Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131936 nr. 81

31 936 Luchtvaartbeleid

Nr. 81 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2011

Op 1 juli 2010 heb ik u middels een brief (Kamerstukken II 2009/10, 31 936, nr. 34) gemeld dat de luchthavens die uitsluitend worden gebruikt voor het opstijgen met respectievelijk vrije ballonnen, schermzweeftoestellen en zeilvliegtuigen per 1 juli 2010 zijn vrijgesteld van het hebben van een luchthavenregeling.

Dit nadat de inwerkingtreding van de wet Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML) heeft geleid tot extra onvoorziene administratieve lasten. Voor de luchtsportsector en de provincies betekende de vereiste vaststelling van een groot aantal (>500) luchthavenregelingen voor de luchthavens waarvan deze luchtsporten gebruik maken een forse extra administratieve en bestuurlijke last.

De vrijstelling voor vrije ballonnen, schermzweeftoestellen en zeilvliegtuigen was het resultaat van constructief overleg tussen de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL), vertegenwoordigers van de provincies en vertegenwoordigers van mijn ministerie naar aanleiding van de op 30 maart 2010 aangenomen motie over dit onderwerp (Kamerstukken II 2009/10, 31 936, nr. 26).

In bovenstaande motie wordt ook gesproken over snorvliegtuigen (schermvliegtuigen). Ik heb in mijn brief van 1 juli 2010 gemeld dat voor deze categorie op dat moment geen vrijstelling kon worden gegeven aangezien er op dat moment nog de nodige discussie tussen de betrokken partijen bestond, aangezien het hier om gemotoriseerde luchtvaartuigen gaat waarbij geluidsaspecten een rol kunnen spelen die tot de nodige overlast kunnen leiden. Ook werd deze categorie luchtvaartuigen onder de oude regelgeving (Bignal) niet genoemd in het algemene vrijstellingsartikel (artikel 1a).

Om ook voor de categorie schermvliegtuigen tot een passende oplossing te komen is de afgelopen maanden aanvullend overleg gevoerd tussen de betrokken partijen. In dit aanvullende overleg is door vertegenwoordigers van de provincies geconcludeerd dat geen enkele provincie de intentie heeft het beoefenen van de snorvliegsport geheel onmogelijk te maken. De administratieve lasten voor de snorvliegtuigen en de provincies dienen zoveel mogelijk te worden teruggedrongen en tevens is de ambitie uitgesproken de procedures bij de verschillende provincies zoveel mogelijk te uniformeren.

Hierbij is door alle partijen tevens de conclusie getrokken dat een mogelijke vrijstelling in ieder geval niet aan de orde dient te zijn voor de zwaardere categorie schermvliegtuigen en het intensievere grondgebruik van schermvliegtuigen door bijvoorbeeld lesbedrijven.

Om invulling te geven aan het laatste deel van de motie is recent de afspraak gemaakt dat de KNVvL en vertegenwoordigers van de provincies gezamenlijk een tijdelijk experiment ontwerpen dat het mogelijk maakt om onder gecontroleerde omstandigheden ervaring op te doen met het vrijstellen van de lichte schermvliegtuigen (voetstart) van het hebben van een luchthavenregeling. Bij het vormgeven van dit experiment zal ook de Inspectie Verkeer en Waterstaat betrokken worden.

Ik zal vanuit mijn ministerie de expertise met betrekking tot het vormgeven van een experiment beschikbaar stellen aangezien hiermee de afgelopen jaren veel ervaring is opgedaan in het kader van het experimenteren met hinderbeperkende maatregelen rond de luchthaven Schiphol.

Ik heb er alle vertrouwen in dat het te houden experiment voor de schermvliegtuigen leidt tot een passende oplossing die recht doet aan de belangen van zowel de luchtsporters als van de verschillende provincies. Hiermee beschouw ik de uitvoering van de aangenomen motie over dit onderwerp dan ook als afgerond. Mocht op basis van de resultaten van het te houden experiment blijken dat regelgeving dient te worden aangepast om een permanente oplossing te realiseren, zal ik hier als vanzelfsprekend mijn medewerking aan verlenen.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma