32 043 Toekomst pensioenstelsel

AW VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 12 november 2021

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 14 juli 2021 over de ontwikkeling van de pensioenpremies en over internationale benchmarking van beleggingskosten bij pensioenfondsen.2

Naar aanleiding hiervan is op 1 oktober 2021 een brief gestuurd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 1 november 2021 aangegeven dat het beantwoorden van de vragen niet binnen de gestelde termijn van vier weken mogelijk is omdat extra kwantitatieve gegevens opgevraagd moeten worden.

De Staatssecretaris heeft op 11 november 2021 inhoudelijk gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 1 oktober 2021

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben kennisgenomen van uw brief van 14 juli 2021 over de ontwikkeling van de pensioenpremies en over internationale benchmarking van beleggingskosten bij pensioenfondsen.3 De leden van de CDA-fractie en van de 50PLUS-fractie hebben, onder dankzegging voor uw uitgebreide brief, nog enkele vragen. De leden van de Fractie-Nanninga, de PvdA-fractie en de FVD-fractie sluiten zich bij alle vragen aan. De leden van de ChristenUnie-fractie en van de 50PLUS-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie zouden graag willen vernemen wat de door u niet genoemde consequenties zijn van het advies van de Commissie Parameters4 ten aanzien van de volgende punten:

  • Het besluit van DNB5 om per 1 januari 2021 de nieuwe UFR-parameters (Ultimate Forward Rate) in vier gelijke stappen tot 1 januari 2024 gespreid in te voeren; en,

  • De verlaging van het verwacht rendement op de beleggingen.

Deze leden worden graag geïnformeerd over de effecten voor wat betreft de dekkingsgraad respectievelijk de verhoging van de premie.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben naar aanleiding van uw brief de volgende vragen:

  • 1. Kunt u toelichten waarom DNB de pensioenfondsen niet heeft gevraagd naar de volledige kostendekkende premie op basis van de risicovrije rente die ook geldt voor het berekenen van de pensioenverplichtingen? In uw brief merkt u immers zelf op: «De kostendekkende premie geeft de kostprijs van de pensioenopbouw weer».6

  • 2. Wat zou de hoogte van de volledige kostendekkende premie zijn geweest indien dezelfde rekenrente was gebruikt als voor de verplichtingen, te weten de risicovrije rente RTS?

  • 3. Wat is het effect op de dekkingsgraad als deze RTS ook voor de premies zou zijn gebruikt en dus niet met twee maten zou zijn gemeten?

  • 4. Hoe hoog zou de pensioenpremie in 2021 moeten zijn als de kostendekkende premie op basis van de RTS zou zijn gebruikt en wat zou het effect op de dekkingsgraad zijn?

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.

De voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E.M. Sent

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 november 2021

Hierbij deel ik u mede dat de beantwoording van de vragen van CDA en 50PLUS over de «brief ontwikkeling pensioenpremies en internationale benchmarking van beleggingskosten bij pensioenfondsen» niet binnen de gestelde termijn van vier weken mogelijk is omdat extra kwantitatieve gegevens opgevraagd moeten worden. Ik streef naar zo spoedig mogelijke beantwoording.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 november 2021

Hierbij zend ik u de antwoorden op de Kamervragen van CDA en 50PLUS over de brief «Ontwikkeling pensioenpremies en internationale benchmarking van beleggingskosten».

Vraag 1

De leden van de CDA-fractie zouden graag willen vernemen wat de consequenties zijn van het advies van de Commissie Parameters ten aanzien van de volgende punten:

  • het besluit van DNB om per 1 januari 2021 de nieuwe UFR-parameters (Ultimate Forward Rate) in vier gelijke stappen tot 1 januari 2024 gespreid in te voeren en

  • de verlaging van het verwacht rendement op de beleggingen.

Deze leden worden graag geïnformeerd over de effecten voor wat betreft de dekkingsgraad respectievelijk de verhoging van de premie.

Antwoord

De Commissie Parameters 2019 heeft in haar advies7 een impactanalyse opgenomen. Daarin staat dat wanneer de adviezen van de commissie over de parameters en de UFR-methode worden opgevolgd, dit toen de volgende gevolgen had voor de dekkingsgraden en de feitelijke premies:

  • dekkingsgraden dalen met gemiddeld 2,5%-punt als gevolg van de aanpassingen in de UFR-methode, en

  • in een beperkt aantal gevallen is de feitelijke premie niet meer kostendekkend. Bij de meeste fondsen is de impact afhankelijk van de mate waarin het fonds een prudentiemarge tussen de feitelijke en kostendekkende premie wil blijven hanteren.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben de volgende vragen gesteld.

Vraag 2

Kunt u toelichten waarom DNB de pensioenfondsen niet heeft gevraagd naar de volledige kostendekkende premie op basis van de risicovrije rente die ook geldt voor het berekenen van de pensioenverplichtingen? In uw brief merkt u immers zelf op: «De kostendekkende premie geeft de kostprijs van de pensioenopbouw weer».

Antwoord

Voor pensioenfondsen die uitgaan van een gedempte kostendekkende premie vraagt DNB zowel de gedempte kostendekkende premie uit als de kostendekkende premie op basis van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur (RTS). Deze premiegegevens worden jaarlijks opgevraagd in de FTK-jaarstaten, zowel ex-ante als ex-post. Merk op dat ook gekeken moet worden naar macro-economische stabiliteit van premies, er spelen dus meer afwegingen dan alleen de kostendekkendheid.

Vraag 3

Wat zou de hoogte van de volledige kostendekkende premie zijn geweest indien dezelfde rekenrente was gebruikt als voor de verplichtingen, te weten de risicovrije rente RTS?

Antwoord

De cijfers uit de brief «Ontwikkeling pensioenpremies en internationale benchmarking van beleggingskosten» hebben betrekking op de 26 pensioenfondsen uit de Enquête Premie & Indexatie (EPI). Voor 2021 zou de totale kostendekkende premie voor die 26 EPI-fondsen op basis van de door DNB gepubliceerde RTS € 56,3 miljard hebben bedragen. Door demping bedraagt de (gedempte) kostendekkende premie voor 2021 voor die 26 EPI-fondsen € 29,0 miljard.

Voor 2021 zou de totale kostendekkende premie voor alle pensioenfondsen op basis van de door DNB gepubliceerde RTS € 65,4 miljard hebben bedragen. Door demping bedraagt de (gedempte) kostendekkende premie voor 2021 voor alle pensioenfondsen € 34,7 miljard.

Vraag 4

Wat is het effect op de dekkingsgraad als deze RTS ook voor de premies zou zijn gebruikt en dus niet met twee maten zou zijn gemeten?

Antwoord

Het effect op de dekkingsgraad zou ongeveer +1,8% zijn (voor de sector als geheel, als alle fondsen hun premie hadden gebaseerd op de ongedempte kostendekkende premie). Dit effect verschilt per pensioenfonds, met name afhankelijk van het premiebeleid per pensioenfonds.

Vraag 5

Hoe hoog zou de pensioenpremie in 2021 moeten zijn als de kostendekkende premie op basis van de RTS zou zijn gebruikt en wat zou het effect op de dekkingsgraad zijn?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op de vragen 3 en 4.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Essers (CDA), Ester (CU), Vos (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD) (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL), Moonen (D66), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), Van der Burg (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Prast (PvdD) en Soeharno (CDA).

X Noot
2

Kamerstukken I 2020/2021, 32 043, AR.

X Noot
3

Kamerstukken I 2020/2021, 32 043, AR.

X Noot
4

Kamerstukken I 2018/2019, 32 043, Q, bijlage.

X Noot
6

Kamerstukken I 2020/2021, 32 043, AR, p. 2.

Naar boven