kamer vind ik de termijnen van legaal verblijf vóórdat een remigratie-aanvraag kan worden ingediend te kort. Die termijnen zijn respectievelijk 1 jaar voor de basisvoorzieningen en 3 jaar voor de voorziening met een maandelijkse uitkering.

Een heroverweging van deze termijnen is op zijn plaats in relatie tot de kabinetsinzet voor inburgering/integratie en de termijn van 3½ jaar voor het behalen van het inburgeringsexamen. Hierbij past een behoorlijke termijn alvorens remigratiefaciliteiten kunnen worden aangevraagd. De zienswijze op de basisvoorzieningen wordt uiteengezet in paragraaf 3.5.1.

Voor de voorziening met de maandelijkse uitkering voor oudere migranten is een verhoging van de drempel van 3 jaar naar 8 jaar voor een aanvraag geïndiceerd.

In die periode heeft een migrant tijd gehad om het inburgeringsexamen te behalen en een maatschappelijke bijdrage te leveren. Mocht dat niet lukken dan kan vertrek wellicht uitkomst bieden. De hogere drempel van 8 jaar is gepast gelet op de levenslange duur van de uitkering. Deze termijn kan in combinatie worden bezien met de leeftijdsverhoging naar 55 jaar. De aanpassing vergt een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.

3.3.2. – Verlenging drempeltermijn van werkloosheid/uitkeringsgerechtigd zijn voordat een remigratie-aanvraag kan worden ingediend.

In het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet is bepaald dat een aanvraag voor de remigratievoorziening met een maandelijkse uitkering kan worden ingediend door personen vanaf 45 jaar met een uitkering op grond van werkloosheid (WW), arbeidsongeschiktheid (WAO) en de noodzaak tot bijstand (WWB). Hierbij geldt een drempel van 6 maanden werkloosheid. Deze termijn vind ik te kort. Hierdoor wordt een werkloze te snel voor de arbeidsmarkt afgeschreven.

Een oplossing is de termijn van werkloosheid en reïntegratiepogingen te verlengen tot 1 jaar. Dit maakt de kans groter dat er alles aan is gedaan op lokaal niveau om werklozen aan arbeid te helpen. In de praktijk blijkt dat reïntegratie-inspanningen binnen één jaar vaak succesvol zijn. Naarmate de werkloze ouder is en de werkloosheid langer dan een jaar heeft geduurd wordt de reïntegratiekans geringer. Deze termijn kan in combinatie worden bezien met de leeftijdsverhoging naar 55 jaar. Voornoemde oplossing komt tegemoet aan het in de motie genoemde bezwaar tegen de huidige termijn.

3.4. Nationaliteit

Advies ACVZ over nationaliteit wordt niet overgenomen

De Advies Commissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) heeft op 27 oktober 2008 (kenmerk NR-27–2008) een advies uitgebracht over Nederlanderschap in een onbegrensde wereld. Hierin wordt het behoud van meervoudige nationaliteit behandeld. Daarbij adviseert de ACVZ tevens de voorwaarde uit de Remigratiewet te laten vervallen, inhoudende dat aanvragers bereid moeten zijn tot afstand van het Nederlanderschap. De ACVZ meent dat met het vervallen van deze voorwaarde in de wet ook de handhaving is gediend, omdat mogelijk misbruik van de remigratie-uitkering wordt voorkomen.

De voorwaarde tot afstand doen van het Nederlanderschap is in de Remigratiewet opgenomen ter voorkoming van oncontroleerbare pendelmigratie en van mogelijk oneigenlijk gebruik van het sociaal zekerheidsstelsel. Bovendien heeft de remigrant besloten Nederland definitief te verlaten. Daarmee geeft betrokkene te kennen het Nederlanderschap – veelal na aanvankelijke naturalisatie – niet meer te ambiëren. Door te remigreren geeft betrokkene aan zich elders permanent te willen vestigen al dan niet met partner en eventuele kinderen. Het Nederlanderschap is voor de remigrant in beginsel niet meer relevant. Derhalve is het niet verstandig om de afstandsvoorwaarde te schrappen uit de Remigratiewet.

Daarom wordt het advies van de ACVZ ter zake niet overgenomen.

3.5. Aanpassingen in de aard van de voorzieningen

3.5.1. – Schrappen van de basisvoorzieningen

De basisvoorzieningen bestaan uit een tegemoetkoming voor de reiskosten en de transportkosten van huisraad en uit een tegemoetkoming ter overbrugging van de bestaanskosten voor de eerste twee maanden. Hiermee wordt een financiële drempel weggenomen voor vertrek. Dit is niet de juiste benadering gelet op de visie op de verhouding tussen remigratiefaciliteiten en inburgering/integratie/arbeid. Daarbij staat behoud van arbeidscapaciteit en participatie centraal. Wanneer mensen echt ons land willen verlaten dienen zij hiertoe een eigen verantwoordelijkheid te nemen door dit zelf te bekostigen. Dit draagt tevens bij aan het voorkomen van een lichtvaardig vertrek uit Nederland.

Indien zij echter niet meer in staat zijn zelf in hun dagelijkse kostwinning te voorzien, zoals bij oudere werklozen vaak het geval is, dan is een periodieke (maandelijkse) uitkering afgestemd op de bestaanskosten in het bestemmingsland gerechtvaardigd. Daarom zullen de basisvoorzieningen uit de Remigratiewet vervallen en zal hiertoe een voorstel tot wijziging van de Remigratiewet worden ingediend. De remigratievoorziening met de maandelijkse uitkering blijft gehandhaafd.

3.5.2. – Aanpassing uitkeringshoogten

Sinds het ontstaan van de remigratieregelingen in 1985 zijn de uitkeringshoogten in de grootste bestemmingslanden (d.w.z. in Turkije, Marokko en het voormalig Joegoslavië) niet aangepast. Voor degenen die na het jaar 2000 onder de Remigratiewet vertrokken geldt een indexering van de uitkering ter grootte van de helft van het percentage van de index van de bijstand. De bestaanskosten in de bestemmingslanden veranderen in de loop van de tijd vooral in stedelijke gebieden. Uit de remigratievoorlichting komen signalen dat aanvragers afzien van remigratie vanwege de uitkeringshoogten.

Er worden voorbereidingen getroffen om de uitkeringshoogten op aanpassing te bezien. Het dilemma hierbij is wel dat de indruk moet worden vermeden dat het faciliterende beleid overgaat in een wervend remigratiebeleid. Er zal een systematiek worden ontwikkeld waarmee het mogelijk wordt de trend in de bestaanskosten in bestemmingslanden beter te volgen. Hiermee kunnen de uitkeringshoogten zo nodig tijdig worden aangepast. Dit kan bijvoorbeeld in periodes van 4 tot 5 jaar en met een bepaald maximaal percentueel plafond afgemeten aan de hoogte van de bijstandsuitkering in Nederland. De aanpassing van uitkeringshoogten gaat gelden voor degenen die vanaf het jaar 2000, na invoering van de Remigratiewet, zijn vertrokken. Hierbij wordt gestreefd naar invoering van de aanpassing in 2011.

3.5.3. – Geen verlenging van de termijn voor de terugkeeroptie van 1 jaar

Tijdens een Algemeen Overleg met uw Kamer inzake Suriname op 17 december 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aan de fractie van de SP de toezegging gedaan om met mij te overleggen over de mogelijkheid van een langere gewenningstermijn na remigratie; bijvoorbeeld 2–3 jaar in plaats van nu 1 jaar (Kamerstukken II, 2008/09, 20 361, nrs. 141 en 143). Tevens deed de SP bij die gelegenheid de suggestie om het mogelijk te maken dat ook enige tijd na remigratie nog hulp uit Nederland kan worden geboden. Beide suggesties zouden volgens de SP potentiële Surinaamse remigranten over de streep kunnen trekken. Ter beantwoording van de voornoemde twee suggesties vermeld ik het volgende:

a – In de Remigratiewet is in een terugkeeroptie naar Nederland voorzien. Hierdoor is binnen 1 jaar na remigratie een terugkeer naar Nederland mogelijk. Deze terugkeeroptie kan worden benut door remigranten die tot de ontdekking komen dat zij een ernstige taxatiefout hebben gemaakt, namelijk dat de omstandigheden in het bestemmingsland toch onvoldoende perspectief bieden. Van de terugkeeroptie wordt spaarzaam gebruik gemaakt; 1 tot 5 gevallen per jaar.

  Verlenging van de geldende termijn van 1 jaar voor de terugkeeroptie in de Remigratiewet is niet verstandig. Hierdoor ontstaat het gevoel bij de migrant dat de feitelijke beslissing tot remigratie kan worden uitgesteld. Door verlenging van de termijn wordt het risico van een minder doordachte remigratiebeslissing groter. Het geringe gebruik van de terugkeeroptie vormt geen indicatie voor een aanpassing van de termijn. Behoud van de terugkeeroptie voor één jaar ligt dan ook voor de hand.

b – Voorts is het Nederlands Migratie Instituut (NMI) bezig met een pilotproject voor aanvullende nazorg en informatie van remigranten via voorlichtingsdagen in de grote bestemmingslanden zoals in Suriname. Dit is ook via de Wereldomroep gemeld. Het NMI verzorgt in opdracht de voorlichting over de Remigratiewet. Bij de uitvoering van het pilotproject werkt het NMI samen met de attachés voor sociale aangelegenheden van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de buitenlandse posten. De SVB is belast met de uitvoering van de Remigratiewet. De attachés zijn ook beschikbaar voor vragen van remigranten.

Met het oog op het voorgaande is besloten om de termijn van de terugkeeroptie in de Remigratiewet niet aan te passen en wordt de mogelijkheid voor nazorg en hulp aan remigranten voldoende geregeld geacht.

4 – Onderzoek motivatie terugkeer hoger opgeleide migranten

Tijdens het Algemeen Overleg op 23 oktober 2008 over rassendiscriminatie (Kamerstukken II, 2008/09, 30 950, nr. 13) is door mijn ambtsvoorganger toegezegd te zullen nagaan wat de motieven van migranten zijn om Nederland te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst. Dit betreft in het bijzonder jonge hoger opgeleide migranten. Ik heb opdracht gegeven deze aspecten te onderzoeken. Over de uitkomsten daarvan zal ik u in 2010 informeren.

5 – Slot

Met de hierboven beschreven aanpassingsvoorstellen voor de Remigratiewet verwacht ik aan de wensen van uw motie tegemoet te komen. In een vervolgbrief leg ik u de daartoe benodigde wetswijzigingsvoorstellen voor.

De minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

E. E. van der Laan


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.