Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201431524 nr. 182

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 182 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 oktober 2013

Bij dezen ontvangt u het rapport van de Inspectie van het Onderwijs (verder te noemen: Inspectie) naar aanleiding van het onderzoek naar de samenwerkingsrelatie tussen ROC Flevoland en ROC van Amsterdam1. Op 7 oktober 2011 zijn door uw Kamer schriftelijke vragen gesteld aan mijn ambtsvoorganger over de consequenties van de samenwerking tussen genoemde instellingen. In de beantwoording van deze vragen (Aanhangsel Handelingen II, 2011/12, nr. 1287) is aangegeven dat de Inspectie is gevraagd aanvullend onderzoek te doen naar de door deze instellingen toegepaste constructie van samenwerking in een door beide opgerichte koepelstichting. De Kamer zou op de hoogte worden gesteld van de uitkomsten van het onderzoek en de stappen die op basis daarvan zouden worden gezet.

In het voorjaar van 2013 hebben de bestuurders van beide roc’s besloten de samenwerkingsconstructie zo in te richten dat die aansluit bij de bedoeling van de wetgever en elke schijn van belangenverstrengeling wordt voorkomen. Er zijn gesprekken gevoerd tussen de Inspectie van het Onderwijs en de collegevoorzitters van beide roc’s over hun wens een coöperatie in te richten, omdat die door de Inspectie meer geëigend wordt geacht. De Inspectie heeft daarbij herhaaldelijk benadrukt dat de nieuw gekozen vorm een zodanige invulling moet krijgen waardoor de samenwerking echt kantelt en het zwaartepunt van de bestuurlijke besluiten weer bij de instellingen zelf komt te liggen.

De Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) stelt de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden van het bevoegd gezag vast. Daaruit kunnen vervolgens de grenzen van samenwerkingsvormen worden bepaald. Zo mag het algemeen bestuur van de coöperatie niet de algemeen bestuurlijke en financiële kaders voor de instellingen vaststellen die leidend zijn voor de besluitvorming door de afzonderlijke colleges van bestuur. Het algemeen bestuur kan wel voorstellen ontwikkelen die afzonderlijke besluitvorming in de afzonderlijke colleges van bestuur vraagt. In de WEB (alsmede in lagere regelgeving) worden immers taken, verplichtingen, bevoegdheden en verantwoordingsverplichtingen bij het bevoegd gezag gelegd. Doordat een specifiek orgaan is aangewezen als bevoegd gezag is er in de WEB geen ruimte om een ander orgaan dan het college van bestuur als bevoegd gezag aan te wijzen. Een lid van het college van bestuur van een instelling kan om die reden geen lid zijn van het college van bestuur van een andere instelling.

Daarnaast is de code «Goed bestuur in de bve-sector» van belang. De code is in november 2009 aangewezen in de «Regeling aanwijzing code «Goed bestuur in de bve-sector»» als branchecode, zoals bedoeld in artikel 2.5.4, eerste lid, WEB. Dit is de branchecode over de toepassing, waarvan het bevoegd gezag verantwoording moet afleggen in het jaarverslag, volgens het principe «Pas toe, leg uit». In artikel 3.1.4. van voornoemde code is bepaald dat: «Elke vorm en schijn van belangenverstrengeling van leden van het college van bestuur die de uitoefening van hun taak kunnen beïnvloeden wordt vermeden. De raad van toezicht bewaakt dat».

Op grond van het wettelijke kader en de branchecode komt de Inspectie tot het oordeel dat beide roc’s met de thans gekozen uitwerking van de samenwerkingsconstructie door middel van een coöperatie een goede keuze lijken te hebben gemaakt en, mits goed geïmplementeerd, strijdigheid met de wet voorkomt. Hoe de implementatie van deze coöperatiestructuur vervolgens in de praktijk uitpakt, kan op dit moment nog niet worden beoordeeld, omdat de Inspectie nog niet beschikt over gegevens van een uitwerking van een mogelijke overdracht van bevoegdheden met betrekking tot de voorgenomen inrichting van een coöperatie. Daarom zal de Inspectie in januari 2014 een vervolgonderzoek uitvoeren om dan de uitwerking van de coöperatieve samenwerking in de praktijk te toetsen aan wet- en regelgeving. Ik deel de analyse van de Inspectie.

Op dit moment zijn er geen zwaarwegende argumenten tegen het voornemen om een coöperatie in te richten. Wel acht ik het vervolgonderzoek door de Inspectie nodig. De resultaten daarvan wacht ik met belangstelling af. Over de bevindingen zal ik u te zijner tijd informeren.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer