Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631839 nr. 510

31 839 Jeugdzorg

Nr. 510 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 april 2016

Tijdens het Algemeen Overleg over de decentralisatie van jeugdhulp (6 oktober 2015, Kamerstuk 29 538, nr. 198) hebben de leden van der Burg (VVD) en Bergkamp (D66) mij gevraagd in overleg te treden met gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering (hierna: GI) en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna RvdK) over waarheidsvinding en daarover te rapporteren. Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.

Aandacht voor waarheidsvinding

Om een actueel beeld te verkrijgen van de wijze waarop instellingen omgaan met waarheidsvinding is een aantal gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van GI’s, met de RvdK, met een kinderrechter van de rechtbank te Amsterdam, met de inspecties (Inspectie Jeugdzorg en Inspectie Veiligheid en Justitie) en daarnaast met cliëntenvertegenwoordigers.

Uit de gevoerde gesprekken komt het beeld naar voren dat GI’s en de RvdK het onderwerp waarheidsvinding serieus nemen. Het rapport van de Kinderombudsman uit 20131 heeft daaraan bijgedragen, evenals de verankering van de waarheidsvinding in de Jeugdwet (artikel 3.3).

Verantwoord omgaan met waarheidsvinding is cruciaal voor de onderbouwing van de ingrijpende en vaak complexe beslissingen die professionals moeten nemen ten aanzien van kinderen en ouders. De instellingen geven aan dat zij meer nog dan in het verleden alert zijn op het scheiden van feiten en meningen en op een gedegen opbouw van rapporten. Zij besteden hieraan aandacht, onder andere in de vorm van interne voorlichting, trainingen en in verbeterde werkwijzen en instructies.

Zo is in de doorontwikkeling van de onderzoeksmethodiek bij de RvdK eind 2013 meer aandacht gekomen voor het zorgvuldig uitvoeren van onderzoek gebaseerd op concrete, objectieve en feitelijke informatie.

Voor de GI’s vormt het normenkader de basis voor certificering. Professioneel handelen en het volgen van protocollen en richtlijnen zijn belangrijke elementen binnen dit normenkader. Er zijn normen geformuleerd op het gebied van de doelstelling van organisaties, professionals, methoden. De participatie van de jeugdigen en het gezin zijn specifiek benoemd in het normenkader. GI’s hanteren voorts een (landelijk) privacyreglement dat ziet op zorgvuldige en correcte verzameling en verwerking van persoonsgegevens van cliënten.

Een voorbeeld in dit verband is de werkwijze van de rechtbank Amsterdam waarop het lid van uw Kamer mevrouw van der Burg wees. In 2013 stuurde de rechtbank een brief aan de GI’s en de RvdK in de regio, waarin is samengevat aan welke eisen de rapportages moeten voldoen op het punt van «waarheidsvinding» en welke documenten bij de stukken moeten worden gevoegd. Dit biedt de instellingen duidelijkheid en houvast.

Minstens zo belangrijk is de cultuurverandering die instellingen in gang hebben gezet: meer samen met ouders werken, het plan van aanpak is van de ouder, niet van de gezinsvoogd of hulpverlener en in de rapportages is er ruimte voor ouders om hun zienswijze op te nemen wanneer die afwijkt van de zienswijze van bijvoorbeeld de gezinsvoogd. Deze manier van werken betekent een omslag voor instellingen die nog niet gewend waren zo te werken. Cliënten bevestigen dat deze omslag van «praten met in plaats van praten over» een belangrijke stap voorwaarts is teneinde rapporten en plannen meer transparant te maken. Ouders en kinderen, en ook pleegouders, weten in dat geval beter wat ze kunnen verwachten. Dit kan verder bijdragen aan de kwaliteit van onderzoek en rapportage.

Is de waarheidsvinding anno 2016 op orde?

De instellingen geven aan dat zij voortdurend werken aan de kwaliteit van de rapporten en onderzoeken. Daarmee is nog niet gezegd dat de waarheidsvinding anno 2016 over de hele linie optimaal is. Vooral in ingewikkelde zaken rondom gezag en omgang kan het zijn dat ouders zich niet gehoord voelen, of het niet eens zijn met de wijze waarop de RvdK of de GI met hun zaak omgaat. De vertegenwoordigers van cliënten benoemen voorbeelden van waar het mis kan gaan. Een terugkerende klacht blijft dat feiten en meningen niet afdoende worden gescheiden. Oude gebeurtenissen worden als nieuw gepresenteerd. Daarnaast worden zaken die in eerste instantie als vermoeden worden gepresenteerd in een later stadium zonder enig onderzoek als vaststaand feit gerapporteerd. Vertegenwoordigers van pleegouders herkennen zich ook in deze signalen.

De nieuwe cultuur en manier van werken moeten helpen om daarover in gesprek te gaan. In dit soort situaties staat uiteraard ook de reguliere weg van de klachtenprocedure open.

In het «Jaarbeeld 2015 Landelijk Toezicht Jeugd» van de Inspectie Jeugdzorg (IJZ, Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) constateren de inspecties op basis van het in 2015 uitgevoerde risico-gebaseerde toezicht en de ontvangen signalen dat binnen instellingen voor jeugdhulp met verblijf de randvoorwaarden om tot waarheidsgetrouwe verslaglegging te kunnen komen, aanwezig zijn. De inspecties stellen in het jaarbeeld dat het voor de GI’s in complexe situaties een moeilijke, en soms onmogelijke, opgave blijkt te zijn om naar tevredenheid van alle partijen de belangen van het kind het zwaarst te laten wegen. In het toezicht zullen inspecties hieraan blijvend aandacht besteden. In het toetsingskader van de IJZ is als expliciete indicator opgenomen dat instellingen moeten streven naar waarheidsgetrouwe verslaglegging.

Klachtbehandeling door de Raad voor de Kinderbescherming

Kamerlid Bergkamp vroeg of klachten van ouders door de RvdK serieus worden genomen.

In 2014 zijn er bij de RvdK 217 formele klachten ingediend. Dit betekent dat 0,41% van de zaken bij de RvdK leidde tot een klacht. Deze klachten bestaan uit diverse onderdelen waarvan circa de helft betrekking heeft op de categorie «inhoud van het raadsonderzoek/inhoud van het rapport». Binnen deze categorie ging het met name over niet voldoende consistent en over onzorgvuldig onderzoek of niet objectief onderzoek.2

Met betrekking tot de klachtbehandeling heeft bij de RvdK een cultuurverandering plaatsgevonden, passend bij de veranderde houding in het raadsonderzoek. Klachtbehandelaars zijn getraind in een laagdrempelige manier van klachtbehandeling, in het vroegtijdig onderkennen van klachten en een meer «informele aanpak»3. De focus ligt op het tijdig met de cliënt in gesprek gaan, op zoek naar een oplossing of naar beter begrip van elkaar. Als het niet lukt om met de klager tot een oplossing te komen, dan kan deze zich wenden tot de externe onafhankelijke klachtencommissie.

Tenslotte

Instellingen zijn zich bewust van het belang van objectieve onderbouwing van de conclusies in hun rapportages, óók wanneer het gaat om een professioneel «niet pluis»-gevoel. Zij hebben daarom doorlopend aandacht voor dit fundamentele aspect van hun werk, ook in overleggen met ketenpartners en de rechtbank. Periodiek regionaal overleg tussen rechtbank, RvdK, advocatuur en GI’s kan eraan bijdragen dat verzoekschriften voor kinderbeschermingsmaatregelen verder worden verbeterd.

Professionals werken veelal in zeer complexe situaties, waarin zij de ontwikkeling en veiligheid van het kind steeds voorop stellen. Ik heb veel waardering voor de manier waarop zij dat doen. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit werk met zich brengt dat er situaties zullen (blijven) bestaan waarin cliënten en pleegouders zich niet of onvoldoende gehoord voelen of waarin geconstateerd wordt dat rapportages niet op orde zijn. De cliënten hebben daar, ook anno 2016, voorbeelden van. De nieuwe cultuur en manier van werken moeten helpen om dat zoveel mogelijk te voorkomen en, als het toch gebeurt, daarover in gesprek te gaan en fouten te herstellen of helder te maken waar de zienswijzen verschillen. Om die reden zijn de rechten van cliënten goed geborgd in de wet.

Tot slot is het aan de inspecties om toezicht te houden op de kwaliteit van het feitenonderzoek en de rapportage. In het toezicht blijft dan ook aandacht voor dit onderwerp.

Ik meen dat met deze waarborgen en de in gang gezette verbetermaatregelen al het mogelijke wordt gedaan om de kwaliteit van het onderzoek en de rapportages te verzekeren en waar nodig te verbeteren.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

«Is de zorg gegrond?» De Kinderombudsman, december 2013.

X Noot
2

Gegevens Klachtenanalyse 2014, Raad voor de Kinderbescherming.

X Noot
3

Methode «Prettig contact met de Overheid», Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties.