Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 november 2013
Met uw brief van 1 oktober jl. bracht u de vraag over van het lid Omtzigt inzake mijn
appreciatie van de vraag of pensioenfondsen nog kunnen bezuinigen op de beleggingskosten.
De heer Omtzigt verzocht om met de pensioenfondsen een gezamenlijk plan van aanpak
op te stellen met als doel om deze kosten substantieel te verlagen. Met deze brief
reageer ik op beide verzoeken.
Tevens zend ik u hierbij de antwoorden op de Kamervragen van het (toenmalige) lid
Krol (50PLUS) en die van het lid Klaver (GroenLinks), beide over het bericht «Pensioenbeheer
veel duurder»1, alsmede op de Kamervragen van het lid Madlener (PVV) over het bericht «Kosten pensioenbeheer
fors gestegen»2 (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nrs. 416, 414 en 415).
De vragen van de heer Omtzigt zijn gebaseerd op een rapport van actuarieel adviesbureau
Lane, Clark en Peacock Netherlands B.V. (LCP)3. Dit rapport, dat ook de bron is voor de berichten waarover genoemde Kamervragen
zijn gesteld, geeft de resultaten weer van een onderzoek naar de kosten van pensioenfondsen.
LCP heeft voor dit onderzoek de jaarverslagen over 2012 van 280 pensioenfondsen geanalyseerd.
De belangrijkste conclusie is dat de pensioenfondsen in hoge mate gehoor hebben gegeven
aan de Aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie van eind 2011. Overeenkomstig deze aanbevelingen rapporteert
het overgrote deel van de onderzochte pensioenfondsen de uitvoeringskosten en de kosten
van het vermogensbeheer op inzichtelijke wijze in het jaarverslag. Met name bij het
inzichtelijk maken van de kosten van het vermogensbeheer laten de fondsen in 2012
veel vooruitgang zien. Van de onderzochte pensioenfondsen heeft 86% de kosten voor
het vermogensbeheer in het jaarverslag 2012 inzichtelijk gemaakt. Deze fondsen vertegenwoordigen
bijna 99% van het pensioenvermogen. Met betrekking tot de transactiekosten, zoals
de kosten van de aan- en verkoop van vermogenstitels, geeft 65% van de pensioenfondsen
een inschatting. Deze fondsen vertegenwoordigen 93% van het pensioenvermogen.
Uit een vergelijking met een eerder rapport van LCP blijkt dat over 2012 hogere kosten
voor het vermogensbeheer zijn gerapporteerd (0,53%) dan over 2011 (0,38%). Het rapport
geeft hier zelf geen verklaring voor. In een toelichting verwijst LCP naar de toename
van prestatieafhankelijke vergoedingen voor externe vermogensbeheerders. Prestatieafhankelijke
vergoedingen zijn bedoeld als beloning voor een hoger beleggingsrendement dan een
afgesproken benchmark. Hogere prestatieafhankelijke vergoedingen hangen dus samen
met een hoger rendement. Voorlopige cijfers van DNB bevestigen de door LCP gerapporteerde
kosten van het vermogensbeheer in 2012, 0,53% van het gemiddelde van de beleggingen
in 2012 (€ 4,5 miljard), alsmede het gemiddelde rendement van de pensioenfondsen over
2012, 13,6% netto (na aftrek kosten).
Iedere organisatie kan in beginsel haar beheerskosten verlagen, maar zal dit moeten
afwegen tegen het gewenste serviceniveau en de beoogde risico/rendementsverhouding.
Kostenbeheersing is daarmee primair een zaak van het pensioenfonds en zijn belanghebbenden.
De beste manier om tot kostenbeheersing te komen is een goed ingerichte governance.
Als het fondsbestuur onvoldoende oog heeft voor het belang van kostenbeheersing zal
het daarop worden aangesproken door het medezeggenschapsorgaan (thans de deelnemersraad,
vanaf juli 2014 het verantwoordingsorgaan) en door het interne toezicht. Het is daarom
goed dat het overgrote deel van de fondsen vanaf 2012 inzicht verschaft in de beheerskosten.
Deze ontwikkeling wekt het vertrouwen dat pensioenfondsen die de aanbevelingen van
de Pensioenfederatie nog niet (volledig) hebben nagevolgd, dit in het verslag over
dit jaar alsnog zullen doen.
Pensioenfondsen maken eigen keuzes met betrekking tot het beleggingsbeleid en de uitvoering
daarvan. Deze keuzes zijn van invloed op de kosten en de opbrengsten van het vermogensbeheer.
Navraag bij de pensioensector wijst uit dat fondsen momenteel eerder gemaakte keuzes
bij het vermogensbeheer heroverwegen, met als oogmerk een betere kostenbeheersing.
Dit heeft betrekking op vraagstukken als:
-
• actief of passief beleggingsbeleid,
-
• wel of niet beleggen in verhoudingsgewijs dure beleggingscategorieën,
-
• uitbesteding of zelf uitvoeren van het vermogensbeheer en
-
• de contracten met externe vermogensbeheerders (bijvoorbeeld de aard en omvang van
prestatievergoedingen).
Pensioenfondsen zullen ook in de toekomst verschillende keuzes maken met betrekking
tot het beleid en de uitvoering van het vermogensbeheer. Een gezamenlijk sectorbreed
plan van aanpak acht ik daarom weinig vruchtbaar. De ontwikkeling van de beheerskosten
van pensioenfondsen en wijze waarop zij daarover rapporteren, blijf ik vanzelfsprekend
met belangstelling volgen.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma