32 043 Toekomst pensioenstelsel

Nr. 142 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 november 2012

Met de motie van het lid Omtzigt c.s. van 14 december 2011 heeft uw Kamer verzocht om met de toezichthouder en de Pensioenfederatie een uiterste inspanning te doen om binnen twee maanden de gegevens te leveren voor een overzicht van terugstortingen van pensioenfondsen aan sponsoren in de periode 1985–20051. De indiener van de motie is van oordeel dat informatie over terugstortingen essentieel is voor de deelnemers van de betrokken fondsen en daarom openbaar hoort te zijn. Toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Kamp heeft uw Kamer geïnformeerd over het wettelijke verbod voor de toezichthouder om toezichtgegevens over individuele fondsen bekend te maken. Hij heeft daarom toegezegd te onderzoeken of het mogelijk is om via een onderzoek onder pensioenfondsen de gegevens te verkrijgen voor een bruikbaar overzicht van terugstortingen. Aan PwC is de opdracht verleend voor een pilot onder vijf pensioenfondsen, waarvan uit openbare informatie bekend is dat zij in het verleden geld hebben teruggestort naar hun sponsor.

Hierbij bied ik u de uitkomsten van deze pilot aan (Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer).

Voor de vijf pensioenfondsen in de pilot heeft PwC kunnen achterhalen welke terugstortingen en bijstortingen in de periode 1985–2011 hebben plaatsgevonden. De terugstortingen vonden plaats in de periode van 1990 tot en met 2001. De vijf fondsen hebben in deze periode in totaal € 2,3 miljard teruggestort. Met één uitzondering (1997) vonden alle bijstortingen plaats in de periode van 2002 tot en met 2011. De betrokken ondernemingen hebben in totaal € 1,3 miljard bijgestort.

De fondsen in de pilot zijn relatief groot en hebben hun administratie goed op orde. Desondanks was het niet mogelijk de informatie over terug- en bijstortingen volledig te baseren op gegevens die bij de betrokken fondsen (nog) aanwezig zijn. De onderzoekers hebben hiervoor tevens andere, publiek toegankelijke bronnen moeten raadplegen. Voor kleinere fondsen en voor fondsen die zijn geliquideerd of zijn opgegaan in andere fondsen, zal de gegevensverzameling naar verwachting nog meer inspanning vergen, met een naar verwachting beperkt resultaat.

In de pilot zijn geen aanwijzingen gevonden voor terugstortingen in strijd met de financieringsafspraken tussen het pensioenfonds en de onderneming waarvoor de pensioenregeling wordt (of werd) uitgevoerd. Bij deze afspraken waren vertegenwoordigers van de werkgever, werknemers en soms van gepensioneerden betrokken. Voorts is niet gebleken dat de terugstortingen in strijd waren met wettelijke regels of het toezichtkader. In een enkel geval is een voorgenomen terugstorting aangepast naar aanleiding van opmerkingen van de toezichthouder. In geen geval is gebleken dat de certificerend actuaris bezwaar heeft gemaakt.

De belangrijkste conclusie van de pilot is dat het niet realistisch is om te verwachten dat een volledig en betrouwbaar overzicht van terugstortingen (en bijstortingen) vanaf 1985 kan worden opgesteld op basis van bij pensioenfondsen beschikbare gegevens. Met name de gegevens over de periode vóór het midden van de jaren ’90 zijn onvolledig, weinig inzichtelijk en onvoldoende gedetailleerd.

De verklaringen hiervoor zijn deels juridisch, deels van feitelijke aard. Zo vonden de terugstortingen ruim vóór de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar plaats. Verder golden vóór 1998 minder strikte regels voor jaarverslagen.

Feitelijke omstandigheden, zoals fusies, overnames en wisselingen van pensioenadministrateur, zijn ten koste gegaan van de beschikbaarheid van historische informatie. Gegevens die via een breed opgezet centraal onderzoek onder alle pensioenfondsen verkregen kunnen worden, zullen daarom hiaten vertonen en lastig te duiden zijn.

PwC schat de kosten van een breed onderzoek onder pensioenfondsen op minimaal 3 miljoen tot meer dan 10 miljoen euro, afhankelijk van de opzet van het onderzoek en de schaal waarop dit wordt uitgevoerd. Het grootste deel van deze kosten zou voor rekening komen van de te onderzoeken pensioenfondsen. Ook de breedst mogelijke onderzoeksopzet, waarbij iedereen die destijds enige functie bij de betrokken fondsen heeft vervuld, tot medewerking wordt verplicht, zal naar verwachting niet de gegevens opleveren die nodig zijn voor een volledig en betrouwbaar overzicht van terugstortingen.

De onderzoekers achten aannemelijk dat alle terugstortingen door pensioenfondsen in de onderzochte periode in overeenstemming waren met de destijds geldende financieringsafspraken en met het wettelijke kader. Voorts maakt het institutionele kader voor pensioenfondsen aannemelijk dat de terugstortingen destijds bekend waren bij vertegenwoordigers van de betrokken werknemers en dat zij daarmee hebben ingestemd.

Met de terugstortingen zijn dus geen contractuele en wettelijke verplichtingen geschonden. De direct belanghebbenden zijn – op zijn minst – over de terugstortingen geïnformeerd. Ik acht het daarom niet aannemelijk dat informatie over terug- en bijstortingen, voor zover beschikbaar, van betekenis kan zijn voor de besluitvorming over eventuele kortingen in 2013 of latere jaren. De beleidsmatige en politieke conclusies zijn al getrokken bij de Pensioenwet van 2007. Sindsdien gelden strikte voorwaarden voor terugstortingen door pensioenfondsen.

Op basis van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat het geven van een bruikbaar overzicht van terugstortingen niet mogelijk is.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken II 2011–2012, 32 043, nr. 76

Naar boven