32 015 Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming

Nr. 40 AMENDEMENT VAN DE LEDEN DIJSSELBLOEM EN VAN TOORENBURG

Ontvangen 14 maart 2011

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel I wordt na onderdeel G een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ga

Voor afdeling 4 van titel 14 wordt een afdeling 3B ingevoegd, luidende:

AFDELING 3B. MAATREGEL VAN OPGROEIONDERSTEUNING

Artikel 253z

  • 1. De kinderrechter kan een maatregel van opgroeiondersteuning opleggen.

  • 2. De kinderrechter kan dit doen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd.

  • 3. Artikel 255, tweede, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De kinderrechter vermeldt in de beschikking waar de maatregel op is gericht en draagt een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op de met gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige ondersteuning te bieden bij de uitvoering van de maatregel.

  • 5. Indien de stichting, bedoeld in het vorige lid, van oordeel is dat de met gezag belaste ouders of ouder of de minderjarige de maatregel van opgroeiondersteuning niet of onvoldoende aanvaarden, doet zij hiervan onverwijld mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 253za

De duur van de maatregel van opgroeiondersteuning is, behoudens verlenging als bedoeld in artikel 253zb, ten hoogste een jaar.

Artikel 253zb

  • 1. De kinderrechter kan, mits aan de grond, bedoeld in artikel 253z, eerste lid, is voldaan, de duur van de maatregel van opgroeiondersteuning eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar.

  • 2. De kinderrechter kan de duur van de maatregel van opgroeiondersteuning verlengen op verzoek van de stichting die de maatregel uitvoert. Indien deze stichting niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek.

Artikel 253zc

  • 1. De kinderrechter kan de stichting, bedoeld in artikel 253z, vijfde lid, vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie.

  • 2. Hij kan dit doen op verzoek van de stichting die de maatregel uitvoert, de raad voor de kinderbescherming, een met gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

Artikel 253zd

  • 1. De kinderrechter kan de maatregel van opgroeiondersteuning opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 253z, eerste lid, niet langer is vervuld.

  • 2. Hij kan dit doen op verzoek van de stichting die de maatregel uitvoert. Indien deze stichting niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een met gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder bevoegd tot het doen van het verzoek.

II

In artikel I, onderdeel H, wordt in artikel 255, eerste lid, aanhef, na «in zijn ontwikkeling» ingevoegd: ernstig.

III

In artikel I, onderdeel J, wordt in artikel 266, eerste lid, onder a, na «in zijn ontwikkeling» ingevoegd: ernstig.

IV

In artikel I, onderdeel U, wordt in artikel 327, onder a, na «in zijn ontwikkeling» ingevoegd: ernstig.

V

In artikel I, onderdeel U, wordt in artikel 328, aanhef, na «in zijn ontwikkeling» ingevoegd: ernstig.

VI

In artikel II, onderdeel A, wordt in het eerste lid van artikel 799a «artikel 255, eerste lid» vervangen door: de artikelen 253z, eerste lid en 255, eerste lid.

VII

In artikel III wordt na onderdeel A twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Aa

Aan het eerste lid van artikel 10 wordt na onderdeel b een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • ba. het verlenen van ondersteuning bij de uitvoering van een maatregel van opgroeiondersteuning;.

Ab

In het derde lid van artikel 10 wordt «artikel 10, eerste lid, onder a, b, c, en d» vervangen door artikel 10, eerste lid, onder a, b, ba, c, en d.

Toelichting

Dit amendement beoogt de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen uit te breiden met een lichte en gerichte maatregel. Het amendement komt in aanvulling op de amendementen Van der Burg/Bontes (10), Bontes/Van der Burg (25), Van der Burg/Bontes (24). Gelet op deze duidelijke samenhang zijn in dit amendement de betrokken wetswijzigingen eveneens opgenomen in de onderdelen II tot en met V.

In het Burgerlijk Wetboek is de grondslag voor het nemen van kinderbeschermingsmaatregelen gedefinieerd als «ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind». Wetsvoorstel 32 015 schrapt de toevoeging «ernstig». De amendementen 10, 25 en 24 van Van der Burg en Bontes brengen deze toevoeging weer terug in de wet. Aanname van deze amendementen bestendigt de situatie dat de huidige, relatief zware kinderbeschermingsmaatregelen pas bij ernstige bedreigingen kunnen worden ingeroepen.

Onderhavig amendement regelt daarnaast dat indien er nog geen sprake is van een «ernstige bedreiging» maar wel van een «bedreiging», de kinderrechter al een lichtere maatregel ter opgroei-ondersteuning kan opleggen. Deze maatregel is in zijn impact minder vergaand dan een ondertoezichtstelling (OTS), uithuisplaatsing of ontheffing/ontneming van het ouderlijk gezag.

Het gaat om een gerichte maatregel, passend bij de aard en omvang van de bedreiging. De kinderrechter benoemt in zijn/haar beschikking de concrete bedreiging aan alsmede het oogmerk van de gerichte maatregel.

De maatregel kan zich richten op de minderjarige of op de ouders of op beiden. Vandaar de term opgroeiondersteuning (in plaats van opvoedingsondersteuning). Ouders en minderjarige zijn verplicht mee te werken. Bureau Jeugdzorg stelt een plan op en ziet toe op de uitvoering van de maatregel. Het kan onder andere gaan om verplichte deelname aan opvoedingsondersteuning, verplichte acceptatie van coaching of advies, deelname aan gedragstherapie of training. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg zullen de kwaliteitseisen hiervoor moeten worden uitgewerkt.

De lichte, gerichte maatregel is uiteraard tijdelijk. De maatregel kan éénmalig worden verlengd en wordt dus maximaal 2 jaar ingezet. Of de maatregel is succesvol en kan uiterlijk na 2 jaar worden beëindigd of deze is niet succesvol. Wanneer de maatregel binnen de gestelde termijnen geen effect sorteert, kan alsnog een zwaardere kinderbeschermingsmaatregel als ondertoezichtstelling worden uitgesproken.

Hetzelfde procesrecht is van overeenkomstige toepassing als bij een OTS.

Dijsselbloem

Van Toorenburg

Naar boven