Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031753 nr. 179

31 753 Rechtsbijstand

Nr. 179 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 november 2019

Per brief van 25 september jongstleden heeft uw Kamer verzocht om een reactie op de blog «Foute antwoorden» ten behoeve van het AO gesubsidieerde rechtsbijstand 7 november aanstaande. Hierbij voldoe ik aan dit verzoek.

In de blog wordt gesteld dat de beantwoording van de Kamervragen van het Lid Van Nispen over de juridische grondslag voor de pilot consumentenzaken tussen de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: Raad) met LegalGuard niet correct is. Kort gezegd wordt gesteld dat geen sprake is van een voorziening in de zin van artikel 8 van de Wet op de Rechtsbijstand (hierna: Wrb), omdat LegalGuard niet is ingericht door de Raad. Volgens het betoog in het blog vereist de wet dat de voorziening wordt ingericht door degene die haar heeft opgezet.

Zoals ik heb aangegeven in antwoord op de hierboven genoemde Kamervragen heeft het bestuur van de Raad ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wrb onder meer tot taak om zorg te dragen voor de organisatie van, alsmede de verlening van rechtsbijstand.1 Op grond van artikel 8, tweede lid, Wrb kan het bestuur van de Raad met het oog op de uitoefening van zijn taken een of meer voorzieningen treffen. De Raad heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid door een voorziening ex artikel 8, tweede lid, Wrb te treffen, waarbij LegalGuard (voor de duur van de pilot) belast is met rechtsbijstandverlening aan rechtzoekenden. Verder heb ik geantwoord dat uit artikel 13, eerste lid, onder b, en tweede lid, Wrb volgt dat medewerkers van een voorziening als bedoeld in artikel 8, tweede lid, Wrb bevoegd zijn tot verlening van rechtsbijstand.

Ik zie geen reden om op basis van hetgeen in het bedoelde blog is gesteld terug te komen op deze beantwoording. Het gaat in dit geval niet om het subsidiëren van een reeds bestaande voorziening. Bovendien stelt de wet nergens dat het bij het treffen van een voorziening zou moeten gaan om het inzetten van een nieuwe organisatie of nieuw werkproces dat door de Raad is opgezet. In het voorliggende geval is niet LegalGuard de voorziening in de zin van de Wrb, maar de pilot, waarbij door de Raad gebruik wordt gemaakt van de diensten van LegalGuard.

In het blog wordt verder gesteld dat, voor zover ik de pilot als voorziening wil aanmerken, het niet tot het takenpakket van de Raad behoort om ervaring op te doen met de verschillende wijzen waarop problemen van rechtzoekenden worden opgelost. De Raad zou overeenkomstig artikel 7 Wrb verantwoordelijk zijn voor de organisatie en de uitvoering van de rechtsbijstand. Experimenteren en ervaring opdoen met verschillende wijzen waarop problemen van rechtzoekenden kunnen worden opgelost valt daar niet onder, aldus het blog.

Zoals ik in het vorenstaande al heb aangegeven, heeft de Raad ingevolge artikel 7 Wrb onder meer als taak zorg te dragen voor de organisatie van alsmede de verlening van rechtsbijstand. Met andere woorden: de Raad moet ervoor zorgen dat rechtsbijstand wordt verleend. De Raad dient er tevens voor te zorgen dat dit op een doelmatige wijze plaatsvindt. Zorgdragen voor de organisatie van alsmede de verlening van rechtsbijstand houdt naar mijn oordeel dan ook in dat de Raad mag onderzoeken hoe hij dit op een andere, mogelijk meer efficiënte manier kan organiseren. De doelstelling en inrichting van de pilot sluit hier ook op aan.

Op basis van het bovenstaande concludeer ik dat de raad binnen de grenzen van de wettelijke kaders opereert.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3907.