Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 juni 2014
In het debat over de rechtsstaat van 11 maart jl. heeft een aantal fracties van de
Eerste Kamer erop aangedrongen een (sobere) algemene bepaling, behelzende dat Nederland
een democratische rechtsstaat is, in de Grondwet op te nemen. Ik heb de Eerste Kamer
daarop toegezegd deze wens opnieuw onder de aandacht te brengen van de ministerraad.
In navolging hiervan heb ik de Eerste Kamer per brief van 14 maart 2014 (Kamerstukken I,
2013/14, 31 570, J) laten weten dat het kabinet het opnemen van een algemene bepaling in de Grondwet
zou heroverwegen. In deze brief heb ik tevens opgemerkt dat met de aankondiging van
deze heroverweging niet beoogd is vooruit te lopen op de uitkomst ervan. Aan de Tweede
Kamer heb ik een afschrift van deze brief gestuurd. De aangekondigde heroverweging
heeft inmiddels plaatsgevonden. In deze brief verwoord ik de uitkomst van deze heroverweging
en de conclusie die het kabinet daaruit trekt ten aanzien van het opnemen van een
algemene bepaling in de Grondwet.
De democratie en de rechtsstaat liggen als kernbeginselen tezamen met de grondrechten
ten grondslag aan onze Grondwet. Zij zijn gerijpt in een constitutioneel bestel dat
zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld en in de Grondwet op samenhangende wijze
zijn neerslag heeft gekregen. Toch worden de kernbeginselen niet expliciet genoemd
in onze Grondwet, evenmin als de waarborgfunctie die de Grondwet heeft ten aanzien
van deze kernbeginselen en de grondrechten. In de internationale rechtsorde en in
verschillende nationale rechtsordes is dat wel het geval. Daar worden de democratie,
de rechtsstaat en de grondrechten vaak expliciet genoemd – en daarmee expliciet gewaarborgd –
in een constituerend document.
De rechtsstaat, de democratie en de mensenrechten zijn de drie pijlers van de Raad
van Europa.1 Zij zijn opgenomen in de preambule van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Ook in het Verdrag betreffende
de Europese Unie keert deze drieslag van democratie, rechtsstaat en mensenrechten
terug. Zo bevestigt de preambule van het VEU de «gehechtheid aan de beginselen van
vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden
van de rechtsstaat». Ook artikel 2 VEU bestempelt (onder andere) democratie, de rechtsstaat
en mensenrechten als de waarden waarop de Unie berust. Hetzelfde geldt voor het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie. In de preambule daarvan staat eveneens dat
de Unie haar grondslag vestigt op de ondeelbare en universele waarden van menselijke
waardigheid en vrijheid, gelijkheid en solidariteit, en dat de Unie berust op het
beginsel van democratie en het beginsel van de rechtsstaat.
Ook op het nationale niveau zijn de drie pijlers in diverse grondwetten opgenomen.
De drieslag democratie, rechtsstaat en mensenrechten staat bijvoorbeeld helder in
artikel 2 van de recent aangepaste Noorse Grondwet: «Denne grunnlov skal sikre demokratiet, rettsstaten og menneskerettighetene»2. De Tsjechische, Zweedse en Spaanse constituties expliciteren in min of meer soortgelijke
bewoordingen de kernbeginselen democratie, rechtsstaat en grondrechten. In veel andere
constituties wordt voorts een aantal van deze kernbeginselen gecodificeerd. Zo kennen
de grondwetten van onder meer Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië en Oostenrijk
referenties aan het democratieprincipe en aan de rechten van de mens. In de Canadese
grondwet is een expliciete verwijzing naar de rechtsstaat opgenomen.
De internationale en nationale rechtsordes in ogenschouw nemend, acht het kabinet
het passend de kernbeginselen democratie en rechtsstaat en de grondrechten (nader)
te expliciteren. Het kabinet is dan ook voornemens een voorstel in te dienen tot wijziging
van de Grondwet, in die zin dat er een algemene bepaling voorafgaand aan artikel 1
zal worden toegevoegd, luidende: «De Grondwet waarborgt de democratie, de rechtsstaat
en de grondrechten.»
De nieuwe bepaling moet nadrukkelijk niet als een preambule worden beschouwd; zij
behoort tot het corpus van de Grondwet. Het kabinet beoogt met deze algemene bepaling
vooruit te wijzen naar de bepalingen die volgen. Daarmee geeft de nieuwe bepaling
de contouren aan waarbinnen onze Grondwet gelezen en begrepen dient te worden. Deze
beknopte toevoeging aan de Grondwet is volgens het kabinet in lijn met het sobere
karakter van onze Grondwet en sluit aan bij haar institutioneel-organisatorische-
en waarborgfunctie.
Het kabinet is voornemens dit voorstel tot wijziging van de Grondwet in het voorjaar
van 2015 in te dienen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk