Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031839 nr. 728

31 839 Jeugdzorg

Nr. 728 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 11 juni 2020

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) over de brief van 6 januari 2020 over de reactie op het verzoek van de commissie over de wijze van uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij c.s. over het beter benutten van initiatieven om de eigen kracht van jeugdigen en hun ouders te versterken (Kamerstuk 31 839, nr. 702).

De vragen en opmerkingen zijn op 30 januari 2020 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 10 juni 2020 zijn de vragen, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Post

Inhoudsopgave

blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II

Reactie van de Minister

4

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister van VWS over het beter benutten van initiatieven om de eigen kracht van jeugdigen en hun ouders te versterken. Wat de genoemde leden betreft is het een goede ontwikkeling om te werken met (informeel) mentorschap. Deze leden hebben geen verdere vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over de wijze van uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij c.s. over het beter benutten van initiatieven om de eigen kracht van jeugdigen en hun ouders te versterken. Genoemde leden hebben een enkele vraag hierbij.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bekend is met de Eigen Kracht Centrale? Is de Minister daarnaast bekend met het feit dat de Eigen Kracht Centrale in zwaar weer verkeert? Is de Minister bereid om in het kader van de uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij c.s. (Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 115) in gesprek te gaan met de Eigen Kracht Centrale om te bezien hoe deze stichting gered zou kunnen worden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben de voorliggende brief van de Minister tot zich genomen. Genoemde leden hebben nog enkele vragen hierover.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de Minister het inzetten van informele mentoren voor jeugdigen binnen het programma Zorg voor de Jeugd wil versterken. Zo meldt de Minister in de brief dat in het programma is opgenomen: «voor elk uithuisgeplaatst kind wordt een mentor uit zijn of haar netwerk georganiseerd, zoals bijvoorbeeld een «JIM» of een «maatje» om zodoende de «pedagogische context» van de jongere duurzaam te versterken». De Minister stelt echter niet hoe dit geregeld gaat worden. Genoemde leden vragen zich af bij wie de verantwoordelijkheid gaat liggen om de mentor te regelen en of deze verantwoordelijkheid ook vastgelegd gaat worden? En gaat ook gecontroleerd worden of het inderdaad zo is dat elk uithuisgeplaatst kind een mentor krijgt?

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de Minister het mentorschap verder onder de aandacht wil brengen bij aanbieders en gemeenten die een belangrijke rol hebben in het versterken van het informeel mentorschap. Genoemde leden vragen de Minister op welke manier hij dit wil doen? De Minister denkt ook aan het ondersteunen van professionals en (potentiele) informele mentoren, en het vergroten van effectiviteit van het inzetten van informeel mentorschap. Deze leden vragen de Minister op welke manier hij dit wil doen? En bij wie deze taak komt te liggen?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen tenslotte dat de Minister verwacht voor het zomerreces van 2020 meer te kunnen zeggen over de verschillende acties die in gang worden gezet en welke verdere stappen er door de verschillende partners in het veld genomen worden. Genoemde leden vragen de Minister waarom dit nog zo lang moet duren, als duidelijk uit de brief van de Minister blijkt dat bijna iedereen het belang van informeel mentorschap onderschrijft. Zouden bepaalde acties niet eventueel sneller in gang gezet kunnen worden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister over de wijze waarop hij invulling wil geven aan de motie van het lid Van der Staaij c.s. om de eigen kracht van jeugdigen en hun netwerk te versterken. Graag maken genoemde leden van de gelegenheid gebruik om over deze belangrijke ontwikkeling enkele verdiepende vragen te stellen. Het gaat immers om een kernelement uit de Jeugdwet, waarvan blijkt dat het in de praktijk nog niet goed uit de verf komt.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in zijn brief vooral ingaat op de Jouw Ingebrachte Mentor en niet op de Eigen Kracht Centrale. Genoemde leden vragen hem hier als nog op in te gaan. Deze leden vragen de Minister voorts om de uitwerking van de motie van het lid Van der Staaij c.s. niet te beperken tot twee voorbeelden die in de motie worden genoemd. Hoe gaat hij hiervoor zorgen?

De leden van de SGP-fractie hebben het idee dat initiatieven of interventies gericht op het versterken van de eigen kracht van jongeren en hun netwerk slecht bekend zijn bij gemeenten. Heeft de Minister zicht op de mate waarin gemeenten gebruikmaken van dergelijke initiatieven of deze onder de aandacht brengen van ouders of professionals? Wat weerhoudt gemeenten of jeugdzorgregio’s volgens de Minister om hiermee aan de slag te gaan? Welke drempels ervaren zij en welke rol kan de Minister spelen om deze weg te nemen?

De leden van de SGP-fractie lezen dat de Minister graag de mogelijkheid wil bieden om via de website van Zorg voor de Jeugd praktijkvoorbeelden of initiatieven te delen. Zij vinden dit een goede eerste stap. Genoemde leden vragen de Minister of er op dit moment al gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. Zijn aanbieders en gemeenten ook op de hoogte van deze maatregel? Zo nee, hoe gaat hij hen hiervan op de hoogte brengen?

Ziet de Minister ook andere mogelijkheden om bestaande initiatieven die ook op andere plekken worden aangeboden meer onder de aandacht te brengen van gemeenten of ouders? De leden van de SGP-fractie denken hier met name aan het vergroten van de bekendheid van de databases erkende interventies op het gebied van (preventieve) opvoedingsondersteuning, zoals via de site https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Effectieve-Jeugdinterventies. Wordt er bij het (door)ontwikkelen van nieuwe interventies ook specifiek rekening gehouden met het doel van de Jeugdwet om de eigen kracht van jongeren te versterken? Heeft de Minister het idee dat er voldoende aanbod is op dit vlak en dat dit aanbod ook voldoende is opgenomen in de databank met interventies?

De leden van de SGP-fractie vinden het belangrijk dat maatregelen die de Minister neemt ter uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij c.s. verder gaan dan «het overzichtelijk bij elkaar brengen van het aanbod». Genoemde leden wijzen erop dat gemeenten conform de Jeugdwet een wettelijke plicht hebben om de eigen kracht van jogneren te versterken. Deze leden vragen de Minister hoe hij – met in achtneming van de decentrale verantwoordelijkheid – gemeenten gaat aanjagen en ondersteunen om hiermee aan de slag te gaan zodat deze maatregelen treffen overeenkomstig hun wettelijke plicht. Zij vragen de Minister om preciezer aan te geven welke rol hij hierin voor zichzelf ziet weggelegd alsook voor de Vereniging Nederlandse Gemeenten.

II Reactie van de Minister

1. Opdracht Jeugdwet: Versterken van eigen kracht en het gewone leven

De leden van GroenLinks- fractie vragen zich af bij wie de verantwoordelijkheid gaat liggen om de mentor te regelen en of deze verantwoordelijkheid ook vastgelegd gaat worden? De leden van de SGP-fractie vragen de Minister voorts om de uitwerking van de motie van het lid Van der Staaij c.s. niet te beperken tot twee voorbeelden die in de motie worden genoemd. Hoe gaat hij hiervoor zorgen?

Op grond van de Jeugdwet hebben gemeenten de verantwoordelijkheid om de mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren in te schakelen, te herstellen en te versterken (artikel 2.1.c.). Dit artikel geeft gemeenten de ruimte om samen met partners deze verantwoordelijkheid in te vullen. We zien het versterken van eigen kracht steeds meer terug in diverse varianten. Het is steeds meer onderdeel van het dagelijks handelen van lokale teams en (jeugd)professionals. Dit komt ook terug in de veelheid aan initiatieven, zoals informele mentoren, maar ook maatjesprojecten, steungezinnen, familiegroepsplannen en eigen kracht conferenties. Het inzetten van een informele mentor (onderdeel van actielijn 1 van het Programma Zorg voor de Jeugd) is één van de manieren om eigen kracht van jeugdigen en gezinnen te versterken. Ik ben dan ook niet voornemens om het recht op informele mentoren wettelijk vast te leggen.

In de uitwerking van de motie wil ik mij niet alleen richten op de twee voorbeelden, zoals genoemd in de motie. De uitwerking van de motie is breder dan alleen de twee genoemde voorbeelden. De uitwerking is gericht op het versterken van eigen kracht en het gewone leven van jeugdigen en gezinnen waar het heel normaal is dat je steun in je eigen omgeving kan vinden bij familie en vrienden. Belangrijke steunfiguren bevinden zich daarnaast op school, binnen jongerenwerk en de sportclub. Deze voorzieningen zijn ook van algemeen belang omdat ze een bron vormen van sociale binding en sociale vindingrijkheid. Hier zijn ook een breed scala aan voorbeelden uit de praktijk te noemen. Dit kan gaan over campagnes om meer naar elkaar om te kijken of het stimuleren van ontmoetingen op het schoolplein en voorbeelden als:

Opa die op peuter en kleuter past zodat moeder op adem kan komen, de goede vriend die samen met jou een baantje zoekt, de jongerenwerker die een vertrouwensband met opbouwt en de jongeren zo weer terug naar school helpt, de geschiedenisleraar die een luisterend oor biedt en waarvan achteraf blijkt dat hij een cruciale rol speelde in op het rechte pad blijven van een jongere in onveilige omgeving, de buurtsportwerker die een snijdend meisje meeneemt naar boksschool waar ze zelfvertrouwen en sociaal netwerk opdoet.

2. Ondersteuning: gemeenten en partners

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de Minister het mentorschap verder onder de aandacht wil brengen bij aanbieders en gemeenten die een belangrijke rol hebben in het versterken van het informeel mentorschap. Genoemde leden vragen de Minister op welke manier hij dit wil doen? De Minister denkt ook aan het ondersteunen van professionals en (potentiele) informele mentoren, en het vergroten van effectiviteit van het inzetten van informeel mentorschap. Deze leden vragen de Minister op welke manier hij dit wil doen? En bij wie deze taak komt te liggen?

De leden van de SGP-fractie hebben het idee dat initiatieven of interventies gericht op het versterken van de eigen kracht van jongeren en hun netwerk slecht bekend zijn bij gemeenten. Heeft de Minister zicht op de mate waarin gemeenten gebruikmaken van dergelijke initiatieven of deze onder de aandacht brengen van ouders of professionals? Wat weerhoudt gemeenten of jeugdzorgregio’s volgens de Minister om hiermee aan de slag te gaan? Welke drempels ervaren zij en welke rol kan de Minister spelen om deze weg te nemen?

De leden van de SGP-fractie vinden het belangrijk dat maatregelen die de Minister neemt ter uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij c.s. verder gaan dan «het overzichtelijk bij elkaar brengen van het aanbod». Genoemde leden wijzen erop dat gemeenten conform de Jeugdwet een wettelijke plicht hebben om de eigen kracht van jongeren te versterken. Deze leden vragen de Minister hoe hij – met in achtneming van de decentrale verantwoordelijkheid – gemeenten gaat aanjagen en ondersteunen om hiermee aan de slag te gaan zodat deze maatregelen treffen overeenkomstig hun wettelijke plicht. Zij vragen de Minister om preciezer aan te geven welke rol hij hierin voor zichzelf ziet weggelegd alsook voor de Vereniging Nederlandse Gemeenten.

Het door u geschetste beeld, waar gemeenten initiatieven nog onvoldoende kennen en inzetten, verdient nuancering. Mijn beeld tot nu toe, door wat ik hoor van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het veld, is dat er op dit terrein veel gebeurt door het inzetten van interventies en initiatieven. Het versterken van de eigen kracht en het gewone leven van jeugdigen (en ouders) is een belangrijk doel van de transformatie. In menig gemeentelijk beleidsstuk is het versterken van de eigen kracht van burgers verankerd. De invulling hiervan kan per gemeente verschillend zijn. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft een aantal voorbeelden van gemeentelijk beleid dat ter inspiratie kan dienen voor anderen gemeenten bij het creëren van een stimulerende opvoed- en opgroeiomgeving zoals Gezond, veilig en kansrijk opgroeien in Almere1.

In het versterken van eigen kracht en het gewone leven spelen (het ondersteunen van) ouders en bekenden van een gezin (zoals opa/oma, tante/oom, vrienden) een belangrijke rol. Ook ondersteuning via een mentor of maatje kan het versterken van de eigen kracht en het gewone leven ondersteunen, maar is niet de enige manier. Er zijn diverse initiatieven2 die bijdragen aan het versterken van eigen kracht en het gewone leven. De verantwoordelijkheid ligt in eerste instantie bij de gemeenten, maar het is ook belangrijk om hier een gezamenlijke verantwoordelijkheid op te pakken. Dit is zeker het geval als een jeugdige niet meer thuis woont.

In de brief van 6 januari jl. heb ik aangegeven dat wij de verschillende initiatieven en interventies gezamenlijk onder de aandacht brengen van o.a. gemeenten, lokale teams en (jeugd)professionals en instellingen/aanbieders. Er gebeuren al veel mooie dingen, maar dit kan nog meer onder de aandacht worden gebracht bij de verschillende partners zodat dit jeugdigen/ouders, gemeenten, partners en (jeugd) professionals ook ondersteund in de invulling van het versterken van eigen kracht en het gewone leven. Het versterken van eigen kracht en het gewone leven is ook een nadrukkelijk onderdeel van het professioneel handelen van (jeugd)professionals en lokale teams.

De onderstaande trajecten en partners (par. 2.1–2.8) spelen een belangrijke rol om informatie, hulpmiddelen en ervaringen te delen, om zodoende jeugdigen/ouders, (jeugd)professionals, lokale teams, gemeenten en partners te ondersteunen in het versterken van eigen kracht en het gewone leven.

2.1. Inzetten van communicatiekanalen

De leden van de SGP-fractie lezen dat de Minister graag de mogelijkheid wil bieden om via de website van Zorg voor de Jeugd praktijkvoorbeelden of initiatieven te delen. Zij vinden dit een goede eerste stap. Genoemde leden vragen de Minister of er op dit moment al gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. Zijn aanbieders en gemeenten ook op de hoogte van deze maatregel? Zo nee, hoe gaat hij hen hiervan op de hoogte brengen?

Via de website Zorg voor de Jeugd kunnen praktijkvoorbeelden worden gedeeld. Er staan al enkele voorbeelden op deze website, Wel is het streven dit aantal uit te breiden, meer bekendheid voor de site te genereren en te zorgen dat de website nog beter gebruikt en gevonden wordt. Gemeenten, aanbieders en andere partners zijn en worden hiervan op de hoogte gebracht door o.a. de inzet van communicatie van het programma Zorg voor de Jeugd en het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) en door de verschillende partners van Zorg voor de Jeugd, waaronder de VNG, beroepsverenigingen en brancheverenigingen met hun eigen communicatiekanalen. Naast het op deze manier onder de aandacht brengen van initiatieven en interventies (en de bredere visie), kan dit ook via andere communicatiekanalen van het Programma Zorg voor de Jeugd, via de kanalen van VWS, de VNG, OZJ en nieuwsbrieven van jeugdhulpregio’s en het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). Het NJI verzamelt en verspreid o.a. via opvoeden.nl voorbeelden op het gebied van het versterken van het gewone opvoeden en opgroeien, waaronder het versterken van eigen kracht van kinderen, jongeren en ouders.

2.2. Notitie NJI Ondersteuning aan jongeren: mentoren en maatjes

Gemeenten willen de mogelijkheden van de inzet van informele steun zo goed mogelijk kunnen benutten. Ondersteunend hierbij is een door het Nederlands Jeugdinstituut opgestelde notitie voor gemeenten over informele steun met de focus op (informele) mentoren en maatjes ter ondersteuning van jongeren. De notitie biedt kennis en inzicht over verschillende vormen van mentoring, wat er bekend is over de effectiviteit en hoe gemeenten de inzet van informele steun kunnen bevorderen en stimuleren. Het Nederlands Jeugdinstituut zal de notitie actief delen via de nieuwsbrief, de website en andere social media kanalen en ook zullen we hieraan via de reeds genoemde kanalen van o.a. VWS en de VNG aandacht aan besteden. De notitie wordt naar verwachting voor de zomer 2020 gepubliceerd.

2.3. Initiatieven rondom onderlinge steun aan ouders/opvoeders

Het Nederlands Jeugdinstituut is bezig om het belang van onderlinge steun aan ouders/opvoeders, wat past binnen de definitie van het versterken eigen kracht en het gewone leven, onder de aandacht te brengen. Het NJI is verschillende initiatieven in kaart aan het brengen zoals Ouders Centraal, huiskamers op scholen, wijkacademies en Ouders in Actie groepen. Er wordt ook een kennisnetwerk georganiseerd voor gemeenten en hun partners (zoals CJG) waar uitgewisseld wordt hoe deze ouderinitiatieven en laagdrempelige steun kan worden gefaciliteerd.3

Het Nederlands Jeugdinstituut is ook voorbeelden elders uit Europa in kaart aan het brengen m.b.t. mentoring en informele steun, zowel voor jongeren als voor ouders. Het internationale paviljoen van de Voor de Jeugd dag (van 2 november 2020) staat in het teken van deze voorbeelden. Op 3 november 2020 wordt er een expertmeeting georganiseerd over dit thema met internationale voorbeelden.

2.4. Gesprekswaaier «Ken je Kracht?»

Het uitgaan van de eigen kracht van jeugdigen en hun opvoeders, met inzet van het sociale netwerk, is in de praktijk vaak erg ingewikkeld. Daarom heeft ZonMW in 2019 een gesprekswaaier ontwikkeld als hulpmiddel voor uitvoerende professionals, leidinggevenden, beleidsmakers, jeugdigen en opvoeders om het gesprek aan te gaan over spanningsvelden waar professionals mee te maken hebben bij het uitgaan van eigen kracht4.

2.5. Vakmanschap Jeugdprofessional

De effectiviteit van interventies of initiatieven wordt grotendeels bepaald door de wijze waarop de professional deze inzet. Daarom investeren we in vakmanschap (actielijn 6 programma Zorg voor de Jeugd). Onderdeel hiervan is het Samenwerkingsplatform Vakmanschap Jeugdprofessionals. Het platform biedt de mogelijkheid om gezamenlijk professionaliseringsvraagstukken aan te pakken en hier gezamenlijk van te leren. Dit gaat o.a. over generieke kennis en kunde die elke professional die met jeugd werkt zou moeten beschikken, zoals op een duurzame manier de eigen kracht van jeugdigen en gezinnen versterken.

2.6. Doorontwikkeling lokale teams

Het versterken van eigen kracht is veelal onderdeel van het dagelijks werken van (jeugd)professionals en lokale teams. Hierbij maken zij o.a. gebruik van mentoring. Een professional in een lokaal team doet dit door bijv. in een specifieke situatie op zoek te gaan naar iemand in het netwerk die een dergelijke rol kan vervullen. Een methode is bijv. een Sociale Netwerk Strategie als SONESTRA. Programma’s zoals maatjesprojecten, buddy projecten, de JIM, etc. worden ook ingezet. Daarnaast, kan het lokale team kiezen voor de inzet van een gespecialiseerde aanbieder of (welzijns)organisatie voor het organiseren van een familienetwerkberaad of een eigen kracht conferentie.

Het versterken van eigen kracht, zelfredzaamheid en het sociale netwerk heeft ook een belangrijke rol in de basisfuncties in het rapport van KPMG basisfuncties voor lokale teams5. Onderdeel van de basisfunctie handelen met een brede blik is het goed doorvragen naar eigen kracht en het netwerk van de inwoner waar het belangrijk is om regie zoveel mogelijk bij het gezin en het netwerk te houden. Bij de verdere implementatie van de basisfuncties voor lokale teams komt dit dus ook aan de orde.

2.7. Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd

Het ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) ondersteunt initiatieven in het hele land die bijdragen aan vernieuwing en verbetering van de jeugdhulp, en helpen mee aan kennisuitwisseling, samenwerking en innovatie. Het ondersteuningsteam ontvangt verscheidene ondersteuningsvragen vanuit het hele land. Deze ondersteuningsvragen worden door het ondersteuningsteam ook gebruikt als aanleiding om aandacht te vragen voor informele steun en het versterken van het gewone leven. Gemeenten (en partners) worden hierbij ondersteund. In de praktijk ziet het OZJ dat verschillende gemeenten actief inzetten op de transformatie en versterken van de eigen kracht van kinderen en gezinnen, door onder andere de inzet van informele steun en het actief betrekken van het netwerk. In gemeenten als Deventer en Zaltbommel is bijv. een positieve benadering en versterken van de eigen kracht stevig verankerd is in de werkwijze van de lokale teams. Gemeenten in midden Brabant maken actief gebruik van data, kennis bij professionals èn de deskundigheid van gezinnen zelf om te komen tot een ondersteunende aanpak.

Zoals al eerder aangegeven in mijn brief van 6 januari, bekijken 6 jeugdregio’s of ze ambulant specialistische systemische hulp in combinatie met de inzet van het informele netwerk gaan inzetten bij gezinnen met complexe vraagstukken. Bedoeling is om uithuisplaatsing te voorkomen. Sommige van deze regio’s zijn al gestart en professionals worden getraind. Deelnemers zijn tweedelijns voorzieningen en verwijzers (waaronder Gecertificeerde instellingen), onder regie van gemeenten. Wanneer mentoren of mentoring ingezet wordt bij complexe vraagstukken is het belangrijk dat de mentor ook goed wordt begeleid en positie krijgt van professionals. Dit vraagt iets van de aanbieders en de professionals die bij de jeugdigen betrokken zijn. Het OZJ ondersteunt bij deze trajecten en heeft hier aandacht voor.

2.8. Bijeenkomsten «versterken gewone leven»

Op 6 februari 2020 organiseerde het Nederlands Jeugdinstituut samen met het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd de landelijke inspiratiebijeenkomst «Versterken van het gewone leven, vanuit het wijkgericht werken»6. Hier werd onder meer kennis gedeeld over wat ertoe doet bij het versterken van het gewone leven. Hoe kunnen we leren van de inzichten van de lokale teams? En hoe pakt dit uit in beleid en praktijk? Dit krijgt komende jaar vervolg in de vorm van regiobijeenkomsten. Hier is de implementatie en borging van de basisfuncties voor lokale teams op aangesloten. In andere (regio)bijeenkomsten omtrent de implementatie van de basisfuncties zijn het versterken van het gewone leven en eigen kracht belangrijke rode draden.

Daarnaast ben ik onder andere met het OZJ en NJI in gesprek om naar verwachting voor de zomer een bijeenkomst te organiseren waar we verschillende initiatieven bij elkaar willen brengen om elkaar en andere te inspireren in relatie tot de eerdergenoemde brede maatschappelijke beweging gericht op het versterken van eigen kracht en het gewone leven.

Zoals hierboven beschreven willen wij gebruik maken van de diverse (communicatie)kanalen van het programma Zorg voor de Jeugd, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en het Nederlands Jeugdinstituut om niet alleen initiatieven en interventies rondom het inzetten en versterken van informele mentoren onder de aandacht te brengen, maar in de breedte van versterken van eigen kracht en het gewone leven.

3. Effectiviteit interventies en initiatieven

Ziet de Minister ook andere mogelijkheden om bestaande initiatieven die ook op andere plekken worden aangeboden meer onder de aandacht te brengen van gemeenten of ouders? De leden van de SGP-fractie denken hier met name aan het vergroten van de bekendheid van de databases erkende interventies op het gebied van (preventieve) opvoedingsondersteuning, zoals via de site https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Effectieve-Jeugdinterventies. Wordt er bij het (door)ontwikkelen van nieuwe interventies ook specifiek rekening gehouden met het doel van de Jeugdwet om de eigen kracht van jongeren te versterken? Heeft de Minister het idee dat er voldoende aanbod is op dit vlak en dat dit aanbod ook voldoende is opgenomen in de databank met interventies?

Het Nederlands Jeugdinstituut heeft een databank van (erkende) interventies op het gebied van preventie en behandeling van risico’s en problemen bij opgroeien en opvoeden. Om in aanmerking te komen voor het erkenningstraject dienen interventies aan een aantal basiscriteria te voldoen7 waaronder een evidence-based onderbouwing van de werkzaamheid. Ook als ze hier niet volledig aan voldoen kunnen interventies het advies van het Nederlands Jeugdinstituut vragen. Op dit moment is naar schatting maar 10% van alle methoden, aanpakken en interventies in het brede jeugdveld opgenomen in de databank. Daarnaast zijn er nog veel meer methoden, aanpakken en interventies die gericht zijn op het versterken van dat wat goed gaat.

Bij de beoordeling van interventies wordt niet specifiek rekening gehouden met het doel van de jeugdwet om eigen kracht van jongeren en gezinnen te versterken of het inzetten van maatjes of mentoren. Preventie, ondersteuning en hulp zijn altijd gericht op het versterken van positieve ontwikkeling van kinderen of jongeren. Het inzetten van maatjes of mentoren is een vorm daarvoor. In de databank zijn veel interventies te vinden gericht op het versterken van vaardigheden van kinderen/jongeren/gezinnen op allerlei terreinen die zodoende ook de eigen kracht versterken. Bijvoorbeeld 47 interventies die gericht zijn op het versterken van een positieve ontwikkeling uitgevoerd in basisvoorzieningen als school, kinderopvang en jeugdgezondheidszorg.

De databank en daarmee ook de initiatieven en interventies gericht op eigen kracht wordt op verschillende manieren onder de aandacht gebracht, via nieuwsbrieven NJI, jaarlijkse e-zine voor gemeenten, via richtlijnen, opleidingen, lezingen en publicaties. Ook zal ik hier via de communicatiekanalen van Zorg voor de Jeugd aandacht aan besteden.

De databank kan gemeenten en partners helpen om invulling te geven aan het versterken van eigen kracht en het gewone leven van jeugdigen en gezin, maar biedt geen overzicht van de werkzaamheid van alle aanpakken. Het is belangrijk dat gemeenten niet alleen met erkende interventies aan de slag gaan, maar ook andere initiatieven en interventies de kans geven om zich verder te ontwikkelen. Dit zorgt er uiteindelijk ook voor dat er meer info beschikbaar is over de effectiviteit van initiatieven en interventies.

4. Eigen kracht Centrale

De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in zijn brief vooral ingaat op de Jouw Ingebrachte Mentor en niet op de Eigen Kracht Centrale. Genoemde leden vragen hem hier als nog op in te gaan.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bekend is met de Eigen Kracht Centrale? Is de Minister daarnaast bekend met het feit dat de Eigen Kracht Centrale in zwaar weer verkeert? Is de Minister bereid om in het kader van de uitvoering van de motie van het lid Van der Staaij c.s. in gesprek te gaan met de Eigen Kracht Centrale om te bezien hoe deze stichting gered zou kunnen worden?

Ja, ik ben bekend met de Eigen Kracht Centrale (EKC) en heb geen signalen ontvangen dat de Eigen Kracht Centrale in zwaar weer verkeert.

Wat betreft aanbieders met financiële problemen, is de kern van het beleid dat iedere jongere moet kunnen rekenen op goede, tijdige en bereikbare zorg8. Bedreiging hiervan, bijvoorbeeld omdat een zorgaanbieder in financieel zwaar weer verkeert moet tijdig gesignaleerd en aangepakt worden. Hierbij is de continuïteit en kwaliteit van zorg voor de jongeren leidend en niet het belang van een individuele zorgaanbieder.

Jeugdhulpaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie, de borging van de kwaliteit van zorg en – indien nodig – een zorgvuldige overdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders zoals gemeenten (inkopers) in overleg gaan over een oplossing. Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor een toereikend aanbod van jeugdhulp.

Bij financiële en/of organisatorische problemen die kunnen leiden tot discontinuïteit van jeugdhulp kan de aanbieder, zoals de EKC, in eerste instantie het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) benaderen. Als het OZJ geen soelaas biedt, kan sinds 1 januari 2019 geëscaleerd worden naar de Jeugdautoriteit (JA).

Gezien de hier bovenbeschreven werkwijze waarbij de EKC eerst contact moet zoeken met het OZJ en de JA, ligt het niet in de rede dat ik op dit moment met de EKC in gesprek ga over de financiële situatie. Wel neem ik met de EKC contact op om mijn antwoord toe te lichten.

Bedoeling van de ingediende motie is om initiatieven gericht op het versterken van de eigen kracht van jeugdigen, beter te benutten. In de Jeugdwet is deze mogelijkheid opgenomen onder de titel familiegroepsplan. De invulling van het familiegroepsplan is vormvrij. Er is in de praktijk een veelheid aan initiatieven en organisaties op dit terrein, zoals Familienetwerkberaden, familiegroepsplan.nl, de eigen kracht centrale en Eigen plan en er ligt bij veel instellingen (waaronder lokale teams en jeugdhulpinstellingen) ook veel meer nadruk op het betrekken van netwerken. Het Ministerie van JenV heeft de ontwikkeling van een methodische handreiking gesubsidieerd (november 2019), die betrokken organisaties kunnen benutten om in de praktijk tot een effectievere inzet van het familiegroepsplan te komen.9. Deze wil ik onder de aandacht brengen via diverse communicatiekanalen als die van het programma Zorg voor de Jeugd, de VNG en het Nederlands Jeugd Instituut.

5. Overige vragen

De leden van Groen Links vragen mij of er ook gecontroleerd gaat worden of het inderdaad zo is dat elk uithuisgeplaats kind een mentor krijgt en de leden van de SGP hebben mij gevraagd of ik zicht heb op de ervaren drempels bij het inzetten van initiatieven en interventies om eigen kracht te versterken.

In het programma Zorg voor de Jeugd is afgesproken (actielijn 1; betere toegang tot jeugdhulp voor kinderen en gezinnen) dat we er met de jeugdsector voor gaan zorgen dat voor elk uithuisgeplaatst kind een mentor wordt georganiseerd uit zijn of haar netwerk. Om zicht te krijgen op de stand van zaken, doen we onderzoek en uitvraag hiernaar onder pleegzorg, instellingen en gemeenten.

We verwachten de resultaten na het zomerreces van 2020. Deze uitkomsten geven naar verwachting een beeld in hoeverre deze groep jeugdigen een informele mentor hebben en wat de ervaringen en mogelijke drempels zijn. Mochten er drempels zijn, dan gaan we er vanuit het programma ZvdJ op sturen om deze weg te nemen.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen tenslotte dat de Minister verwacht voor het zomerreces van 2020 meer te kunnen zeggen over de verschillende acties die in gang worden gezet en welke verdere stappen er door de verschillende partners in het veld genomen worden. Genoemde leden vragen de Minister waarom dit nog zo lang moet duren, als duidelijk uit de brief van de Minister blijkt dat bijna iedereen het belang van informeel mentorschap onderschrijft. Zouden bepaalde acties niet eventueel sneller in gang gezet kunnen worden?

Ik heb voor de zomer aangegeven, omdat dan de vierde voortgangsrapportage Zorg voor de Jeugd verschijnt en de stand van zaken rondom informeel mentorschap onderdeel is van actielijn 1 van dit programma. In de tussen tijd is er natuurlijk wel al het nodige in gang gezet, zoals u hierboven kunt lezen.