Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202131710 nr. 78

31 710 Deltaprogramma

29 664 Binnenvisserij

Nr. 78 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 oktober 2020

Iets meer dan anderhalf jaar geleden, op 25 maart 2019, informeerde ik u over het Actieplan toekomstbestendig visserijbeheer IJsselmeergebied (Actieplan; Kamerstukken 31 710 en 29 664, nr. 71, inclusief bijlagen). Graag informeer ik uw Kamer over de voortgang op dit dossier en tevens over een onderzoek naar de visbestanden in het IJsselmeergebied.

Voortgang Actieplan

Voordat ik inhoudelijk inga op de voortgang van het Actieplan, breng ik u de bredere context en het doel daarvan in herinnering.

Context

Het IJsselmeer en Markermeer-IJmeer (het IJsselmeergebied) vormen samen het grootste aaneengesloten zoetwatermeer van West-Europa. Het is van grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Veel belangrijke maatschappelijke, sociale en economische functies zijn in het gebied aanwezig. Beide meren zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Voor de waterkwaliteit zijn beoordelingscriteria vastgesteld onder de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ter verbetering van de ecologische (water)kwaliteit van het IJsselmeergebied worden (publiek en privaat) miljoenen euro’s geïnvesteerd, bijvoorbeeld in het kader van de Programmatische Aanpak Grotere Wateren en de Agenda 2050 IJsselmeergebied. De transitie naar een visserij die in balans is met vereisten voor natuur- en waterkwaliteit, is een belangrijke randvoorwaarde om de doelen te behalen en de daarbij behoren investeringen ter verbetering van de kwaliteit van het IJsselmeergebied te doen slagen.

Doel Actieplan

De bij het Actieplan betrokken partijen zetten zich gezamenlijk in om te komen tot een duurzame visserij in het IJsselmeergebied, waarbij de vangstcapaciteit is afgestemd op de hoeveelheid verantwoord uit de natuur te onttrekken vis. Focus ligt op de beroepsvisserij op vier schubvissoorten: snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem. Voor zowel het herstel van de natuur als voor een toekomst van een duurzame visserij op het IJsselmeer moeten de visbestanden herstellen. Herstructurering van de visserijsector, waarbij de vangstcapaciteit van de visserij op voornoemde schubvissoorten definitief wordt verminderd, is hiertoe noodzakelijk. In combinatie met de wens van de vissers van een minimum aantal rechten op staand net per actieve visser, betekent dit ook een afname van in het IJsselmeergebied actieve schubvisvissers. Om tot een structurele oplossing van het vraagstuk te komen, is het van belang dat die herstructureringsmaatregel is ingebed in een breder totaalpakket van samenhangende en elkaar versterkende maatregelen. Gegeven de Intentieovereenkomst verduurzaming visserij IJsselmeergebied (bijlage bij Kamerstukken 31 710 en 29 664, nr. 71) is er 9,2 miljoen euro beschikbaar voor de herstructurering en flankerende maatregelen.

De koers naar evenwicht

Onder regie van mijn ministerie is een intensief stakeholderproces doorlopen. Ook zijn diverse onderzoeken gedaan, waarvan de resultaten de gesprekken hebben gevoed. Hieronder schets ik u de koers voor de komende jaren, zoals die breed gedragen wordt door de betrokken partijen. De koers is gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke inzichten van dit moment. De betrokken partijen realiseren zich dat het van belang is om nu een richting te kiezen en tot actie over te gaan. Voor een toekomst voor de IJsselmeervisserij op schubvis moeten de visbestanden zich eerst herstellen. Dit kán gecombineerd met verantwoorde visserij, maar dan is een forse, structurele reductie in vangstcapaciteit noodzakelijk. Uit het onderzoek van Wageningen Marine Research (WMR) blijkt dat dit het hardst nodig is voor brasem, gevolgd door snoekbaars, baars en blankvoorn.

De partijen zijn de volgende «spelregels» overeengekomen, die mede bepalend zijn voor de koers:

  • Om de visserijdruk op de vier schubvisbestanden permanent te verlagen, wordt het aantal vergunningen c.q. het aantal op vergunningen staande rechten voor inzet van de vistuigen staand netten en zegen definitief verminderd. Hiervoor wil ik een saneringsregeling openstellen die vissers in staat zal stellen die rechten tegen vergoeding in te leveren. Omdat dit staatssteun betreft, moet deze maatregel goedgekeurd worden door de Europese Commissie, alvorens deze kan worden ingevoerd.

  • We volgen het wetenschappelijke advies van WMR; jaarlijks adviseert WMR mijn departement over de maximaal toegestane vangst van de vier schubvissoorten.

  • Het bestaande visserijbeheer in het IJsselmeergebied (vergunningen met nettensturing) wordt gecontinueerd tot ten minste na de sanering; dit beheer wil ik aanvullen met een sturing op vangsten (maximaal toegestane vangst zoals door WMR geadviseerd).

  • In principe zal daarbij het vangstadvies voor de vissoort waarvan het bestand de meeste bescherming vraagt om te kunnen herstellen, bepalend zijn voor de visserijinspanning met een betreffend vistuig. Daar waar mogelijk wordt onderscheid gemaakt tussen vissoort en of vistuig.

Maximaal toegestane vangst

De maximaal toegestane vangst zal ik in de toekomst per vissoort vaststellen op basis van het jaarlijkse vangstadvies van WMR. WMR gebruikt hiervoor het in opdracht van mijn departement ontwikkelde model en de gezamenlijk met de partijen verkozen oogstregels. Het model houdt rekening met de vereisten van Natura 2000 en de KRW. Zoals ik hiervoor al aangaf, laat het onderzoek van WMR zien dat, voor herstel van deze visbestanden, ingrijpen op de vangstcapaciteit van brasem en snoekbaars het meest urgent is. De vangstadviezen voor deze twee soorten maak ik daarom bepalend voor de maximale vangst van de overige soorten (zie ook hierna).

Op basis van het wetenschappelijke advies van WMR en de voornoemde spelregels komen de partijen tot het volgende:

Het bestand van de brasem is er dusdanig slecht aan toe, dat WMR adviseert om dit bestand tot in ieder geval 2027 niet meer te bevissen; daarmee krijgt het visbestand de kans om zich te herstellen. De vergunningen voor visseizoen 2020–2021 zijn eind juni verleend. Ik acht het niet behoorlijk om in de lopende vergunning in te grijpen, en kies er voor om met ingang van de volgende vergunning (per 1 juli 2021) geen zegenvisserij toe te staan. Daarmee wordt een grote stap gezet richting bescherming van de brasem. Brasemvissers die al met ingang van het huidige visseizoen vrijwillig met hun zegenvisserij willen stoppen, bied ik de mogelijkheid om zich te melden. Voor de door deze maatregel getroffen zegenvissers onderzoek ik de (juridische) mogelijkheid om, bij wijze van alternatieve inkomstenbron, een rol te spelen bij wetenschappelijk onderzoek.

Om het bestand van de snoekbaars te herstellen, mag van deze soort vanaf visseizoen 2023–2024 (of vanaf het moment dat wet- en regelgeving zijn aangepast, zie hierna) per visseizoen maximaal 110 ton worden gevangen. De voor snoekbaars ingezette vistuigen zijn aselectief in de vissoort die zij vangen. Dit maakt de bijvangst van brasem onontkoombaar. Met het oog op de bescherming van de brasem, en op basis van het wetenschappelijke advies van WMR, gaat daarom met ingang van voornoemde visseizoen ook gelden dat de onontkoombare bijvangst van brasem per visseizoen niet meer dan 20 ton mag zijn.

Drie jaar na invoeren van deze maatregelen worden die geëvalueerd. Op basis van die evaluatie en op basis van het jaarlijkse vangstadvies van WMR wordt daarna besloten of voortzetting van deze maatregelen noodzakelijk is, of verdergaande maatregelen getroffen moeten worden, of dat de maximaal toelaatbare vangst omhoog kan.

Beheerstelsel en -systeem

De bij het Actieplan betrokken partijen zijn met elkaar overeengekomen dat ik de herstructurering van de IJsselmeervisserij zelf zal sturen vanuit het publieke beheerstelsel. Samen met Rijkswaterstaat en de provincies bekijk ik hoe we de uitvoeringskaders voor visserij, (ecologische) waterkwaliteit en natuur beter op elkaar kunnen afstemmen en wat we samen kunnen doen om betere naleving te borgen.

Het vanuit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) gesubsidieerde project «Verstandig vissen» richt zich op het met alle betrokken partijen ervaring opdoen met een experimentele planmatige beheercyclus en een doelmatig beheersysteem. Het beoogde eindresultaat is een breed gedragen beheercyclus voor het visserijbeheer. Een eventuele wijziging van het beheerstelsel van publiek- naar een meer privaatrechtelijk stelsel is niet eerder aan de orde dan dat het project «Verstandig vissen» is afgerond; het project heeft een looptijd van drie jaar. Na afronding wordt op basis van het resultaat bezien in hoeverre een (deels) privaat stelsel een volwaardig alternatief kan zijn voor het publieke stelsel. Een wijziging van stelsel zal hoe dan ook niet eerder aan de orde zijn dan wanneer de omvang van de visserij is teruggebracht tot het niveau, waarbij die in balans is met de draagkracht van het ecosysteem.

Voornoemde maatregel voor maximaal toegestane vangsten vraagt, naast een sturing op aantal netten, om sturing op vangsten. Ik ben daarom voornemens om het bestaande beheerstelsel, waarbij via vergunningen met daarop vistuigen de vangstcapaciteit wordt gecontroleerd, te combineren met een «hand aan de kraan»-principe voor de vangsten. Concreet betekent dit het volgende: wanneer de maximaal toegestane vangst van een van de vier schubvissoorten (de zogenaamde choke species) is bereikt, wordt voor het restant van het lopende visseizoen de IJsselmeervisserij – voor zover deze is gericht op de vier schubvissoorten – stopgezet. Dit is een forse maatregel, maar het door de vissers ingezette staand net is aselectief. Het is daardoor niet uit te sluiten dat bij voortzetting van visserij met dit vistuig (of andere in het IJsselmeergebied ingezette vistuigen) meer dan de al bereikte maximaal toegestane vangst zal worden gevangen.

Visserijbeheer in deze vorm, waarbij wordt gestuurd op netten én vangsten, geeft de meeste kans op een zo spoedig mogelijk herstel van de visbestanden.

Het risico bestaat dat de IJsselmeervissers overgaan tot het zogenoemde «Olympisch vissen» al dan niet in combinatie met «high-grading»: zo snel mogelijk, zo veel mogelijk en zo groot mogelijke vis vangen.

Voor de verdeling van de maximaal toegestane vangst en het geleidelijk vullen daarvan ligt een belangrijke rol en verantwoordelijkheid bij de vissers. Het nemen van deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is belangrijk onderdeel van de transitie naar een duurzame IJsselmeervisserij.

Een aantal visserijbedrijven in het IJsselmeergebied heeft op zijn vergunning(en) behalve vistuigen voor visserij op schubvis ook vistuigen voor visserij op aal. De beperkte vangstmogelijkheid voor schubvis kan tot gevolg hebben dat deze bedrijven zich meer gaan toeleggen op de visserij op aal. Dit heeft een ongewenst negatief effect op het herstel van het aalbestand, waarvoor ook Europese verplichtingen gelden. Dit risico neem ik mee in mijn overwegingen voor de herstructurering (zie hierna).

Transparante visserij: digitale registratie

Voor een goed beheer op basis van maximaal toegestane vangsten en voor gedegen vangstadviezen die daaraan ten grondslag liggen, zijn betere registratie en meer betrouwbare vangstdata nodig. IJsselmeervissers worden verplicht om alle gevangen schubvis bij aanlanding te wegen. Daarnaast geldt de verplichting om binnen 24 uur de gepleegde inspanning en (eventuele vangsten) met staand net, zegen en grote fuik digitaal te registreren. Het benodigde registratiesysteem zal in overheidsbeheer worden ontwikkeld.

De wijziging van de Visserijwet 1963 die nodig is om deze verplichtingen in te voeren, zal komend najaar in gang worden gezet. Pas na afronding van het wetstraject is sturing op maximaal toegestane vangsten mogelijk en zal die vanaf het eerstvolgende visseizoen worden geëffectueerd. Afhankelijk van de werkelijk benodigde doorlooptijd – het streven is om de procedures in ongeveer twee jaar te doorlopen – zal dit naar verwachting visseizoen 2023–2024 zijn.

Versterking toezicht, controle en handhaving

Met het oog op de handhaving van voornoemde verplichtingen laat ik onderzoeken of het mogelijk is om in het IJsselmeergebied te gaan werken met een beperkt aantal havens waar vissers hun vangst moeten aanlanden. En, zo ja, welke en onder welke voorwaarden.

Voor alle vissersschepen die na openstelling van de subsidieregeling in het IJsselmeergebied actief blijven, wordt het aan boord hebben en te allen tijden voeren van een Automated Identification System (AIS, een realtime-vaartuigvolgsysteem) verplicht gesteld. Dit vereenvoudigt controle en handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Ter versterking van de handhaving wordt de bij de NVWA voor het IJsselmeergebied beschikbare capaciteit beperkt vergroot. Bij het bepalen van de omvang van deze extra capaciteit heb ik de afweging gemaakt tussen de overheidskosten die hiermee gemoeid zijn in relatie tot de economische omvang van de IJsselmeervisserij. Hieruit bleek dat voor optimale handhaving van de visserijwet- en regelgeving de jaarlijkse overheidskosten bij benadering gelijk zouden zijn aan de opbrengst van de op de vier schubvissoorten gerichte visserij in het IJsselmeergebied. De bekeken alternatieven passen of niet in de doelstelling van het Actieplan (geen visserijactiviteit toestaan omwille van eenvoudige handhaving), of zij bieden nauwelijks soelaas ten aanzien van minder inzet op handhaving (seizoenssluiting). Hoewel de handhaving met deze extra capaciteit enigszins zal versterken, zal handhaving op de naleving van visserijwet- en regelgeving door de vissers een uitdaging blijven.

Ingezet wordt op verdere optimalisatie van de samenwerking tussen de provinciale Omgevingsdiensten en de NVWA. Aanvullend wordt verkend of er in een breder verband samenwerking van toezichthoudende organisaties mogelijk is, bijvoorbeeld met Rijkswaterstaat.

Zodra de bestuurlijke boete wordt ingevoerd voor visserijregelgeving, wordt lik-op-stuk handhaving mogelijk. Het wetsvoorstel gericht op de invoering van de bestuurlijke boete voor overtreding van visserijregelgeving is in procedure. Voorjaar 2020 is de internetconsultatie afgerond. De verwachting is dat het wetsvoorstel komend jaar aan uw Kamer wordt aangeboden.

Herstructurering: sanering en flankerende maatregelen

Hierboven heb ik aangegeven dat het voor de bescherming van de bestanden van de vier schubvissoorten (snoekbaars, baars, brasem en blankvoorn) en voor doelrealisatie van KRW en Natura 2000 nodig is om de vangstcapaciteit fors terug te dringen. Ook gaf ik aan dat ik het bestaande visserijbeheer op basis van nettensturing wil aanvullen met sturing op vangsten. Om de vangstcapaciteit permanent te verlagen, is het verminderen van het aantal rechten op de inzet van de voor de schubvisvisserij ingezette vistuigen noodzakelijk. De nul-vangst voor de brasem en de maximaal toegestane vangst voor snoekbaars zijn hierbij bepalend.

Het permanent uit het systeem halen van (delen van) vergunningen c.q. rechten voor inzet van vistuigen op de vergunningen, wil ik realiseren via een vrijwillige sanering, waarbij ingeleverde rechten vergoed zullen worden. Het gaat hierbij om de vistuigen staand net en zegen. De subsidieregeling die ik hiervoor zal opstellen, moet vanwege staatssteunaspecten ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Europese Commissie; zonder akkoord van de Commissie kan ik de subsidieregeling niet uitvoeren. Als eerste stap worden nog dit najaar de gesprekken met de Commissie vervolgd en wordt zij geïnformeerd over het voorgenomen maatregelenpakket. Rekening houdend met de verwachte doorlooptijd voor de gehele procedure betekent dit, dat de Commissie zich najaar 2022 kan uitspreken over de voorgenomen subsidieregeling.

De situatie dat onvoldoende vissers een beroep doen op de subsidieregeling, met als consequentie dat de noodzakelijke vangstreductie niet gerealiseerd kan worden, kan zich voordoen. In dit onverhoopte geval ben ik genoodzaakt om een generieke maatregel te nemen om daarmee de noodzakelijke reductie alsnog te realiseren: de toegestane inzet van de op de vergunning staande vistuigen zal worden beperkt, vergelijkbaar met de reductiemaatregel van 2014.

In het IJsselmeergebied zijn meerdere vissers met een vergunning waarop vistuigen voor de visserij op schubvis en voor aal staan vermeld. Sommige van die gemengde bedrijven zullen niet meer rendabel zijn als ze hun rechten op de inzet van vistuigen voor de schubvisvisserij inleveren. Mogelijk dat deze vissers de inkomstenderving zullen compenseren door extra inzet op aalvangsten. Dit type bedrijven wil ik – mits dit binnen de staatssteunkaders kan – de optie bieden om ook hun rechten voor inzet van vistuigen voor de aalvisserij tegen vergoeding in te leveren. Op deze wijze wil ik hen stimuleren mee te doen aan de subsidieregeling. Dit heeft een extra bijdrage aan hetip herstel van de aal als bijkomend voordeel. Daarom zal ik de Commissie de vraag voorleggen of in die gevallen ook uitkoop van deze rechten voor de inzet van aalvistuigen onderdeel van de subsidieregeling kan zijn, om zo vissers de gelegenheid te bieden om met hun hele bedrijf te stoppen.

Vissers die vrijwillig stoppen én vissers die besluiten te blijven, kunnen gebruik maken van sociaaleconomische flankerende maatregelen. Deze mogelijkheid wordt gelijktijdig met het openstellen van de subsidieregeling geboden. Dit zal door de provincies worden getrokken.

Ter voorbereiding inventariseren de betrokken overheidspartijen bestaand flankerend instrumentarium (inclusief fiscaal) en bestaande initiatieven om deze directer en toegankelijker bij de doelgroep onder de aandacht brengen en te benutten. Doel is de vissers te ondersteunen bij hun overstap naar een andere carrière of transitie in de bedrijfsvoering. Indien dit nodig en wenselijk blijkt, ontwikkelen de betrokken provincies aanvullend flankerend beleid dat past binnen de kaders voor staatssteun.

De traditionele botvisserij en cultuurhistorische visserij in het IJsselmeergebied maken (deels) gebruik van dezelfde vistuigen als de beroepsvisserij op de vier schubvissoorten. Een van de belangrijke voorwaarden aan de herstructurering van de IJsselmeervisserij is het behouden van diversiteit binnen die sector. Ook het behouden van andere vormen en functies van visserij, vanuit cultuurhistorische of recreatieve waarde, is een voorwaarde. Om deze reden zijn de botvisserij en cultuurhistorische visserij uitgesloten van de voornoemde herstructureringsmaatregelen. Wel zal ik aan de ontheffing voor de cultuurhistorische visserij extra voorwaarden stellen.

Relatie met visserijvrije zones

Met mijn brief van 3 juli jl. informeerde ik u, mede namens mijn ambtgenoot van het Ministerie van Infrastructuur en Water, over mijn beleidsvoornemens ten aanzien van visserij in de nabijheid van vismigratievoorzieningen bij waterstaatkundige kunstwerken (Kamerstuk 29 664, nr. 204). De nadeelcompensatieregeling die in dit kader zal worden ingevoerd, is gericht op de zogenaamde vaste vistuigen en zal derhalve geen overlap hebben met de in deze brief genoemde subsidieregeling.

Ongebruikte rechten

Met uitzondering van het jaar 2012 mag al sinds 2009 op het IJsselmeer niet meer op spiering worden gevist. Sindsdien is ofwel geen vrijstelling van het verbod verleend ofwel geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aan de vissers verleend, waardoor geen gebruik van de vrijstelling van het verbod gemaakt kon worden. In oktober en november 2019 deed WMR onderzoek naar de spieringstand in het IJsselmeer en Markermeer. WMR adviseert de spieringvisserij niet open te stellen.1 WMR komt tot deze conclusie op basis van de geconstateerde lage spieringstand in combinatie met meer ecologische argumenten. Denk hierbij aan de ecologische plek van spiering als voedseldier voor roofvissen zoals snoekbaars en baars, en voor onder Natura 2000 beschermde visetende vogels.

Naast deze op de vergunning staande ongebruikte rechten voor de inzet van vistuigen zijn er ook de ongebruikte rechten voor de inzet van staand netten: sinds 2014 mag 85 procent van de staande netten niet worden gebruikt voor visserij op schubvis.

De partijen zijn het erover eens dat de aanwezigheid van voornoemde ongebruikte rechten in het systeem onwenselijk is. Daarom zal ik op korte termijn een beleidsregel opstellen en in de Staatscourant publiceren. In zijn rapport van 2019 concludeerde Wageningen Economic Research (WEcR) dat een termijn van vijf tot zeven jaar een visserijondernemer gelegenheid geeft om de onderneming aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Daardoor is sprake van een «fair balance» tussen het algemene belang en het individuele belang.2 De beleidsregel zal daarom inhouden dat vistuigen, die gedurende een periode van zeven aaneengesloten jaren na publicatiedatum in de Staatscourant niet zijn gebruikt, zonder vergoeding worden ingenomen en derhalve niet meer op de vergunning zullen worden opgenomen.

Actualisatieslag visserijwet- en regelgeving

De visserijwet- en regelgeving behoeft een actualisatieslag. Deze zal ik zo snel mogelijk ter hand nemen. Gelijktijdig met deze actualisatieslag zal gestart worden met de benodigde aanpassingen in de visserijwet- en regelgeving ten behoeve van in deze brief genoemde verplichtingen die juridische borging vergen. Het streven is om de benodigde procedure voor de wijziging van de wet- en regelgeving binnen twee jaar te doorlopen. Lukt dit, dan zullen de in deze brief genoemde verplichtingen gelden vanaf visseizoen 2023–2024.

Draagvlak en naleving

Voor de vissers is voorgaande geen gemakkelijke boodschap. Dit is ook gebleken op de bijeenkomst die op 16 september jl. heeft plaatsgevonden. Het beeld dat de vissers hebben van hoe het gaat met de schubvisbestanden in het IJsselmeergebied, verschilt wezenlijk van het beeld dat de wetenschappers hebben o.b.v. de gestandaardiseerde bestandsopnamen; volgens de vissers gaat beter dan de wetenschappers aangeven. Ook overheerst bij de vissers wantrouwen naar de juistheid van het wetenschappelijke werk van WMR (gestandaardiseerde bestandsopnamen, modelberekeningen en daarmee de vangstadviezen). Na de generieke reductiemaatregel in 2014 (sindsdien mag 85 procent van de op de vergunning geregistreerde staande netten niet worden ingezet) zien de vissers nu opnieuw beperkende maatregelen, terwijl hun vangsten de afgelopen visseizoenen zeer goed waren.

Ongeloof en onbegrip maken dat er bij de vissers geen draagvlak is voor bovenstaande pakket van maatregelen. De PO IJsselmeer heeft daarom een voorbehoud gemaakt en namens de leden geen instemming gegeven. Maar, willen wij ons doel realiseren, willen wij ook in de toekomst nog een IJsselmeervisserij hebben, dan ontkomen wij er niet aan om deze stap te zetten. En niet alleen voor een toekomstperspectief voor de IJsselmeervisserij is deze stap nodig. De stap is zeker ook zo hard nodig om bij te dragen aan doelrealisatie van de Kaderrichtlijn Water en die voor de visetende vogels in Natura 2000-gebieden IJsselmeer en Markermeer-IJmeer. De wetenschappelijke rapporten laten zien dat we nu snel tot actie moeten overgaan.

Ik houd daarom vast aan de vast aan de met de partijen besproken koers, ik start de gesprekken met de Europese Commissie en onderneem de eerste stappen voor de wijzigingen in de visserijwet- en regelgeving. Terwijl die procedures lopen, zal mijn departement zich inzetten voor vergroting van het draagvlak bij de vissers. Onder regie van LNV zal – voor zover Covid-19 het toelaat – het gesprek met de vissers gevoerd worden om samen met hen het model en vooral ook de daarbinnen gebruikte data te optimaliseren, te fijn slijpen. Daar waar wij over twee, misschien drie jaar staan met het model zal bepalend worden voor de vangstadviezen die aan de basis liggen van de herstructurering met vrijwillige sanering als onderdeel daarvan, ook als die vangstadviezen gelijk zijn aan de vangstadviezen van nu.

Ik gaf het al aan: de handhaving op de naleving van de verplichtingen door vissers blijft een uitdaging. Is er te weinig naleving van de visserijwet- en regelgeving, dan zullen wij het doel van het Actieplan niet realiseren. Ook niet met extra inzet op toezicht en handhaving. Bewust bouw ik daarom ook hiervoor een evaluatiemoment in na drie jaar. Als de genomen maatregelen onvoldoende effect hebben op de visbestanden in het IJsselmeer, dan zal op dat moment serieus moeten worden overwogen om verdergaande visserij beperkende maatregelen te nemen.

Visbestanden IJsselmeergebied

Tijdens het Algemeen Overleg van 11 december 2019 over de Landbouw- en Visserijraad op 16 en 17 december 2019 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1226) vroegen de leden Madlener (PVV) en Bisschop (SGP) mij naar de toestand van de visbestanden in het IJsselmeergebied. Meer specifiek vroeg het lid Bisschop mij naar de resultaten van de bemonstering die in najaar 2019 werd uitgevoerd door de sector in nauwe samenwerking met de instituten. Daarop heb ik toegezegd uw Kamer hierover te informeren.

Langjarige trend

Om een beeld te krijgen van de langjarige trend in de bestandsontwikkeling van de vier commercieel beviste schubvissoorten (snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem) voert WMR jaarlijks een zogenoemde openwatersurvey uit. Dit resulteert in een tijdserie die teruggaat tot 1969; vanaf 1989 is de serie gestandaardiseerd tot de huidige omvang (aantal en locaties van de trekken). Voor de vangstadvisering gebruikt WMR de tijdserie vanaf 1992: in deze periode is er sprake van een redelijk stabiele draagkracht. Uit deze tijdserie blijkt dat van 1992 tot in de jaren 2010 de visbestanden in omvang afnemen. Ook het aandeel grote, oude vis in die bestanden neemt af. In 2014 is voor de IJsselmeervisserij de 85 procent reductiemaatregel ingevoerd; nog 15 procent van de op de vergunning geregistreerde staand netten mag worden ingezet. Sindsdien laten alle vier de bestanden geen achteruitgang zien ten opzichte van de jaren ervoor; verbeteringen zijn niet voor alle visbestanden (zowel het paaibestand als de rekrutering) geconstateerd en niet in meerdere opeenvolgende jaren.3

Gezamenlijke bestandsopnamen wetenschap en vissers: vergelijking vistuigen

Het beeld dat vissers hebben op basis van hun eigen waarnemingen en ervaringen wijkt vaak af van de resultaten van de visbestandsopnamen door WMR. In 2017 startten de Stichting Transitie IJsselmeer (STIJ) en WMR daarom het project «Op weg naar een duurzame visserij op het IJsselmeer-Markermeer; gezamenlijke bestandsopnamen als stap naar breed gedragen vangstadviezen». De nadruk lag op hoe op een efficiënte manier een voldoende betrouwbaar beeld verkregen kan worden van niet alleen trends in de omvang van de visstand maar ook van de lengtesamenstelling van de visstand. Hiertoe zijn vergelijkende bemonsteringen met twee vistuigen (de zogenaamde atoomkuil en verhoogde boomkor) uitgevoerd4. Het onderzoek concludeert dat, afhankelijk van de gewenste informatie over de visstand, er een voorkeur kan zijn voor een van de twee onderzochte vistuigen.

Voor het geven van vangstadviezen is vooral het hebben van informatie over de langjarige verandering in de omvang en lengtesamenstelling van de visbestanden, verkregen op basis van een gestandaardiseerde bemonstering, essentieel. Zo’n lange tijdserie is alleen beschikbaar voor de wetenschappelijke surveys van WMR, met de verhoogde boomkor. Op basis hiervan waren de wetenschappers van WMR in staat om een betrouwbaar adviesmodel te ontwikkelen, dat specifiek voor het IJsselmeergebied is en dat past bij de beschikbare informatie en de robuustheid daarvan.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten