Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032005 nr. 4

32 005
Evaluatie Wet inburgering in het buitenland

nr. 4
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 19 januari 2010

De algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie1 en de vaste commissie voor Justitie2 hebben op 18 november 2009 overleg gevoerd met minister Van der Laan voor Wonen, Wijken en Integratie en minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 2 juli 2009 over de evaluatie van de Wet inburgering in het buitenland (32 005, nr. 1);

– de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 2 oktober 2009 over kabinetsaanpak huwelijks- en gezinsmigratie (32 175, nr. 1);

– de brief van de minister van Justitie d.d. 21 oktober 2009 over de uitspraken van de rechtbank in Amsterdam m.b.t. de Wet inburgering in het buitenland (32 005, nr. 2);

– de brief van de minister van Justitie d.d. 16 november 2009 over de huwelijksleeftijd (32 175, nr. 3);

– de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 17 november 2009 over de monitorrapportage Wet inburgering in het buitenland (32 005, nr. 3).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van Gent

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van der Leeden

Voorzitter: Van Gent Griffier: Van der Leeden

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Dibi, Dijsselbloem, Fritsma, Van Gent, Karabulut, De Krom, Ortega-Martijn, Sterk en Verdonk

en minister Van der Laan, minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Albayrak, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

De voorzitter: Dames en heren, hartelijk welkom. Hierbij open ik het algemeen overleg van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie. Ik wil graag de bewindspersonen welkom heten. Minister Hirsch Ballin zal iets later zal aanschuiven, maar in de beantwoording zal hij natuurlijk volop meedoen.

Onder voorbehoud is nog een agendapunt toegevoegd en wel met betrekking tot de Monitorrapportage Wet inburgering in het buitenland. U kunt hier ook bij de begroting aandacht aan besteden, maar het leek ons een goed idee om het alvast op de agenda te zetten. Ik zie dat hiertegen geen bezwaar wordt gemaakt en ik bespeur zelfs enthousiasme. Dat is dan helemaal een goed begin van dit overleg. Ten slotte deel ik mee dat wij de spreektijd hebben gesteld op zeven minuten per fractie.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. We hebben het vandaag over partner- en gezinsmigratie, de ware motor achter de voortgaande massa-immigratie. Dit type migratie is er bijvoorbeeld debet aan dat de Marokkaanse en Turkse gemeenschappen in ons land nu respectievelijk 341 000 en 378 000 mensen tellen. De partner- en gezinsmigratie wordt dus door bijzonder veel mensen aangegrepen om verblijfsrecht in Nederland te krijgen, ook door kwaadwillenden, die met schijnrelaties de boel op kinderlijk eenvoudige wijze bedonderen. Laten wij eens kijken naar de praktijk. We weten dat heel veel allochtonen een partner uit het land van herkomst halen. Na drie jaar krijgt die partner zelfstandig verblijfsrecht. Dan is het verblijfsrecht dus niet meer afhankelijk van de relatie waarmee het verkregen is. Veel relaties duren dan ook niet veel langer dan die drie jaar, waarna beide partners vaak weer nieuwe partners uit het land van herkomst halen. De nieuwe partners doen dat op hun beurt vaak ook weer. Dit sneeuwbaleffect van ketenmigratie heeft ervoor gezorgd dat letterlijk halve dorpen uit het Marokkaanse Rifgebergte en het Turkse Anatolië naar Nederland zijn geïmporteerd. We zien dagelijks de desastreuze effecten van die massa-immigratie op onze samenleving. Die is hierdoor helemaal ontwricht. Alsof we helemaal geen immigratie- en integratieproblemen hebben, staan de sluizen nog steeds wagenwijd open. De partner- en gezinsmigratie is vorig jaar weer met duizenden personen gestegen en wordt door dit kabinet nota bene versoepeld door het makkelijker te maken om ouders naar Nederland te halen. Het kabinet zegt nu wat aan de partner- en gezinsmigratie te willen doen, maar de PVV-fractie kan helaas slechts concluderen dat het kruimelwerk is. Het pakketje maatregelen van het kabinet is niets meer en niets minder dan gerommel in de marge.

Om de uit de klauwen gelopen massa-immigratie en de daaraan verbonden islamisering van onze samenleving te stoppen, wil de PVV, zoals bekend, een immigratiestop instellen voor mensen uit moslimlanden. Daarnaast zijn er wat betreft de partner- en gezinsmigratie heel doeltreffende maatregelen te nemen om de problemen veel serieuzer aan te pakken dan het kabinet nu doet. Het kabinet laat de meest noodzakelijke aanscherpingen van het gezinsmigratiebeleid geheel achterwege.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb u al zo vaak over een immigratiestop gehoord dat ik wel benieuwd ben naar een concreet voorstel. Kunt u een lijstje geven van wat dan moslimlanden zijn? Ik heb begrepen dat u de verhoging van de AOW daartegen wilt wegstrepen. Zou u kunnen doorrekenen hoeveel u daarmee bespaart? Ik wil graag een concreet voorstel zien dat wij kunnen beoordelen. Anders blijft het zo hangen.

De heer Fritsma (PVV): Dat is simpel: een moslimland is een land waar meer dan 50% van de bevolking bestaat uit moslims. Ik heb de lijst bij me als u deze wilt hebben, maar ik wil deze ook wel voorlezen. De definitie is echter simpel.

De voorzitter: Mijnheer Fritsma, er bestaat veel belangstelling voor. Wilt u het lijstje aan mij geven? Dan zal het worden gekopieerd en rondgedeeld.

De heer Fritsma (PVV): Van mij mag het.

De heer Fritsma (PVV): Ook de tweede vraag van de heer Dibi over de berekening kan ik concreet beantwoorden. Het weekblad Elsevier heeft bijvoorbeeld berekend dat de voortgaande massa-immigratie ongeveer 13 mld. per jaar kost. Per niet-westerse allochtoon spreken we over € 7000 per jaar. Zetten we dat af tegen het aantal moslims dat Nederland binnenkomt – conservatief geschat 20 000 – en het aantal kinderen dat daarbij komt, dan kunnen we uitgaan van 40 000 maal die € 7000. Over een periode van tien jaar besparen we ons dan gemakkelijk 4 mld. en dat is precies het bedrag dat het kabinet over vijftien jaar wil vrijmaken door de AOW maatregelen. Dit is een concrete berekening, gebaseerd op zelfs nog conservatieve inschattingen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik krijg die doorberekening graag op papier. Dan kunnen wij haar beoordelen. Dat is belangrijk voor het debat. Ik concludeer overigens dat de heer Fritsma helemaal geen behoefte heeft aan een onderzoek. Hij heeft minister Van der Laan al heel vaak gevraagd om een onderzoek, maar nu heeft hij zelf al helemaal uitgerekend hoeveel kan worden bespaard. Is wat hem betreft het onderzoek door de minister bij dezen dan ook van de baan?

De heer Fritsma (PVV): Zeker niet. Ik heb het onderzoek van het weekblad Elsevier zojuist aangehaald en daarin zijn heel veel elementen buiten beschouwing gelaten. Dit onderzoek geeft geen volledig beeld. De PVV stuurt er dus nog steeds op aan om een onafhankelijk onderzoek te laten doen. Daarnaast hebben wij de website www.watkostdemassaimmigratie.nl opgezet. Veel mensen denken met ons mee en kunnen daar een reactie achterlaten. Dat zullen we allemaal meenemen in het onderzoek dat we zelf gaan uitzetten. Ik ben blij dat ik dat nog even kon toelichten.

De voorzitter: Mijnheer Fritsma, kunt u wat puntiger antwoorden? Er zijn namelijk nog een paar vragen voor u.

Mevrouw Sterk (CDA): In sommige moslimlanden wonen natuurlijk ook christenen of mensen die helemaal geen geloof aanhangen. Begrijp ik uw voorstel goed dat ook deze mensen niet naar Nederland zouden mogen komen?

De heer Fritsma (PVV): Dat klopt wat betreft de reguliere immigratie. De enkele christen die op een reguliere toelatingsgrond vanuit een moslimland naar Nederland zou willen komen, zou hier niet mogen komen. Dat is een nadeel om deze werkbare maatregel toch doorgang te laten vinden. Nogmaals, dat geldt voor reguliere immigratie en niet voor asielzoekers, maar dat hebben wij reeds verduidelijkt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik verheug mij al op het begrotingsdebat van volgende week, want dan zullen wij hierover uitputtend discussiëren. Ik begrijp dat de grenzen dicht gaan voor landen met meer dan 50% moslims. Geldt die grens ook voor landen met 49% moslims? Bovendien, hoe gaat de IND na of iemand moslim is, moslim was, belijdend moslim is, bekeerd christen is of bekeerd moslim? Dat wordt een heel interessante uitvoeringsoperatie.

De heer Fritsma (PVV): Het antwoord is simpel. Wij willen een immigratiestop voor mensen uit moslimlanden. Dat geldt voor alle mensen die uit moslimlanden komen, dus ook voor de enkele niet-moslims. De grens ligt voor ons bij de gangbare definitie die demografen en geografen gebruiken, namelijk dat je over een moslimland spreekt wanneer het merendeel van de bevolking van dat land moslim is. Dat zijn meer dan vijftig landen. Voor die landen geldt wat ons betreft de immigratiestop. We kijken dus niet naar wie moslim is en wie christen. Wij willen die stop erop zetten, zodat iedereen uit dat land die vanwege reguliere toelatingsgronden naar Nederland wil, dat niet meer kan. Dat is helder. Op dit moment wordt er ook al onderscheid gemaakt naar landen van herkomst. Zo hoeft een Amerikaan niet in te burgeren in het buitenland en een Marokkaan bijvoorbeeld wel. Het is dus heel gebruikelijk om onderscheid te maken naar land van herkomst. Wij vinden dat hierbij relevant om te doen om de islamisering van Nederland tegen te gaan.

Mevrouw Karabulut (SP): Beoordeelt de heer Fritsma personen nu op wat zij zijn of op wat zij doen? Met andere woorden: beoordeelt hij hen puur en alleen op het feit dat zij bijvoorbeeld een moslimidentiteit hebben of kijkt hij of iemand zich aan de regels en wetten en normen en waarden houdt?

De heer Fritsma (PVV): Wij kijken naar de islam en de islamisering. De islam is in de ogen van de PVV een kwaadaardige politieke ideologie die totaal onverenigbaar is met onze westerse samenleving en daarom met kracht moet worden bestreden. Dan is het logisch om met een immigratiestop te komen voor mensen uit moslimlanden. Hoe wil je anders de islamisering indammen? Wij hebben ook altijd gezegd dat we onderscheid maken tussen die ideologie en de mens.

Mevrouw Karabulut (SP): De heer Fritsma heeft mijn vraag jammer genoeg niet beantwoord. Laat ik de vraag heel concreet stellen: als een man met alleen de Nederlandse nationaliteit verliefd wordt op een vrouw uit een moslimland en zij keurig netjes de toets inburgering buitenland aflegt, wil de PVV dat onmogelijk maken?

De heer Fritsma (PVV): Ja.

Mevrouw Karabulut (SP): Wil de PVV nu echt verbieden dat al die mensen die toevallig verliefd worden op iemand die of een moslimidentiteit heeft of uit een bepaald land komt van het lijstje dat de heer Fritsma zal overhandigen, trouwen met degene van wie zij houden? Dat lijkt me nogal wat voor de achterban en de kiezer.

De heer Fritsma (PVV): Ik kan niet duidelijker zijn. Wij willen een immigratiestop voor mensen uit moslimlanden en dus ook in zo’n geval. Nogmaals, je kunt de islamisering van onze samenleving niet tegengaan als je die daadkracht niet tentoonspreidt. Het is van het grootste belang om de islamisering van de samenleving tegen te gaan. Het ontwricht onze samenleving en het bedreigt al onze vrijheden en kernwaarden. Natuurlijk moet je dan met deze daadkracht komen. Als men dat niet wil doen onder het mom van tolerantie wordt onze hele samenleving te grabbel gegooid. Dat is een slechte zaak.

Ik had het over de cruciale maatregelen om gezins- en partnermigratie tegen te gaan. Een cruciale maatregel is bijvoorbeeld het oprekken van de termijn waarna partner- en gezinsmigranten zelfstandig verblijfsrecht krijgen. Zoals gezegd is die termijn nu slechts drie jaar, waardoor het sneeuwbaleffect van de ketenmigratie welig tiert. De PVV wil dat dit zelfstandig verblijfsrecht pas na tien jaar wordt verkregen. Ik verzoek het kabinet om dit voorstel zo snel mogelijk over te nemen, anders blijven we zitten met gezinsmigranten die veel te snel andere gezinsmigranten naar Nederland halen, die dat op hun beurt ook weer doen.

In het verlengde van de ketenmigratie ligt ook een ander cruciaal punt dat dit kabinet laat liggen en dat is het absurde feit dat er niet eens een limiet is gesteld aan het aantal partners dat iemand achter elkaar naar Nederland kan halen. Er zijn voorbeelden van Marokkanen die wel acht, negen of tien verschillende partners achter elkaar uit het land van herkomst halen. Ik verzoek het kabinet zo snel mogelijk een einde aan deze waanzin te maken.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik moet de heer Fritsma op dit punt bijvallen. Als het echt om grote aantallen gaat, moeten we dat boven water krijgen en daar eens goed naar kijken. Mijn concrete vraag aan de heer Fritsma is dan ook of hij zijn betoog wil versterken. Hij noemt dit namelijk heel vaak. Zou hij ons en de bewindslieden een lijstje met voorbeelden kunnen geven? Hij heeft het over «veel gevallen» en «acht, negen of tien keer». Als dat echt gebeurt, zou het geweldig helpen als we met dat lijstje tegen de minister konden zeggen dat dit toch echt niet kan. Als het inderdaad waar is, ben ik het echt eens met de heer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb voorbeelden van verschillende misstanden. Ik heb ook eens 200 dossiernummers aan de staatssecretaris gegeven met de vraag om daarop te reageren. Dat heeft de staatssecretaris niet gedaan. Dat ging ook over dit soort gevallen. Ik heb deze vragen overigens bij me. Ik heb de staatssecretaris ook eens gevraagd aan te geven hoeveel mensen er achter elkaar uit het land van herkomst worden gehaald door individuele personen. Zij antwoordde geen idee te hebben, omdat de IND dit niet bijhoudt. Het kabinet houdt dit soort cruciale informatie dus niet bij.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik begrijp het probleem van mijnheer Fritsma. Hij zegt dat de cijfers er niet zijn, maar mijn probleem is dat hij in elk debat zegt dat er vele voorbeelden zijn van gevallen waarin iemand acht, negen keer achter elkaar een partner uit het buitenland haalt. Ik bestrijd dat helemaal niet; ik weet het niet. Het kabinet zegt dat het niet wordt bijgehouden, maar de heer Fritsma zegt het wel te weten. Daarom vraag ik hem om zo’n lijst met voorbeelden. Dan hebben we een casus en kunnen we het kabinet zeggen dat dit een reëel probleem is.

De heer Fritsma (PVV): Ik kom vaak genoeg met IND-stukken, maar dan begint iedereen weer te piepen dat het schandalig is dat ik met IND-beschikkingen over de brug kom.

De heer Dijsselbloem (PvdA): U gaat nu een slag te ver.

De heer Fritsma (PVV): Ook uw collega Spekman heeft er schande van gesproken als ik met heel concrete IND-beschikkingen kom. Ik heb al die voorbeelden ook gegeven, maar dan spreken alle woordvoerders – ook die van de PvdA – er schande van dat ik met individuele zaken mijn punt aantoon.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik heb geen antwoord gehoord van de heer Fritsma. Het is mooi om met een casus te komen, maar het is natuurlijk pas echt een probleem als het inderdaad waar is. We moeten wel eerst de feiten op tafel hebben. Of de heer Fritsma heeft de feiten, of hij kan zijn bewering niet waarmaken.

De heer Fritsma (PVV): Nogmaals, ik heb al die feiten en ik heb ook genoeg voorbeelden. Ik wijs in dit verband op het PVV-immigratieplan. Ik heb de dossiernummers aan de staatssecretaris gegeven. Waar het hier echter om gaat – en dat is veel kwalijker – is dat de IND en de staatssecretaris niet het aantal partners registeren dat een individuele vreemdeling gemiddeld naar Nederland haalt. Dat moet de Kamer toch ook vreemd vinden? Als zij het probleem serieus vindt, stel ik voor het kabinet om een grootschalig dossieronderzoek te vragen, zodat deze feiten boven water komen. Als ik een motie indien om dit te vragen, ga ik ervan uit dat de Kamer die steunt en dan krijgen we die informatie concreet. Hoe kunnen we het immigratiebeleid controleren als het kabinet zelf dit soort concrete informatie niet bijhoudt?

Mevrouw Sterk (CDA): Ik stel vast dat de heer Fritsma een reëel punt lijkt aan te snijden. Hij ondersteunt dat op dit moment alleen niet met feiten over de aantallen. Het lijkt mij echter wel een reële vraag aan het kabinet, waarvoor wij mijns inziens helemaal geen motie nodig hebben.

De heer Dibi (GroenLinks): De GroenLinks-fractie staat natuurlijk ook open voor de suggestie van de heer Fritsma, maar ik laat daardoor niet de aandacht afleiden van de eerdere opmerking van de heer Fritsma. Kunnen we afspreken dat hij in ieder geval een voorbeeld geeft, bijvoorbeeld in de schorsing voor de tweede termijn? Dan kunnen we straks een reactie aan de minister vragen op het feit dat een man zeven of acht keer opnieuw een partner heeft gehaald. Dat zou ik erg waarderen.

De heer Fritsma (PVV): Ik kan gewoon verwijzen naar het immigratieplan van de PVV dat ook op internet staat, waarin een concreet voorbeeld wordt genoemd. De heer Dibi of een van zijn medewerkers hoeft dus alleen maar even het internet op te gaan en dan kan het zo worden uitgeprint.

Een andere misstand die niet wordt aangepakt, wordt in het IND-jargon de «wisseltruc» genoemd. Het is schering en inslag dat allochtonen met deze truc hun ex-partner, met wie de relatie eigenlijk nooit verbroken is, uit het land van herkomst halen. Deze allochtonen zijn middels een avontuur met een zogenaamde nieuwe partner naar Nederland gekomen, maar na drie jaar – daar heb je die termijn weer – is dat avontuur voorbij. Gesteld wordt dan dat de relatie met de ex-partner weer is opgeleefd, die dan natuurlijk naar Nederland wordt gehaald, vaak met kinderen. Het misbruik druipt er werkelijk vanaf. Via een schijnrelatie krijgt een heel gezin kinderlijk eenvoudig het verblijfsrecht. Ik wil het kabinet vragen hier niet langer in te tuinen. Het is duidelijk dat men geen ex-partners, al of niet met kinderen, naar Nederland moet kunnen halen. Zonder die wisseltruc aan te pakken, zonder wat aan de veel te korte termijn te doen waarna zelfstandig verblijfsrecht wordt verkregen en zonder iets te doen aan de waanzin dat er onbeperkt nieuwe partners naar Nederland kunnen worden gehaald, blijft elke vorm van aanpak van de partner- en gezinsmigratie hopeloos tekort schieten. Het is jammer dat het kabinet dit nog steeds niet begrepen heeft.

Zoals in onze initiatiefnota over immigratie staat, wil de PVV voor partner- en gezinsmigratie een minimumleeftijd stellen van 24 jaar. Het kabinet heeft hiernaar gekeken, maar we hebben kunnen lezen dat dit in strijd is met een Europese richtlijn. Zo staat Europa voor de zoveelste keer daadkracht om immigratieproblemen aan te pakken vreselijk in de weg. Daarom verzoek ik het kabinet nogmaals ervoor te zorgen dat Nederland het immigratiebeleid in eigen handen houdt.

Dat dit erg belangrijk is, blijkt ook uit een ander belangrijk punt: de Europaroute. De PVV blijft erop hameren dat dit enorme immigratielek zo snel mogelijk gedicht moet worden. Met de Europaroute kunnen partner- en gezinsmigranten namelijk alle gebruikelijke toelatingsvoorwaarden omzeilen, evenals de inburgerings- en inkomensvereisten. Criminelen worden helaas ook moeilijker tegengehouden, omdat het gangbare openbare-ordebeleid natuurlijk ook niet geldt. De Europaroute is een achterdeur die niet slechts een beetje openstaat, maar volkomen uit zijn hengsels is getild, waardoor iedereen door het gapende gat kan rennen en een verblijfsvergunning kan ophalen. Wil je een partner uit Marokko halen maar voldoe je niet aan de voorwaarden? Geen probleem: je vestigt je even in België of Duitsland en het probleem is opgelost. Ben je illegaal in Nederland en wil je eindelijk eens verblijfsrecht? Geen probleem: je regelt een partner of een zogenaamde partner die bijvoorbeeld een Belgisch of Duits paspoort heeft en het probleem is opgelost, nogmaals, zonder aan de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden te hoeven voldoen. Dat kan allemaal.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De problematiek van de Belgiëroute is bekend. Daar hebben we vaak over gesproken, maar nu de oplossing. De PVV is in de peilingen de grootste partij. De heer Fritsma is dus in potentie de nieuwe minister voor migratiebeleid. Ik wil heel concreet van hem weten wat hij op zijn eerste dag als minister doet aan de Belgiëroute, zodat mensen weten hoe realistisch het allemaal is als zij overwegen op de PVV te stemmen. Daar wil ik graag nog een tweede vraag aan verbinden. De heer Fritsma heeft het over een gapend gat. Dat suggereert heel grote aantallen. Welke cijfers heeft mijnheer Fritsma die wij niet hebben?

De heer Fritsma (PVV): Ik wil graag met de laatste vraag beginnen. Deze laatste vraag heb ik al honderdduizend keer aan de staatssecretaris gesteld en ik heb honderdduizend keer het antwoord gekregen dat zij geen idee had. Heeft de PvdA-fractie echt geen beetje realiteitszin? Als je de deur zo wagenwijd openzet voor partner- en gezinsmigranten die aan geen enkele voorwaarde hoeven te voldoen om verblijfsrecht te krijgen, is het toch logisch dat heel veel mensen daar gebruik van maken? Ik weet dat het er heel veel zijn. Kijk eens op internetsites als www.marokko.nl en www.buitenlandsepartner.nl. Het is daar al jaren feest omdat de Europaroute bestaat. Ik hoop dat de heer Dijsselbloem daar eens een kijkje neemt, want dan weet hij wat er speelt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Mijn eerste vraag is nog onbeantwoord, maar ik wil even terugkomen op de tweede vraag. De heer Fritsma baseert zich op www.marokko.nl. Dat doet hij op andere momenten niet, want dan vindt hij wat daar staat onbetrouwbaar en zelfs zeer lasterlijk. Nu citeert hij echter wat hij daar allemaal aantreft. Ik wil graag mijn punt herhalen. Dat de Belgiëroute bestaat, weten we allemaal. Echter, de heer Fritsma stelt te weten dat het om vele gevallen gaat. Dat doet hij voortdurend. Als we hem vragen waar hij dat op baseert zegt hij steeds dat hij dat aan de staatssecretaris vraagt, maar dat zij het niet weet. De cijfers zijn er dus niet, maar de heer Fritsma weet het wel. Daar komen we dus nooit uit. Ik moet nogmaals constateren dat een onderbouwing van het verhaal van de heer Fritsma elke keer ontbreekt.

De heer Fritsma (PVV): Ik kan alleen maar putten uit dit soort bronnen en uit geluiden die ik vanuit de IND krijg omdat, nogmaals, deze regering helemaal niets registreert. Hoe kan ik het beleid van de regering controleren, als ze zelf totaal geen relevante informatie bijhoudt? Daar moet de heer Dijsselbloem mij niet op aanvallen; daar moet hij de staatssecretaris op aanspreken. Hij moet haar aansporen om relevante informatie te verzamelen en daar wat mee te doen.

Ik heb het kabinet eerder gevraagd om niet over huwelijksmigratie te spreken, maar over partnermigratie. De term «huwelijksmigratie» suggereert namelijk dat je getrouwd moet zijn om een partner naar Nederland te halen. Dat is niet het geval. Je hebt er ook geen samenlevingscontract of geregistreerd partnerschap voor nodig. Heel veel mensen die een partner naar Nederland halen, zijn juist niet getrouwd en zullen dat ook niet doen. Wellicht komen schijnrelaties zonder huwelijk nog vaker voor dan de beroemde schijnhuwelijken. Dat is ook wel logisch natuurlijk, want waarom zou je een fake relatie bezegelen met een fake huwelijk als dat helemaal niet nodig is?

Over fraude en misbruik heb ik de volgende vragen. Hoe is het mogelijk dat het kabinet niet eens weet hoeveel schijnrelaties door de IND zijn ontdekt? Hoe is het mogelijk dat het kabinet ook niet weet hoe vaak door de vreemdelingenpolitie adrescontroles worden verricht? Kan het kabinet alsnog antwoord geven op deze simpele vragen? Kan het kabinet erop inzetten de adrescontroles op te voeren, ook als er geen concrete fraude-indicaties zijn? Ik zou graag at random adrescontroles willen zien, want dat is hier hard nodig. Hoe vaak doet de IND aangifte als valse relaties zijn aangetroffen, of als er sprake is van schijnrelaties? Ik wil ook vragen of de mensen die het betreft in het vervolg niet meer in aanmerking kunnen komen voor verblijfsrecht. Bedriegers en oplichters kunnen we hier namelijk niet gebruiken en die verdienen ook geen nieuwe ronde met nieuwe kansen. Daar wil ik het bij laten.

De heer De Krom (VVD): Voorzitter. Allereerst dank aan het kabinet voor de stukken. De brief over gezins- en huwelijksmigratie geeft voor mij aan dat het kabinet nu wel degelijk serieus iets aan dit probleem wil doen. In het algemeen steunen wij deze voorstellen, maar ik zal toch een paar punten langsgaan. Ik heb namelijk een aantal vragen en suggesties. Ik zou het zeer op prijs stellen als het kabinet de suggesties, ideeën en voorstellen van mijn kant serieus zou kunnen oppakken.

In het algemeen ben ik er verheugd over dat de minister voor Integratie eindelijk de moed heeft om de problematiek van de gezins- en huwelijksmigratie op de agenda te zetten. De VVD-fractie heeft daar al langer om gevraagd, kennelijk dan toch met het resultaat dat deze brief nu op tafel ligt. We herkennen een aantal voorstellen in de brief, die wij zelf ook al eerder hebben gedaan en waarmee wij uiteraard serieus om zullen gaan.

Allereerst wil ik ingaan op het niet langer erkennen van buitenlandse huwelijken onder de wettelijke leeftijd van achttien jaar. We hebben een separate brief hierover gehad van de minister van Justitie. Wij steunen dat, maar ik zou wel graag willen weten wat het kabinet nu concreet gaat doen om de internationale verdragsrechtelijke belemmeringen van het verdrag van maart 1978 weg te nemen. Wat zijn de mogelijkheden en wat is het stappenplan?

De VVD vindt het vanzelfsprekend dat na ernstige geweldsdelicten, fraude, dwang of bedrog – ik reken daar de schijnhuwelijken ook maar even onder – geen nieuwe partner uit het buitenland kan worden gehaald. Het kabinet zegt dat zelf ook in zijn brief. Wij zijn het daar van harte mee eens, maar vragen ons af of daar verblijfsrechtelijke consequenties aan vastzitten, zowel voor de referent als voor de partner. Dat is mij niet helder. Ik neem aan dat dit wel het geval is. Kan het kabinet dat bevestigen?

Inkomensfraude moet natuurlijk keihard worden aangepakt. Een aantal gevallen is opgespoord. Op een aantal van 15 000 vond ik dat aantal heel klein. Dat kan betekenen dat het nauwelijks voorkomt, maar ook dat niet goed genoeg wordt gecontroleerd. De minister kan natuurlijk niet garanderen dat in al die andere gevallen geen sprake is van inkomensfraude, maar ik zou het op prijs stellen wanneer hij duidelijk en scherp zou aangeven hoe dat wordt gecontroleerd. Vindt hij de huidige controles voldoende? 100% zekerheid is er nooit, maar we moeten wel een zo groot mogelijke zekerheid krijgen dat het ook inderdaad niet gebeurt.

Het kabinet stelt voor om IND-medewerkers in het land van herkomst te detacheren. Dat lijkt mij een buitengewoon goed idee. Ik vraag mij echter af wat nu precies het doel daarvan is. Is het doel om door lokaal onderzoek van IND-medewerkers ter plekke te laten vaststellen of mensen naar Nederland mogen reizen, nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van inkomensfraude, dwang, schijnhuwelijk, of een neef/nicht-huwelijk?

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Hoe denkt de heer Krom dat een IND-ambtenaar gaat controleren of er sprake is van een neef/nicht-huwelijk? Ik zag namelijk geen concreet voorstel in de brief van de minister en de staatssecretaris.

De heer De Krom (VVD): Ik neem aan dat dit wordt nagegaan en gecontroleerd, zo mogelijk ook met behulp van getuigen, en dat daar processen en procedures voor zijn. Wellicht kan het kabinet daarover straks enige uitleg geven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Soms hoor ik heel zinnige suggesties aan mijn linkerkant. Ik begreep dat de heer Dibi van GroenLinks voor een integrale DNA-test is. Daar kan ik mij natuurlijk heel erg in vinden en naar ik hoop de heer De Krom ook.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat was een sarcastische suggestie!

De voorzitter: Die indruk had ik al, maar mevrouw Verdonk had het woord niet. De heer Krom vervolgt zijn betoog.

De heer De Krom (VVD): Ik neem aan dat het kabinet alle gelegenheid te baat neemt om de sarcastische opmerking van de heer Dibi in het antwoord mee te nemen.

Over de Belgiëroute is al vaak gesproken. Tot nu toe is het resultaat nul, verdragsrechtelijk gezien. Wanneer kunnen we daar echt resultaten van verwachten? Welke stappen worden genomen? Wanneer komt het terug bij de Kamer?

Het kabinet stelt in zijn brief voor dat de referenten ook zelf aan de inburgeringseisen moeten voldoen. Dat lijkt de VVD-fractie vanzelfsprekend. Ik neem aan dat het kabinet bedoelt dat de referenten zelf ook met succes de inburgeringsexamens moeten hebben afgelegd. Dat staat er niet expliciet in, maar ik neem aan dat het impliciet wel wordt bedoeld. Welke regels moeten daarvoor precies worden gewijzigd en wanneer krijgt de Kamer die informatie?

Het kabinet wil onderzoeken of er opleidingseisen aan partners kunnen worden gesteld. Ook dat lijkt mij uiterst zinnig. We hebben dat zelf ook al eerder gesuggereerd. Je zou kunnen denken aan minimaal mbo-niveau en natuurlijk een adequate kennis van de Nederlandse of de Engelse taal, in ieder geval goed genoeg om op de arbeidsmarkt mee te kunnen draaien. Wat zijn dan de mogelijkheden, gelet op artikel 8 van het EVRM en de gezinsherenigingsrichtlijnen? Als je een verblijfsvergunning afhankelijk wilt maken van die eisen, zou je in ieder geval die obstakels uit de weg moeten ruimen. Is het de bedoeling dat een mvv pas wordt afgegeven nadat aan die eisen is voldaan, dus voordat iemand naar Nederland komt, of moeten zij na toelating binnen een bepaalde periode dat opleidingsniveau hebben? In het laatste geval zijn zij de poort al gepasseerd en moeten zij pas later aan de opleidingseisen voldoen. Zij zijn dan echter wel in Nederland en het kabinet weet dat als iemand eenmaal binnen is, hij nooit meer weggaat. Waarom zou zo’n eis dan niet worden gesteld voordat iemand naar Nederland komt? Ik wil hierbij graag refereren aan het systeem in Canada. Dat is een puntenstelsel, waarin opleidingseisen worden gesteld. Pas als iemand daar helemaal aan voldoet, kan hij naar binnen. Zou het kabinet daar een antwoord op kunnen geven?

Het kabinet heeft de ambassades geïnstrueerd alert te zijn op zaken van achterlating en huwelijksdwang. Dat is prima wat mij betreft, maar de vraag blijft ook hier welke sancties het kabinet oplegt aan landen die niet voldoende meewerken. Dezelfde vraag geldt overigens ook voor mensenhandelaren en mensensmokkel. Dat staat hier niet op de agenda, maar dat is hetzelfde punt. Ik kan me bijvoorbeeld moeilijk voorstellen dat je een ontwikkelingssamenwerkingsrelatie aanhoudt met landen die niet voldoende meewerken bij dat soort problemen.

We hebben het net al even kort over de neef/nicht-huwelijken gehad. We constateren dat het kabinet deze nu ook wil bestrijden. Ik kon het uit de tekst van de brief niet helemaal duidelijk opmaken, maar voor een goed begrip zou ik graag willen weten of dat voor iedereen geldt. Ik neem aan dat het kabinet daar nu op in kan gaan. Geldt het voor alle neef/nicht-huwelijken, dus ook alle neef/nicht-huwelijken die in Nederland zijn afgesloten? Of geldt het alleen voor neef/nicht-huwelijken met een buitenlandse partner of bij twee buitenlandse partners? Ik zou daarover graag opheldering willen.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik heb een vraag over de neef/nicht-huwelijken. Wat stelt de heer De Krom zelf voor? Moet het voor alle neef/nicht-huwelijken gelden, ook voor de Nederlandse, of vindt de heer De Krom het gerechtvaardigd om het alleen voor het buitenland te laten gelden?

De heer De Krom (VVD): Dat is precies de achtergrond van mijn vraag. Hierbij staat het gelijkheidsbeginsel, waar je natuurlijk op moet letten, tegenover het idee om de problemen op te lossen waar zij zich voordoen. Dat is precies het dilemma waarover ik het kabinet om opheldering vraag. Hoe gaat het kabinet hiermee om en mag ik daar de argumenten voor horen?

Polygame huwelijken worden in het buitenland gesloten en hier erkend. Dat moet stoppen. De regering zegt daar het een en ander over en ik zou daarvoor graag hele concrete stappen willen zien. Het kabinet wil ook naar zelfstandige woonruimte kijken. Dat is prima, laat maar onderzoeken wat daar de consequenties van zijn.

De repeteerhuwelijken kwamen zojuist al even ter sprake. Is dit inderdaad een probleem en, zo ja, hoe groot? Als dit een probleem is, zou de termijn voor een zelfstandige verblijfstitel wat ons betreft inderdaad moeten worden opgerekt naar tien jaar. Ik ga daar nu niet verder op in, maar wil alleen weten hoe groot dat probleem nu eigenlijk is.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik wil even weten of ik het goed begrijp. We hebben het over het verzelfstandigen van de partnerafhankelijke en partnergerelateerde verblijfsvergunning. We hebben de duur daarvan verkort met het oog op het belang voor de vrouwen die vastzitten in allerlei nare huwelijken. Dat hebben wij bewust gedaan. Zegt u nu dat we dat niet alleen moeten terugdraaien, maar zelfs moeten verlengen naar tien jaar?

De heer De Krom (VVD): Dat is precies wat ik zeg, op voorwaarde natuurlijk dat er daadwerkelijk een probleem is. Ik hoor dat er een probleem is. Als de heer Dijsselbloem mij zou vragen om feiten en cijfers kan ik hem laten weten dat ik die niet heb, vandaar ook mijn vraag aan het kabinet. Ik hoor echter uit verschillende hoeken en gaten dat er misbruik van deze regeling wordt gemaakt en dat er meerdere partners achtereenvolgens naar Nederland komen. Ik vind deze vraag heel serieus en daarom heb ik zojuist aan het kabinet gevraagd hoe groot dat probleem nu eigenlijk is. Ik stel voor dat je in de eerste tien jaar maar één partner naar Nederland mag halen en niet meer.

Voorzitter. Ik zal afronden en als u mij heel even de tijd geeft, beloof ik dat ik mij in mijn interrupties zal beperken. Ik stel voor de zelfstandige verblijfstitel op te rekken naar tien jaar. Dat hebben wij al eerder aangegeven, ook in een motie. Wat mij betreft, hebben mensen de eerste tien jaar ook geen recht op bijstand. We moeten naar een ingroeimodel voor de sociale zekerheid, maar tot nu toe hebben we nog geen concrete stappen van het kabinet gezien. Als je dat na die tien jaar allemaal gelijk zou trekken, zou dat mooi zijn. Ik zou graag van het kabinet willen weten waarom het daar niet voor is. Tot nu toe heb ik niet gehoord of het er voor of tegen is. Ik zou graag de argumenten daartegen willen horen.

Tenslotte wil ik ingaan op de Wet inburgering buitenland. Het voorstel is gedaan om de eisen op te trekken naar taalniveau A1. Ik wil graag mijn steun daarvoor geven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Voorzitter. Iedereen die in Nederland wil wonen, moet de Nederlandse taal leren en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven. Dat is geen moreel appel; dat is gewoon een harde eis. Mensen die zich niet voldoende inspannen, krijgen geen permanente verblijfsvergunning of worden teruggestuurd. Dat is de lijn die gevolgd dient te worden volgens Trots op Nederland. Voor veel mensen die hier al zijn, geldt dezelfde eis. Daar was de Wet inburgering namelijk voor bedoeld: voor al die mensen, een heel grote groep, die weigeren de Nederlandse taal te leren en weigeren zich te houden aan onze Nederlandse normen en waarden. Juist omdat die groepen zo groot zijn, waren er in de Wet inburgering sancties opgenomen zoals het weigeren van een permanente verblijfsvergunning, of het korten, binnen de socialezekerheidswetgeving, van oudkomers met een WW-uitkering die niet willen integreren, enz. Graag hoor ik van de minister welke sancties door PvdA minister Vogelaar niet uit de wet zijn gehaald.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb dit al vaker aan mevrouw Verdonk gevraagd, want ze lijkt het echt gemist te hebben. Door mevrouw Vogelaar is de Wet inburgering op meerdere punten gewijzigd. Een daarvan is dat de gemeentes voortaan vanaf dag een mogen handhaven. Dat was namelijk een weeffout in de wet van mevrouw Verdonk, dat de gemeentes pas na drie respectievelijk vijf jaar mochten handhaven. Mevrouw Verdonk heeft dus meegekregen dat gemeenten dankzij die wetswijziging nu vanaf dag een kunnen handhaven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Dat had ik inderdaad meegekregen, maar als niemand meer verplicht naar die cursus moet, hoeft er ook niet meer gehandhaafd te worden. Dan ben je gauw klaar. Ik stel dus nogmaals mijn vraag: welke sancties zijn door de PvdA, door minister Vogelaar, niet uit de wet gehaald?

De eigen bijdrage wordt niet meer geïnd. Dat was een stok achter de deur die nu gesloopt is door de PvdA, de gemeente Amsterdam. Dat is altijd het probleem met de PvdA: zij komt met een heldere notitie en een duidelijke probleembeschrijving, maar daarna met projecten, pilots, praatgroepen, prognoses en proefballonnetjes. Kortom, de PvdA pampert de allochtonen. Ik kijk de minister voor Integratie eens in de ogen en wil hem vragen of hij het daarmee eens is of dat hij echt de eerste is die deze lijn gaat wijzigen.

Uit de evaluatie blijkt dat de Wet inburgering precies doet wat ermee werd beoogd. Het is een eerste stap in de integratie en de inburgering, met belangrijke neveneffecten. Er wordt bewust nagedacht over partnerkeuze en de keuze om al dan niet naar Nederland te komen. Dat werkt goed binnen de uitvoerende en financiële kaders; een grote uitzondering op dit moment in Nederland. Er zijn geen noemenswaardige klachten. De instroom is tussen 2003 en 2007 gedaald met 37%. Het aantal ingewilligde aanvragen voor verlenging van de mvv is gedaald van 23 000 naar 11 000. Dat is meer dan 50%, ondanks alle tegenwerking van de PvdA. Wat een mooi resultaat. Wat hebben de ambtenaren van het ministerie van Justitie dat toch geweldig gedaan.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Misschien heeft mevrouw Verdonk nog meer niet meegekregen, maar wij hebben haar gesteund bij de Wet inburgering buitenland en hebben ervoor gestemd. Dat is misschien een kleinigheidje in de parlementaire geschiedenis dat haar is ontgaan.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): De heer Dijsselbloem denkt waarschijnlijk dat er geen debatten zijn in de Kamer. Als ik moest herhalen wat daar allemaal naar voren is gebracht en wat men daar allemaal heeft geprobeerd te wijzigen in die wet omdat het allemaal zo zielig was voor de mensen die hier naartoe wilden komen! Laten we het daar niet over hebben, mijnheer Dijsselbloem.

Nu hebben we een PvdA-staatssecretaris en een PvdA-minister hier aan tafel zitten. Gelukkig een andere minister dan minister Vogelaar, die in een halfjaar tijd het gehele integratiebeleid op tien jaar achterstand heeft gezet: het aantal gezinsvormers en gezinsherenigers is in 2008 naar 15 000 gestegen. Dat is een stijging, minister Van der Laan, van ruim 30% in een jaar. Ik zeg het maar tegen hem, want de staatssecretaris weet het allemaal al en ik heb niet het idee dat het haar echt interesseert. In de brief over de kabinetsaanpak staat dat het aantal gezinsvormers en gezinsherenigers in 2009 daalt of in ieder geval gelijk blijft. Het cijfer staat van juli tot en met juli op 9125. In 2008 waren het er 15 000, zoals ik al zei. Ik wil graag de cijfers van de IND die ik vanmiddag van de website heb geplukt, aan de voorzitter overhandigen. Daar staat dat er tot en met oktober al 23 110 mensen een aanvraag voor een mvv hebben gedaan. Ik krijg graag een toelichting op de cijfers van de staatssecretaris en hoor graag de mening van de minister voor Integratie hierover.

In de kabinetsplannen staat dat het niveau van het inburgeringsexamen buitenland wordt verhoogd van A1- naar A1 en dat een schriftelijke toets zal worden toegevoegd. Dat lijkt me prachtig, maar hoe zorgt de minister ervoor dat dit past binnen artikel 8 EVRM en de richtlijn gezinshereniging? Met andere woorden: is dit een reëel voorstel of gaat de minister, net als Denemarken, voor een opt-out? Dat zou ook een heel goed idee zijn. Het aantal gezinsherenigers stijgt in 2008, met 15 000 ingewilligde mvv’s. Het aantal mensen dat een inburgeringspakket aanvraagt, daalt van een kleine 8000 in 2007 tot een kleine 5000 in 2008. Hoe kan dat?

Op pag. 5 van de kabinetsaanpak staat dat een eventuele (toekomstige) hogere toestroom uit asiellanden Nederland voor nieuwe problemen zal plaatsen, ook omdat deze groepen mogelijk met grotere achterstanden te maken hebben. Is minister van der Laan het ermee eens dat de enige oplossing hiervoor is om een restrictief toelatingsbeleid te hanteren, en dan ook een echt restrictief toelatingsbeleid?

Op blz. 7 staat: «Het tegengaan van problemen die door de instroom van met name laagopgeleide huwelijksmigranten uit dergelijke omstandigheden kunnen voortvloeien, zoals taalachterstanden, aansluiting op de arbeidsmarkt, opvoedkundige problemen met kinderen, huiselijk geweld en schooluitval, vergt veel inspanningen van de Nederlandse samenleving en drukt op de openbare middelen en voorzieningen waaronder inburgering en hulpverlening.» Dat is een prachtige zin, die ik zo verzonnen zou kunnen hebben. Wat gaat de minister doen om dit soort problemen op te lossen?

In bijlage 3 komen de aanvullende maatregelen aan de orde. Er staan een aantal aanvullende maatregelen wat betreft de bestrijding van fraude en misbruik genoemd en op blz. 10 staat dat deze concreet worden vertaald in praktische maatregelen. Wanneer en hoe gaat dat gebeuren? Wie gaat dat doen? Wie voert bijvoorbeeld de adrescontroles uit? We hebben al bijna geen politie meer in Nederland en dit zal zij echt niet doen. Ik krijg graag een antwoord over wanneer, hoe en door wie.

Over de Europaroute wordt bij de bestaande maatregelen alleen maar melding gemaakt van onderzoek, onderzoek en onderzoek. Ik ben heel benieuwd naar het onderzoek van het WODC en de IND. Dat zou in het najaar komen, maar het is nu bijna winter. We zijn dus wel drie keer aan het lijntje gehouden. Wanneer komt dat onderzoek?

Als je als allochtone vrouw hier in Nederland leeft, word je niet echt gelukkig. Ook daarover wordt bij de aanvullende maatregelen alleen maar onderzoek gedaan. Daar ben je ook gauw klaar mee. Deze minister voor Integratie zit er nu een jaar. Wat mij betreft, is de lijn goed, zijn de woorden goed, maar moeten nu nog de daden verricht worden. Ik hoop dat hij daar vandaag mee begint door een aantal concrete en heldere antwoorden te geven, waarin hij ook concrete en heldere maatregelen beschrijft.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Zo’n vijf jaar geleden ben ik door Noordoost-Marokko gereisd, een prachtig en fascinerend gebied, maar ook arm en desolaat. We bezochten scholen waar kinderen nog op leien plankjes schreven. We zagen mensen in tenten wonen en hoorden dat een groot aantal mensen überhaupt niet naar school gaat, namelijk 40%. Ik vroeg mij toen af hoe het mogelijk is om de overgang te maken naar het moderne Nederland. Ik heb veel respect voor die mensen die het redden, maar helaas moet ik ook constateren dat een grote groep het niet redt. Ze hebben domweg te weinig in hun rugzak meegekregen om hun toekomst in Nederland goed op te kunnen bouwen. Ze komen terecht in een isolement. Toch zijn er ieder jaar opnieuw mensen die vanwege een huwelijk de stap nemen, vrijwillig of gedwongen. Overigens vind ik het wel belangrijk om aan het begin van dit overleg op te merken dat natuurlijk niet alle huwelijksmigranten uit moeilijke omstandigheden komen. Ook goedopgeleide migranten komen naar Nederland en vinden relatief probleemloos hun weg. Daarbij moeten we echter constateren dat de constante instroom van kansarme huwelijksmigranten de spankracht op veel plaatsen in onze samenleving te boven gaat. De inzet is dus, wat het CDA betreft, om te komen tot kansrijke migratie. Daarom betoogde het CDA vorig jaar bij de begroting dat er hogere eisen moeten worden gesteld aan huwelijksmigratie.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik zou graag van het CDA willen weten wat zijn doelstelling precies is. Hoeveel minder gezinsmigranten uit bijvoorbeeld Marokko – want mevrouw Sterk begint daarover – zou zij willen toelaten in Nederland?

Mevrouw Sterk (CDA): Ik ga het hier niet hebben over quota, want dat vind ik een onzinnige discussie. Waar ik het wel over wil hebben, is ervoor te zorgen dat mensen die wij toelaten ook oprecht een kans maken in de Nederlandse samenleving. Op dat punt hebben wij nog veel te doen. Ik ben heel blij dat de Wet inburgering buitenland, die uiteindelijk ooit door het CDA is voorgesteld, nu langzaam vruchten lijkt af te werpen. Er lijkt een licht positief effect te zijn, ook op de integratie van mensen in Nederland. Ik denk dat we gewoon eerlijk moeten zijn: als wij mensen de kans bieden om naar Nederland te komen, moeten wij er ook voor zorgen dat zij echt een kans maken.

Mevrouw Karabulut (SP): Daar ben ik het natuurlijk helemaal mee eens. Ook de SP vindt dat we deze mensen moeten voorbereiden, zodat ze die verantwoordelijkheid kunnen nemen, in tegenstelling tot wat decennialang onder andere door het CDA is gebeurd. Toen het deze mensen uit het Rifgebergte nodig had, heeft het CDA ze hierheen gehaald. Ze zijn ook zelf gekomen, maar de consequenties daarvan ondervinden we nu. Ik heb het over de cijfers van nu. Het aantal gezinsmigranten uit Marokko zit op 1000 in totaal. Mevrouw Sterk zegt dat zij dat nog te veel vindt. Kan zij concretiseren wat haar doel is op dat punt?

Mevrouw Sterk (CDA): Ik heb niet gezegd dat het te veel is, maar wel dat we nog steeds zien dat veel mensen het op deze manier niet redden. Wij willen dat mensen meer in hun rugzak krijgen, zodat ze het makkelijker redden in Nederland. Ik wil echt geen discussie over aantallen en bovendien zijn er meerdere landen waar je aan zou kunnen denken. Die worden ook in de nota van het kabinet genoemd. We zouden ook aan Azië kunnen denken, bijvoorbeeld de Filippijnen of Thailand. Ik vind het overigens dapper van het kabinet dat het ook dit probleem noemt: de Nederlandse mannen die hun bruiden uit die landen halen en hier in Nederland soms in bepaalde toestanden en omstandigheden laten leven. Wat dat betreft wil ik geen quotum, maar wel kwaliteit.

De heer Fritsma (PVV): Ik vind de CDA-fractie wel wat vaag over aantallen. De partner- en gezinsmigratie was vorig jaar ver boven de 20 000. Waarom zegt mevrouw Sterk niet gewoon dat dit veel is? Vindt het CDA dat te veel of niet? Mogen wij doorgaan met de partner- en gezinsmigratie op dit niveau? Ik krijg graag een helder antwoord.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik vind dat de PVV ook niet bepaald uitblinkt in heldere cijfers, maar dat terzijde. Wij willen de discussie voeren vanuit de inhoud en die is dat wij helaas moeten constateren dat er mensen zijn die het in Nederland niet redden. Dat noemen wij de kansarme migranten. Volgens mij zijn wij het op dat punt volkomen eens met elkaar. Als wij mensen toelaten of naar Nederland halen, willen wij graag dat zij die stap kunnen maken doordat ze voldoende in hun rugzak hebben om hun weg te vinden in de Nederlandse samenleving. De consequentie daarvan, namelijk dat er minder mensen naar Nederland komen, aanvaarden wij ook, niet omdat we mensen koste wat kost willen weigeren, maar omdat wij zien dat de spankracht van de samenleving deze groep op dit moment niet aankan en dat deze mensen en hun kinderen het bovendien zelf ontzettend moeilijk hebben in deze samenleving.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mevrouw Sterk hamert er erg op dat mensen voldoende in hun rugzak moeten hebben. Het kabinet is dat met haar eens. Het kabinet zegt dat het niveau A1 moet worden en dat er een schriftelijke toets bij de inburgering buitenland moet komen. Denkt mevrouw Sterk dat dit te realiseren is binnen het EVRM en de richtlijn gezinshereniging? Wat verwacht zij van het kabinet?

Mevrouw Sterk (CDA): Het is interessant dat mevrouw Verdonk dat vraagt, want in Duitsland is het blijkbaar wel te regelen. Duitsland stelt deze eis en heeft zich ook gehouden aan het EVRM. Blijkbaar is het dus in ieder geval voor Duitsland mogelijk om deze eis te stellen. Ik ga ervan uit dat het kabinet dit heeft onderzocht en niet zomaar deze eis stelt.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mevrouw Sterk gaat ervan uit. Hoe belangrijk is dit punt voor het CDA als het niet zo blijkt te zijn?

Mevrouw Sterk (CDA): Ik ga niet in op als-dan-vragen. Ik ga ervan uit dat het kabinet het goed heeft bestudeerd. Ik zie in de stukken die we hebben gekregen, en die mevrouw Verdonk ook heeft kunnen lezen, dat het in Duitsland mogelijk is. Volgens mij gaat Duitsland op dit punt zelfs nog iets verder dan Nederland. Ik zou graag willen dat het kabinet ingaat op de reden waarom wij niet zo ver gaan als Duitsland, als mijn taxatie tenminste juist is. Ik zie eerlijk gezegd niet waarom Duitsland dat wel zou kunnen doen en wij niet, want we hebben met hetzelfde EVRM te maken.

Vorig jaar hebben wij bij de begroting betoogd dat er hogere eisen moeten worden gesteld aan huwelijksmigratie, omdat de draagkracht van de samenleving onder druk staat. Mijn collega Madeleine van Toorenburg heeft samen met collega Dijsselbloem een motie hierover ingediend om een groot aantal zaken te onderzoeken. Het antwoord daarop vinden we vandaag terug in de kabinetsbrief. Ik vind dit een stevige, dappere en reële brief. Niet eerder durfde een kabinet zo ver te gaan om in te zetten op kansrijke migratie. Men erkent volmondig de problemen en komt met gewaagde maar, in onze ogen, broodnodige oplossingen. Complimenten daarvoor.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik vind het altijd fascinerend dat het CDA mensen met heel veel hersenen en ook laagopgeleiden wil zien als ze die nodig hebben, maar hen eruit willen schoppen als ze niet meer nodig zijn. Mevrouw Sterk heeft het over de spankracht van de samenleving en zij zegt dat zij alleen kansrijke migranten, en daaronder verstaat zij hoogopgeleide migranten, wil toelaten. Hoe zit het dan met de arbeidsmigranten uit Oost-Europa? Wat de aantallen betreft, is het aantal gezinsmigranten met 50% afgenomen en het aantal arbeidsmigranten met 95% gestegen.

De voorzitter: Mevrouw Karabulut, ik zou het prettig vinden als we het een beetje bij het onderwerp houden. We hebben vorige week een uitgebreid algemeen overleg gehad over deze onderwerpen. Ik wil u natuurlijk niet de mond snoeren, maar ik vraag u wel om een korte vraag te stellen die gaat over het onderwerp van vandaag.

Mevrouw Sterk (CDA): Om te beginnen werp ik de kwalificaties van de SP in de eerste vraag verre van mij. Eerlijk gezegd vind ik deze zelfs ongepast. Ik trek me dat wat mijn partij betreft dan ook niet aan.

Wat betreft de arbeidsmigratie zien wij ook problemen. Ik heb laatst in een artikel geschreven dat mensen die naar Nederland komen in het kader van arbeidsmigratie, niet ook zomaar een beroep op de sociale zekerheid mogen doen. Ook wij zijn van mening dat deze mensen de taal moeten leren om te voorkomen dat we over dertig jaar dezelfde discussie hebben over de Polen als we nu hebben over de voormalige gastarbeiders.

Mevrouw Karabulut (SP): Mevrouw Sterk sprak over de spankracht van de samenleving en zei dat de wijken en de buurten het allemaal niet meer aankunnen. Daarnaast heeft zij het over arbeidsmigranten. Zou zij samen met de SP bijvoorbeeld de tewerkstellingsvergunning weer willen invoeren om werkgevers te verplichten dat hun werknemers de taal moeten leren en in te stellen dat werkgevers de cursus moeten betalen?

Mevrouw Sterk (CDA): De werkgevers mogen inderdaad meer aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid om niet alleen een baan te bieden, maar om er ook voor te zorgen dat mensen scholing krijgen. Wat betreft de tewerkstellingsvergunning merk ik op dat we vrij verkeer in Nederland hebben. We weten echter ook dat je hier alleen mag komen werken als je in je eigen onderhoud kunt voorzien. Als je dat niet kunt wanneer je vijf jaar in Nederland verblijft en als je een beroep doet op een bijstandsuitkering, moet je in principe teruggestuurd worden naar het land waar je vandaan komt. Ik zie de tewerkstellingsvergunning niet als een onmiddellijke noodzaak.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Is mevrouw Sterk op de hoogte van het feit dat in bepaalde wijken heel veel problemen ontstaan, omdat heel veel Polen hun gezinnen laten overkomen en opnieuw beginnen met allerlei taal- en inburgeringsproblemen?

De voorzitter: Ik wil u er nogmaals op wijzen dat dit algemeen overleg niet over dit onderwerp gaat, hoewel u de tijd tot acht uur hier natuurlijk best aan kunt besteden. Ik vraag u echter zich enigszins aan de agenda te houden, want het is prettig als we antwoord kunnen krijgen van het kabinet.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mijn vraag gaat gewoon over gezinshereniging, maar dan over Polen. Dat is het onderwerp van vandaag.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik kan het mevrouw Verdonk niet kwalijk nemen dat zij in haar eentje niet bij elk overleg aanwezig kan zijn. Wij hebben al een aantal moties ingediend om de inburgeringseisen ook aan onze Europese medeburgers te stellen, juist om te voorkomen, zoals ik net zei, dat we over dertig jaar dezelfde discussie hebben als we vandaag voeren.

De heer Fritsma (PVV): De CDA-fractie weet toch wel dat EU-burgers zoals Polen niet inburgeringsplichtig zijn? Waarom heeft het CDA dan zo snel ingestemd met de openstelling van de arbeidsmarkt voor deze mensen? Je weet toch van tevoren dat het EU’ers zijn? Je weet toch van tevoren dat het op deze problemen uitloopt? Toch heeft de fractie van het CDA de arbeidsmarkt wagenwijd opengegooid.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik stel vast dat wij dat niet onmiddellijk hebben gedaan, maar dat wij juist een pas op de plaats hebben gemaakt voordat we de grenzen hebben opengesteld. Ik stel ook vast dat wij in ieder geval ook steeds de partij zijn geweest die heeft gewaarschuwd voor problemen, ook bij de inburgering. Dat kunt u mijn partij niet verwijten.

Uit de evaluatie van de inburgering in het land van herkomst die we vandaag bespreken, blijkt dat het een redelijke eis is om het niveau te verhogen naar niveau A1. Ik heb net al de vraag gesteld over Duitsland. Overigens laat de evaluatie een voorzichtig positief resultaat zien. Er blijkt een positieve werking uit te gaan van het volgen van deze cursus op de inburgering in Nederland. Dat is natuurlijk een fantastisch resultaat. Daar hebben we vier jaar geleden heel veel discussie over gehad, herinner ik mij.

De CDA-fractie is een groot voorstander van diploma-eisen. Deze eisen kunnen gesteld worden aan personen die in Nederland wonen, maar ook aan de voorkant, dat wil zeggen als zij naar Nederland willen komen. Ik hoor graag van het kabinet de reden waarom het niet heeft gekozen voor een diploma-eis voordat mensen naar Nederland kunnen komen. Dat zou namelijk heel eenvoudig zijn bij de maatregelen die we moeten nemen in Nederland. Daar heb je geen infrastructuur voor nodig. Het kabinet kiest echter voor een tienjarige leerplicht. Daar kunnen wij ons wel iets bij voorstellen, want iedereen in Nederland gaat inmiddels minimaal tot zijn zestiende naar school. Het gebeurt volgens ons ook te vaak dat de man zijn baan verliest en dat de vrouw dan pas begint met een vorm van scholing, zodat zij tussentijds afhankelijk zijn van de sociale zekerheid. De CDA-fractie zou nog een stap verder willen gaan door een levenslange kwalitatieve leerplicht tot het niveau van een startkwalificatie met een hardheidsclausule te introduceren. Immers, zonder deze startkwalificatie kan je geen baan vinden. Kan het kabinet daarop ingaan? Kan de minister aangeven waarom hij zijn voorstel van de tienjarige leerplicht juridisch haalbaar vindt?

Het kabinet wil ook de positie van de referent aanscherpen. Wat ons betreft zou deze nog wel wat verder aangescherpt kunnen worden. Het betekent namelijk ook dat iemand moet zorgen voor zelfstandige woonruimte. Ook zou de referent meer kosten moeten kunnen dragen. Geldt dat ook voor de tienjarige leerplicht die wordt ingesteld? Betekent dit dat de kosten van de leerplicht voor rekening komen van de referent of in ieder geval van het gezin?

De minister stelt ook voor om de neef/nicht-huwelijken te verbieden. Dat is al enige jaren een hartenkreet van ons. Het is een middel om gedwongen huwelijken tegen te gaan en daarnaast heeft het ook nog een aantal neveneffecten op medisch gebied. Niettemin maakt het kabinet een uitzondering mogelijk via de rechter. Kan het kabinet aangeven waarom het dat doet? Hierbij wil ik graag voortborduren op het punt van de VVD: geldt het voor nichten en neven in het buitenland of geldt het ook voor Nederland? Is het überhaupt mogelijk om die splitsing te maken? Probeert het kabinet die mogelijkheid te bieden door de clausule om dat via de rechter te laten lopen? Kan het kabinet aangeven hoe die mogelijkheid eruit gaat zien? Hoe lang moet je samen zijn om toestemming te kunnen krijgen om te mogen trouwen? Ik begrijp dat men op basis van deze vorm mogelijk toch nog zou kunnen trouwen met een neef of nicht.

De heer Dibi (GroenLinks): Hoe ziet mevrouw Sterk de uitvoering van de controles op neef/nicht-huwelijken precies voor zich?

Mevrouw Sterk (CDA): De heer Dibi gaf zojuist een interessante suggestie! Ik ben niet onmiddellijk voor een DNA-test als dat niet nodig is, maar ik zou me er wel iets bij kunnen voorstellen. Graag een reactie hierop van het kabinet.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil toch een uitgebreider antwoord van mevrouw Sterk. Moet er in het buitenland een bloedtest worden afgenomen of moet dat in Nederland gebeuren en, zo ja, hoe gaan we dat precies doen? Hoe ziet zij dat voor zich? Zij zei dat het een hartenkreet was van het CDA, dus zij heeft daar vast over nagedacht.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik kan me voorstellen dat daarvoor op de ambassade maatregelen worden genomen of dat er gebruik wordt gemaakt van een DNA-test, zoals de heer Dibi net suggereerde.

Ik vind het goed dat het kabinet polygame huwelijken wil tegenhouden. Ik kreeg net het bericht dat er in Nederland 1374 polygame huwelijken geregistreerd staan. Dat lijkt mij een enorm aantal; des te meer reden om dat aan te pakken.

Verder wil het kabinet scherper toezien op misbruik van regelingen. Dat is ook heel goed. Stel dat iemand binnen een jaar niet meer voldoet aan het middelenvereiste waarop het kabinet wil controleren, betekent dit dan dat de partner wordt teruggestuurd? Raakt hij zijn verblijfsvergunning kwijt of krijgt de referent alleen een boete? Wat ons betreft moet dat eigenlijk gewoon een einde betekenen aan de verblijfsvergunning van die persoon.

In de brief wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten verblijfsvergunningen. Zo hebben asielmigranten bijvoorbeeld soms een tijdelijke verblijfsvergunning. Op dit moment vindt veel gezinsmigratie ten gevolge van asielmigratie plaats uit Irak en Somalië. Volgens de jurisprudentie is er geen recht op domiciliekeuze. Als bij de aanvraag tot verlenging blijkt dat de situatie in het land van herkomst veilig of veiliger is geworden, zou wat ons betreft geen gezinsvorming mogen worden toegestaan. Ik wil graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

In bredere zin vindt de CDA-fractie het ook belangrijk om te komen tot Europees beleid, zeker als het gaat om de Europaroute. Krijgen wij de resultaten van het onderzoek daadwerkelijk voor kerst toegestuurd?

Vandaag hebben wij ook een nagezonden brief van het kabinet gekregen over de uitvoering van de motie-Van de Camp. Wij zijn nog niet helemaal tevreden met de reactie van het kabinet, maar we zullen daarop later terugkomen. De staatssecretaris kondigt een onderzoek aan om te weten te komen hoe vaak deze groep vreemdelingen een beroep doet op de sociale zekerheid. Wij vinden het gek dat iemand die hier nooit een kwartje heeft verdiend, toch op kosten van de samenleving allerlei zorg kan krijgen om hier ouder te worden. Ik krijg hierop graag een reactie.

Veel van wat het kabinet zich voorneemt, moet nog onderzocht worden. Kan het kabinet ons informeren op welke termijn het verwacht dat de verschillende onderzoeken zijn afgerond? Het is namelijk zaak om haast te maken. De samenleving staat onder druk en wij moeten naar een selectief immigratiebeleid.

De heer Fritsma (PVV): Mevrouw Sterk sloot haar betoog af met de term «een selectief immigratiebeleid». Dat kun je de Europaroute niet noemen. Partnermigranten komen gewoon binnen en kunnen verblijfsrecht krijgen zonder aan een enkele toelatingseis te voldoen. Hoe staat het CDA daar tegenover? Ik heb mevrouw Sterk daar niet over gehoord.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik neem aan dat de heer Fritsma op de Europaroute doelt?

De heer Fritsma (PVV): Daar doel ik op.

Mevrouw Sterk (CDA): Daar heb ik vier jaar geleden al allerlei debatten met de toenmalige minister over gevoerd en toen heb ik dat aan de kaak gesteld. Wij vinden dat gewoon niet kunnen. Dit geeft ook het belang aan van een beleid op Europees niveau. Ik vind dat veel van wat hier nu wordt aangekondigd, ook op Europees niveau geregeld moet worden en ik vind dat het ook niet meer mogelijk zou moeten zijn op die manier.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb herhaaldelijk moties ingediend om de Europaroute te sluiten. De CDA-fractie heeft geen enkele keer zo’n motie gesteund. Mevrouw Sterk voegt de daad weer niet bij het woord. Zij zegt wel hierop tegen te zijn, maar de CDA-fractie geeft niet thuis als het er bij de stemmingen op aankomt. Dan hebben we helemaal niets aan het CDA, werkelijk helemaal niets. Het blijft bij praatjes en mooie woorden maar daadkracht, ho maar.

Mevrouw Sterk (CDA): Mijnheer Fritsma, weet u wat soms het vervelende met de PVV is? De PVV benoemt soms wel terecht problemen, maar de oplossingen zijn wel kort door de bocht. Dat geldt hier ook voor. We kunnen niet zeggen dat het probleem is opgelost als we de route sluiten. Dat zouden we wel willen. Een motie indienen met de vraag hoe we de Europaroute kunnen sluiten, lijkt mij overbodig, want daar is het kabinet al mee bezig.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik herinner mij het appel van het CDA in een andere periode van mijn leven. Toen waren er al allerlei praktische afspraken tussen de IND en de immigratiedienst in België en was er al heel veel aan de gang. Hoe komt het dat dit allemaal tot stilstand is gekomen, nu al drie jaar?

Mevrouw Sterk (CDA): Dat het tot stilstand is gekomen is uw conclusie. Feit is in ieder geval dat die mogelijkheid er nog steeds is. Het is blijkbaar heel taai, want ik twijfel niet aan de wil van het kabinet om de route te stoppen. De route zomaar stoppen kan echter niet. Dat moet de heer Fritsma toch ook erkennen, want ook hem is het niet gelukt om die route te stoppen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mevrouw Sterk wil mijn vraag niet horen. Er was al heel veel praktische samenwerking tussen de immigratiediensten. Op de een of andere manier lijkt het toch zo te zijn dat je daar als verantwoordelijke politica druk op moet zetten en daar ook mee door moet willen gaan. Dit kabinet komt nu weer met een onderzoek en mevrouw Sterk wil dat graag voor kerst hebben. Er staat in de brief dat we het in het najaar zullen krijgen. We hadden het al twee keer eerder moeten krijgen. Is mevrouw Sterk van mening dat het kabinet het er gewoon bij heeft laten zitten wat betreft de Belgiëroute?

Mevrouw Sterk (CDA): Mevrouw Verdonk verwijt mij dat ik de vraag niet begrijp, maar volgens mij is ze het gewoon niet eens met mijn antwoord. Ik zie dat het kabinet alles op alles zet om de route te stoppen, maar sommige zaken zijn een stuk ingewikkelder zijn dan Trots op Nederland en misschien ook wel de PVV zo vaak voorspiegelen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Voorzitter. Vijf jaar geleden, toen ik ook al woordvoerder was, zijn er maatregelen ingevoerd om voorwaarden aan huwelijksmigratie te verbinden. Die hadden betrekking op de inkomensgrens, de leeftijdsgrens en de Wet inburgering buitenland. Alweer een aantal maanden geleden hebben we de motie-Van Toorenburg/Dijsselbloem aangenomen om alle evaluaties eens bij elkaar te pakken en te komen met een samenhangend verhaal. Dat bespreken we nu vandaag. Het onderwerp huwelijksdwang wordt binnenkort in een apart overleg besproken, dus ik zal daar vandaag relatief weinig over zeggen. We hebben daar inmiddels ook eigen voorstellen over gepresenteerd. Mijn collega Arib heeft dat gedaan.

Het kabinet stelt de problematiek voortvloeiend uit de huwelijksmigratie duidelijk in het teken van de achterblijvende integratie van de huwelijksmigrant, de achterstanden van hun kinderen en de spankracht van de Nederlandse samenleving. Het komt nu met een aantal nieuwe maatregelen, zoals het verhogen van het niveau van het inburgeringsexamen, een alfabetiseringstoets gekoppeld aan het examen en zelfs de introductie van een nieuwe vorm van leerplicht. Het kabinet zet verder zwaar in op het bestrijden van gedwongen huwelijken, polygamie en fraude en wil nieuw gesloten neef/nicht-huwelijken niet meer accepteren als grond voor toelating.

Voor de PvdA geldt dat aanhoudende huwelijksmigratie een rem op het integratieproces is. We hebben dat al in onze integratienota uit 2003 verwoord en in de integratieresolutie herhaald. Dat betekent niet dat huwelijksmigratie wat ons betreft onmogelijk moet worden, maar wel dat we gerichte voorwaarden moeten durven stellen waardoor de kans op een zelfstandig bestaan van de komende partner aanmerkelijk verbetert. In tegenstelling tot voor anderen is voor ons het doel nooit geweest om huwelijksmigratie zo veel mogelijk af te knijpen.

In 2004 steunden wij de invoering van de Wet inburgering buitenland. Ik herinnerde mevrouw Verdonk daar al aan. Wij vonden en vinden het legitiem om van mensen die vrijwillig kiezen voor een toekomst in Nederland te verlangen dat zij zich terdege voorbereiden op dat nieuwe land. De invoering en uitvoering van de wet is heel soepel verlopen, dat moet vastgesteld worden. De ambassades verdienen ook een compliment voor de wijze waarop ze dat hebben gedaan. De onderzoekers en de evaluatie laten zien dat door deze wet de nieuwkomers enigszins voorbereid, zelfredzaam en gemotiveerd naar Nederland komen. Het effect op de taalbeheersing is duidelijk, zij het dat het niveau zeer laag is, aansluitend bij de lage eisen van het examen. Het latere effect op participatie in onderwijs of werk is nog niet meetbaar. Daarvoor is er nog te weinig uitstroom uit de daarop volgende inburgering in Nederland. Het slagingspercentage bij de Wet inburgering buitenland ligt zeer hoog: rond de 90%. Het aantal huwelijksmigranten is gedaald en trekt vanaf 2008 weer wat aan. Het kabinet wil nu de winst die te behalen is in termen van taalbeheersing verhogen door de exameneisen op te krikken. Gegeven de slagingspercentages is daar zeker ruimte voor en wij steunen dat dan ook.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik hoor de heer Dijsselbloem zeggen dat een grote gezinshereniging en gezinsmigratie in het algemeen een rem op het integratieproces is. Hij constateerde daarnet nogal laconiek dat het aantal in 2008 en 2009 weer stijgt. Is hij daar gelukkig mee?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb duidelijk gezegd dat het wat ons betreft niet om aantallen gaat, maar om het succes van de mensen die naar Nederland komen met succesvolle integratie en een eigen, zelfstandig bestaan. Daarom was ik geïnteresseerd in de evaluatie, want de cijfers kregen we om het halfjaar wel. Het effect dat mevrouw Verdonk wenst, namelijk dat het naar nul moet, kan met die cijfers worden gemeten. Ik was geïnteresseerd in de vraag of dit eraan heeft bijgedragen dat de mensen die wel worden toegelaten, zich daadwerkelijk een betere positie verwerven: spreken ze beter Nederlands? Gaat het beter met de inburgering? Er is enig effect, daarin moeten we duidelijk zijn, maar het is allemaal nog heel, heel beperkt.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Iemand die voldoet aan alle voorwaarden zowel in het buitenland als in Nederland en meedoet aan de samenleving, is wat betreft Trots op Nederland welkom. Ik begrijp echter dat het de PvdA helemaal niet uitmaakt hoeveel mensen op basis van gezinsmigratie ons land binnen komen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De spankracht van de samenleving kun je op twee manieren ontlasten, enerzijds door het cijfer omlaag te brengen of de grenzen dicht te doen – dat kan, maar dat is niet onze keuze – en anderzijds door te zeggen dat huwelijksmigratie toegestaan is en dat mensen het recht hebben om die keuze te maken, maar dat we wel willen dat die mensen vervolgens succesvol zijn in Nederland. Je kunt er ook voor zorgen dat mensen die in het kader van huwelijksmigratie nog wel worden toegelaten, aan bepaalde haalbare maar wel effectieve eisen moeten voldoen. Dat heeft mevrouw Verdonk beoogd met de wet. Ik kan mij herinneren dat zij altijd heeft gezegd dat het haar niet om de cijfers maar om het effect ging. Ik was het daar altijd mee eens. Misschien denkt zij daar nu anders over, maar dat was toen haar redenering. Ik ben dus geïnteresseerd in het effect. Het effect is er, zeggen de onderzoekers, maar het is heel klein en het kabinet zegt dat er meer in zit. We moeten ervoor zorgen dat mensen beter voorbereid naar Nederland komen, onder andere door het inburgeringsexamen in het buitenland.

De PvdA is er verheugd over dat haar voorstel van destijds om ook te kijken naar de mogelijkheid van een opleidingseis, dat mensen op zijn minst gealfabetiseerd zijn in hun eigen taal, nu wordt ingevoerd en wordt gekoppeld aan het inburgeringsexamen buitenland. Dat wordt er aan toegevoegd. Toen was het juridisch oordeel van de toenmalige minister dat dit niet mogelijk was. Ik ga ervan uit dat dit inzicht nu blijkbaar is veranderd. Misschien kan de minister daar iets over zeggen. De vraag is of de alfabetiseringseis ook hoger zou kunnen. Ik ging toen op dat niveau zitten, maar waar ligt de grens van wat binnen het EVRM haalbaar en toelaatbaar is? Ik wil graag een reactie daarop.

Verder bepleiten de onderzoekers twee vragen die ik zou willen overnemen. De eerste betreft het verbeteren van voorbereiding bijvoorbeeld door uitbreiding van het oefenpakket. Daarnaast hebben zij ook opmerkingen gemaakt over de kwaliteit van cursussen waar we niet helemaal aan voorbij moeten gaan. De tweede vraag betreft de procesmatige en inhoudelijke aansluiting op de inburgering die daarna volgt in Nederland. Ik wil graag een reactie van de minister op deze twee aanbevelingen van de onderzoekers.

Mede op basis van de evaluatie stelt de minister een hardheidsbepaling voor. Wanneer het Wib-vereiste zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard kan de minister daar een uitzondering voor maken. Dat is prima.

Het punt van de verhoogde inkomensgrens hebben wij niet gesteund. Dat was het enige punt waarop mevrouw Verdonk gelijk had. Wij vinden een onderhoudsplicht uitstekend. Dat is legitiem, maar een verdere verhoging leidt ertoe dat alleen mensen met een beter inkomen een huwelijkspartner zullen kunnen halen en mensen met een laag inkomen niet. In de evaluatie zie ik nauwelijks argumenten om te zeggen dat de inkomensgrens een goed effect heeft gehad. Ik stel daarom voor om terug te gaan naar het oude niveau, de oude onderhoudsplicht. Het enige zelfstandige effect van de hogere inkomensgrens is het uitstel van de overkomst van de partner. Dat effect wordt echter ook al bereikt door het verhogen van de leeftijdsgrens. Daarmee bereik je dat namelijk heel direct. Mensen mogen immers pas op hun 21ste komen. Ook in dat opzicht heeft de verhoogde inkomensgrens dus geen extra meerwaarde.

Het kabinet wil de erkenning van huwelijken vanaf 15 jaar ter discussie stellen op basis van de openbare orde en de goede zeden. Is het nodig om daarvoor verdragen te wijzigen? Het openbare-ordecriterium staat immers al in verdragen? Kan Nederland niet eenvoudigweg zelf zeggen dat het dit type huwelijken – en dat geldt ook voor polygame huwelijken – niet meer erkent op basis van het openbare-ordecriterium dat al in het verdrag staat? Ik wil graag weten of het verdrag daarvoor gewijzigd moet worden en, zo ja, of dat onmiddellijk kan.

Ik kom even terug op de opmerking van de heer Fritsma. Als veel mensen inderdaad heel veel partners achter elkaar halen, hebben we natuurlijk een probleem. De heer Fritsma heeft in zijn nota een voorbeeld gegeven en de heer Dibi was zo goed om dat op te zoeken. Ik heb een vraag over dat voorbeeld, want ik kan niet beoordelen of het reëel is of verzonnen. Er wordt gesuggereerd dat in een heel korte tijd achter elkaar partners worden gehaald en dat dit vanaf de jaren zeventig speelt. Het staat mij bij dat er toen nog een partnerafhankelijke verblijfsvergunning voor vijf jaar was. Wat hier staat, namelijk dat om de drie jaar een nieuwe partner werd gehaald, zou volgens de wet van toen niet kunnen. Ik zou graag willen dat het kabinet reageert op het realiteitsgehalte van dit voorbeeld. Als iemand toentertijd binnen vijf jaar zijn partner verliet, moest die partner terug.

De heer Fritsma (PVV): Je kunt de relatie natuurlijk na drie jaar verbreken. Dan zou de partner in feite terug moeten. De heer Dijsselbloem moet het kabinet echter vragen hoe vaak dat daadwerkelijk gebeurt. Heel vaak wordt de verblijfsvergunning niet ingetrokken met een beroep op artikel 8 EVRM. Zelfs als de relaties worden verbroken binnen de periode waarin er geen zelfstandig verblijfsrecht is, geldt nog steeds dat de mensen vaak niet teruggaan naar hun land van herkomst, hoewel dat wel zou moeten. Dat is een relevante vraag en die zou ik bij dezen ook graag aan het kabinet willen stellen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dan schuiven wij die vraag nu door naar het kabinet. Ik stel echter vast dat het aantal malen en het tempo waarin het al dan niet fictieve voorbeeld zich voordoet grote vragen oproept, omdat de mensen nog duidelijk in de partnerafhankelijke periode zitten en helemaal geen zelfstandig verblijfsrecht hebben. Maar goed, we schuiven die vraag door. Het ene voorbeeld dat de heer Fritsma geeft, moet natuurlijk wel op zijn realiteitsgehalte worden beproefd.

De voorzitter: De heer Fritsma heeft zijn twee reacties op dit punt gehad, maar dit is natuurlijk wel een beetje uitlokking. Ik geef de heer Fritsma toch nog even kort het woord.

De heer Fritsma (PVV): De PvdA zet vraagtekens bij het waarheidsgehalte van het voorbeeld dat ik heb gegeven. Dat is op zichzelf al een ongegronde aanval. De heer Dijsselbloem moet zijn realiteitszin laten spreken. Bovendien is mijn vraag helder. Ik wilde de feiten boven water hebben en daarom heb ik het kabinet maanden geleden al gevraagd hoe vaak dit voor komt. Het kabinet heeft daar geen antwoord op gegeven. De PvdA moet de PVV helpen in de jacht op de cijfers, maar dat heeft zij tot nu toe nog nooit gedaan. Ik zal het kabinet wellicht in een motie vragen om een grootschalig onderzoek te doen om de cijfers boven water te halen. Daarbij verwacht ik steun van de heer Dijsselbloem, anders kan ik mijn punt inderdaad niet bewijzen dat het kabinet niets, maar dan ook niets, bijhoudt. Ik kan het kabinet niet controleren als het zelf geen relevante gegevens bijhoudt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik ben bereid dat te doen, maar dan wil ik een afspraak maken met de heer Fritsma dat hij voortaan, voordat hij grote woorden gebruikt en aantallen suggereert die hij zelf niet kan onderbouwen, de volgorde omdraait en eerst vraagt naar de feiten, bijvoorbeeld door te zeggen: het schijnt dat dit voorkomt; kan de minister mij laten zien hoe vaak het voorkomt? Nu doet hij het andersom. Hij zegt dat er een groot probleem is, dat de grenzen openstaan en dat het om duizenden gevallen gaat en daarna zegt hij dat hij geen cijfers heeft en vraagt hij of hij die cijfers kan krijgen. Als we daar een afspraak over kunnen maken, denk ik dat we het debat een stuk feitelijker kunnen laten verlopen.

De voorzitter: Ik stel voor dat we hier geen tweegesprek van maken. De heer Fritsma heeft een vraag gesteld en de heer Dijsselbloem heeft daar antwoord op gegeven. Daar kunt u in tweede termijn op terugkomen.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik heb een korte vraag voor de heer Dijsselbloem met betrekking tot het verhogen van het niveau en het toevoegen van een schriftelijke toets, zoals het kabinet voorstelt. U zegt terecht dat in het rapport staat dat de effecten van de Wet inburgering buitenland op de integratie en emancipatie eigenlijk nog niet bepaald kunnen worden omdat het te vroeg is. Vindt u ook dat we dat in ieder geval zouden moeten weten? Ook wijst de evaluatie uit dat een grote groep mensen die lager- of middelbaar zijn opgeleid, zou worden uitgesloten als je de eisen onder de gegeven omstandigheden zou aanpassen. Vindt u ook dat de infrastructuur ook moet worden geregeld als je dat verhoogt?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb in eerdere debatten al gezegd dat analfabetisme niet een soort ziekte is die je niet kunt overwinnen. Er is wat aan te doen. Je kunt van mensen vragen om zich wat betreft onderwijs voor te bereiden op de grote tocht naar Nederland, zal ik maar zeggen. Is Nederland dan verantwoordelijk voor de infrastructuur? Dat denk ik niet. We kunnen niet in heel de wereld opleidingsinstituten op gaan zetten. De onderzoekers hebben de suggestie gedaan om meer te doen aan het aanbod van oefenexamens en oefenpakketten of om deze uit te breiden. Dat gaat niet zo ver, maar het lijken mij in principe zinvolle suggesties. Ik heb hierover al een vraag gesteld aan de minister.

De onderzoekers zeggen inderdaad dat er een effect te zien is, maar dat het effect qua taalbeheersing heel klein is omdat we nu eenmaal heel lage eisen stellen. Je zou kunnen zeggen dat we eerst meer effect moeten meten, maar dat meet je natuurlijk pas op het moment dat je de eisen durft te verhogen. De onderzoekers zeggen dus dat het systeem wel werkt, maar dat je slechts een heel klein effect meet omdat de eisen die we stellen heel laag zijn. Naar aanleiding van die redenering steun ik de verhoging van de eisen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Denkt de heer Dijsselbloem dat de hogere eisen vallen binnen het EVRM en de richtlijnen?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Daar heb ik net een vraag over gesteld aan het kabinet. Ik kan mij herinneren dat wij deze discussie ook al eerder hebben gehad. Toen was mevrouw Verdonk minister. Zij wilde niet verder gaan en wilde geen hogere eisen stellen omdat ze zei dat het niet kon. Blijkbaar weten we nu meer, want er is ook gerefereerd aan ervaringen in Duitsland. Het kabinet zegt nu dat het wel kan. Er zit nog ruimte voordat we het fundamentele recht van gezinsvorming aantasten en ik denk dat we die ruimte moeten benutten om mensen op een hoger niveau te brengen voordat we mensen in Nederland toelaten.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik stelde een vraag aan de heer Dijsselbloem als PvdA-Kamerlid en vroeg hem of hij denkt – en niet of de rest van de wereld denkt – dat de verhoging van de eisen past binnen de EVRM en de richtlijnen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat dit niet zou kunnen.

Over het onderwerp neef/nicht-huwelijken hebben wij lang zitten dubben. Dat heeft te maken met de discussie over hoe groot de gezondheidsrisico’s zijn, welke winst daar nog te behalen is door middel van voorlichting, etc. Gegeven de cijfers die in de brief worden genoemd, namelijk dat ook onder Marokkaanse en Turkse Nederlanders op dit moment naar schatting nog 25% binnen de familie trouwt en gezien de effecten daarvan op bijvoorbeeld de problematiek in Amsterdam, waar door de wethouder is gewezen op de problematiek van de mantelzorg, willen wij in principe het verbod op neef/nicht-huwelijken steunen. Wij hebben wel een aantal vragen, die ook door anderen al zijn opgeworpen, over de handhaafbaarheid. Dit zal namelijk nog wel wat vergen in de uitvoering. Ik denk dat het kabinet daar een goed verhaal over moet hebben. Deskundigen zeggen dat het juridisch niet kan. Dat snap ik dan weer niet. Wij begrijpen namelijk dat in meerdere EU-landen een verbod op neef/nicht-huwelijken bestaat. Blijkbaar kan het in die landen juridisch gezien wel. Waarom zou het hier niet kunnen? Het is een beetje een cirkelredenering, maar goed, ook de juridische deskundigen verdienen een antwoord.

De voorzitter: Ik wil u erop attent maken dat de minister van Justitie nu aanschuift. Exact op tijd, dat is altijd mooi. Welkom. Mevrouw Verdonk, ik had al gezegd dat het uw laatste keer is geweest. U mag maximaal twee interrupties doen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Dit gaat over een ander onderwerp.

De voorzitter: Dan zal ik in de pauze duidelijkere afspraken maken over het aantal interrupties, want dit loopt een beetje uit de hand, maar dat geldt niet alleen voor u. Mevrouw Verdonk, een korte vraag.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Voorzitter. Is de heer Dijsselbloem voor een DNA-test om te kijken of mensen neef en nicht zijn of om te kijken of er familierelaties zijn?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Volgens mij is dat niet nodig.

Ik heb nog enkele kleine punten. Ik heb het openbare-ordecriterium genoemd. De minister wil in het licht van de fundamentele rechten van vrouwen en homo’s weer een nieuw onderwijsdoel en zelfs een nieuwe onderwijsmethode invoeren, gericht op gendereducatie. Niet alleen gaat hij mij daar iets te snel voorbij aan alles wat er al op dit terrein gebeurt, maar wij verzetten ons er ook tegen dat in elke nieuwe beleidsbrief van het kabinet weer een nieuw onderwijsdoel wordt aangekondigd. Laat de minister zich aansluiten bij wat er gebeurt en het oor te luisteren leggen bij zijn collega’s Bussemaker en Plasterk.

De kabinet heeft aangekondigd de leeftijdsonafhankelijke leerplicht in dit verband te willen onderzoeken. Dat is een interessante gedachte, maar we moeten wel even nadenken over wat dit precies gaat betekenen. Ik hoor sommige collega’s al praten over mbo-2 niveau en zelfs een slaagplicht. Mensen zouden dat dus moeten halen. Moeten zij dat dan van tevoren halen? Moet alleen de komende partner dat halen nadat hij of zij in Nederland is aangekomen? Of gaat dat ook gelden voor de partner die al in Nederland is? Mag hij pas een partner halen als hij mbo-2 heeft gehaald? Ik denk dat we heel erg moeten oppassen met het introduceren van het mbo-2 niveau als verplicht niveau. Laten we ons realiseren dat 40 000 kinderen per jaar dat niveau niet halen. We moeten ons wel even bedenken wat we aan eisen gaan formuleren. De PvdA steunt liever strengere eisen vooraf in termen van het opleidingsniveau en het inburgeringsexamen. Dat vinden we eerlijker en realistischer dan dat we mensen eerst laten komen en ze vervolgens in Nederland confronteren met bijvoorbeeld een mbo-2 eis, wat voor veel mensen echt een drama wordt. Dat is ook voor veel autochtone Nederlanders echt niet realistisch.

De heer Fritsma (PVV): De heer Dijsselbloem noemde gezinsvorming een fundamenteel recht. Heeft hij er wel eens over nagedacht dat gezinsvorming ook in Marokko kan plaatsvinden? Dat is vaak veel logischer. Als een Marokkaan een partner overhaalt, spreken beide partners Marokkaans of Arabisch of Berbers en delen ze dezelfde cultuur en dezelfde achtergrond. Is het geen idee om te zeggen dat de gezinsvorming dan ook in Marokko kan plaatsvinden? Waarom moet dat altijd in Nederland?

De heer Dijsselbloem (PvdA): De vraag was of ik daar wel eens over heb nagedacht. Daar heb ik over nagedacht en die mogelijkheid bestaat ook.

De heer Fritsma (PVV): Hoe beoordeelt u het dan dat het in de praktijk nooit voorkomt en dat in bijna alle gevallen de gezinsvorming in Nederland plaatsvindt? Vindt u dat goed of vindt u dat het ook vaker in Marokko kan?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Daar ga ik niet over. Dat zal vast en zeker ook in Marokko kunnen, zoals u het formuleert. Om terug te komen op het begin van mijn betoog, ik vind dat degenen die gebruik willen maken van dat fundamentele recht en zich willen vestigen in Nederland, gewoon moeten voldoen aan een aantal eisen, waardoor de spankracht van de samenleving minder wordt belast. De eisen die we nu stellen, zijn daar nog niet goed genoeg voor. In deze brief worden nieuwe en aanvullende eisen gesteld. Zeker wat de eisen vooraf betreft, waarmee ik mijn betoog eindigde, zijn wij het daar ook zeer mee eens.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Het kabinet begint in de brief over huwelijksmigratie over Faiza oum’Hamed en haar gedwongen huwelijk met een tiran. Het hartverscheurende verhaal van het jonge meisje dat nu is uitgegroeid tot een schrijfster en voorbeeld voor vele anderen is zeer belangrijk omdat we hier lessen voor de toekomst uit kunnen trekken. Ik moet zeggen dat ik een onbehaaglijk gevoel kreeg bij het lezen van de brief en de lessen die het kabinet trekt, omdat er een grote naïviteit uit spreekt, een vergelijkbaar onbehaaglijk gevoel als de minister een tijdje geleden kreeg. De minister wil Faiza en haar lotgenoten beschermen met een stevig pakket aan maatregelen: een verbod op neef/nicht-huwelijken, een verhoging van het niveau van het inburgeringsexamen in het buitenland, het simultaan verhoren van huwelijkspartners plus adrescontroles op basis van risicoprofielen en het eisen van tenminste mbo-2 voor degene die iemand naar Nederland wil laten komen. In een artikel in Trouw schrijft diezelfde Faiza dat de importbruiden die hier illegaal naartoe komen helemaal niets aan dit soort maatregelen hebben, terwijl die meisjes het juist het zwaarst te verduren hebben.

Bij het lezen van de brief lag het onbehaaglijke gevoel vooral in het feit dat het kabinet generieke immigratiebeperkende maatregelen neemt – dat mag en daar moet het ook gewoon voor uitkomen – en deze verkoopt onder het mom van het bestrijden van huwelijksdwang. GroenLinks staat altijd open voor elke maatregel waarmee het kabinet komt, maar beoordeelt deze wel op de effectiviteit ervan. Het zou het kabinet sieren als het zou zeggen dat het hier gewoon gaat om het beperken van de immigratie. Met de huidige maatregelen zie ik niet veel terechtkomen van het bestrijden van huwelijksdwang en schijnhuwelijken. Sterker nog, wanneer de drempels worden verhoogd, zullen de sluiproutes vaker worden doorlopen. Dat is slechts een kwestie van berekening en menselijk gedrag. Daardoor zal de groep jonge meiden zoals Faiza oum’Hamed groeien, terwijl wij deze juist willen reduceren tot nul. Ik wil graag een reactie op de mogelijk negatieve effecten van de maatregelen die het kabinet voorstelt. De groep waarop ze gericht zijn, wordt hierdoor juist onzichtbaar en komt illegaal Nederland binnen.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik betrap de heer Dibi, geloof ik, op een cirkelredenering. Eigenlijk zegt de heer Dibi dat we alle eisen gewoon moeten laten varen: dan hebben we nooit meer last van gedwongen huwelijken.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat is niet juist. Ik beoordeel deze eisen op hun effectiviteit. Als je zegt dat je deze maatregelen neemt om meisjes die nu enigszins ondergronds onderdrukt of mishandeld worden te beschermen, ga ik kijken of die maatregelen daar ook echt tegen werken. Iemand die dit zelf heeft ondervonden, zegt dat ze hier niets aan gehad zou hebben. Ik vind daarom dat het kabinet met een goed verhaal hierover moet komen. Als het dit echt wil voorkomen, moeten de maatregelen ook aansluiten op wat het wil voorkomen.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik zou graag willen horen welke maatregelen GroenLinks wel effectief zou vinden.

De heer Dibi (GroenLinks): Daar kom ik net op. In dit debat staat voor GroenLinks de gelijkheid tussen man en vrouw en de emancipatie van kwetsbare vrouwen centraal. Dat is ook de reden dat ik naar dit debat ben gekomen. Ik heb al gezegd dat wij openstaan voor alle voorstellen, maar dat wij deze altijd beoordelen op hun effectiviteit. We doen allereerst een voorstel dat we al eerder hebben gedaan, namelijk om een kwalificatieplicht voor de huwelijksmigrant te introduceren en de rekening bij de partner neer te leggen, voor zover dat mogelijk is. Dat betekent als het ware een emancipatieplicht voor degene die een partner laat overkomen. Hij of zij moet weten dat wanneer een partner Nederland binnenkomt, daar bepaalde kosten mee gemoeid zijn en dat hij of zij de opleiding zal moeten betalen. Natuurlijk zal niet iedereen het mbo-2-niveau kunnen halen. Daarom moet er een soort uitzonderingsgrond zijn voor mensen die daar niet toe in staat zijn. Wij vinden echter dat we duidelijker moeten communiceren wat het betekent voor het huishouden en voor het gezin wanneer de partners daadwerkelijk zijn toegelaten in Nederland. Ik hoor graag een reactie op dit voorstel. Ik heb begrepen dat het kabinet onderzoek laat doen naar een aantal andere voorstellen. Zou het dit willen meenemen in dat aanvullende onderzoek?

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik vraag me af wat de heer Dibi verstaat onder een kwalificatieplicht.

De heer Dibi (GroenLinks): We kennen nu al een kwalificatieplicht in Nederland. We hebben de leerplicht een tijd geleden enigszins uitgebreid met een kwalificatieplicht. Dat betekent eigenlijk havo, vwo of mbo-2-niveau. Wanneer iemand een huwelijkspartner van buiten Nederland laat komen, weet hij of zij als partner dat dit een aantal inspanningen zal vereisen om deze partner op een bepaald niveau te tillen. Het gaat ook vaak om mannen, maar die worden vaak vergeten; we hebben het heel vaak over bruiden, maar het gaat vaak genoeg over bruidegommen. Wij willen graag dat vrouwen een bepaald onderwijsniveau hebben. Dat brengt namelijk een bepaalde emancipatie met zich mee.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Bedoelt de heer Dibi dat degene die in Nederland woont, de gehele opleiding moet betalen tot aan de kwalificatieplicht van de partner die hier naartoe gehaald wordt?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb het kabinet gevraagd om de mogelijkheden te onderzoeken van het neerleggen van een deel van de kosten bij de partner. Ik kan me echter voorstellen dat niet iedereen dat kan ophoesten. Als je nog jong bent en bijvoorbeeld tijdens de vakantie verliefd bent geworden, hoef je niet meteen een hele mbo-2-opleiding te bekostigen, maar je mag daar wel aan bijdragen. Ik ben benieuwd naar de uitkomsten van zo’n onderzoek.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dit is in ieder geval een radicale verhoging van de inkomensgrens en het effect zal in de cijfers ook radicaal zijn. Stel dat dit toch leidt tot huwelijksmigratie, hoe gaat u dit dan handhaven met betrekking tot de effectiviteit waarover u het heeft? U keert zich tegen voorwaarden vooraf en verhoogt de voorwaarden in Nederland. Ik neem aan dat mensen hier vier jaar de tijd voor krijgen. Wat gaat GroenLinks doen om alsnog op te treden tegen deze huwelijksmigratie als men na die vier of vijf jaar het mbo-2-niveau niet heeft gehaald?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik snap dat u meteen met detailvragen en uitvoeringsvragen komt. Dat doet iedereen. Dat doe ik zelf ook, dat mag. Echter, dit is een gedachte die GroenLinks al een aantal jaren heeft. Het staat ook in onze integratienota van een aantal jaar geleden, Het hoofd koel, het hart warm. Het zou veel mensen goed doen om in het immigratiedebat het hoofd koel te houden en het hart warm. Als je kwetsbare meiden wilt beschermen die naar Nederland komen, kan dat ook door ze toegang te geven tot het onderwijs. Je moet ervoor zorgen dat de man weet dat hij daaraan een bepaalde bijdrage moet leveren. Ik laat het over aan het kabinet om te kijken binnen welke periode het niveau behaald moet worden.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het is ook een oud D66-voorstel, maar ook met D66 hebben we deze discussie gehad. De heer Dibi begint op een tamelijk hoge toon te zeggen dat de maatregelen van het kabinet allemaal niet deugen. Vervolgens doet hij een alternatief voorstel dat qua effectiviteit en uitvoerbaarheid volstrekt niet doordacht is. Daarom stel ik nog een keer de vraag wat er gebeurt als mensen na vier of vijf jaar – dat vullen we later nog wel in – de startkwalificatie niet halen? Ik vrees namelijk dat dit op grote schaal gaat gebeuren.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind het raar dat iemand mij uitvoeringsvragen stelt die zelf voor het verbod op neef/nicht-huwelijken is, maar dat even terzijde. De rompslomp die je met de uitvoering daarvan creëert, is namelijk enorm en het effect is volgens mij heel erg klein. Het is echter een terechte vraag. Niet iedereen zal het mbo-2-niveau of een havo- of vwo-diploma kunnen halen. Dat hoeft ook niet iedereen te halen. Echter, laten we de lat in ieder geval ergens leggen en laten we uitzonderingsgronden creëren voor de mensen die dat niet halen. Dat doen we nu ook. Er zijn allerlei leerwegen die je kunt volgen naast het halen van de startkwalificatie, zoals de arbeidsmarktgerichte leerweg. Er zijn er genoeg te noemen. Er wordt altijd meteen gedacht dat er een sanctie moet zijn als je het niet haalt, omdat mensen het zogenaamd niet willen doen als er geen sanctie is. Ik denk echter dat de meeste mensen dolgraag onderwijs willen volgen om daardoor toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Ik vraag het kabinet nogmaals om met een open mind hiernaar te kijken.

Mevrouw Sterk (CDA): In hoeverre verschilt uw voorstel eigenlijk met het voorstel van het kabinet?

De heer Dibi (GroenLinks): Welk voorstel bedoelt u?

Mevrouw Sterk (CDA): Daar was ik al een beetje bang voor. Het kabinet doet een voorstel voor een tienjarige leerplicht. Dat lijkt ontzettend op wat u voorstelt, u gaat alleen iets verder, net als het CDA. U gaat eigenlijk naar een soort levenslange leerplicht en het belang van een startkwalificatie; dat is het mbo-2-niveau. Waarom heeft u heel veel kritiek op het kabinet wegens ineffectieve maatregelen, terwijl u met uw maatregel volgens mij verder gaat dan het kabinet?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb niet kritiek op alle maatregelen, ik heb alleen een aantal maatregelen genoemd die ik ineffectief vind. Er zijn een aantal maatregelen die ik zo zal noemen waar wij heel veel voor voelen. Laat het kabinet ons voorstel maar naast het eigen voorstel leggen, dan kijken we wel welk voorstel beter is. Als ze een grote gelijkenis vertonen, kunnen we vast wel zaken doen en tot een compromis komen.

Dan kom ik op mijn volgende voorstel. GroenLinks denkt dat er ontzettend veel te behalen valt als het netwerk rondom gezinnen en huishoudens en rondom paartjes die gaan samenwonen alert is en weet hoe te handelen als er signalen zijn van dwang en mishandeling. Mevrouw oum’Hamed zegt terecht dat juffen het merken als moeders hun kinderen nooit komen brengen. Dit zijn momenten waarop professionals kunnen en moeten handelen. Ik vraag de minister om in de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waar op dit moment volgens mij aan gewerkt wordt, het aspect van huwelijksdwang mee te nemen. Daarbij moet de gemeente beter worden toegerust om deze vrouwen op te kunnen vangen. Welke aanvullende maatregelen kunnen de bewindslieden treffen als het gaat om het netwerk rondom de vrouwen die mogelijk onderdrukt en mishandeld worden? Ik denk dat de effectiviteit hier het grootst kan zijn als wij huwelijksdwang willen bestrijden en gedwongen huwelijken willen tegengaan.

Het is een hiaat van hier tot en met Casablanca en Istanboel dat huwelijksdwang in ons Wetboek van Strafrecht nog niet verboden is. Dit is een punt waar GroenLinks al langer voorstander van is. Wij realiseren ons dat we hiermee niet kunnen voorkomen dat huwelijksdwang in de toekomst nog zal plaatsvinden, maar met de wet aan hun zijde zullen slachtoffers van huwelijksdwang zich gesterkt weten in hun zoektocht voor vrijheid. Ik vraag de minister om hier werk van te maken. Ik heb hier al eerder een motie over aangehouden. Het vorige demissionaire kabinet had hier oren naar en zou het doorgeven aan het volgende kabinet. Volgens mij ligt het nu bij minister Hirsch Ballin. Ik ben benieuwd hoe de minister er tegenaan kijkt om in het Wetboek van Strafrecht apart op te nemen dat huwelijksdwang strafbaar is, zodat iedereen weet hoe wij daar tegenaan kijken.

Tot slot wil ik iets zeggen over het Nederlandse staatsburgerschap. Het Nederlandse staatsburgerschap is GroenLinks heel wat waard. Nederlandse staatsburgers krijgen wat ons betreft toegang tot allerlei vrijheden. Een van die vrijheden is het recht op gezinsvorming en gezinshereniging. Dat recht is niet oneindig. Je kunt er opleidingseisen en inkomenseisen aan stellen, maar op een gegeven moment moet je zeggen: dit is de lat die wij leggen, dit is de grens die wij stellen en we gaan niet elke keer als de immigratie enigszins toeneemt de lat hoger leggen. Op een gegeven moment moet je accepteren dat je raakt aan een fundamenteel recht. Ik wil dat graag benoemd hebben in dit debat omdat ik bij het lezen van de stukken van het kabinet en bij het horen van de voorgaande inbrengen het gevoel heb dat het alleen maar om immigratiebeperking gaat. Het Nederlandse staatsburgerschap is, nogmaals, GroenLinks wat waard.

Mijn medewerker had de suggestie gehoord en op de site was inderdaad een voorbeeld te vinden. Ik vind het een zorgelijke zaak als het waar is, maar of het waar is weet ik nog niet. Er staat bijvoorbeeld geen dossiernummer bij. Ik vraag de staatssecretaris van Justitie om hierop in te gaan en de Kamer schriftelijk te informeren of dit waar is en of er meerdere gevallen zijn van een partner die soms wel negen keer opnieuw een partner uit het land van herkomst laat komen. Als het waar is, kunnen we daar maatregelen tegen treffen. Ik neem aan dat het dossiernummer kan worden overgedragen aan de staatssecretaris zodat zij er meteen mee aan de slag kan. Als het niet waar is, heeft de heer Fritsma een groot probleem.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik begrijp de inbreng van de heer Dibi niet. Hij zegt dat het fundamentele recht op gezinsvorming en gezinshereniging wordt aangetast door hoge eisen te stellen, maar het voorstel van GroenLinks gaat echt het allerverst. Het gaat het verst in termen van de kosten, want de kosten van een hele mbo-2-opleiding worden bij voorbaat bij de halende partner gelegd. We hebben het hier echt over tonnen. Om een mbo-2-opleiding te halen zit je vier jaar op school, en dan ga ik ervan uit dat je de vier jaar school die daaraan voorafgaat al hebt gehad. Ik begrijp het allemaal wel, maar ik begrijp verwijt aan het kabinet niet. Het inhoudelijke niveau dat van de huwelijksmigrant wordt gevraagd, is ook veel hoger dan wat het kabinet tot nu toe vraagt. GroenLinks gaat op beide punten dus veel verder en verwijt vervolgens het kabinet dat het de gezinshereniging aan banden wil leggen. Dat begrijp ik niet.

De heer Dibi (GroenLinks): Wij stellen eisen wanneer de huwelijksmigrant Nederland betreedt. Dat wil ik nogmaals benadrukken. Ik zeg niet dat iedereen mbo-2-niveau of een havo- of vwo-diploma moet behalen. Wij willen als lijn uitzetten dat iedereen die hierheen komt, onderwijs moet volgen om op een bepaald niveau te komen zodat ze kansrijk worden in de samenleving en dat de kosten voor een deel, maar niet geheel, bij de partner worden gelegd. Je kunt over ontzettend veel regelingen nadenken om dat op een goede manier te regelen. Het onderwijsniveau is voor ons erg belangrijk.

Mijn spreektijd is volgens mij nog niet helemaal om, dus ik neem de kans om een punt aan te stippen dat ik was vergeten. Wij vinden de voorgestelde maatregel om polygame huwelijken tegen te gaan, om partners die al meerdere keren zijn getrouwd, te verbieden om een partner uit het land van herkomst te halen en de maatregel om de leeftijdsgrens op te schroeven naar 18 jaar in plaats van de huidige 15 jaar, wel effectief. Wij denken dat de huwelijksdwang daarmee wel bestreden kan worden en we zijn daar erg blij mee.

De voorzitter: Er zijn een aantal vragen aan u. Uw spreektijd was wel degelijk om, dus daar kunt u alvast even over nadenken.

De heer Fritsma (PVV): Om te beginnen vind ik het voorstel van de heer Dibi een goed voorstel. Het kabinet moet aangeven hoe vaak het gebeurt dat mensen meerdere partners uit het land van herkomst halen. Ik heb daar jaren geleden al om gevraagd. Ik wil vragen waarom GroenLinks dat verzoek toen niet steunde. Ik heb toen gevraagd hoeveel referenten gedurende het hele verblijf in Nederland meer dan een partner uit het buitenland laten overkomen. Dat is de vraag waar het om gaat. Toen heeft het kabinet geantwoord dat er geen cijfers over voorhanden zijn. Waarom hebt u daar toen geen schande over gesproken? Waarom hebt u toen niet gezegd: kabinet, kom op met die informatie, we moeten nu de feiten boven water halen? Ik heb dat toen gevraagd, niemand interesseerde het wat en nu roept u het plotseling.

De heer Dibi (GroenLinks): Dan zeg ik de heer Fritsma na: kom op, kabinet! Als er partners zijn die negen keer een partner over laten komen naar Nederland, als dat zomaar kan, willen wij die cijfers ook boven tafel hebben. Daarover is geen verschil van inzicht.

Tot slot merk ik op dat Nederland het op twee na strengste land is als het gaat om de grenzen voor huwelijksmigratie. Laten we niet doen alsof de grenzen openstaan en iedereen lukraak Nederland binnen kan komen. Dat is een mythe die ontkracht moet worden.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter We hebben het vandaag over het tegengaan en het bestrijden van huwelijksdwang en de evaluatie van de Wet inburgering buitenland, de wet waaraan migranten die hier naartoe willen komen voor gezinshereniging of -vorming moeten voldoen. De brief van het kabinet gaat over deze twee punten. Als eerste wil ik het hebben over de aanpak van huwelijksdwang. Laat ik daarover duidelijk zijn; wat de SP betreft vallen huiselijk geweld, eergerelateerd geweld en, nog specifieker, psychische of fysieke dwang en het dwingen van personen tot het aangaan van een huwelijk onder schending van de mensenrechten. De SP vindt de keuzevrijheid van iemand om te kiezen voor een partner ontzettend belangrijk. Belemmeringen van deze keuze door dwang, onderdrukking of geweld, ook wel huwelijksdwang genoemd, moeten wat de SP betreft zo veel mogelijk voorkomen worden.

Ik vind dit een mooie brief van het kabinet, omdat deze de keuzevrijheid centraal stelt. We weten allemaal dat exacte cijfers over het aantal gevallen van huwelijksdwang en de verschillende vormen daarvan ontbreken, juist omdat het zo ontzettend complex is. De enkele gevallen die de minister voor Integratie heeft genoemd bij de presentatie van de brief en de gevallen die ook anders in de pers zijn gekomen, zijn ernstig genoeg. Laten we er eerlijk over zijn, mannen die met steun van hun directe omgeving doen aan vrouwenhandel, of die meisjes verkopen aan andere mannen, hier of in het buitenland, moeten aangepakt worden als misdadigers en criminelen, want dat zijn ze volgens mij. In een artikel in Trouw wordt het voorbeeld van Souad genoemd, het dertienjarige meisje dat werd uitgehuwelijkt aan een man van 21, waarbij hij een bruidsschat betaalde en een grootse bruiloft bekostigde, terwijl het meisje vervolgens allerlei moeite moest doen om hier geholpen te worden. De professionals hier waren zich niet bewust van de slinksheid en de ernst van de situatie en ik geloof dat de daders nog vrij rond lopen. Dat kan ik niet erg goed verkroppen.

Het belang en de bescherming van het slachtoffer zouden voorop moeten staan, maar de vervolging van dit soort daders is voor mij ook ontzettend belangrijk. De minister van Justitie zegt meer te gaan inzetten op opsporing en vervolging door huwelijksdwang op te nemen in de Aanwijzing eergerelateerd geweld, en dat steun ik. De minister noemt voor- en nadelen van het strafbaar stellen van huwelijksdwang. Mijn vraag is waarom wordt gekozen voor deze vorm en niet voor strafbaarstelling. Hoe kijkt de minister aan tegen de specifieke strafbaarstelling die in België is geïntroduceerd? Is hij bereid hier serieus naar te kijken en het eventueel strafbaar te stellen?

Ik ben laatst in Rotterdam geweest, waar wethouder Kriens met haar team echt ontzettend goed bezig is. Rotterdam doet ontzettend veel vanuit de praktijk, met het Steunpunt Huiselijk en Eergerelateerd Geweld, waarbij heel veel betrokkenen, zoals partijen, scholen, hulpverleners, politie, justitie en zelforganisaties een vuist maken tegen onderdrukking, geweld en gedwongen huwelijken. Dit voorbeeld van nauwe samenwerking, waarbij per geval van onderop bekeken wordt wat er aan de hand is en wat er gedaan moet worden, verdient volgens mij steun. Ik heb begrepen dat de gemeente Rotterdam hiertoe inmiddels een verzoek heeft ingediend bij de minister van Justitie. Klopt dat en op welke manier gaat de minister dit ondersteunen? Gaan de andere grote steden dit voorbeeld volgen of niet? Het gaat uiteindelijk ook om preventie, dus om het bewust maken dat je je eigen toekomst, je eigen lot, in eigen handen kunt nemen. Daarbij zijn partijen zoals scholen, zelforganisaties en gemeenschappen hard nodig.

Resumerend, het kabinet neemt een aantal maatregelen die ik steun, maar ik vind ook dat het iets tekortschiet. Ik zou er graag een aanvulling op zien, namelijk het verzamelen van informatie via kwalitatief en kwantitatief onderzoek. De Rotterdamse ervaring leert hoe nodig dat is. In het nieuws kwam dat er vijftien meisjes verdwenen waren, waarbij het in geen van de gevallen vooralsnog om huwelijksdwang blijkt te gaan. Ik ben daar geweest. Het is complex en het moet uitgezocht worden. Ik wil niet dat er een heel nieuw steunpunt wordt georganiseerd, maar er moet zo veel mogelijk worden aangesloten bij de aanpak van huiselijk en eergerelateerd geweld. Ik verzoek het kabinet om hiervoor landelijke kaders op te stellen. Dat betekent ook dat hiervoor voldoende expertise, tijd en capaciteit vrijgemaakt moet worden. Als laatste wil ik weten of het kabinet bereid is te kijken naar de vervolging en strafbaarstelling van daders. Ik zou ook informatie willen over hoe dat in de praktijk gaat.

Dan kom ik op de aanscherping van de eisen voor gezinsmigratie om dwanghuwelijken te voorkomen. Ik vind dat erg kort door de bocht. De SP-fractie heeft de Wet inburgering buitenland gesteund en steunt deze, omdat wij vinden dat mensen die hier naartoe komen zich moeten voorbereiden op en kennis moeten hebben van de Nederlandse samenleving zodat de inburgering hier vlot verloopt. Als ik kijk naar de resultaten van de aangescherpte inkomenseisen, zie ik dat het aantal gezinsmigranten drastisch is afgenomen. Bij de Turkse en Marokkaanse Nederlanders is het met meer dan 50% afgenomen. We zien ook dat de jonge generaties hun partner in Nederland zoeken. Er wordt gesproken over de spankracht van de samenleving, maar ik denk niet dat deze aantallen en omvang de spankracht van de Nederlandse samenleving bedreigen. Ik vind het prima als men de dwanghuwelijken tegen wil gaan, maar men kan mij toch niet wijsmaken dat het fenomeen dat Nederlanders die verliefd worden of uit verstand een keuze maken voor een partner uit het buitenland, vereenzelvigd kan worden met het dwanghuwelijk?

De heer Fritsma (PVV): De aantallen zijn de afgelopen jaren niet onder de 20 000 geweest. Ik heb hier cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, die ook rondgedeeld mogen worden voor de belangstellenden. In 2005 hadden we meer dan 25 000 partner- en gezinsmigranten. In 2007 was het ruim 25 000. Baren die aantallen de SP-fractie echt geen zorgen? U ziet toch het effect van deze massa-immigratie op de stadswijken en op het bestaan in Nederland? U ziet toch dat het de samenleving ontwricht?

Mevrouw Karabulut (SP): Wij hebben het hier over vrijheid; de vrijheid om keuzes te kunnen maken voor je partner, om keuzes te kunnen maken om hier te werken, te wonen en te leven. Ik vind het belangrijk dat mensen hun best doen en zich inspannen om mee te kunnen doen. De aantallen hoeven op zichzelf helemaal geen probleem te zijn. Het sociale probleem dat de heer Fritsma benoemt, herken ik wel en zie ik wel, maar dat speelt zich af in Nederland. De grote concentratie van problemen in buurten en wijken is in Nederland aan de hand. Het punt is dat er dertig, veertig jaar lang falend integratiebeleid is gevoerd en dat diverse kabinetten hun kop in het zand hebben gestoken voor de echte problemen, waardoor er nu grote problemen in de buurten en wijken zijn. Daar wil ik iets aan doen. Daar wil ik de segregatie aanpakken. Ik vind het belangrijk dat wij eindelijk, na tientallen jaren, vragen aan mensen om de taal te leren. Mensen hebben zich gewoon te houden aan regels. Als zij dat doen, zijn mensen, waar ze ook vandaan komen, in eerste instantie niet het probleem.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb een vervolgvraag. Die aantallen zijn namelijk wel een probleem. Ook het generaal pardon was een probleem: 27 000 nepvluchtelingen wiens asielverzoek allang was afgewezen zijn toegelaten, ook dankzij de SP.

De voorzitter: Mijnheer Fritsma, u moet geen betoogvraag stellen.

De heer Fritsma (PVV): Ik vraag mevrouw Karabulut hoe ze daarop terugkijkt; of ze dat nog steeds een fantastische beslissing vindt.

Mevrouw Karabulut (SP): Als er een ding is waarover ik de staatssecretaris complimenten wil maken, is dat het generaal pardon. Dat heeft mijn partij zeker gesteund. Daar hebben we samen voor gevochten toen we in de oppositie zaten. Ik ben daar hartstikke trots op. De heer Fritsma wil zelfs die mensen die jarenlang in onzekerheid hebben verkeerd en uit een oorlogssituatie kwamen, in de steek laten omdat hij zo bang is voor alles wat vreemd is. Ik ben echter trots op het generaal pardon.

De heer De Krom (VVD): Ik heb eigenlijk dezelfde vraag. Ik hoor mevrouw Karabulut zeggen dat een aantal achtereenvolgende kabinetten de zaak uit de klauwen heeft laten lopen met achterstanden en segregatie. Mijn vraag is dan ook: heeft dat er iets mee te maken dat u het generaal pardon hebt gesteund? Hoe kan ik dat nu allemaal rijmen?

Mevrouw Karabulut (SP): Of ik begrijp de vraag van de heer De Krom niet, of de heer De Krom weet niet hoe de wereld in elkaar steekt, een van de twee.

De heer De Krom (VVD): Het is heel simpel. Als mevrouw Karabulut hier terecht zegt dat er sprake is van grote achterstanden, van segregatie in wijken, etc., is mijn vraag hoe het generaal pardon eraan heeft bijgedragen om dat probleem kleiner te maken.

Mevrouw Karabulut (SP): Als wij dat generaal pardon al veel eerder hadden geregeld, hadden deze mensen veel sneller kunnen werken en kunnen bijdragen aan de samenleving. De heer De Krom mag zelf wel eens wat bescheidener doen, want het is zijn partij geweest die ervoor heeft gezorgd dat we nu te maken hebben met gettovorming en achterstanden. Het is zijn partij geweest die de grenzen wagenwijd open heeft gezet voor een nieuwe groep arbeidsmigranten, omdat werkgevers die goedkope arbeidsmigranten nodig hebben.

De heer De Krom (VVD): Voorzitter, staat u mij toe om een korte reactie te geven? Het was mijn partij die in het vorige kabinet er als eerste in slaagde om de asiel- en immigratiecijfers naar beneden te krijgen. Volgens mij was de SP de partij die door die erfenis een streep zette met het generaal pardon.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik houd erg van een scherp, open en eerlijk debat. Mensen schieten er niks mee op als men bepaalde dingen probeert te verdoezelen. De problemen in Nederland waar we het nu over hebben, zijn een erfenis van uw regering. Die zijn een erfenis van de puinhopen die uw partij mede heeft achtergelaten. Ik wil eraan herinneren dat er door eerdere kabinetten waar de VVD onderdeel van uitmaakte, totaal geen eisen aan de gezinsmigratie werden gesteld: iedereen mocht komen. Daar is uw partij mee begonnen.

Mijnheer De Krom en alle andere partijen vinden mij aan hun zijde wanneer we het hebben over echte oplossingen van sociale problemen. Op grond van de evaluatie van de Wet inburgering buitenland en de huidige aantallen gezinsmigranten constateer ik dat daar niet de grote problemen zitten. De evaluatie wijst uit dat de mensen die het examen behalen, enorm gemotiveerd zijn. Twee derde van de kandidaten die de voorbereiding hebben afgerond, vond het examen heel erg moeilijk. Het opleidingsniveau is gestegen. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over de vraag of deze wet ertoe heeft geleid waarvoor deze was bedoeld: om de emancipatie en de integratie hier beter te maken. Daarom vind ik het voorbarig om de eis te verhogen, temeer omdat je daarmee een grote groep mensen, namelijk de lager- en misschien wel middelbaar opgeleiden, zou uitsluiten van de keuzevrijheid om zich te voegen bij hun geliefde.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Sinds de in 2004 ingevoerde inkomens- en leeftijdseisen is er sprake van een forse daling van het aantal huwelijksmigranten en een enigszins verbeterde arbeidsmarktparticipatie. Daar staat echter tegenover dat het aantal huwelijksmigranten in het laatste jaar weer groeit en dat er voor deze maatregelen al sprake was van daling van het aantal huwelijken met een partner uit het land van herkomst onder Turken en Marokkanen. Kan er dus wel een een-op-een relatie worden gelegd met de genomen maatregelen? Ik hoor hierop graag een reactie van het kabinet.

Ook de ChristenUnie heeft zorg over de integratie van de gezinsmigranten. Een kwart van de gezinsmigranten die het inburgeringsexamen in het buitenland afleggen, is ontoereikend opgeleid om in de Nederlandse samenleving te kunnen participeren. Het is begrijpelijk dat de taaleisen daarom worden opgeschroefd. Zet de minister zich ervoor in om de kwaliteit van de cursussen in het buitenland zo veel mogelijk te laten aansluiten? Er is namelijk kritiek op de kwaliteit van de huidige cursussen.

We kunnen niet alles ophangen aan het inburgeringsexamen. Dat is slechts de eerste stap richting integratie. De minister constateert dat het duurzame effect van inburgering in het buitenland beperkt is. De ChristenUnie mist in de brief voorstellen om dit probleem aan te pakken. In die zin kan ik mij vinden in de vragen die de heer Dijsselbloem heeft gesteld over de aanbevelingen van de onderzoekers. Ik hoor hierop graag een reactie van het kabinet.

Ook is mijn vraag in hoeverre de hogere opleidingseisen zich verhouden tot de artikelen 8 en 12 van het EVRM. Op Europees niveau wordt ervoor gepleit dat de referent bij een relevante strafrechtelijke veroordeling niet nogmaals als referent op kan treden. Wanneer wordt dit duidelijk? Begrijp ik uit de brief van de minister dat aanpassingen hierop alleen op Europees niveau mogelijk zijn? De regering noemt nu alleen de optie van het intrekken van de vergunning van de referent zodat deze automatisch niet meer als referent kan worden gebruikt. De vraag van de Kamer ging echter juist om de situatie waarin het strafbare feit niet zo zwaar is om de verblijfsvergunning in te trekken, maar waarbij het wel voor de hand ligt dat iemand opnieuw als referent optreedt. De minister noemt het stellen van een opleidingseis aan de referent als extra stimulans om de opleiding af te maken. De vraag is echter of regelgeving rond het huwelijk het geëigende instrument is om te stimuleren dat mensen hun opleiding afmaken. Hierop hoor ik graag een reactie van de minister.

Huwelijksdwang moet gewoon voorkomen worden, want ingrijpen achteraf leidt altijd tot meer schade. In de brief wordt voorgesteld om Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland hiernaar te laten vragen bij het afleggen van het basisexamen inburgering. Er wordt nog onderzocht hoe dit het beste kan. Wanneer komt hierover helderheid? Watzijn de gevolgen als er sterke aanwijzingen zijn dat er inderdaad sprake is van huwelijksdwang? Aan wat voor vervolgactie denkt de minister dan? De minister stelt in de brief dat hij geen kwantitatieve gegevens heeft en dus niet zo goed weet hoe het zit met de huwelijksdwang. Mijn vraag is of er een onderzoek kan komen naar deze verschijnselen.

De minimumleeftijd voor een huwelijk is nu 18 jaar, behoudens de bijzondere dispensatieregeling in geval van zwangerschap. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid van verdragsonderhandelingen met andere landen over het erkennen van huwelijken die zijn gesloten in landen waar de minimumleeftijd lager is. Hoe zit het precies met personen met een niet-Nederlandse nationaliteit die in het land van herkomst al op 15-jarige leeftijd mogen trouwen en daarom ook in Nederland al op die leeftijd mogen trouwen? Begrijp ik goed uit de brief van de minister dat dit niet verboden kan worden op grond van internationale verdragen? Ook wordt mij uit de brief niet duidelijk wat de juridische positie is van mensen die in het buitenland op zeer jonge leeftijd zijn getrouwd, maar pas op hun achttiende naar Nederland komen. Ik wil graag een reactie hierop van het kabinet.

Wat betreft het neef/nicht-huwelijk sluit ik mij aan bij de vragen van de heer De Krom. Over de leeftijdsonafhankelijke leerplicht vindt de fractie van de ChristenUnie dat we beter kunnen investeren in ervoor zorg dragen dat mensen op de juiste manier naar Nederland komen en een goede basis hebben om door te gaan. Er wordt nu voorgesteld dat er een levenslange leerplicht is. Ik pleit ervoor om ervoor te zorgen dat de inburgeringscursus die mensen moeten volgen, kwalitatief en effectief is.

De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Ortega vraagt om een onderzoek naar de omvang huwelijksdwang, terwijl er verregaande maatregelen worden bepleit om huwelijksdwang te voorkomen. Vindt zij, als vertegenwoordigster van een gezinspartij, het terecht dat het kabinet zo treedt in het recht op gezinsvorming en -hereniging op basis van feiten waarvan wij de omvang niet eens weten?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Willen we goed beleid voeren, dan moeten we dat baseren op feiten. Vandaar dat ik heb gevraagd of het mogelijk is om met kwantitatieve gegevens te komen die gebaseerd zijn op onderzoek.

De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Ortega zegt dus eigenlijk dat de feiten ontbreken, maar tegelijkertijd constateer ik dat er wel verregaande maatregelen worden bepleit. Wat is het oordeel van de ChristenUnie over dit pakket van maatregelen, zonder dat wij precies weten om hoeveel vrouwen het gaat die mogelijk gedwongen worden?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik zeg nogmaals dat ik wil dat er feitelijk materiaal op tafel komt, zodat we de juiste beslissingen kunnen nemen.

De voorzitter: Ik wijs u erop dat we volgende week de begroting hebben waar een aantal thema’s eventueel nog terug kunnen komen. Ik geef allereerst het woord aan minister van der Laan in de beantwoording in eerste termijn.

Minister Van der Laan: Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor de vele relevante opmerkingen die gemaakt zijn. Mijn collega’s Albayrak en Hirsch Ballin zullen zo de onderwerpen uit de brief nemen die op hun terrein liggen. Ik zal een paar algemene opmerkingen maken en een aantal opmerkingen die zijn toegesneden op inburgering. Ik weet dat we na twee uur lang vragen stellen en opmerkingen maken vast niet aan alles toekomen, maar we zullen daar graag, als de Tweede Kamer dat in tweede termijn aangeeft, schriftelijk op terugkomen. We proberen de hoofdpunten nu in ieder geval te behandelen.

Dit is een onderwerp van groot belang, zoals ook blijkt uit de bijdragen van de Kamerleden. Het is ook een onderwerp waar hier en daar emotie mee verbonden is. We praten over fundamentele zaken als partnerkeuze en gezinsvorming. Er is ook een andere kant die aangrijpt, waar ik als minister van Integratie verantwoordelijk voor ben. Dat is de kant die gevolgen van de aanwezigheid betreft en de komst van een grote groep mensen met een flinke achterstand tot de samenleving. Daar zijn gevolgen aan verbonden, in het bijzonder voor de mensen die met deze mensen werken, zoals onderwijzers, hulpverleners in de zorg, maar ook de politie.

Tegelijkertijd komen er bij het onderwerp huwelijksmigratie zaken voor waar we niet van mogen wegkijken en die alle woordvoerders ter sprake hebben gebracht. Het meest sprekende verhaal is dat van mevrouw Faiza oum’Hamed. Daar kom ik nog op terug. De combinatie van de spankracht, de steeds opnieuw regenererende achterstanden en wat er op het spel staat als we ingrijpen omdat het belangrijk blijkt te zijn om in te grijpen in plaats van grote terughoudendheid – dat wil zeggen, het humanitaire aspect – heeft het kabinet bewogen de extra maatregelen te treffen. In verband met de uitvoering van de motie van het CDA en de PvdA zal ik zo dadelijk de chronologie daarvan vertellen. Daarbij werd een hele reeks punten genoemd met vragen als: zoek dat nu eens goed uit of geeft dat geen aanleiding om.

De huwelijks- en gezinsmigratie is een bijzondere categorie van migranten. Mijn collega’s zullen daar zo meteen op doorgaan. Als de integratie voor die groep faalt, heeft dat niet alleen gevolgen voor henzelf, maar ook voor hun kinderen en hun verdere omgeving. We hebben de afgelopen decennia gezien dat de integratie daadwerkelijk is achtergebleven. In dit verband zijn er langzamerhand duizenden voorbeelden die ik per jaar kan geven. Het schrijnendste is misschien wel van een moeder die ik tegenkwam, die niet weet op welke school haar kinderen zitten. Dat is een voorbeeld van de afstand die zo’n moeder heeft tot zo’n belangrijke en wezenlijke voorziening voor haarzelf en voor haar gezin.

Dat plaatst ons als samenleving en als overheid voor een grote opgave. We zijn nog steeds bezig een inhaalslag te plegen op het gebied van inburgering, taalachterstand, opvoedingsondersteuning, toeleiding naar de arbeidsmarkt enz., voor de groep die al jaren geleden naar Nederland is gekomen. Dat trekt een voortdurende wissel op de professionals die dagelijks bezig zijn in al die vakgebieden en het hoofd moeten bieden aan de gevolgen daarvan.

Door de Kamerleden is aangehaald, en we hebben het ook in de brief geschreven, dat 25% van de gezinsmigranten die het examen in het buitenland afleggen, niet meer heeft dan de basisschool. Ik was getroffen door de woorden mevrouw Sterk dat zij daar vijf jaar geleden was en zich afvroeg hoe wij het in die situatie eigenlijk ooit konden redden in Nederland. Natuurlijk kan dat, maar ik kan me de vraag van mevrouw Sterk uitermate goed voorstellen. Voor de statistiek is dit een grote groep. Voor velen zal dat heel erg moeilijk zijn door de kloof die overbrugd moet worden naar het kennisniveau dat de Nederlander nodig heeft om goed te kunnen functioneren als burger, ouder en werknemer.

Ik wil hier ook nog een keer zeggen dat er een duidelijk verband is met wat wij van ouders verwachten. Als zij de taal nog niet spreken, bieden zij hun kinderen van vier jaar statistisch gesproken een achterstand aan van ongeveer twee jaar. Dat kan je kinderen niet aandoen, omdat die nauwelijks is weg te werken en gevolgen heeft in de rest van het leven van het kind, met betrekking tot schooluitval, overlast en criminaliteit. Wij kennen de statistieken uit ons hoofd.

Onder de noemer van huwelijksmigratie komen daarnaast allerlei situaties voor die we niet kunnen accepteren: de niet-vrije partnerkeuze, huwelijksdwang, polygamie, neef/nicht-huwelijken, schijnhuwelijken en opsluiting van vrouwen. Dit zijn zaken die het kabinet onacceptabel vindt. Ook vindt het kabinet het onaanvaardbaar dat er bewust in het buitenland wordt gezocht naar ongeëmancipeerde vrouwen – dat komt gewoon voor– omdat men de meiden in Nederland te geëmancipeerd vindt. Die meiden worden op die manier namelijk afgestraft voor hun succes en hun inspanningen in de Nederlandse samenleving. Dat is natuurlijk ontzettend averechts.

Ik maak nog een opmerking over de spankracht. Ik heb geadstrueerd dat dit voor het kabinet een extra reden was om in actie te komen. Het kabinet is zich er heel goed van bewust dat de problemen zeker niet voor de hele groep gelden, maar dat de urgentie ervan groot genoeg is om die maatregelen nu te treffen. Ik ga in dit verband even in op wat ik beschouw als een hele serieuze opmerking van de heer Dibi. Hij zegt dat hij een onbehaaglijk gevoel krijgt bij het lezen van de brief. Door mevrouw Karabulut werd dit niet met zoveel woorden gezegd, maar ook daar zat de vraag in of de maatregelen wel bij de analyse passen. Ik wil heel nadrukkelijk zeggen dat de heer Dibi geen last hoeft te hebben van welk onbehaaglijk gevoel dan ook. Ik heb bij de presentatie van de maatregelen samen met collega Hirsch Ballin namelijk al gezegd dat er twee verschillende pijlers zijn. Die pijlers liggen op verschillende manieren in elkaars verlengde en versterken en ondersteunen elkaar.

Aan het adres van de heer Dibi wil ik in ieder geval opmerken dat wij in december pas de motie kregen waarin werd gevraagd om ermee aan de slag te gaan. Daarbij heb ik verzocht om zo snel mogelijk geïnformeerd te worden door de IND over wat er allemaal onder de portefeuille van mevrouw Albayrak en heer Hirsch Ballin valt en in hoeverre dat raakvlakken heeft met deze problematiek. Ik heb die presentatie in april gehad en zag toen voor het eerst in mijn leven – het was op dat moment geloof ik ook kakelvers – de grafiek lopen. Ik ben een oude bèta en dan is het niet zo moeilijk om dit te zien als een knik. Dat zeg ik ook in de richting van mevrouw Verdonk. Daarover zijn wij onmiddellijk in overleg gegaan met elkaar in de maand mei. Ik betrek met name mevrouw Verdonk hierbij, maar het is ook een antwoord aan de heer Dibi. Wij zijn heel snel opgetreden. Ik bedank mevrouw Sterk voor de complimenten die zij daarvoor heeft gegeven. Wij zijn met concrete maatregelen gekomen. Dat zal ik zo verder onderbouwen en dat zullen mijn collega’s voor hun maatregelen ook doen.

De brief was in oktober en ik denk dat het heel goed is dat wij in vijf maanden tijd die maatregelen op tafel hebben gelegd. Ik begrijp dat het voor mevrouw Verdonk, met de geschiedenis van niet altijd genoeg geëerd zijn geweest voor een bepaalde wet, te harde aanvallen en alle dingen die gebeurd zijn, die ik erken, soms moeilijk is om te zeggen: dit is misschien een goede stap voorwaarts ten opzichte van wat ik gedaan heb. Ik ben geen psycholoog, maar het is natuurlijk een beetje onzin om te zeggen dat in deze brief enkel pilots, experimenten en onderzoeken staan. Er staan heel concrete maatregelen in. Op de vraag van mevrouw Sterk naar een planning van alle onderzoeken zeg ik toe dat wij de brief nog eens goed zullen lezen op alle dingen die een onduidelijke timing hebben en in december een timing zullen verschaffen, zodat men deze kan lezen en ons daaraan kan houden. De boodschap van mevrouw Verdonk was: boter bij de vis. Zij doet niet helemaal recht aan de brief, zoals haar misschien naar haar gevoel ook niet altijd recht is gedaan. Zullen wij het dan beter proberen?

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Dit is uitlokking.

Minister Van der Laan: Ik vind het geen uitlokking. Het is communicatie.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Toen ik deze minister gisteravond hoorde bij Pauw en Witteman nam hij de credits voor de wet. Prachtig. Laat ik het zo stellen: ik zal aan het eind van dit debat zeggen of ik vind dat de minister wel of niet concreet genoeg is. Dat komt dus nog.

Mevrouw Karabulut (SP): De minister had het over de knik omhoog in de cijfers en de maatregelen waarmee hij kwam. Wat zijn de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen als het gaat om de cijfers?

Minister Van der Laan: Ik heb zelf niet zozeer een kwantitatieve doelstelling. Ik geloof dat mevrouw Sterk en anderen dat ook hebben gezegd en ik geloof dat het ook voor mijn collega’s geldt, maar die moeten voor zichzelf spreken want dit hebben wij niet expliciet zo voorbereid. Ik schrok van die knik. Dat is geloof ik vrij normaal. Wij willen die knik weer ombuigen op grond van de motieven die ik heb genoemd. Ik ga nu niet kwantitatief zeggen dat het op X-duizend of Y-duizend moet komen. Ik volg wat dat betreft wat ik daarnet hoorde van mevrouw Sterk. Ik heb daar helemaal niet over nagedacht.

Ik wil graag mijn antwoord richting de heer Dibi afmaken omdat ik dat belangrijk vind. Verschillende thema’s kunnen in je hoofd en in dit geval ook in je hart samenkomen, waardoor je met elkaar in actie komt. Het is ieder mens toegestaan elk gevoel te hebben wat hij heeft. Ik wil echter wel zeggen dat het met mij wat makkelijker communiceert als het blijft bij de inhoud en het geloof in elkaars intenties dan als dat wordt geëxpliciteerd als een onbehaaglijkheid. Ik heb het artikel over Faiza niet bij me en ik weet niet of ik dat artikel in de reeks gelezen heb, maar ik stel mij voor dat Faiza bedoeld heeft te zeggen dat alle maatregelen die er al waren sinds 2000 en die er nu in 2009 bijkomen, haar niet hadden geholpen omdat zij al in 1995 illegaal was binnengebracht. Dat zou de meest eenvoudige verklaring zijn voor wat zij zegt. Dat hoeft niet tegenover onze intentie te worden gelegd.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil voor de duidelijkheid zeggen dat ik een aantal maatregelen heel goed. Die worden ook in het ingezonden stuk van Faiza genoemd, samen met een aantal maatregelen die ineffectief genoemd worden. Het punt is dat er sprake is van een enigszins gebrekkige analyse omdat de cijfers niet helemaal boven tafel zijn. Daarom vraag ik of de maatregelen er niet toe leiden dat er sprake zal zijn van meer illegale huwelijksmigratie en dat de groep die Faiza vertegenwoordigt groter zal worden.

Minister Van der Laan: Ik geloof daar totaal niet in. Als we bij het treffen van maatregelen er altijd van zouden uitgaan dat hoe strakker de maatregel is, hoe groter de kans op ontduiking is, denk ik dat dit land nooit geworden was wat het is geworden. Ik vind het wel terecht dat u zegt dat wij ons altijd moeten afvragen of we met bepaalde maatregelen geen effecten oproepen die andere of grotere nadelen hebben. Ik denk dat wij daar bij deze brief over gesproken hebben. Ik zie ze op dit moment niet en op hun terrein zien mijn collega’s ze ook niet.

Ik wil graag naar de maatregelen en de vragen die daarover gesteld zijn. Ik zal de toelichting daarop zo kort mogelijk houden en daarna zal ik met een aantal resterende dingen afsluiten. Ik wil beginnen met de verhoging naar het niveau A1 van het basisexamen inburgering buitenland, waarover vandaag is gesproken. Deze verhoging is technisch eenvoudig te realiseren, maar zij moet wel leiden tot een aanpassing van het vreemdelingenbesluit en van het examenprogramma. Daar wordt de komende maanden en ook nu al aan gewerkt. Daarbij zal uiteraard ook het verplichte adviestraject met de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Raad van State worden gevolgd.

De verhoging naar het niveau A1 zal per 1 juli 2010 worden geëffectueerd. Met de schriftelijke toets ligt het iets anders. Deze zal naast de verhoging naar A1 worden geïntroduceerd. Ook daarvoor moeten het vreemdelingenbesluit en het examenprogramma worden aangepast. Dat zal gelijktijdig met de aanpassingen voor de verhoging naar niveau A1 gebeuren. Er is echter een iets andere tijdshorizon voor het ontwikkelen van het schriftelijk examen, want dat kost ongeveer tien maanden. Het kabinet stelt voor om dit examen per 1 januari 2011 te introduceren. Dat is een verschil van een halfjaar. Het uitgangspunt bij de ontwikkeling van het examen zal zijn dat het helemaal geautomatiseerd kan worden afgenomen en beoordeeld en dat het inzetbaar is op 124 buitenlandse posten. Bij de invulling van het schriftelijk examen zal worden gezocht naar een evenwicht tussen de substantiële invulling van het examen, waardoor het daadwerkelijk bijdraagt aan de taalvaardigheid voor de komst naar Nederland, en de mate waarin het examen haalbaar blijft. We weten uit het recht namelijk dat het examen geen onoverkomelijke drempel mag opwerpen. Over de precieze invulling van het examen zal de Kamer in het voorjaar worden geïnformeerd.

Het lijkt mij heel belangrijk om de haalbaarheid van het examen te vergroten. Dat zeg ik om degenen gerust te stellen die bang zijn dat hier kwantitatieve doelen achter zouden zitten. Om de haalbaarheid van het examen te vergroten zullen de bestaande voorbereidingsmogelijkheden worden uitgebreid, onder meer door de aanvulling van het oefenpakket. Als ik het me goed herinner, heeft de heer Dijsselbloem daarnaar gevraagd. Dit zal gebeuren in samenwerking met buitenlandse instituten. Ik kan daar op dit moment niet veel meer over zeggen. Dat kan ik pas als dat ook daadwerkelijk is gelukt.

De verhoogde exameneisen zullen worden gesteld aan dezelfde groep als voor wie het huidige examen geldt, dus voor gezinsvormers en -herenigers tussen 18 en 65 jaar die voor de komst naar Nederland een mvv dienen aan te vragen. Er wordt een uitzondering gemaakt voor kandidaten die om medische redenen niet in staat zijn om te slagen voor het examen. Daarnaast kent de huidige wet, en dat blijft ook zo, de mogelijkheid om in onvoorziene gevallen het examenvereiste niet te stellen, namelijk wanneer dat zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Heel eigenwijs wijs ik erop dat die beslissing is voorbehouden aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

Een van de aanbevelingen bij de evaluatie van de wet is om het inburgeringsexamen in het buitenland beter te laten aansluiten op het inburgeringsprogramma in Nederland. Er is aan gerefereerd dat verbetering daarvan een van de fijne dingen is uit de evaluatie, maar dat het nog beter kan. Ik maak eerst een opmerking over het proces en vervolgens over de inhoud. De tijd tussen het examen in het buitenland en de start van het inburgeringsprogramma moet volgens de aanbevelingen worden beperkt. Dat zal gebeuren wanneer de procedures voor de mvv en de verblijfsvergunning worden samengevoegd in het kader van het moderne migratiebeleid van mijn collega’s. Nieuwkomers zullen dan vrijwel meteen na aankomst in Nederland inburgeringsplichtig zijn.

In de evaluatie is geconstateerd dat bij de inburgering in Nederland weinig wordt gekeken naar de taalvaardigheid en kennis die nieuwkomers in het buitenland hebben opgedaan. Ik zal in overleg treden met gemeentes en taalaanbieder om te zien hoe dat in de praktijk beter kan. Er werd mij zojuist verteld dat het overleg daarover al is gestart. Uiteraard zal ook bij de nieuwe schriftelijke vormgeving van het examen in het buitenland rekening worden gehouden met de aansluiting op het inburgeringsexamen in Nederland.

In het inburgerings- en opleidingstraject van de buitenlandse partner zal een groter beroep worden gedaan op de verantwoordelijkheid van referenten. De partner in Nederland, die wij referent noemen, zal al voor de komst van zijn of haar buitenlandse partner worden aangesproken op die verantwoordelijkheid. Wanneer de partner onvoldoende meewerkt aan het programma of daartoe belemmerend optreedt, zal de referent worden gesanctioneerd. Momenteel wordt met de collega’s van Justitie onderzocht hoe we dat juridisch het beste kunnen verankeren. De schematische hoofdvraag daarbij is of je daarvoor bij de Vreemdelingenwet moet zijn of bij de Wet inburgering of misschien wel allebei. Dat overleg loopt ook.

In de toekomst zal onderzocht worden hoe een opleidingsinspanning kan worden gevraagd van buitenlandse partners, zodat men in Nederland een betere aansluiting kan vinden op de arbeidsmarkt. Diverse sprekers hebben geïnformeerd naar of opmerkingen gemaakt over de leeftijdsonafhankelijke leerplicht, zoals geadviseerd door de commissie-Bakker. De trekker hiervan is Sociale Zaken. Dit heb ik in een aantal verbanden al eerder gezegd. Zodra dat mogelijk is zal Sociale Zaken in overleg met ons de Kamer hierover informeren. Op dat moment zal duidelijk worden welk niveau daarbij wordt beoogd. De discussie over het vaststellen van een startkwalificatie en de consequenties daarvan speelde daarstraks als even. Die discussie is belangrijk voor de norm die je beoogt. Ik stel voor dat we dat als het aangewezen moment beschouwen om daarover inhoudelijk in discussie te gaan.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Denkt het kabinet daarbij aan een deelnameplicht zoals de Leerplichtwet kent, of aan een niveauslagingsplicht?

Minister Van der Laan: Deze minister voor WWI weet niet wat een niveauslagingsplicht is.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Als u het verplicht maakt dat mensen een bepaald niveau moeten halen, is de systematiek daarvan heel anders dan die van de Leerplichtwet. Op grond van de Leerplichtwet moet iemand tot een bepaalde leeftijd deelnemen aan het onderwijs.

Minister Van der Laan: Het gaat dus om het verschil tussen deelnemen en halen. Ik kan daar het antwoord niet op geven en ik weet niet of mijn collega’s daar al op in kunnen gaan. Ik stel voor dat wij de ongetwijfeld voortreffelijke voorstellen van collega Donner afwachten. Als ik iets niet kan, kan ik het niet.

Aan mevrouw Sterk wil ik nog zeggen dat het voordeel van een algemene leerplicht die voor alle ingezetenen in Nederland geldt, is dat deze ook gesteld kan worden aan de nieuwe gezinsvormers en -herenigers en, breder, alle vrijwillige inburgeraars. Bij de discussie in deze commissie is dit een wezenlijke kijkrichting die hopelijk voldoende oplevert, zodat we de problematiek van de vrijwillige inburgeraars makkelijker te lijf kunnen gaan. Ik kan er veel meer over zeggen, maar ik stel dus voor om daar even mee te wachten. Bovendien kan ik er op dit moment niet voldoende over zeggen.

Naast die maatregelen bevat onze brief ook andere maatregelen om de integratie en emancipatie van huwelijksmigranten, in het bijzonder van vrouwen, te versterken. Ik noem er enkele. Op verschillende contactmomenten, zoals bij de buitenlandse posten, maar ook bij de inburgering in Nederland, zal aandacht zijn voor vrije partnerkeuze en huwelijksdwang. Mijn collega Hirsch Ballin zal daar zo meteen op doorgaan. Dit is een wezenlijk onderdeel van onze brief, want daar liggen nog allerlei mogelijkheden. Bij de inburgering in Nederland zal worden onderzocht hoe beter aansluiting kan worden gevonden bij gerichte hulpverlening van de gemeente wanneer signalen van huwelijksdwang, opsluiting en/of geweld bekend worden bij inburgeringsambtenaren. Daarvoor zal met enkele voorbeeldgemeenten, onder andere Rotterdam, worden geïnventariseerd hoe we dat het beste kunnen aanpakken. Het is in ieder geval al duidelijk dat zo’n maatregel ook in het belang van de gemeenten zelf is, omdat zij gebaat zijn bij inburgeringstrajecten die succesvol worden afgerond. Dat wordt natuurlijk extra lastig wanneer de inburgeraar zelf het slachtoffer is of dreigt te worden van huiselijk geweld. Het is wel van groot belang dat de gemeenten meldpunten inrichten waar dat soort signalen kunnen worden afgegeven. Het is in ieder geval zo dat het samenvallen van de belangen hier gunstig kan zijn.

Door de Kamerleden is ook gevraagd naar de huisvesting. Hier moet ik het woord «onderzoek» gebruiken, maar dat doe ik met ere want je doet liever iets goed dan fout. We gaan onderzoeken of en op welke wijze bij de toelatingsprocedure de eis van zelfstandige huisvesting kan worden gesteld aan de referent en hoe daarop toezicht kan worden uitgeoefend. Zelfstandige huisvesting kan ervoor zorgen dat toekomstige buitenlandse partners niet noodgedwongen bij de schoonfamilie moeten inwonen, omdat daardoor ook ongewenste situaties kunnen ontstaan. Dat was een van de scherpste punten uit het verhaal van Faiza en dat schijnt veel vaker te gebeuren. In dat kader is het van belang om vast te stellen hoe de huisvestingseis zoals opgenomen in de EU-gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk passende huisvesting in de betreffende regio, geïnterpreteerd mag worden.

Over de handhaving wordt gesproken met ketenpartners zoals het UWV en de gemeenten, die de handhaving van de huisvestingseisen in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen uitvoeren. Ik kwam net met mevrouw van Gent uit een ander algemeen overleg waarbij dat ook aan de orde was. Mogelijk kan dezelfde systematiek worden gehanteerd. Daarnaast zal door het WODC worden onderzocht of aan buitenlandse partners, wanneer ze dat willen, inzage kan worden verschaft in het huwelijks- en antecedentenonderzoek van de toekomstige partner. In dat kader gaan wij natuurlijk kijken naar de Wet bescherming persoonsgegevens. Hier zal mijn collega Albayrak nader op in gaan.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): In de richtlijn is een huisvestingsvereiste gewoon toegestaan. Waarom kan dat niet volgens het EVRM?

Minister Van der Laan: Wat ik begrijp is dat enkel gesproken mag worden over passende huisvesting voor de betreffende regio. Of wij daarin verder mogen gaan is een onderzoeksvraag. Zo ligt het. Ik zeg dat niet met enig pessimisme of optimisme. Het is slechts een van de vele dingen die gecheckt moeten worden.

Ik kom nu bij het slot van het algemene stuk dat van tevoren gereed was gemaakt. Het is van belang om aan te geven dat een integraal huwelijksmigratiebeleid uiteraard ook voor het kabinet onlosmakelijk verbonden is met de internationale verplichtingen en daardoor is begrensd. Dat neemt echter niet weg dat we daarover het gesprek met Europa kunnen voeren, wanneer we dat als Nederland noodzakelijk vinden. Zo kan de opleidingseis voor referenten een verdere bijdrage leveren aan de integratie voor zijn of haar buitenlandse partner. Die eis is nu echter strijdig met de richtlijn voor de gezinshereniging. Samen met de verhoging van de leeftijdseis naar 24 jaar en het verbod om als referent op te treden bij strafrechtelijke veroordelingen op andere contra-indicaties, moeten we dat punt inbrengen zodra de Europese Commissie komt met nieuwe voorstellen tot harmonisatie van de gezinsherenigingsrichtlijn. Mijn collega’s zullen daar vanuit hun terrein verder op ingaan.

Ik kijk even naar wat er op mijn terrein nog ligt aan specifieke vragen. Ik zal proberen voort te maken. Ik hoop voor dit moment genoeg te hebben gezegd over de tienjarige leerplicht. Daar gaan we snel uitvoerig op in. De heer Dijsselbloem heeft gezegd dat hij het ermee eens is dat we de regel van het niveau stellen voor de komst. Hij heeft erop gewezen dat het beter is om het voor de komst te doen dan daarna, omdat er dan een groter probleem moet worden opgelost als het niveau niet gehaald wordt. Zijn vraag was wat er dan gebeurt. Het kabinet deelt die opvatting en heeft bewust die keuze gemaakt. Dat is tegelijkertijd slecht nieuws voor de heer Dibi, die precies het omgekeerde voorstelt. In de visie van het kabinet is dit echter het effectiefst, maar ook het humaanst. Vastlopen in een doodlopende steeg in Nederland heeft volgens ons namelijk grotere consequenties. Met respect voor wat hij daarvan denkt, dat is de keuze die we gemaakt hebben.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb ook alle respect voor wat de minister ervan denkt, maar denkt hij werkelijk dat je effectiever bezig bent en beter de taal leert en integreert in een ander land, waar je niet gedwongen bent om met de omgeving te communiceren, dan in Nederland waar je gedwongen wordt de taal te spreken? Ik denk dat je minder effectief bezig bent als je begint in het land van herkomst.

Minister Van der Laan: Ik vind dat u daar een punt hebt. Ik denk namelijk dat de algemene ervaring leert dat je makkelijker de taal leert als je naar het land toegaat dan als je dat doet vanuit het andere land. Als je deze dingen in de matrix zet, scoort dat in uw vakje. Daarmee is echter niet gezegd dat de eindafweging ook scoort in uw richting.

De heer De Krom heeft een vraag gesteld over de eis die aan de referent gesteld wordt, dat hij zelf ingeburgerd moet zijn voordat hij een buitenlandse partner mag laten overkomen. Die eis mag nu niet gesteld worden. Het is een limitatieve opsomming in de EU-gezinsherenigingsrichtlijn. Zoals gezegd brengen we dat ter sprake in de onderhandelingen daarover. De opleidingseis voor of na binnenkomst heb ik besproken. Dan wil ik ingaan op het Canadese systeem met zijn diplomaen/of opleidingseis via een puntensysteem, waarbij een hoger opleidingsniveau meer punten oplevert. Dat systeem geldt daar voor de economische migranten, maar niet voor de gezinsmigranten. Ik heb mensen al heel vaak horen pleiten voor het Canadese systeem, maar ik denk dat die twee dingen te makkelijk op één hoop worden gegooid. Ik wil best nog eens kijken in Canada, zonder dat dit als toezegging wordt genoteerd. Bij heel veel van dit soort dingen vind ik dat het zin heeft om in het buitenland te kijken en ik heb er geen enkel bezwaar tegen om te zeggen dat wij ook die inspiratie tot ons zullen nemen.

De heer De Krom (VVD): De gedachte achter het Canadese puntensysteem is dat je er pas inkomt als je aan de eisen voldoet. Uw redenering is dat wij wel opleidingseisen en inburgering hebben, maar dat mensen in Nederland de kans krijgen om daaraan te voldoen. Als zij daar op een gegeven moment niet aan voldoen, is de consequentie natuurlijk niet dat zij hun verblijfsvergunning of verblijfsrecht verliezen. Wat mij betreft is het het een of het ander: of je voldoet voordat je binnenkomt aan de eisen, of je verliest je verblijfsrecht als je in Nederland niet aan de eisen voldoet. Dat kan niet anders.

Minister Van der Laan: De heer De Krom doet mij een beetje glimlachen omdat in het algemeen de gedachte «het is het een of het ander» meestal al niet klopt. Als deze gevolgd wordt door de conclusie dat het niet anders kan, krijgt zo’n gesprek natuurlijk nog wat extra spanning. Hierbij is dat allemaal niet zo en zal het ook zeker niet zo zijn. We hebben namelijk een examen in het buitenland waarvoor men een bepaald percentage van de kennis die men uiteindelijk voor het examen hier in Nederland moet opdoen al leert. Ik heb me laten vertellen dat het huidige percentage 10 à 15 is. Daarna ga je de rest van het examen in Nederland doen. Dat is dus 85% à 90%. We gaan die verhouding nu wat veranderen. We gaan het in het buitenland zwaarder maken. Echter, aan het inburgeringsexamen zelf veranderen we in dit opzicht verder niets.

Laten we zeggen dat we bekijken hoe ze het in Canada doen, waarbij ik mij ook aanbevolen houd voor andere voorbeelden, niet om het systeem te veranderen, maar om te leren hoe wij dat wat wij hebben, wat een mengsysteem is en dus geen betrekking heeft op «het een of het ander», beter kunnen maken. Wat mij aanspreekt bij het Canadese systeem voor economische migranten, is dat je het allemaal van tevoren moet doen, dat je er zelfs handtekeningen voor moet zetten, etc.

Mevrouw Verdonk vraagt wanneer het kabinet de maatregelen gaat invoeren. Ook in antwoord op de vraag van mevrouw Sterk zeg ik toe dat de Kamer in december een brief ontvangt met de verdere planning. Mevrouw Verdonk heeft ook gevraagd naar de sancties die uit de Wet inburgering zijn gehaald. Ik geloof dat de heer Dijsselbloem al heeft gezegd dat er überhaupt geen sancties uit de wet zijn gehaald, maar dat er alleen maar sancties zijn toegevoegd. Ik kan me voorstellen dat mevrouw Verdonk erop doelt dat we de gemeente de ruimte hebben gegeven om de eigen bijdrage niet of pas achteraf te heffen, om de vrijwillige inburgeraars niet voor een enorm obstakel te plaatsen maar juist makkelijker te kunnen werven. Iets anders is er niet gebeurd dat mij associaties geeft bij uw vraag.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Heeft dat effect gehad op het aantal inburgeraars?

Minister Van der Laan: We hebben het net ingevoerd, dus het is onmogelijk om dat nu al te zeggen. De menselijke ervaring leert dat het een slok op een borrel scheelt als je tegen mensen die ergens niet toe verplicht worden en die je moet verleiden, zegt dat ze geen € 270 eigen bijdrage hoeven te betalen.

Dan wil ik ingaan op de Europeanen en de inburgeringsplicht van MOE-landers. De kabinetsreactie op de Risbo-onderzoeken gaat morgen in overleg met minister Donner de deur uit. We hebben volgende week ongetwijfeld een gesprek over de brief over de MOE-landers en alle aspecten die daarmee te maken hebben.

Duitsland eist A1-niveau voor mondelinge en schriftelijke vaardigheden. Ze kunnen dat doen omdat ze wereldwijd via de Goethe-instituten locaties hebben om cursussen te geven. Dat heeft Nederland niet. Ons niveau gaat voor mondelinge vaardigheid en leesvaardigheid nu echter ook naar A1. Dat is niet hetzelfde als de schriftelijke vaardigheid, als ik het juist heb. Wij zullen daarvoor aanvullend lesmateriaal ontwikkelen. Wij zoeken daarnaast contact met dergelijke instituten om op de Duitse manier te kunnen opereren en behandeld te worden.

Mevrouw Sterk heeft mij gevraagd in te gaan op de aanbevelingen uit de evaluatie van de wet. Ik hoop dat ik er voor dit moment genoeg op ben ingegaan. We komen bij de voorstellen nog terug op hoe we dit precies gaan doen, misschien met uitzondering van de individuele vrijstelling die daarbij hoort. In de wet bestaat de optie al om in onvoorziene gevallen van onevenredige hardheid en onbillijkheid vrijstelling te verlenen. Het punt van de betere aansluiting op de inburgering wordt expliciet opgepakt. Dat is een van de ondersteuningen bij de evaluatie van de plannen.

Zij vroeg ook hoe de minister de kosten van het aanvullende lespakket in het buitenland gaat financieren. Dat wordt bekostigd uit het budget voor inburgering op de begroting van WWI. Omdat de mensen in het buitenland dan een hoger niveau hebben hopen wij dat er minder geld voor inburgering in Nederland nodig is. Dat zijn de communicerende vaten waarover ik net even sprak. In ieder geval gebeurt het dus binnen mijn eigen begroting.

Mevrouw Verdonk vroeg hoe ik ervoor zal zorgen met de verhoging naar het niveau A1 en de schriftelijke toets binnen het EVRM te blijven. Ik geloof dat we een heel eind komen met het gerichte voorbereidingspakket en de andere maatregelen. Wij hebben daar uiteindelijk geen zorgen over. We zullen nooit zeggen dat dit glad zal verlopen, maar wij gaan daar enorm ons best voor doen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Gaat u ook zo ver met het invoeren van uw ideeën dat u een opt-out zou willen?

Minister Van der Laan: Nee. Ik ben nu een jaar minister, maar ik geloof dat bij het begrip «opt-out» alle haren van alle mensen die daarbij betrokken zijn, recht overeind gaan staan. Ik heb dat woord in dit verband nooit willen gebruiken.

Mevrouw Verdonk heeft ook opgemerkt dat het aantal mensen dat een inburgeringspakket koopt, daalt. Wij hebben geen gegevens van de mensen die dat pakket kopen, maar een mogelijke verklaring is dat de pakketten worden geleend van kennissen, of tweedehands worden doorverkocht. Ik kan verder niet anders dan er deze speculatie over geven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): De minister zegt dat hij geen gegevens heeft, maar die staan toch gewoon in de stukken?

Minister Van der Laan: Ik heb geen nadere gegevens anders dan de gegevens die u al heeft en waar u onze nadere interpretatie om vroeg. Als u tevreden bent met de gegevens die wij u hebben verstrekt, ben ik natuurlijk een blij mens.

De voorzitter: We houden het op één interruptie per onderwerp. Ik moet nu een beetje strenger gaan worden, zoals ik al had aangekondigd. Dat gaat nu in want we hebben nog twee bewindspersonen uitgenodigd en het lijkt me zinnig dat zij ook het woord kunnen krijgen. De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Van der Laan: Ik wil graag de vraag van de heer Dijsselbloem beantwoorden. De vraag was hoe hoog de lat lag bij alfabetisering en of deze hoger kan liggen dan niveau A1. Hoger dan A1 lijkt ons te ver gezocht. Voor analfabeten kost het veel tijd om te alfabetiseren, soms meer dan twee jaar. Een verhoging van het niveau zou een extra moeilijke stap zijn. Dat is ons idee. De heer Dijsselbloem vroeg ook of de alfabetiseringseis op dit moment geen belemmering meer is. Ik geloof dat er een misverstand is of dat de vraag niet helemaal goed is opgeschreven. Het antwoord is in ieder geval dat het kabinet zal investeren in gericht lesmateriaal voor taal, omdat dit nu niet bestaat. Dat is een verschil met het vorige kabinet, dat daar wilde ophouden en dat niet deed. Misschien is het voor het publiek niet erg aardig om wel het antwoord te kennen maar niet de vraag, dus misschien wil mijnheer Dijsselbloem straks de vraag herhalen, want ik wil geen ruzie met de voorzitter.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het antwoord was adequaat. Mijn vraag was namelijk: waarom dit in het verleden niet kon. De vorige minister zei dat die eis niet gesteld kon worden, maar dit kabinet gaat dat toch doen.

De voorzitter: Ik stel voor dat de minister zijn betoog afmaakt en vervolgens het woord aan de twee bewindslieden geeft. Ik sta nu even geen interrupties meer toe.

Minister Van der Laan: Ik probeer nu tempo te maken.

Tegen mevrouw Ortega-Martijn zeg ik dat ik naar ik hoop genoeg heb gesproken over de relatie tussen wat wij willen en het EVRM en over de zaken waarover wij onderzoek doen en gaan onderhandelen. Mijn collega’s zullen voor hun terreinen op diverse punten daaromtrent ingaan.

Zij vroeg ook naar het stellen van een opleidingseis aan de referent. Deze wordt genoemd als extra stimulans voor mensen om hun opleiding af te maken. Ik heb begrepen dat zij het voorstel steunt, maar wil weten of de regelgeving rond het huwelijk een geëigend instrument is om te stimuleren dat mensen hun opleiding afmaken. Zij zegt dat we voor Nederlanders ook geen opleidingseis stellen om te trouwen. Het antwoord daarop is dat de verwachting is dat de referent in Nederland door een opleidingseis te stellen beter in staat zal zijn om zijn toekomstige buitenlandse partner te begeleiden bij het inburgerings- en integratieproces. Daarnaast zal het ook een stimulans zijn om de opleiding af te maken. De vergelijking met een huwelijk tussen twee mensen die al in Nederland zijn gevestigd, gaat in mijn optiek niet op. Binnen de migratiecontext heeft de referent een specifieke rol en verantwoordelijkheid om de partner die hij of zij laat overkomen, wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving. Dat kan met een afgeronde opleiding ook een stabielere toekomst aan de referent zelf bieden. Dit is dus niet aan de orde bij een huwelijk tussen twee in Nederland gevestigde personen.

Mevrouw Ortega-Martijn had ook een vraag over het voorstel in de brief om de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland te laten vragen naar huwelijksdwang bij het afleggen van het basisexamen inburgering. Zij vroeg wanneer hierover helderheid komt. Dit is iets wat uiteraard met zeer veel waarborgen moet worden omkleed. Ik weet niet wat er precies gebeurt bij het examen inburgering. Mijn collega’s zullen hierover misschien wel verdergaande gedachten hebben op grond van de andere contactmomenten die er vanuit hun portefeuilles zijn.

De SP en de ChristenUnie hebben aanbevolen om te investeren in de kwaliteit van de inburgering in Nederland. Daar gaan wij volgende week ongetwijfeld zeer uitdrukkelijk over praten; ik zie daarnaar uit. Mevrouw Karabulut vroeg om een nader kwantitatief onderzoek naar huwelijksdwang. Ik kijk even naar mijn collega’s. Ik heb hier al iets over gezegd en zou het op prijs stellen als zij dat ook zouden willen doen. Ik heb zelf geen behoefte aan zo’n onderzoek. Ik zou ook graag willen dat mijn collega’s ingaan op de aanvullende maatregelen om het netwerk rond huwelijksdwang uit te breiden. Dat ligt net een slag meer op hun terrein.

Dan kom ik nu op mijn allerlaatste punt. Ik heb genoteerd dat de meeste partijen de brief voluit steunen. Daarvoor wil ik ze bedanken. Dat geldt in ieder geval voor het CDA, de PvdA, de VVD en de ChristenUnie. De bewoordingen die daarvoor gebruikt zijn, vind ik royaal, als ik dat zo mag zeggen. Ik hoop dat we snel komen bij iets wat heel ver weg blijft van «onderzoek, onderzoek, onderzoek», pamperen, vaagheid of iets dergelijks en dat we dit heel snel kunnen implementeren. Dat zal blijken uit de planning die de Kamer in december krijgt.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik wil graag nog twee vragen stellen. Over de opleidingseis van de referenten heb ik nooit gezegd dat ik het daarmee eens ben of erachter sta. Ik zie het nut er namelijk niet van in. Op het moment dat je een partner hier naartoe haalt, moet je je partner inderdaad begeleiden, maar wat heeft dat met opleiding te maken? Dit is geen vraag maar een opmerking.

Dan wil ik even iets zeggen over uw gebrek aan behoefte aan een onderzoek over dwanghuwelijken. Ik vind het prima dat de minister dat zo zegt, maar ik zou graag willen weten waarom hij daar geen behoefte aan heeft.

Minister Van der Laan: Dat is vooral een vraag voor Justitie. Ik ben er allang van overtuigd dat daar kwalitatief een groot probleem ligt dat voldoende kwantitatief is om het aan te pakken. Zo hebben wij het altijd besproken. Mijn collega’s weten hier echter meer over. Ik heb niet meer gegevens nodig om hier iets aan te doen.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik wil mijn collega van de ChristenUnie even bijstaan. U zegt dat u 25 tot 30% van de Nederlandse bevolking uitsluit door de opleidingseisen op te schroeven en dat u tegelijkertijd miljarden wilt bezuinigen in het onderwijs. Ik begrijp dat niet helemaal.

Minister Van der Laan: Ik zou hier minstens 24 uur over moeten nadenken om hier een antwoord op te kunnen geven.

Mevrouw Verdonk: De minister zegt dat de planning in december komt, maar wanneer denkt hij resultaat te behalen?

Minister Van der Laan: Wij zullen daar in de brief van december een aparte paragraaf over maken. Dat is geen grapje. Ik wil met mijn collega’s heel serieus over dit belangrijke probleem boter bij de vis leveren. Op grond van wat Hirsch Ballin, Albayrak en Van der Laan gedaan hebben, kan men vaststellen dat er in een hoog tempo gereden wordt.

De heer De Krom (VVD): Een punt van orde. Wij zouden om acht uur afsluiten. Als wij kunnen ingaan op het aanbod van de minister om de vragen die zijn blijven liggen, schriftelijk te stellen en dat deze voor de begrotingsbehandeling worden beantwoord, scheelt dat misschien een stuk stress in de tijd die er nog over is.

De voorzitter: Ik wilde sowieso voorstellen om vandaag geen tweede termijn te houden want dat is volstrekt onmogelijk. We hebben nog twee bewindspersonen en u wilt vast interrumperen want dat kunt u zo goed. Ik wil dat niet helemaal gaan afkappen, dus een tweede termijn zit er vandaag niet in. Ik vraag aan de minister of hij bereid is om de suggestie van mijnheer De Krom over te nemen.

Minister Van der Laan: Ik weet nog niet precies wanneer de begroting is. Misschien weet de Kamer wel of dat dinsdag of woensdag is.

De voorzitter: Dat weten wij morgen pas.

Minister Van der Laan: Ik snap dat het nuttig is om die antwoorden te hebben. Ik wil u toezeggen dat wij daar vanuit WWI ons best voor doen. Voor de collega’s van Justitie kan ik niks zeggen. Ik vind het redelijk om toe te zeggen dat wij ons best zullen doen om het maandag bij u te laten zijn. Als het niet helemaal lukt, is het in dit geval echt over, want de hele machine loopt al op heel hoge snelheid, ook voor de begroting. Er is nog maar weinig tijd, want we praten nu over drie of vier werkdagen.

De voorzitter: Dan stel ik voor dat de vragen morgen voor 12 uur worden aangeleverd. Ik zie iedereen instemmend knikken dus dat gaan we dan doen. Verder ga ik hier geen procedurevergadering houden. De minister zal er alles aan doen om deze uiterlijk maandag te beantwoorden. Misschien kunnen we dat nog laten afhangen van de plenaire agenda. Als de begrotingsbehandeling later begint, hebben we iets meer ruimte. Daarover zal de Kamer nog geïnformeerd worden, maar ik verzoek de leden om de vragen voor 12 uur aan te leveren.

Minister Van der Laan: Mevrouw de Voorzitter, ik wil niet pietluttig zijn, maar ik denk dat het hierbij moet gaan om vragen die in de eerste termijn gesteld zijn en die zijn blijven liggen in de beantwoording.

De voorzitter: Het gaat alleen om de vragen die zijn blijven liggen. Nu moeten we het toch even afmaken, zonder pietluttig te willen zijn, natuurlijk. Ik begreep dat de heer De Krom een aantal aanvullende vragen wilde stellen.

Minister Van der Laan: Laten we eerst even afwachten waar we komen en dan zien we wel weer verder.

De heer De Krom (VVD): Ik geloof niet dat u het punt helemaal hebt begrepen. We hebben nog 25 minuten en er moeten nog twee bewindslieden aan het woord komen. De minister deed het aanbod om schriftelijk op vragen terug te komen, omdat er zo weinig tijd voor discussie is. Het is toch alleszins reëel om te verzoeken of hij, als dat het geval is aan het einde van dit overleg, die vragen voor de begroting wil beantwoorden? Er is toch niks mis met dat verzoek?

De voorzitter: Het gaat om de openstaande vragen. Ik mag aannemen dat de meeste al genoteerd zijn, maar als u de openstaande vragen die u al eerder hebt gesteld wilt aanleveren, staat u dat vrij, als het maar voor 12 uur is. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris voor Justitie in haar eerste termijn.

Staatssecretaris Albayrak: Ik denk dat het op mijn terrein wel meevalt, omdat ik de woordvoerders vooral vragen heb horen stellen die in eerdere debatten al aan de orde zijn geweest en waar al meerdere malen in de Kamer antwoord op is gegeven. Dat zijn tevens vragen waarvan ik weet dat ze ook in de resterende kabinetsperiode nog veelvuldig aan mij gesteld zullen worden. Daar ga ik zomaar vanuit, inderdaad. De minister en ik hebben de verdeling zo gemaakt dat hij ingaat op de vragen die op zijn terrein liggen. Dat is alles wat te maken heeft met personen- en familierecht en het strafrecht, dus ook huwelijksdwang, de neef/nicht-huwelijken, polygamie, emancipatie en eergerelateerd geweld. De Kamer weet dat de minister die debatten voert en de vragen daarover zal beantwoorden.

Ik denk dat het kortheidshalve het beste is als ik de woordvoerders langsloop en kijk welke concrete vragen er aan mij gesteld zijn. Ik sluit me voor het gemak aan bij de inleidende woorden van de minister voor WWI. Dat verhaal was niet alleen namens de minister, maar ook namens het kabinet, dus ook nadrukkelijk namens de bewindspersonen van Justitie.

De heer Fritsma begon met de opmerking dat deze brief getuigt van een versoepeling van het gezinsmigratiebeleid of het partnermigratiebeleid, zoals hij dat noemt. Hij gebruikt daarvoor als voorbeeld het ouderenbeleid. Ik grijp dit punt aan om in te gaan op de motie die door de CDA-fractie is ingediend over het ouderenbeleid. De Kamer heeft vandaag een brief gekregen waarin ik aangeef hoe ik die motie denk te gaan uitvoeren. Dit is een aanvullende brief op een eerdere brief. Bij de toelating van ouderen hebben we het beleid aangescherpt in die zin dat één kind alleen het inkomen moet verdienen om een oudere mogen toelaten. Als er vroeger vier kinderen in Nederland werden toegelaten die alle vier een stukje inkomen hadden, wat vier keer niet voldoende was om een oudere toe te laten, mocht je dat bij elkaar optellen. Wij hebben nu gezegd dat het één kind moet zijn dat het volledige inkomen verdient.

De Kamer heeft in de brief kunnen lezen dat we daarbovenop het vereiste van samenwonen gaan introduceren. Dat is in veel gevallen ook het geval. Als iemand op zeventigjarige leeftijd naar Nederland komt, is zo iemand niet zelfstandig en gaat hij niet zelfstandig in een huis wonen. Daarbij is sprake van mantelzorg. We willen deze eis stellen om een beroep op de woningmarkt etc. hier in ieder geval uit te sluiten.

Het zijn betrekkelijk kleine aantallen, ongeveer tachtig per jaar. We hebben forse criteria als het gaat om de toelating. Er mag niemand in het land van herkomst zijn die voor de oudere kan zorgen, er mogen geen andere kinderen daar zijn, etc. Pas als iemand zorgbehoeftig is, mag hij naar Nederland komen. Onder die eisen laten we mensen toe. Nogmaals, ik zie daar geen versoepeling in.

Het laatste voorstel dat we hebben gedaan, is de samenwoningsvereiste, zoals de Kamer vandaag in de brief heeft kunnen lezen. We brengen graag voor mevrouw Sterk en anderen in beeld wat het beroep is geweest op de algemene middelen en de sociale zekerheid. Dan moeten we over de afgelopen jaren onderzoeken wat het beroep daarop is geweest na drie of vijf jaar, als mensen recht hebben op een zelfstandige verblijfsvergunning.

De heer Fritsma (PVV): De staatssecretaris gaat helemaal niet in op de versoepeling. Voorheen was het zo dat de IND kon zeggen als bijvoorbeeld een Palestijnse vrouw naar Nederland wilde komen die in Jordanië acht kinderen heeft en in Nederland een, dat Jordanië het meest aangewezen land is, omdat ze daar acht kinderen heeft wonen en in Nederland maar een. Nu creëert het kabinet de mogelijkheid dat die ouderen naar Nederland kunnen komen, ook al wonen er acht kinderen in Jordanië, met als gevolg dat de Nederlandse samenleving op kan draaien voor alle kosten voor gezondheidszorg, sociale voorzieningen, noem maar op. Zij kan toch niet ontkennen dat dit een versoepeling is?

Staatssecretaris Albayrak: Nee. Daarom noemde ik ook het aantal. We moeten niet overdrijven. Het gaat om tachtig ouderen waarvan is aangetoond dat ze zorgbehoeftig zijn. Wat betreft de zorgkosten, daar hebben we de verzekering voor. Mensen betalen premies en een zorgverzekering is verplicht voor deze mensen op het moment dat ze naar Nederland komen. Er zijn dus gewoon premies in het stelsel zoals wij dat kennen. Als ze een beroep doen op de zorgverzekeringen, wordt dat gewoon betaald door de algemene middelen. Dan is het aantal van tachtig op het aantal verzekerden in ons zorgstelsel toch wel relatief klein. De heer Fritsma kan daar een versoepeling in zien, maar die versoepeling kan ook wel worden weggestreept tegen wat anderen zullen zien als een aanscherping, denk ik.

De heer Fritsma (PVV): Ik begrijp dus dat we van het kabinet een overzicht zullen krijgen?

Staatssecretaris Albayrak: In de brief van vandaag heb ik geschreven dat we samen met Sociale Zaken zullen bekijken hoeveel van de in het kader van het ouderenbeleid toegelaten ouderen na verloop van tijd een beroep zijn gaan doen op de openbare middelen, bijstandsuitkering, sociale voorzieningen, etc., voor zover dat te onderzoeken is want dat zal een onderzoek met terugwerkende kracht zijn. Ik kijk even of dat onderzoek te doen is, want het is een onderzoek met terugwerkende kracht en dan ben je ervan afhankelijk of het allemaal geregistreerd is.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik kan het toch niet laten om te zeggen dat ik het onzin vind om geld te besteden aan onderzoek naar tachtig ouderen die in het verleden misschien wel eens aanspraak hebben gemaakt op de zorg en de sociale zekerheid. Zie daar gewoon vanaf.

Staatssecretaris Albayrak: De heer Dibi vraagt mij om een motie niet uit te voeren die is aangenomen door een meerderheid van de Kamer. Dat is zijn mening en dat is prima. Ik voer deze motie echter graag uit langs deze lijnen.

Dan ga ik in op het verzoek van de heer Fritsma om een immigratiestop voor moslimlanden in te stellen. Het kabinet heeft eerder bij monde van meerdere bewindspersonen, waaronder de minister-president zelf, gezegd dat wij dat noch wenselijk noch uitvoerbaar vinden. Daar wil ik het graag bij laten.

De heer Fritsma bepleit om het zelfstandige verblijfsrecht te laten ingaan wanneer iemand tien jaar een afhankelijke verblijfsvergunning heeft gehad. Als is aangetoond dat er op grote schaal misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke verblijfsvergunning, volgt de heer De Krom dit pleidooi om pas na tien jaar een zelfstandige verblijfsvergunning te geven, als ik het goed begrijp. Ik roep even in herinnering waarom het vanuit de gedachte van emancipatie, waarover vele debatten zijn gevoerd in de Kamer, onwenselijk wordt geacht om vrouwen langer dan noodzakelijk in een afhankelijke positie te laten. Dan zijn vrouwen chantabel voor die mannen die ze dwingen tot van alles en nog wat en dan durven ze niet naar de politie te gaan, omdat ze voor hun verblijfsrecht van hen afhankelijk zijn. Alleen al met het oog op de bescherming van deze vrouwen vind ik het hoogst onwenselijk om de termijn van afhankelijkheid nog verder op te rekken. Als je naar de statistieken kijkt, zie je dat er meer vrouwen als huwelijkspartner naar Nederland worden gehaald dan mannen. Ook statistisch gezien is dit voor mij een bijzonder risicovolle groep.

De heer Fritsma (PVV): Heel veel vrouwen in huwelijken staan dus onder druk en leven in een slechte relatie omdat de man ze min of meer dwingt om de relatie intact te houden. Mijn vraag is dan: als de relatie verbroken is, kan de partner toch terug naar het land van herkomst? Dan is dat toch opgelost? Waarom wilt u iedereen in Nederland houden?

Staatssecretaris Albayrak: Mijnheer Fritsma, ik geloof dat u werkelijk niets heeft meegekregen van de debatten die we de laatste jaren hebben gevoerd over eergerelateerd geweld en de maatregelen die door dit kabinet en het vorige kabinet zijn genomen om slachtoffers van dit soort situaties te beschermen. Er zijn vele debatten in de Kamer aan gewijd. Juist het feit dat die mannen dreigen met uitzetting is een reden voor die vrouwen om in die onderdrukkingssituatie te blijven. Ik gebruik nog niet eens het formele argument dat betrekking heeft op de richtlijn gezinshereniging, die werkt met een maximumtermijn van vijf jaar als het gaat om een afhankelijkheidsrelatie. Formeel zouden we het dus niet eens mogen, maar materieel zeg ik dat ik om emancipatieredenen nooit mee zou gaan in de gedachte om de afhankelijkheid op te rekken tot tien jaar.

De heer De Krom (VVD): Het zou echter wel kunnen helpen om het verschijnsel repeteerhuwelijken tegen te gaan.

Staatssecretaris Albayrak: Daar kom ik nu op.

De heer De Krom (VVD): Het omgekeerde komt namelijk ook voor. Buitenlandse partners komen naar Nederland toe, dumpen hun Nederlandse of in Nederland gevestigde partner en gaan er na drie jaar vandoor. Dat gebeurt dus ook. Dat is het omgekeerde.

Staatssecretaris Albayrak: Het repeteerhuwelijk is een van de vele fenomenen waarop de maatregelen in deze brief zijn gericht. Wij willen fraude en misbruik van procedures allereerst bestrijden door er vaker achter te komen. Ik wil even het voorbeeld van de heer Fritsma nemen, van mensen die acht, negen, tien keer een aanvraag doen om een partner over te laten komen. Als ik even reken, zou iemand die hier op zijn twintigste is gekomen en hier al veertig jaar woont en al tien partners hier naartoe heeft gehaald, dat om de vier jaar hebben gedaan. Dat is even los van het feit dat ik mensen in mijn omgeving ken die een hogere frequentie van partnerwissel hebben, maar dat zeg ik niet als een persoonlijke ontboezeming. Het kan natuurlijk gebeuren dat iemand bij herhaling een oprecht huwelijk sluit of een partner vindt in een land. Dat kan het land van herkomst zijn of dat kunnen meerdere landen zijn. De wereld zit nu eenmaal zo in elkaar dat mensen reizen en mensen tegenkomen. Wat wij echter niet willen, en waar deze brief op is gericht, is dat mensen met iemand trouwen en de tijd tegen betaling uitzitten, het huwelijk verbreken en vervolgens tegen betaling weer een nieuwe partner halen. Wij weten dat dit voorkomt. Fraude en misbruik komen voor. Ik zou echter niet weten hoe vaak dat is. Dat antwoord heb ik al eerder gegeven. Wil ik dat weten? Jazeker. Ga ik dat weten? Jazeker. De registratie van de IND stelt ons niet in staat om dit soort informatie boven tafel te krijgen. Het nieuwe Indigosysteem waarmee we vanaf medio 2010 gaan werken, werkt als een soort Google. Als je daar een naam van een vreemdeling intikt, komen alle hits tevoorschijn die er in alle systemen zijn, zoals strafrechtelijke veroordelingen, openbare orde tegengeworpen, eerdere aanvragen, asielverzoeken, veroordelingen wegens fraude en misbruik. In dat systeem wordt dit soort informatie automatisch gegenereerd wanneer je een naam intikt. Het wordt dus mogelijk om beter zicht te krijgen op hoe het gebeurt en hoe vaak het gebeurt. In het moderne migratiebeleid hebben we het systeem dat een referent in een referentenregister komt. Dat referentenregister stelt ons in staat om erachter te komen hoe vaak iemand als referent een aanvraag heeft ingediend voor toelating. Dat kon inderdaad allemaal niet.

De heer Fritsma (PVV): Ik ben blij dat de staatssecretaris toegeeft dat dit gebeurt, dat er mensen zijn die herhaaldelijk partners laten komen. Ik ben minder blij met het antwoord dat ze absoluut geen idee heeft hoe vaak het gebeurt. Het gaat erom dat haar beleid dit mogelijk maakt, omdat er geen enkele limiet wordt gesteld aan het aantal partners dat iemand uit het buitenland naar Nederland mag halen. Daar moet wat aan gebeuren, anders maak je natuurlijk nooit een einde aan de ketenmigratie.

Staatssecretaris Albayrak: Ons beleid heeft tot doel om hier voor eens en voor altijd korte metten mee te maken. Het was een feit dat dit niet werd geregistreerd en dan kun je daar ook niet op sturen. Ik wil ingaan op het voorkomen dat mensen herhaaldelijk partners hier naartoe halen. Een van onze voornemens bij de evaluatie van de gezinsherenigingsrichtlijn is om bij verzoeken voor partnermigratie en voor gezinshereniging en -vorming tegen te kunnen werpen dat mensen veroordeeld zijn, bijvoorbeeld voor eergerelateerd geweld en huiselijk geweld, of om tegen te kunnen werpen dat ze fraude en misbruik van procedures hebben gepleegd, bijvoorbeeld met betrekking tot het inkomen. Dat kan nu allemaal niet, omdat de opsomming in de gezinsherenigingsrichtlijn van de feiten die je mag tegenwerpen, limitatief is. Bij de evaluatie gaan wij een poging doen om de definitie zo op te rekken dat je ook dit soort tegenwerpingen mag doen. Als iemand nu veroordeeld is in Nederland, kan dat alleen consequenties hebben voor het verblijfsrecht van die persoon in kwestie, maar je kunt hem niet weigeren om bij herhaling een nieuwe partner naar Nederland te halen. Dat is echter wel het streven van dit kabinet.

De heer De Krom (VVD): Waarom kan dat niet? Dat zal ongetwijfeld met internationale verdragsrechtelijke beperkingen te maken hebben. Laten we nu eerst eens met z’n allen besluiten wat we willen en met z’n allen zeggen: dit willen wij niet. Ik wil het in ieder geval niet, daar wil ik heel duidelijk in zijn.

De voorzitter: Mijnheer De Krom, u stelt een vraag aan de voorzitter en u gaat niet in discussie met de heer Dijsselbloem.

De heer De Krom (VVD): Ik wil graag een reactie op het idee om binnen een periode van tien jaar maar één partner naar Nederland te mogen halen.

Staatssecretaris Albayrak: Volgens mij ben ik hier al expliciet genoeg over geweest. Nog voordat u uw eerste zin uitsprak, was mijn laatste zin dat het kabinet dit niet wil. Als mensen wederom iemand in een situatie van uitbuiting, mishandeling en onderdrukking willen brengen door middel van huwelijksmigratie, willen wij regelen dat je veroordelingen voor eergerelateerd geweld kunt tegenwerpen. We zijn nu aan regels gebonden waardoor wij niet in staat zijn om extra eisen te stellen aan de gezinsmigratie. Dit is een van de onderdelen die wij ter sprake hebben gebracht bij de bespreking van de evaluatie van de gezinsherenigingsrichtlijn in het kader van het Stockholmprogramma.

De heer De Krom zegt dat wij eerst moeten zeggen wat wij willen. Ik zou niet weten hoe het kabinet nog explicieter moet zijn dan in deze brief over wat we vooral niet willen. Wat we nu kunnen regelen, wordt nu geregeld. Wanneer we afhankelijk zijn van het ter bespreking op de agenda van de Europese Unie zetten, zullen we daarvoor de ruimte zoeken om het mogelijk te maken om te bestrijden wat wij willen bestrijden, zoals de minister voor WWI zojuist heeft aangegeven en zoals de minister van Justitie dadelijk nogmaals zal aangeven.

Hetzelfde antwoord geldt min of meer voor de wisseltruc waarover de heer Fritsma heeft gesproken, die betrekking heeft op schijnrelaties en ex-partners. Hij zegt dat je moet verbieden dat ex-partners in het land van herkomst zijn achtergebleven, terwijl iemand die met foute bedoelingen met iemand in Nederland is getrouwd en een verblijfsvergunning heeft gekregen, naar Nederland kan komen. Dat proces zullen we middels al deze processen een stap voor zijn. Wij willen schijnhuwelijken beter en adequater bestrijden bij de ambassades, door de manier van werken bij de IND en door het nieuwe Indigosysteem, doordat we er eerder achter komen dat het een risicogeval is of het vermoeden bestaat dat een huwelijk of een partnerschap niet oprecht is. Daardoor kunnen we meteen weigeren of als er op dat moment onvoldoende bewijzen zijn om het hard te krijgen, gaat er in ieder geval een vlaggetje op in het systeem zodat we, nadat iemand is toegelaten, strakker en systematischer gaan controleren of aan alle voorwaarden wordt voldaan. Deze controle is inclusief adrescontroles, die vaker en gerichter zullen gaan plaatsvinden, zeg ik de heer Fritsma toe, want ik weet dat dit een van zijn wensen is.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb een vraag over de adrescontroles. Worden die ook verricht als er geen fraude-indicaties zijn?

Staatssecretaris Albayrak: Het nieuwe van deze aanpak is dat we niet werken met concrete fraude-indicaties die moeten leiden tot onderzoek, maar met risicoprofielen vooraf. U zult begrijpen dat we niet in alle gevallen kunnen controleren. Daar heb ik de mensen en het geld niet voor. Je moet daarom gericht kijken naar wat de risico’s zijn. Dat is een van de onderdelen die nog concreet, praktisch worden uitgewerkt, zoals mevrouw Verdonk vroeg. Wat zijn de risicoprofielen? Hoe gaan we die vooraf aan de IND’ers beschikbaar stellen? Hoe gaan we overbrengen dat er extra controle nodig is bij een mogelijk risicogeval? We doen het dus vooraf op basis van risicoprofielen en we doen het steekproefsgewijs. Ook daarvan zullen we vaker gebruikmaken. We doen het dus zeker niet alleen op basis van concrete aanwijzingen van fraude.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Wanneer zijn de risicoprofielen klaar?

Staatssecretaris Albayrak: De minister voor WWI heeft gezegd dat er in december een nadere uitwerking van de voorstellen komt. Het is afhankelijk van hoeveel tijd ervoor nodig is, maar mijn voorstel is om de IND heel snel met deze nieuwe systemen te laten werken. Indigo is medio 2010 klaar. Dat gaat echt een slok op de borrel schelen. Door dat Googlesysteem Indigo zullen we onafhankelijk worden van het individuele dossieronderzoek dat je elke keer nodig hebt.

Het kabinet kiest niet voor een leeftijdsverhoging van 21 naar 24 jaar. Wij hebben bij monde van de minister-president bij de algemeen politieke beschouwingen gezegd dat wij graag bij de evaluatie van de gezinsherenigingsrichtlijn ook de leeftijd van de partner zullen betrekken. We kunnen ervoor gaan, maar we krijgen uit Europa heel veel kritiek omdat het gemiddelde 18 is en wij daar al boven zitten. De kans dat 27 landen het eens worden over de leeftijd van 24 is vrij klein. Denemarken heeft in 1998 een opt-out bedongen; niet alleen op dit punt maar bij het hele hoofdstuk asiel en migratie van het Verdrag van Amsterdam. Als Nederland dat zou willen doen, zouden we het Verdrag van Lissabon met terugwerkende kracht niet meer moeten accepteren. Ik geloof dat dit een onbegaanbare weg is en we zouden dit ook een onwenselijke weg vinden.

Over de Europaroute zal ik de Kamer voor kerst een brief doen toekomen met daarin de resultaten van zowel het IND- als het WODC-onderzoek en de kabinetsreactie daarop. Daarna zullen wij uitgebreid met de Kamer spreken over gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van de Europese regelgeving op dit punt.

De heer Fritsma (PVV): De staatssecretaris heeft het wel erg kort over de Europaroute gehad. Waar het om gaat is dat zij alleen naar misbruik wil kijken. Zij wil het bestaan van de route openhouden. Dat is wat zij altijd heeft gezegd. Vindt de staatssecretaris dat ze nog van een restrictief toelatingsbeleid kan spreken als partner- en gezinsmigranten via die route aan geen enkele eis hoeven te voldoen; niet aan de inburgeringseis in het buitenland, de inburgering in Nederland, etc.?

De voorzitter: Ik wil graag dat u korte vragen stelt. Andere collega’s willen misschien ook de gelegenheid om een vraag te stellen.

De heer Fritsma (PVV): Dan is dit bij dezen mijn laatste vraag.

De voorzitter: Het was niet de bedoeling om u de mond te snoeren, maar als dat zo is dan zij het zo.

Staatssecretaris Albayrak: We hebben nog een kwartier en een minister te gaan.

Ik denk dat ik niet in de verleiding moet komen om het verhaal dat ik al zo vaak heb gegeven te herhalen. Het gaat mij niet alleen om fraudebestrijding, maar ook om het in beeld brengen van oneigenlijk gebruik en het gebruik. Die drie trappen zitten erin. De Europaroute is een legitieme route. Deze bestaat gewoon, maar ik wil weten wat de achtergronden zijn. Daarbij wil ik vooral weten hoe vaak er misbruik en oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt. Dat moeten wij als eerste bestrijden en dan komen we er nog over te spreken.

De vragen van de heer De Krom sluiten deels aan bij de vragen van mevrouw Ortega over waarom we schijnhuwelijken en fraude niet kunnen tegenwerpen als mensen bij herhaling een aanvraag indienen. Dat heb ik denk ik voldoende behandeld. Dan kom ik bij het punt van de inkomensfraude. De heer De Krom vraagt hoe die controle gaat. Het hele project modern migratiebeleid is erop gericht om bestanden te koppelen wanneer het formulier wordt ingevuld met de mededeling dat er een inkomen is, waarmee aan het criterium wordt voldaan dat men onafhankelijk is. Met het koppelen van de bestanden kunnen wij beter controleren, bijvoorbeeld via de Belastingdienst, of iemand inderdaad een inkomen krijgt dat vereist is om een partner hier naartoe te mogen halen. Nogmaals, dat gaan we met de risicoprofielen beter, gerichter en vaker doen. Nu doen we het vooral wanneer iemand terugkomt voor een verlenging. We gaan in ieder geval in het eerste jaar bij herhaling controleren bij mensen bij wie het op papier deugt, maar bij wie er een vermoeden is dat er meer aan de hand is.

Dan kom ik op de vraag wat de IND’ers in het buitenland precies gaan doen. De liaison officers worden daar geplaatst. Allereerst is er het parallelle proces van het horen van partners. De partner hier zal op hetzelfde moment bij de IND worden bevraagd als de partner daar op de ambassade, zodat je maximaal kan checken of zij hetzelfde verhaal vertellen. Als daar tijd tussen zit kunnen zij elkaar vertellen wat zij hebben gezegd. Dat is een van de dingen waar de IND’ers mee bezig zijn. Wanneer er twijfel is, zijn zij de eerste die een vlaggetje omhoog doen. Daarmee geven ze aan dat ze niet kunnen bewijzen dat er fraude is, maar dat het extra in de gaten gehouden moet worden. Ik denk dat dit heel veel informatie gaat opleveren waarmee we trends in verschillende herkomstlanden kunnen waarnemen.

De vraag over wat we doen met de ambassades komt in een ander verband uitgebreid terug. De Kamer weet dat we dossiers van bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking en handel gaan verbinden. Wij willen alles gebruiken om terugkeer mogelijk te maken, maar ook om landen die niet meewerken te dwingen mee te werken. Ik zie met de IND geen probleem. Ik denk dat deze belangrijke stap niet alleen in Nederland maar ook in de Europese Unie gezet moet worden. We moeten het aandurven om dossiers in de Europese Commissie met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking en handelsverdragen met elkaar te verbinden om ervoor te zorgen dat landen die niet meewerken worden gedwongen om mee te werken.

Ik kom nu bij de vragen van mevrouw Verdonk. Als het gaat om gezinsmigratie hebben wij per definitie een restrictief toelatingsbeleid. Voor asielzoekers is het een ander verhaal, zeker als het gaat om nareizende gezinsleden. Er worden hier beelden opgetrokken die enige nuance verdienen, vooral als we naar de cijfers kijken. 60% van de hogere instroom werd veroorzaakt door nareizende gezinsleden van toegelaten vluchtelingen, aan wie we helemaal geen eisen mogen stellen zoals inburgering in het land van herkomst. Dit zijn mensen in oorlogssituaties die de toegelaten vluchteling binnen drie maanden mogen nareizen. Somalië en Irak zijn hiervan de belangrijkste veroorzakers.

De planning komt in december aan de orde. Mevrouw Verdonk vroeg ook even naar de huisvestingseis. Zij zegt dat het mogelijk is om dat te regelen. Op grond van de richtlijn moet er sprake zijn van passende huisvesting. Wij willen dat dit zelfstandige huisvesting is. Passende huisvesting zou op grond van de richtlijn ook kunnen zijn als je bij schoonouders in een groot huis inwoont. Dat willen wij echter niet. Wij willen dat mensen die een gezin starten, onafhankelijk van de schoonouders zijn en in een andere situatie terechtkomen. Om die reden gaan we bekijken of we zelfstandige huisvesting onder de definitie van «passende huisvesting» in de gezinsherenigingsrichtlijn kunnen brengen.

De voorzitter: Ik stel voor dat de staatssecretaris haar betoog afmaakt en dat we dan gaan kijken of er nog tijd is. De minister van Justitie is hier ook naartoe gekomen om te antwoorden en ik vind het niet netjes om hem die gelegenheid niet te geven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Geldt dan dezelfde regeling met betrekking tot de vragen die wij nu niet kunnen stellen?

De voorzitter: Dat zullen wij straks regelen. Ik wil daar nu geen tijd aan verdoen. Komt u daar straks nog even op terug.

Staatssecretaris Albayrak: Mevrouw Verdonk vraagt naar de discrepantie tussen de cijfers die zij van de website van de IND heeft gehaald over het aantal aanvragen voor mvv’s en de opmerking van het kabinet in de brief dat het aantal stabiliseert. Mevrouw Verdonk noemt het aantal aanvragen voor mvv’s. In de brief hebben wij het echter over het aantal ingewilligde mvv-aanvragen. Dat was in 2008 15 000. In 2009 was het de eerste tien maanden, tot en met oktober, 13 000. Die cijfers moeten vergeleken worden, dat wil zeggen dat niet het aantal ingewilligde aanvragen van 2008 moet worden vergeleken met het aantal aanvragen van 2009. Dat was wat er zojuist gebeurde. Dat even voor de volledigheid.

Veel vragen van mevrouw Sterk zijn al beantwoord en waren ook niet primair aan mij gericht. Wel had zij nog een vraag over asiel. Zij zei dat de vergunning voor gezinshereniging en -vorming geweigerd zou moeten worden als iemand een tijdelijke asielvergunning heeft en de situatie in het land van herkomst inmiddels veilig is. Dat is op dit moment staand beleid. Als de situatie veilig is, wordt de tijdelijke vergunning ingetrokken van de persoon die hier zit en wordt er geen gezinsvorming of -hereniging meer toegelaten. Het laatste bewijs daarvan is hoe we zijn omgegaan met Irakezen. We hebben allereerst de vergunningen ingetrokken van mensen met een tijdelijke vergunning die een aanvraag voor gezinshereniging hadden ingediend en de aanvraag voor gezinshereniging geweigerd.

De heer Dijsselbloem was van mening dat de inkomensgrens omlaag zou moeten. Daar kiezen wij op dit moment niet voor, omdat wij vinden dat mensen met de 120%-norm beter in staat zijn om voor het gezin te zorgen. De evaluatie laat een kanttekening zien die we hier moeten noemen. Dat is dat studerenden bijvoorbeeld eerder met de studie zouden kunnen stoppen om aan het inkomen te kunnen voldoen, een bijbaantje nemen, etc. We kunnen nu nog geen conclusies verbinden aan dat effect, maar we houden het in de gaten en zullen dit bij de volgende vergadering uitdrukkelijk betrekken.

Ik heb de vragen van de heer Dibi geloof ik uitdrukkelijk beantwoord. Wat de overige sprekers betreft zou ik graag afrondend willen antwoorden. Het mooiste aan deze brief is volgens mij dat deze vooral gericht is op het adresseren van de kwaadwillenden, om de goedwillenden maximaal te ontzien. Het gaat erom gericht fraude en misbruik te bestrijden, meer te registreren, meer te weten, niet reactief maar proactief ingesteld te zijn, om erachter te komen wie de kwaadwillenden zijn. Daar zitten de kansen van deze brief waar het kabinet uit volle overtuiging mee is gekomen, juist uit respect voor mensenrechten, eenheid van het gezin en het recht op huwen wie je wilt. Wij willen dat mensen daar niet ten onrechte door lijden, wat op dit moment, denk ik, af en toe toch wel het geval is.

De voorzitter: Ik stel u voor om tot uiterlijk tot vijf over acht door te gaan om de minister van Justitie de gelegenheid te geven antwoord te geven. Ik sta geen interrupties toe. Dat zult u begrijpen. Aan het eind van de vergadering zullen we zien hoe we verdergaan. Ik geef nu het woord aan de minister van Justitie.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik denk dat het mij zal lukken om mij aan uw strakke tijdschema te houden. Dat is me vergemakkelijkt omdat collega Van der Laan al een heleboel dingen heeft gezegd, met verwijzingen dat ik er nader op zou ingaan. In feite heeft hij de kern daarvan echter al genoemd. Hij is zo behulpzaam geweest om kort te antwoorden dat ik dit graag even vermeld.

Ik wil niet bij de Kamer de indruk te wekken dat het enige wat mij bij dit onderwerp interesseert huwelijksbeletselen zijn, want in de verantwoordelijkheid die in het bijzonder bij mij ligt, staat natuurlijk het Burgerlijk Wetboek en de naleving van de verdragen voor de Rechten van de Mens door Nederland voorop: de vrijheid om in liefde huwelijken met elkaar aan te gaan. Dat wil ik graag nog eens zeggen, omdat ik het in reactie op uw vragen vooral zal hebben over huwelijksbeletselen.

De reden waarom wij polygamie, te jong afgesloten huwelijken en neef/nicht-huwelijken en oom/nicht-huwelijken en tante/neef-huwelijken – en naar Nederlands recht moet ik daaraan toevoegen oom/neef-huwelijken en tante/nicht-huwelijken – willen tegengaan en beperken is dat wij het belangrijk vinden dat huwelijken en gezinsleven kansen krijgen en dat relaties in vrijheid worden aangegaan. De realiteit van het maatschappelijk leven gebiedt ons echter om te onderkennen dat er vaak druk, aandrang en soms zelfs dwang aan te pas komt om mensen huwelijken te laten aangaan die voor de huwelijkspartner het uitgangspunt vormen voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning, met alle vervolgvragen van dien waarover mijn collega’s al hebben gesproken. Om die reden vinden wij het bijvoorbeeld nuttig om op de ambassades de aantallen van de IND te hebben en voorafgaand aan de verstrekking van een voorlopige verblijfsvergunning een gesprek aan te gaan.

Uit een recente publicatie in het tijdschrift Demos, jaargang 25 nummer 8, blijkt dat het om een onderwerp gaat dat kwantitatief niet slechts marginaal is. Daarin staat dat het percentage neef/nicht-huwelijken blijkens een in 2006–2007 gehouden onderzoek onder tweede generatie Turkse en Marokkaanse medeburgers in Amsterdam en Rotterdam 8,3 respectievelijk 6,3 is. Ik wil hierbij niet een algemeen negatief oordeel uitspreken over neef/nicht-huwelijken. Ik vermeld als persoonlijke noot dat ik vormselpeter ben van een allerliefste Arubaanse Nederlandse die geboren is uit een neef/nicht-huwelijk. Haar overleden ouders gekend hebbende, weet ik dat het een huwelijk zonder twijfel uit oprechte liefde was. Zoals gezegd heeft dat dit vormselpetekind voortgebracht. Daar is dus niets tegen, maar anderen kunnen er misschien andere voorbeelden bij bedenken.

Ons Burgerlijk Wetboek heeft overigens de lijn, die wat minder ver is doorgetrokken dan in 1970, dat je ook niet al te close moet zijn om een huwelijk aan te gaan. Dat is niet alleen zo wegens een verhoogd gezondheidsrisico voor de kinderen dat door deskundigen is onderstreept, zeker wanneer het in dezelfde familie bij herhaling voorkomt, maar ook uit sociaal oogpunt. Ik wijs erop dat bijvoorbeeld een huwelijk tussen een adoptief broer en zus niet is toegestaan, behoudens ontheffing, terwijl het genetische punt daar uiteraard geen rol speelt, maar de te grote nabijheid wel. Vandaar de keus om dit niet te doen op een manier die onderscheid maakt tussen vreemdelingen of immigranten en anderen die naar Nederlands recht een huwelijk aangaan. Ik hecht eraan om dit nogmaals te onderstrepen, ook gezien de vragen die hierover zijn gesteld. Het zal een voorstel worden voor een algemene regel, met als consequentie dat het huwelijk dat naar buitenlands recht is aangegaan, waar een dergelijk huwelijksbeletsel niet geldt, geen basis zal vormen voor de verlening van een verblijfsvergunning. Met alles moet er ruimte zijn voor uitzonderingen. Uitzonderingen kunnen gerechtvaardigd zijn door een reeds langer bestaand huwelijk dat in een ander land is beleefd, maar het uitgangspunt is dat dit een beletsel zal zijn voor het Nederlandse recht en voor de verstrekking van de verblijfsvergunning.

Het belang van het aangaan van een huwelijkse relatie in vrijheid, ook in verband met het vreemdelingenrecht, zoals mevrouw Karabulut uitdrukkelijk ter sprake bracht, vormt het uitgangspunt voor onze benadering van dit onderwerp. Daarmee heb ik ook antwoord gegeven op de specifieke vragen van de heer De Krom en mevrouw Sterk over de reikwijdte van deze benadering. Deze geldt voor iedereen en er wordt geen onderscheid in gemaakt. De redenen daarvoor heb ik al gegeven.

Ik kan kort zijn over de vraag van de heer De Krom over polygamie, omdat we die inmiddels schriftelijk hebben beantwoord. Ik geloof dat hij het antwoord hierop heeft ontvangen, waarin ik op alle punten ben ingegaan die hij zojuist naar voren heeft gebracht. Ik ben in het algemene gedeelte van mijn antwoord al ingegaan op de vraag van de heer De Krom over de uitwerking van de bepalingen die ons voor ogen staat. Ik vermeld hierbij nog dat tot 1970 in het Nederlands Burgerlijk Wetboek een verbod gold voor huwelijken met familieleden in de derde graad. Dit betekent dat er een verbod wordt geïntroduceerd voor huwelijken in de derde en de vierde graad.

Bij de vraag van de heer Dibi over de strafaanstelling van huwelijksdwang kan ik verwijzen naar de brief die de Kamer hopelijk net voorafgaand aan dit overleg heeft gekregen. Ik zie geen noodzaak om een aparte strafaanstelling te introduceren, maar er zijn wel aanleidingen om bepaalde punten meer specifiek onder ogen te zien, zoals ik in mijn brief over dit onderwerp heb geschetst.

De heer De Krom en de heer Dijsselbloem zijn ingegaan op de vraag of wijziging nodig is van de verdragsbepalingen. Ingevolge artikel 12 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen. Dat laat dus ruimte voor nationale wetgeving. Daar is onder de lidstaten die zijn aangesloten bij het EVRM verscheidenheid in. Ons voorstel zal dus inhouden om binnen de kaders van het verdrag de grenzen te trekken.

Dan kom ik op het Haagse Verdrag van 1978 over het huwelijksrecht en de erkenning van huwelijken gesloten vanuit het recht van andere staten. Daarin is de mogelijkheid opengehouden om beperkingen aan die erkenning te stellen op grond van overwegingen van openbare orde. De openbare orde is in het internationaal privaatrecht een heel ander begrip dan wanneer we het over de politie hebben. Daarmee worden de bepalingen die men binnen de nationale wetgeving voor wezenlijk houdt bedoeld. Wanneer wij, Nederlandse wetgevers, de Kamerleden en hun collega’s in de Eerste Kamer en de regering samen tot de beoordeling komen dat de openbare orde beperkingen vereist, bijvoorbeeld op het punt van de polygamie, meen ik dat wij voldoen aan de eis van dit verdrag. Wij zullen uiteraard ook de besprekingen in het Familierecht Comité van de Raad van Europa gebruiken om dit in Europees verband onder de aandacht te brengen.

Mevrouw Karabulut heeft een aantal vragen gesteld over eergerelateerd geweld en de Rotterdamse aanpak. Het treft dat we daar morgen een ander AO over hebben. Ik zou graag het AO morgen willen benutten om de vragen van mevrouw Karabulut te beantwoorden om de termijn van vijf over acht niet te overschrijden.

De voorzitter: Ik zou het volgende willen voorstellen. We hebben zojuist met de minister voor WWI de afspraak gemaakt dat nog openstaande vragen schriftelijk beantwoord zullen worden. Vragen die al eerder zijn gesteld, maar die nog niet zijn beantwoord, kunnen de leden de bewindspersonen morgen voor 12 uur schriftelijk doen toekomen. Wij zullen dat via de griffier laten checken, want de griffier heeft de vragen bijgehouden. Het lijkt mij niet de bedoeling om er een hele rits nieuwe vragen aan toe te voegen. Ik zou diezelfde afspraak willen maken met Justitie, hoewel het kan dat de perfectie benaderd is en er niet veel openstaande vragen meer zijn. Ik zou het prettig vinden als door Justitie toegezegd kan worden dat nog openstaande vragen, als die er zijn, schriftelijk beantwoord worden. Er wordt geknikt door de staatssecretaris.

Staatssecretaris Albayrak: Als mensen vragen willen stellen die een relatie hebben tot de integratie, want daar gaat dit hele debat over, heb ik er helemaal geen bezwaar tegen dat de minister bij het debat daarover antwoord geeft.

De voorzitter: Dan houden wij dezelfde systematiek aan. Hartelijk dank voor uw medewerking. Dan heeft u nu niet langer de gelegenheid om vragen te stellen want, zoals u ziet, is het vijf over acht. Ik check even of u het eens bent met de door mij voorgestelde procedure.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik zou daarbij willen vragen of de Handelingen bij dit overleg op tijd af kunnen zijn zodat we die kunnen nalezen in voorbereiding op de begroting.

De voorzitter: Wij kunnen dat wel navragen, maar wij kunnen dat hier niet toezeggen. Daar gaan wij niet over. Wij zullen het navragen en het belang daarvan aangeven, maar ik kan het niet toezeggen.

De heer Dibi (GroenLinks): Een punt van orde. Ik ben bang dat ik een VAO wil aanvragen. Misschien moet ik aan u vragen om dat te doen, want het is op het terrein van de minister van Justitie.

De voorzitter: Zou u dat nog voor de begroting willen doen?

De heer Dibi (GroenLinks): Dat is geen probleem.

De voorzitter: Dan heb ik nog een punt te regelen: de toezeggingen. Zal ik dat nu doen of schriftelijk? Wij doen dat schriftelijk en we zullen deze heel nauwkeurig en precies opschrijven. Ik bedank de bewindspersonen hartelijk voor hun aanwezigheid en de ambtenaren voor hun medewerking.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), voorzitter, Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), Poppe (SP), Weekers (VVD), ondervoorzitter, Dijsselbloem (PvdA), Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Vietsch (CDA), Sterk (CDA), De Krom (VVD), Algra (CDA), Verdonk (Verdonk), Jansen (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Wolbert (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Bouchibti (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD) en Fritsma (PVV).

Plv. leden: Dibi (GroenLinks), Timmer (PvdA), Kant (SP), Blok (VVD), Bouwmeester (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Haverkamp (CDA), Bilder (CDA), Pechtold (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Blanksma-van der Heuvel (CDA), Meeuwis (VVD), Neppérus (VVD), De Wit (SP), Voordewind (ChristenUnie), Heijnen (PvdA), Zijlstra (VVD), Van Haersma Buma (CDA), Leerdam (PvdA), Ulenbelt (SP), Bosma (PVV) en Karabulut (SP).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Haersma Buma (CDA), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Besselink (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Sterk (CDA), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Van Gent (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP) Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Smilde (CDA) en Slob (ChristenUnie).