31 701 Trendnota Arbeidszaken Overheidspersoneel 2009

Nr. 31 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juni 2010

Uitgaven externe inhuur 2009

Bijgaand treft u ter informatie aan het overzicht van de uitgaven externe inhuur door de gezamenlijke ministeries over 2009.1 Dit overzicht is opgesteld op basis van de rapportages over de uitgaven aan externe inhuur in de departementale jaarverslagen 2009.

Het totaalbedrag aan uitgaven externe inhuur over 2009 bedraagt € 1.284 miljoen. Ten opzichte van het bedrag over 2008 van € 1.219 miljoen betekent dit een stijging van de uitgaven aan externe inhuur met circa € 65 miljoen, oftewel een stijging van 5,3%.

Sinds 2009 bestaat er voor de ministeries een norm voor de inhuur van extern personeel van maximaal 13% (van de totale personele uitgaven).2 Deze norm heeft het karakter van «comply or explain». Dat wil zeggen dat als de norm wordt overschreden het desbetreffende ministerie motiveert waarom de overschrijding noodzakelijk was. In de departementale jaarverslagen 2009 hebben alle ministeries gerapporteerd over de naleving van de norm. Zoals blijkt uit het uitgavenoverzicht bleven vijf ministeries (EZ, Justitie, VROM, VenW en VWS) in 2009 boven de norm van 13%.3 Als de uitgaven aan externe inhuur voor het rijksbrede programma Vernieuwing Rijksdienst worden meegerekend komt ook het ministerie van BZK boven de norm uit. De desbetreffende ministeries hebben de overschrijding toegelicht in de jaarverslagen.

Reactie op de motie-Roemer

Tijdens het Verantwoordingsdebat op 20 mei jl. is een motie ingediend door het lid Roemer van de SP die met algemene stemmen door uw Kamer is aangenomen.4 De motie verzoekt de regering om «een afdwingbare norm te leggen van 10% voor de inhuur van externen» door de ministeries. Van de gelegenheid maak ik gebruik om namens het kabinet een reactie op de motie te geven.

Het gevraagde afdwingbare karakter impliceert in feite dat uitgaven boven de norm als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Het aanmerken als onrechtmatig van alle uitgaven die uitgaan boven de genoemde norm – of welke uitgavennorm dan ook – is niet werkbaar. Hiermee wordt het comply-or-explain element uit het sturingsinstrument gehaald. Het zou iedere flexibiliteit in de voorziening van de benodigde personele capaciteit wegnemen. Ook mét handhaving van het comply-or-explain element is het onmiddellijk van kracht verklaren van het percentage van 10%, terwijl het jaar al voor bijna de helft voorbij is, praktisch onmogelijk. Het zou louter tot gevolg hebben dat het aantal overschrijdingen van de norm toeneemt.

Met de huidige norm van 13% is nu één keer ervaring opgedaan. Die norm werd bovendien pas medio 2009 ingevoerd. In 2010 wordt voor het eerst volledig zichtbaar welk effect de norm heeft op de uitgaven externe inhuur. Dit pleit er voor in ieder geval in 2010 de huidige systematiek niet aan te passen.

Daarnaast is te voorzien dat het nieuwe kabinet op de omvang van de rijksdienst of aspecten van de bedrijfsvoering tot nieuwe ombuigingstaakstellingen zal besluiten. Om die reden is het voor de hand liggend dat het nieuwe kabinet ook een besluit neemt over de uitvoering van de motie-Roemer voor de periode na 2010.

Het huidige kabinet ziet in de motie van het lid Roemer dan ook geen aanleiding om nog in de loop van 2010 de uitgavennorm voor externe inhuur te verlagen. Voor de periode na 2010 wordt de besluitvorming over de uitvoering van de motie overgelaten aan het volgende kabinet.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

XNoot
2

Zie de brief van de Minister van BZK van 24 juni 2009 (Tweede Kamer, 2008–2009, 31 701, nr. 21).

XNoot
3

Voor ministeries die in 2008 boven de norm van 13% uitkwamen, wordt gedurende een periode van drie jaar (t/m 2011) een afwijkende norm gehanteerd. Voor deze ministeries (i.c. EZ, VROM, VWS en VenW) geldt het inhuurpercentage 2008 als norm, die in drie jaar wordt afgebouwd tot 13% in 2011.

XNoot
4

Tweede Kamer, 2009–2010, 32 360, nr. 5.

Naar boven