Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231839 nr. 192

31 839 Jeugdzorg

Nr. 192 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 maart 2012

Uw Kamer heeft per brief van de algemene commissie Jeugdzorg gevraagd om een spoedige reactie op het rapport «(On)verantwoord wachten op jeugdzorg» van de Randstedelijke Rekenkamer, de Rekenkamer Amsterdam, De Rekenkamer Den Haag en de Rekenkamer Oost-Nederland dat 13 maart jongstleden is gepubliceerd.

Beleidsinzet toegankelijkheid jeugdzorg

Het thema van het rapport vind ik van groot belang. De jeugdzorg moet toegankelijk zijn voor kinderen die zorg nodig hebben. Hoe snel de jeugdzorg beschikbaar moet zijn, laat zich niet makkelijk in cijfers vangen. Hiervoor is het oordeel van professionals over individuele kinderen nodig. Soms is het noodzakelijk om direct in te grijpen, bijvoorbeeld wanneer kinderen worden aangetroffen in een situatie waarbij zij direct gevaar lopen. In zo’n situatie moet er binnen 24 uur zorg geleverd worden. Soms kunnen kinderen ook langer dan negen weken wachten, bijvoorbeeld wanneer het kind bij familie verblijft in afwachting van plaatsing in een pleeggezin. Of wanneer blijkt dat de ingezette overbruggingszorg dusdanig succesvol is, dat de geïndiceerde zorg niet meer nodig is. Mijn beleidsinzet is erop gericht de jeugdzorg in staat te stellen dit maatwerk te bieden.

Reactie op het rapport «(On)verantwoord wachten op jeugdzorg»

In reactie op het rapport van de provinciale rekenkamers wil ik allereerst aangeven dat ik hun betrokkenheid bij de jeugdzorg waardeer. Dat zij meekijken en aanbevelingen doen, stimuleert alle betrokken partijen om goed te kijken of de inspanningen voor deze jongeren nog gerichter kunnen.

In mijn bestuurlijke reactie, die integraal in het rapport is opgenomen, geef ik aan dat ik een inhoudelijke benadering van de wachtlijsten belangrijk vind, waarbij de nadruk niet alleen ligt op het meten van cijfers. De Randstedelijke Rekenkamer heeft al eerder in een rapportage opgenomen dat wanneer alleen gestuurd wordt op de wachtlijst van langer dan negen weken onvoldoende rekening gehouden wordt met specifieke doelgroepen. Voor sommige jeugdigen zal vijf weken wachttijd reeds te lang zijn, terwijl in andere gevallen zestien weken bijvoorbeeld nog bespreekbaar is.1 Het gaat erom dat alle kinderen tijdig de noodzakelijke zorg krijgen. Dit is in het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 van Rijk en IPO vastgelegd. Voor 2012 heb ik deze lijn voortgezet.

Rapportage over wachtlijsten

In het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 zoals op 27 november 2009 aan de Kamer gezonden is een jaarlijkse voortgangsrapportage overeengekomen met provincies (TK 2009–2010, 31 839, nr. 24). In antwoord op schriftelijke vragen van de Kamer over het Afsprakenkader is gemeld dat de jaarlijkse rapportage ook de wachtlijstcijfers geldt (TK 2009–2010, 31 839, nr. 52). Deze rapportage heeft sindsdien jaarlijks plaatsgevonden over de cijfers op peildatum 1 juli. Op 24 oktober 2011 (TK 2011–2012, 31 839, nr. 137) heb ik u geïnformeerd over de wachtlijstcijfers op peildatum 1 juli 2011. Dit zijn de cijfers zoals ook in het rapport van de rekenkamers zijn opgenomen. Op 26 oktober 2011 heb ik hierover met uw Kamer gesproken in een algemeen overleg.

In de brief van 24 oktober 2011 heb ik aangegeven dat de totale wachtlijsten een rustig beeld laten zien met weinig verandering ten opzichte van het jaar daarvoor. De provincies laten weten dat jeugdigen bij wie de veiligheid in het geding is en jeugdigen in crisissituaties nagenoeg altijd tijdig zorg ontvangen. Provincies slagen er in voor de meeste jeugdigen zorg te bieden conform de indicatie van bureau jeugdzorg. Waar dit niet lukt, wordt in de meeste gevallen een alternatief gevonden. Er blijft een groep over die op de peildatum nog helemaal geen zorg ontvangt, maar dat leidt naar het oordeel van bureau jeugdzorg in verreweg de meeste gevallen niet tot onverantwoorde situaties. In een bestuurlijk overleg op 12 oktober 2011 heeft het IPO aangegeven dat zij instaan voor de kwaliteit van de aangeleverde cijfers. Provincies houden de vinger aan de pols om er voor te zorgen dat er geen onverantwoorde situaties ontstaan met kinderen die op een wachtlijst staan.

Vervolg

Om een beter beeld te krijgen van de wijze waarop provincies en bureaus jeugdzorg de veiligheid waarborgen van kinderen die op jeugdzorg wachten, doet de Inspectie Jeugdzorg momenteel onderzoek. De inspectie onderzoekt in hoeverre bureaus jeugdzorg de veiligheid bewaken van jeugdigen die op een wachtlijst staan voor geïndiceerde jeugdzorg. Ze richt zich hierbij zowel op het beleid als de praktijk. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij een aantal bureaus jeugdzorg die relatief veel jeugdigen op de wachtlijst voor geïndiceerde jeugdzorg hebben staan. Ook wordt in het onderzoek een aantal organisaties voor jeugd en opvoedhulp betrokken.

Zoals tijdens het debat toegezegd zal ik de uitkomsten van het Inspectie-onderzoek met u delen. Ik streef er naar deze, samen met de nieuwe wachtlijstcijfers, in het najaar te melden.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner


X Noot
1

Rapport Randstedelijke Rekenkamer, «Kind centraal of cijfers centraal», januari 2010.